Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1310

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
18/730360-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 28 maart 2019 een 38-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel gedurende een periode van ongeveer zeven maanden. Verdachte heeft een 18-jarige kwetsbare vrouw naar klanten gebracht of laten brengen en heeft haar verdiensten beheerd en afgepakt. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van het overwicht dat hij op het slachtoffer had en van de kwetsbare positie waarin zij verkeerde. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan drie mishandelingen. Telkens was zijn toenmalige partner (de moeder van zijn kind) het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 273f
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/730360-17

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830106-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/230139-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 maart 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Lubbers, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/730360-17 ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 8 april 2015 tot en met 7 november 2015 te

Groningen, (althans) in Nederland en te Duitsland, A) een ander, te weten [slachtoffer 1], (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van

seksuele aard (sub 4°) en/of

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, die [slachtoffer 1], seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of

B)(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten [slachtoffer 1], (sub 6°),

immers heeft hij verdachte:

- die [slachtoffer 1] drugs (te weten XTC en/of cocaïne) laten gebruiken en/of (vervolgens) seks met die [slachtoffer 1] gehad en/of

- in het bijzijn van die [slachtoffer 1], zijn verdachtes (ex)partner [slachtoffer 2], in elkaar geslagen en/of erg boos geworden op die [slachtoffer 2] en/of diens kind(eren) en/of

- een (aantal) foto('s) in erotische kleding gemaakt van die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1] onder invloed van drugs verkeerde) en/of

- ( een) advertentie(s) op de website www.speurders.nl geplaatst, waarin die [slachtoffer 1] zich aanbood voor het verlenen van seksuele diensten tegen betaling en/of

- de telefoon opgenomen en/of laten opnemen voor die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) afspraken gemaakt voor die [slachtoffer 1] met (potentiële) klanten voor prostitutie en/of

- die [slachtoffer 1] naar klanten vervoerd en/of

- een (gedeelte) van het door die [slachtoffer 1] verdiende geld ingenomen en/of door die [slachtoffer 1] laten afstaan;

terwijl die [slachtoffer 1] net 18 jaar was geworden en/of over weinig sociale contacten beschikte en/of depressieve gevoelens had en/of bang was voor hem, verdachte, en/of niet voor zichzelf op kon komen en/of (aldus) geen weerstand kon bieden aan verdachte.

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in de zaak met parketnummer 18/830106-18 ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de maand november 2014 te Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of op te tillen en/of (vervolgens)

- op de grond en/of tegen de verwarming te duwen en/of te gooien;

2.

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2014 tot en met 21 juli 2015 te Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

- met een mes in het haar van die [slachtoffer 2] te snijden en/of

- een gedeelte van het haar van die [slachtoffer 2] af te snijden;

3.

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2014 tot 14 november 2015, in elk geval in het jaar 2015, op diverse data en/of tijdstippen (in de slaapkamer gelegen in een woning aan de [straatnaam] aldaar) te Groningen, (meermalen) [slachtoffer 2] heeft mishandeld door (telkens) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of te schoppen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot de in de zaak met parketnummer 18/730360-17 ten laste gelegde mensenhandel gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft de officier van justitie aangevoerd dat alle ten laste gelegde sub-onderdelen (te weten 1, 4, 6 en 9) bewezen kunnen worden op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] die in voldoende mate worden ondersteund door onder andere de verklaringen van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en [getuige 1] (hierna: [getuige 1]). De door verdachte gebruikte dwangmiddelen zijn dreiging met geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

De in de zaak met parketnummer 18/830106-18 ten laste gelegde mishandelingen van [slachtoffer 2] kunnen worden bewezen op grond van de verklaringen van [slachtoffer 2] ondersteund door verklaringen van onder meer [slachtoffer 1], [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3]).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte in beide zaken integraal moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat de aangeefsters, de ex-vriendin van verdachte, [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), inconsistente verklaringen hebben afgelegd en dat zij onbetrouwbare getuigen zijn. Het gaat om feiten uit 2014 en 2015 en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn pas (samen) naar de politie gegaan in 2017; in de tijd dat er een voogdijstrijd tussen [slachtoffer 2] en verdachte gaande was. De verklaringen kunnen dan ook niet worden gebezigd tot het bewijs, hetgeen dient te resulteren in een vrijspraak wegens onvoldoende wettig bewijs.

