Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:135

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
18/110652-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 246 Sr. Verdachte heeft in een drukke horecagelegenheid een vrouw aangerand. Verdachte heeft, in het voorbijgaan, de vrouw onverhoeds in haar schaamstreek vastgepakt.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/110652-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 januari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 december 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2017 te Groningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds (over de kleding heen) vastpakken en/of betasten van de vagina, althans het kruis, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken en/of betasten van de vagina, althans het kruis, van die [slachtoffer];

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde. Onder verwijzing naar vergelijkbare jurisprudentie1 wordt de aangifte van [slachtoffer] voldoende ondersteund door de verklaring van verdachte, nu verdachte heeft verklaard dat hij in de nabije aanwezigheid van aangeefster was en de vagina van aangeefster heeft aangeraakt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het was druk in de uitgaansgelegenheid waar de verdachte en aangeefster [slachtoffer] zich bevonden. Verdachte is in het voorbijgaan tegen aangeefster aan gebotst en heeft toen per ongeluk met zijn hand het kruis van aangeefster geraakt. Verdachte heeft verklaard geen opzet te hebben gehad op het aanraken of betasten van de vagina van [slachtoffer]. Hij heeft hieromtrent steeds consistent verklaard bij de politie, de reclassering en ter zitting. De raadsman heeft subsidiair betoogd dat een voorwaardelijke veroordeling moet worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 20 december 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik pakte haar bij de vagina.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 oktober 2017, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017259931 d.d. 10 november 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Wij waren op 1 oktober 2017 bij [bedrijf] in de Peperstraat te Groningen. De jongens kwamen binnen. Ik liep tegen de stroom in. Toen we vlak bij elkaar waren, werd ik in mijn kruis gepakt door hem. Dat was aan de voorkant van de venusheuvel. Het was over de kleding heen. Het was een kort grijpen. Niet heel hard, maar wel duidelijk te voelen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (aanhouding) d.d. 1 oktober 2017, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant]:

Op zondag 1 oktober 2017 meldde een vrouw zich bij mij en zij verklaarde dat zij zojuist door een man in haar kruis was gegrepen. Ik zag dat zij één man aanwees als zijnde de verdachte. Deze man was: [verdachte], geboren [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 oktober 2017, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Mijn zusje kwam naar me toe in [bedrijf]. Ze zei dat een jongen haar bij het kruis had gegrepen. Ze leek geschrokken, verbaasd, verbouwereerd.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 1 oktober 2017, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Welk deel van jouw hand heeft haar vagina aangeraakt?

A: Mijn rechterhand bij mijn vinger.

V: Wat is dan een klein beetje aangeraakt voor jou? Kan je dat voordoen bij de tafel.

O: De verdachte doet het voor bij de tafel met de binnenkant van zijn hand.

V: Je doet het nu voor met de binnenkant van je hand. Klopt dat?

A: Ja.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster [slachtoffer] gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Uit de aangifte van aangeefster blijkt dat verdachte haar onverhoeds heeft gegrepen in de schaamstreek. Aangeefster heeft verklaard dat ze een kortstondig grijpen voelde, dat niet heel hard was maar wel duidelijk te voelen. De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen, nu de verklaring van getuige [getuige] de verklaring van aangeefster ondersteunt, in het bijzonder waar [getuige] verklaart dat aangeefster direct aan hem vertelde wat verdachte had gedaan en zij zichtbaar emotioneel was terwijl zij dat vertelde. Tevens wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de verklaring van verdachte. Immers, bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte zelf verklaard dat hij in het voorbij gaan, over de kleding heen, de vagina van aangeefster heeft aangeraakt. Het verweer van verdachte dat dit per ongeluk zou zijn gegaan, wordt door de rechtbank verworpen, nu verdachte bij de politie een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd omtrent zijn gemaakte bewegingen ten aanzien van aangeefster die desbetreffende avond. Uit deze omschrijving blijkt voorts dat verdachte met de binnenkant van zijn hand, over de kleding heen, de vagina van aangeefster heeft aangeraakt. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke beweging naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden aangemerkt als 'per ongeluk'. Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 1 oktober 2017 te Groningen, door het onverhoeds (over de kleding heen) vastpakken van de vagina, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het vastpakken van de vagina, van die [slachtoffer].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren te vervangen door 15 dagen hechtenis. Daarbij heeft de officier van justitie acht geslagen op de richtlijnen van het openbaar ministerie en het feit dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte het incident serieus heeft opgepakt en excuses heeft aangeboden aan het slachtoffer, ondanks dat hij geen ontuchtige intentie heeft gehad. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een vluchtverhaal heeft en iets van zijn leven probeert te maken. Hij gaat vijf dagen per week naar school om de Nederlandse taal te leren en is werkzaam in een magazijn. Daarnaast verricht verdachte elke dag vrijwilligerswerk. Gelet hierop heeft de raadsman gepleit voor een voorwaardelijke veroordeling, indien verdachte niet wordt vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Verdachte heeft in een horecagelegenheid aangeefster onzedelijk betast. Verdachte heeft, terwijl hij in een stroom mensen naar binnen liep, aangeefster onverhoeds in haar schaamstreek vastgepakt. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en met zijn grove manieren schrik aangejaagd. Verdachte heeft zich ten tijde van het plegen van het feit kennelijk laten leiden door zijn eigen drang, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 19 november 2018, opgemaakt door [medewerker]. Uit het reclasseringsadvies is gebleken dat verdachte in 2015 vanwege politieke druk vanuit Eritrea naar Nederland is gevlucht. Hij heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Er worden door de reclassering geen grote problemen bij verdachte op leefgebieden geconstateerd. Verdachte heeft een eigen huurwoning in Groningen en gaat vijf dagen per week naar school om de Nederlandse taal te leren. Daarnaast verricht verdachte vrijwilligerswerk. De reclassering heeft geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte nog niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast neemt de rechtbank mede in overweging dat onderhavige aanranding, namelijk een korte aanraking over de kleding heen, een variant van het lichtere soort is.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene in het onderhavige geval dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. A.M.J. Flach, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 januari 2019.

Mr. M.S. van den Berg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728.