Ten aanzien van de overige getuigen geldt dat dit mensen uit het netwerk van [slachtoffer 2] zijn en dat deze mensen sympathiseren met motorclubs. Nu verdachte niet meer samen met [slachtoffer 2] is en geen lid meer is van een motorclub, leggen deze getuigen belastende verklaringen over hem af.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] stelt de rechtbank voorop dat aan het feit dat beide dames pas aangifte hebben gedaan enkele jaren nadat de onderhavige feiten zouden hebben plaatsgevonden, geen conclusies ten aanzien van de betrouwbaarheid kunnen worden verbonden. Ook het feit dat de aangiftes pas werden gedaan in een periode waarin [slachtoffer 2] in een voogdijstrijd met verdachte was verwikkeld en dat [slachtoffer 2] daarmee een belang bij een veroordeling van verdachte zou kunnen hebben, doet naar het oordeel van de rechtbank niet per definitie afbreuk aan haar geloofwaardigheid.


De rechtbank constateert echter dat zowel de verklaringen van [slachtoffer 1] als die van [slachtoffer 2] niet op alle onderdelen duidelijk en/of consistent zijn. Bovendien komen de verklaringen van [slachtoffer 1] niet op alle onderdelen overeen met de verklaringen van [slachtoffer 2].

[slachtoffer 1] heeft - kort gezegd - verklaard dat zij door verdachte werd overgehaald drugs te gebruiken, waarna zij met verdachte en een vriend van hem in de auto wegging en dat zij buiten ergens door hen werd misbruikt. Daarna gingen ze naar de woning van [slachtoffer 2] en werden er foto's van [slachtoffer 1] gemaakt terwijl zij nog onder invloed van XTC was. Op de foto's had ze een sekspakje van [slachtoffer 2] aan. Deze foto's werden gebruikt bij een seksadvertentie van [slachtoffer 1].

Als er naar aanleiding van de seksadvertentie van [slachtoffer 1] werd gebeld, nam [slachtoffer 2] de telefoon aan en maakte [slachtoffer 2] de afspraken, waarna verdachte [slachtoffer 1] wegbracht.

[slachtoffer 1] had zes à tien seksafspraken, waaronder enkele in Duitsland. Ze werd een keer naar Duitsland gebracht door verdachte en [getuige 4]. Na de afspraken moest ze haar verdiensten telkens inleveren bij verdachte. Verdachte gaf haar een deel terug. Ze hield er niet veel aan over.

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [slachtoffer 1] onduidelijk zijn als het gaat om het eerste contact met verdachte, op welk moment en door wie de seksadvertentie werd gemaakt en wanneer en hoe zij hier bekend mee werd.

[slachtoffer 2] heeft - kort gezegd - verklaard dat [slachtoffer 1] door verdachte en een vriend van hem was meegenomen naar haar ([slachtoffer 2]'s) woning. Ze hadden [slachtoffer 1] drugs gegeven en verdachte zei dat er foto's gemaakt moesten worden. [slachtoffer 2] werd in het bijzijn van [slachtoffer 1] door verdachte aan de haren naar de slaapkamer getrokken, alwaar verdachte [slachtoffer 2] - voor [slachtoffer 1] hoorbaar - in elkaar sloeg. [slachtoffer 2] verklaarde dat er seks had plaatsgevonden in haar woning. [slachtoffer 1] lag de volgende ochtend laveloos in haar woning en kon zich weinig meer herinneren van de vorige avond. [slachtoffer 2]'s emailadres werd door verdachte gebruikt om seksadvertenties mee aan te maken. Dat gebeurde bij [slachtoffer 2] thuis. [slachtoffer 2] heeft de seksadvertentie van [slachtoffer 1] gezien op Speuders.nl. [slachtoffer 1] had diverse seksafspraken waarna [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] het geld bij verdachte inleverde.

De rechtbank constateert dat de verklaringen van [slachtoffer 2] niet eenduidig en strijdig met de verklaringen van [slachtoffer 1] zijn als het gaat om wie de telefoon voor de seksadvertentie van [slachtoffer 1] opnam. [slachtoffer 2] gaf aanvankelijk aan dat ze dacht dat ze de telefoon helemaal niet heeft opgenomen, maar - na confrontatie met hetgeen [slachtoffer 1] daarover heeft verklaard - verklaarde [slachtoffer 2] dat zij alleen de eerste dag de telefoon opnam omdat dit moest van verdachte, en dat [slachtoffer 1] daarna de telefoon zelf aannam.

Ook blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 2] na de ten laste gelegde periode seksadvertenties voor [slachtoffer 1] op Speuders.nl heeft geplaatst, met gebruikmaking van hetzelfde mailadres als waarmee in de ten laste gelegde periode seksadvertenties zijn gemaakt. [slachtoffer 2] ontkent dit echter en verklaart dat [slachtoffer 1] de beschikking had over dit mailadres en dat [slachtoffer 1] dit zelf heeft gedaan.

De rechtbank sluit op basis van het voorgaande niet uit dat [slachtoffer 2] mogelijk (ook) - al dan niet onder invloed van verdachte - een grotere rol bij (de start van) [slachtoffer 1]'s prostitutiewerkzaamheden heeft gehad dan zij wil toegeven.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet op alle onderdelen betrouwbaar zijn. De rechtbank zal daarom enkel tot het bewijs bezigen de onderdelen van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die met elkaar overeenkomen en tevens worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de overige getuigenverklaringen in het dossier - waarvan de verdediging heeft gesteld dat deze onbetrouwbaar zijn omdat alle getuigen uit het netwerk van [slachtoffer 2] komen en sympathiseren met motorclubs - dat deze verklaringen gedetailleerd zijn en authentiek overkomen. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de verklaring van [getuige 1], die gedetailleerd verklaart over de manier waarop ze kennis kreeg van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] en de betrokkenheid van verdachte en haar ex-vriend [getuige 4] hierbij. In haar verklaring geeft [getuige 1] ook enkele malen aan iets niet precies te weten, hetgeen niet in de lijn der verwachting ligt als zij verdachte in strijd met de waarheid zoveel mogelijk zou willen belasten.

De rechtbank overweegt voorts dat een Facebook Messenger-gesprek tussen [slachtoffer 1] en verdachte (bewijsmiddel 10 in de zaak met parketnummer 18/730360-17) eveneens (steun)bewijs levert voor de betrokkenheid van verdachte bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] (welke betrokkenheid hij zelf geheel ontkent). De stelling van verdachte inhoudende dat [slachtoffer 2] deze berichten via het Facebook-account van verdachte zou hebben gestuurd om hem te belasten, acht de rechtbank ongeloofwaardig, onder meer omdat het in dat geval voor de hand zou hebben gelegen dat via het account van verdachte de door [slachtoffer 1] gemaakte verwijten volledig zouden worden erkend in plaats van gebagatelliseerd of in een ander perspectief geplaatst.

Alles overwegend gaat de rechtbank met betrekking tot zaak met parketnummer 18/730360-17 op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen uit van de volgende feitelijke gang van zaken:

In april 2015 is [slachtoffer 1], nadat zij verdachte en [slachtoffer 2] heeft leren kennen, in de prostitutie gaan werken. Verdachte zorgde voor het vervoer. Hij regelde onder andere dat [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) [slachtoffer 1] naar seksafspraken (in Duitsland) bracht. Verdachte betaalde hem hiervoor. Na de seksafspraken nam verdachte telkens de verdiensten van [slachtoffer 1] in. [slachtoffer 1] kreeg slechts een deel ervan terug. [slachtoffer 1] was nog maar net achttien jaar oud, kon niet zelfstandig wonen, had weinig sociale contacten en had depressieve klachten. [slachtoffer 1] was bang voor verdachte.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat (enkel) het vervoeren (sub 1), dwingen te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [slachtoffer 1] (sub 9) en het voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] (sub 6) bewezen kunnen worden.

De rechtbank concludeert dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de dwangmiddelen misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. De ongelijke verhouding tussen de achttienjarige kwetsbare [slachtoffer 1] en - de bijna zestien jaar oudere - verdachte maakte dat [slachtoffer 1] beperkt was in haar vrijheid om zich aan de exploitatie door de verdachte te onttrekken. Er was aldus geen sprake van een situatie van een “gemiddelde mondige prostituee in Nederland”, die zelf bepaalt waar, wanneer en met wie zij werkt en die zelf de beschikking over haar verdiensten heeft.

Het dwangmiddel dreiging met geweld acht de rechtbank niet bewezen, nu verdachte [slachtoffer 1] niet rechtstreeks heeft bedreigd. De rechtbank is - subsidiair - met de officier van justitie van oordeel dat het agressieve gedrag van verdachte ten opzichte van [slachtoffer 2] wel heeft bijgedragen aan het feitelijke overwicht dat verdachte op [slachtoffer 1] had.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/830106-18 acht de rechtbank alle feiten bewezen op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past in zaak met parketnummer 18/730360-17 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 maart 2017, opgenomen op pagina 323 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC17010KAMBA d.d. 12 december 2017, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1], geboren op 7 november 1996:

Het geld dat ik verdiende moest ik dat direct inleveren. Daarna kreeg ik wat geld terug wat ik nooit mocht tellen en direct moest wegstoppen.

Ik was zo bang voor [verdachte] omdat hij ook wel eens tegen mij tekeer is gegaan. Als [verdachte] boos was dan stond je te trillen van angst.

Ik heb nooit gezien dat er geweld gebruikt werd, maar de geluiden die uit de slaapkamer kwamen waren voor mij duidelijk genoeg dat [verdachte] [slachtoffer 2] pijn deed. Als ik er was had [verdachte] vaak woordenwisselingen met [slachtoffer 2] en soms sloeg hij haar op de slaapkamer in elkaar. [verdachte] was in het begin op het oog een vriendelijke man, maar later werd mij al snel duidelijk dat hij niet zo was. [verdachte] was agressief en kon erg boos worden. Door de drugs werd zijn agressie nog erger.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2017, opgenomen op pagina 326 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Tijdens het intakegesprek verklaarde [slachtoffer 1] dat zij in 2014 enkele maanden onder dwang van een man genaamd [verdachte] in de prostitutie heeft gezeten. [slachtoffer 1] verklaarde dat er seksueel getinte foto's van haar zijn gemaakt door [verdachte] die op internet geplaatst zijn. Dat ze tijdens het maken van deze foto's onder invloed was van drugs. Ze verklaarde meer dan 10 keer seks te hebben gehad met mannen terwijl ze voor [verdachte] werkte. Ze is hiervoor een keer naar Duitsland geweest, maar heeft ook in Groningen in de wijk Beijum gewerkt. Het grootste deel van het geld dat ze hiermee verdiende moest ze afgeven aan [verdachte]. Een klein gedeelte mocht ze zelf houden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 april 2017, opgenomen op pagina 330 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

[getuige 4] was de ex van [getuige 1]. [getuige 4] heeft mij samen met [verdachte] naar Duitsland gebracht voor een klant. [verdachte] had namelijk geen auto.

V: Hoe gaat het dan als een klant belt.

A: Dan ging ze meestal naar de slaapkamer en maakte zij een afspraak met de klant. Dan

moest ik er heen.

V: Wie vertelde je waar je heen moest.

A: [slachtoffer 2] vertelde het aan [verdachte] en hij vertelde het mij en soms vertelde [slachtoffer 2] mij waar ik

heen moest.

V: Wanneer werd je naar Duitsland gebracht.

A: Twee jaar geleden.

V: Hoe oud was je toen je voor [verdachte] moest werken.

A: Achttien.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 mei 2017, opgenomen op pagina 348 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik weet wel dat ik naar de eerste man werd gebracht. Dat was vlakbij de Grote Markt.

V: Wie bracht jou daar heen.

A: [verdachte].

V: Waarom ging je mee naar deze 1e klant.

A: Omdat ik mee moest. Ik moest daar heen en ik durfde niet echt tegen [verdachte] in te gaan. Ik vond hem best wel intimiderend.

V: Waarom heb je niet gewoon geweigerd.

A: Ik weet het niet. Ik stond op dat punt van mijn leven niet zo sterk in mijn schoenen als dat ik nu sta.

V: Weet je nog wat je met deze man moest doen en wat de man er voor betaald heeft.

A: Ik gewoon normaal seks gehad. Volgens mij was het 80 of 90 euro voor een half uur.

V: Je krijgt dan geld van die man. Hoe gaat het verder.

A: Toen die man klaar was liep ik naar buiten toe, [verdachte] stond ergens. Ik moest het geld

aan hem geven maar ik weet niet meer het moment waarop ik het aan hem gaf. Dat

verschilde per keer. Soms direct en soms pas bij [slachtoffer 2] thuis.

V: Mocht je ook wat van het geld zelf houden.

A: Dat ging altijd op een hele rare manier. [verdachte] kreeg twee derde van wat ik verdiende. En ik mocht nooit het geld in zijn buurt tellen. Ik mocht er niet naar kijken en weg stoppen in mijn zak. Ik mocht er pas naar kijken als ik niet meer bij hem in de buurt was.

V: Je krijgt je geld en waar ga je dan heen.

A: Ik denk naar [slachtoffer 2] want ik had in die tijd ook niet echt vrienden en ik zat in een depressie.

A: Ik heb niet heel veel klanten gehad. Ik denk rond de tien. Ik kan mij nog een man herinneren uit Hoogezand en een man in Beijum.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 6 juni 2017, opgenomen op pagina 365 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

V: Hoe lang heb je omgang gehad met [verdachte]?

A: Niet heel lang. Misschien drie of vier maanden.

V: Wat was [verdachte] voor een man voor jou?

A: Ja, weet je. In het begin een aardige man toen ik hem net leren kennen en daarna vond

ik hem, ja hoe zeg je dat, best wel angstaanjagend of zo. Af en toe kon hij zo boos worden.

V: Je hebt 3 x verteld over een klant. Kun je je nog meer vertellen over andere klanten?

A: In Duitsland. Ik ben meerdere keren weggeweest. Ik was in Duitsland met [verdachte] en [getuige 4]. Dat was ook de enige keer dat ik [getuige 4] heb gezien. Die heeft ons er toen heen gebracht.

V: Hoe ging het met betalen.

A: Ik kreeg het geld van de mannen en dan moest ik het geld inleveren bij [verdachte]. Dat

ging altijd zo.

V: Wie bepaalde de prijzen?

A: [verdachte].

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 mei 2017, opgenomen op pagina 420 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[slachtoffer 2]:

V: Wat kun je ons over [slachtoffer 1] vertellen?

A: [slachtoffer 1] is een meisje die in een kwatsbare positie stond in haar leven. Ze verbleef op dat moment in begeleid wonen. Het was een jong kwetsbaar meisje, die soms impulsieve beslissingen maakt en zich geïntimideerd voelde door [verdachte].

V: Je hebt verteld dat [verdachte] met [slachtoffer 1] bij jou aan de deur kwam. Wanneer was dat?

A: Zomer 2015. Hij kwam met [slachtoffer 1] aan de deur. Ik zag de bui al hangen. Hij wilde direct naar binnen. Ik liet hem duidelijk merken dat ik het niet wilde en dat accepteerde hij niet. Hij sleurde mij naar de slaapkamer. Daar sloeg hij mij in elkaar. [slachtoffer 1] kon dit duidelijk horen.

V: Wat heeft [slachtoffer 1] daar van gezien?

A: Dat hij mij aan mijn haren de slaapkamer in sleurde. [slachtoffer 1] heeft niet zien dat ik klappen kreeg van [verdachte].

V: Hoe was [slachtoffer 1] toen ze de 1e keer door [verdachte] werd meegenomen naar jouw woning.

A: Je kon duidelijk zien dat het een jong meisje was. Mijn eerste ingeving was een jong, naïef meisje wat opzoek was naar sociale contacten. Ik herkende er iets van mijzelf in van vroeger.

V: Hoe lang hebben [verdachte] en [slachtoffer 1] contact met elkaar gehad?

A: Ik heb voornamelijk gezien dat [verdachte] met haar bij mij aan de deur kwam als hij iets nodig was. Ik heb wel een aantal keren gezien dat ze in de prostitutie werd gesteld.

V: Hoe ging dat teruggeven van geld in zijn werk?

A: Toen ze terug kwam heb ik gezien hoe ze het geld aan [verdachte] gaf. Ik heb ook gezien hoe hij het geld in het zogenaamde spaarpotje stopte. Hij stopte het zogenaamd in de kast, maar ondertussen stopte hij het gewoon in zijn eigen zak. Ze moest ook meer als de helft van haar geld inleveren en hij leende ook nog iedere keer geld van haar.

V: Wordt er ook nog verteld of gevraagd hoe het was?

A: Nee het geld werd gepakt en that's it.

V: Heeft [slachtoffer 1] ook met je over [verdachte] gesproken?

A: Ze haakte hoofdzakelijk in op mijn situatie. Hoe [verdachte] met mij om ging. Over de

mishandelingen en hoe gemeen hij was en dat ze het heel erg vond. Ze is naïef en kinderlijk en een meisje van achttien.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 13 juli 2017, opgenomen op pagina 453 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1]:

Toen [getuige 4] [slachtoffer 1] voor het eerst met mij samen zag, heeft hij mij even apart genomen en zei dat het beter was dat ik niet met haar omging. Toen ik vroeg waarom niet zei hij dat hij [slachtoffer 1] een paar keer heeft weggebracht om te neuken en dat hij daar ook een vergoeding voor heeft gekregen.

V: Wat kun je over [verdachte] vertellen?

A: Als dat de [verdachte] is waarmee [getuige 4] mee samen werkte dan weet ik alleen dat hij [slachtoffer 1] wel eens wegbracht en ook wel eens samen met [getuige 4] meereed om [slachtoffer 1] weg te brengen.

V: Heb jij [slachtoffer 1] er naar gevraagd?

A: Ja. [slachtoffer 1] zei dat het waar was en begon te huilen. Ik hoorde haar ook zeggen dat ze het helemaal niet wilde en er toe gedwongen werd.

V: Heb je het later nog eens met [slachtoffer 1] over gehad?

A: Later die avond heb ik [slachtoffer 1] en [getuige 4] tegelijk gevraagd naar hoe het nou allemaal ging. Ze hebben toen allebei de naam van [verdachte] genoemd.

V: Wie denk jij dat de grote spil achter de uitbuiting van [slachtoffer 1] is?

A: Ik denk [verdachte]. [getuige 4] was meer een wegbrengslaafje. Hij kreeg het geld van [verdachte].

V: Hoe weet je dan dat [getuige 4] geld kreeg van [verdachte]?

A: Van mijn eigen verhoortje van [getuige 4] en [slachtoffer 1]. Ik heb er zelf naar gevraagd.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 19 juli 2017, opgenomen op pagina 465 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 4]:

V: Hoe kwam [slachtoffer 1] bij haar klanten?

A: [verdachte] heeft haar 1 keer weggebracht. Toen zei [slachtoffer 1] dat ze naar een vriend ging en heeft [verdachte] haar weggebracht. Later zei [verdachte] dat hij haar weggebracht had om te neuken.

9. Een schriftelijk bescheid, te weten een onderzoeksverslag van Elker jeugdhulp begeleidings/behandelteam d.d. 30 oktober 2015, opgenomen op pagina 415 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Nama cliënt: [slachtoffer 1]

woonde eerst bij het Begeleid Kamer Bewonen van Elker, ze woont nu op een verblijfsplek (Elker). [slachtoffer 1] krijgt twee keer per week begeleiding bij haar thuis. Ze kan terugvallen op een bereikbaarheidsdienst. [slachtoffer 1] start in overleg met haar psychiater een behandeltraject rondom haar seksueel misbruik, omdat het toch lijkt dat haar depressieve klachten hiermee te maken hebben. [slachtoffer 1] redt zich zelfstandig met Begeleiding Individueel op afstand. Ter overbrugging wordt een beschermd wonen indicatie afgegeven tot 18 juni, zodat in de tussentijd gekeken kan worden hoe nu verder. [slachtoffer 1] komt t/m 17-03-2015 in aanmerking voor Beschermd Wonen.

10. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van een gesprek via Facebook Messenger, opgenomen op pagina 318 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Facebook account verdachte: Maare ik was niet een echte pooier man zoals hem

En ik was niet zo 'n erge klootzak of wel soms haha

Facebook account [slachtoffer 1]: Nou je was best een klootzak. En als eerlijk mag zijn was ik bang voor je. En hoe je je gedroeg tegen over [slachtoffer 2] kon ook echt niet. Heb daar wel mee gezeten toen hoor. Zoals [naam] die was toen ook een keer bang omdat jij schreeuwde en [slachtoffer 2] huilde. Zat ze helemaal bij mij op dr bank

Facebook account verdachte: Ja ik weet het [slachtoffer 1] iedereen maak fouten in zijn leven en ik ben er gewoon wat later achter gekomen. Je moet niet vergeten dat ik toen ook drugs gebruikte he

De rechtbank past in zaak met parketnummer 18/830106-18 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2017, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017061459 d.d. 22 mei 2018, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2]:

In november 2014 hoorde ik dat er aan mijn deur geklopt werd. Dit was [verdachte]. Ik wilde niet open doen. Ik riep dat hij weg moest gaan. Ik heb toen het kettingslot van mijn deur erop gedaan. Op het moment dat ik de deur open deed en hem nogmaals wilde vertellen dat hij weg moest gaan, trapte [verdachte] de deur open. Ik ben uit angst snel op gestaan en de woonkamer in gerend. Mijn buurvrouw [getuige 2] zat daar ook. Ik zag dat [verdachte] mij achterna kwam rennen. Ik voelde en zag dat [verdachte] mij vast pakte. Ik voelde dat [verdachte] mij optilde. Ik voelde dat [verdachte] een slingerende beweging maakte. Ik voelde dat [verdachte] mij door de kamer gooide. Ik voelde en zag dat ik hierdoor viel. Ik voelde hierdoor enorme pijn. Ik viel tegen de verwarming van mijn woning aan. Ik had door deze mishandeling een bult op mijn achterhoofd. Buurvrouw [getuige 2] heeft alles gezien. [getuige 2] zei er wat van tegen [verdachte].

In het begin van de zomer van 2015 kwam [verdachte] zomaar aan de deur met dat meisje, [slachtoffer 1]. Ik gaf toen duidelijk aan dat ik dit niet wilde. Hij pakte mij vast en trok mij in mijn slaapkamer. Hij begon mij daar te mishandelen. Hij begon mij te slaan en te schoppen. Ik weet niet meer goed wat er allemaal gebeurd is tijdens de mishandeling. [verdachte] gebruikte alles om mij te mishandelen. Alles wat in zijn omgeving stond pakte hij om mij te slaan. (..)

Ik heb een tijdje bij een vriendin geslapen. Ik durfde eerst niet terug naar mijn huis. Toen ik het portiek binnen kwam lopen stond [verdachte] daar. Ik voelde dat hij mij in mijn buik trapte. Ik zag dat hij dit met opzet deed. Ik voelde een pijnscheut in mijn buik. Hij liep op mij af en pakte mijn haar vast. Ik zag dat bij een mes vast pakte. Ik zag en voelde dat hij met dit mes in mijn haar begon te snijden. Hij had toen een heel stuk van mijn haar af gesneden. Hij had van het bovenste gedeelte haar afgesneden. Hij zei daarbij dat dit mijn straf was omdat ik gevlucht was voor hem.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 maart 2017, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik heb nooit gezien dat er geweld gebruikt werd, maar de geluiden die uit de slaapkamer kwamen waren voor mij duidelijk genoeg dat [verdachte] [slachtoffer 2] pijn deed. [slachtoffer 2] had ook altijd bedekte kleding. Ik kon aan [slachtoffer 2] zien dat het niet goed ging. [slachtoffer 2] zag er slecht uit. Als ik er was had [verdachte] vaak woordenwisselingen met [slachtoffer 2] en soms sloeg hij haar op de slaapkamer in elkaar.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 maart 2017, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2]:

[slachtoffer 2] was mijn buurvrouw toen ik nog op de [straatnaam] woonde. [slachtoffer 2] had de ketting van de voordeur erop gedaan. Op een gegeven moment stond [verdachte] voor de deur en wilde de voordeur open doen. Ik hoorde ineens een harde knal. Ik zag dat [verdachte] met kracht de voordeur had ingetrapt en dat daardoor de ketting was gebroken. Ik zag dat [verdachte] de woning binnenstormde alsof hij de hulk was. Ik zag dat [verdachte] woest was. Ineens kwam [verdachte] ook de woonkamer in en begon tegen [slachtoffer 2] te schreeuwen en ineens duwde hij haar keihard op de grond met veel kracht. Ik schrok en zei dat hij dat niet moest doen.

Het deed me pijn te zien dat [slachtoffer 2] altijd onder de blauwe plekken zat of met krassen in haar gezicht rondliep. Ik zag dat [verdachte] van een net knap meisje een afgetakelde jonge vrouw aan het maken was die lang niet meer zichzelf kon zijn. Ik zag dat mijn gezellige sterke buurvrouw veranderde in een angsthaas die op haar tenen moest lopen, bang dat [verdachte] haar weer zou mishandelen.

Op een dag ging mijn deurbel het was ongeveer half 11 in de avond. Ik zag dat [slachtoffer 2] op blote voeten voor mijn deur stond. Ik begreep van haar dat ze vanaf haar huis naar mij toe was gevlucht in de hoop ik de deur open zou doen. Toen ze eindelijk rustig was kon ze me rustig vertellen wat er precies was gebeurd. Ze vertelde dat [verdachte] achter haar aan zat met een mes. Ik begreep van [slachtoffer 2] dat [verdachte] met een mes een stuk van haar haar had afgesneden, en daarbij had gezegd haar dood te gaan maken. Ik zag dat er inderdaad een stuk van haar weg was. Ik keek en zag dat er dikke plukken uit gesneden waren.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 maart 2017, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 5]:

[slachtoffer 2] zat regelmatig onder de plekken. Ik had al meerdere keren gezien met letsel in het gezicht, blauwe ogen, blauwe wang, snee in haar gezicht.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 maart 2017, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3]:

Als ik in de woning was gilde [slachtoffer 2] soms alles bij elkaar als [verdachte] haar sloeg. Dit was altijd op de slaapkamer.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 maart 2017, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 6]:

In de zomer van 2015 dacht ik, woonde ik aan de [straatnaam] beneden [slachtoffer 2]. Het contact met [slachtoffer 2] was goed en gezellig, maar dat was voor [verdachte] kwam. Op een gegeven moment was er steeds vaker ruzie in de woning van [slachtoffer 2]. [verdachte] had een stuk haar afgesneden bij [slachtoffer 2] met een mes.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730360-17 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 8 april 2015 tot en met 7 november 2015 in Nederland en Duitsland,

A) een ander, te weten [slachtoffer 1], telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft vervoerd met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en

- heeft gedwongen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, die [slachtoffer 1], seksuele handelingen met een derde (sub 9°) en

B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten [slachtoffer 1], (sub 6°),

immers heeft hij verdachte:

- in het bijzijn van die [slachtoffer 1] erg boos geworden op die [slachtoffer 2]

- die [slachtoffer 1] naar klanten vervoerd en

- een gedeelte van het door die [slachtoffer 1] verdiende geld ingenomen en door die [slachtoffer 1] laten afstaan;

terwijl die [slachtoffer 1] net 18 jaar was geworden en over weinig sociale contacten beschikte en depressieve gevoelens had en bang was voor hem, verdachte, en niet voor zichzelf op kon komen en aldus geen weerstand kon bieden aan verdachte.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/830106-18 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de maand november 2014 te Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer 2] vast te pakken en vervolgens

- op de grond te duwen of te gooien;

2.

hij in of omstreeks de periode van 5 december 2014 tot en met 21 juli 2015 te Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

- met een mes in het haar van die [slachtoffer 2] te snijden en

- een gedeelte van het haar van die [slachtoffer 2] af te snijden;

3.

hij in de periode van 5 december 2014 tot 14 november 2015, op diverse data en tijdstippen, in de slaapkamer gelegen in een woning aan de [straatnaam] te Groningen, meermalen

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door telkens tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en te schoppen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 18/730360-17 levert op:

Mensenhandel, meermalen gepleegd.

Het bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 18/830106-18 levert op:

1. Mishandeling.

2. Mishandeling.

3. Mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de in beide parketnummers ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel dienen als bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld een meldplicht bij de reclassering en het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining (CoVa).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een forse werkstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft gewezen op de ouderdom van de feiten en de radicale verandering in het leven van verdachte. Verdachte zat in een donkere wereld van motorclubs en misdaad, maar heeft die wereld achter zich gelaten en heeft een nieuwe start in een andere stad gemaakt. Het gaat nu heel goed met hem en hij zou alles wat hij heeft opgebouwd, kwijtraken door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het (ongedateerde) reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 februari 2019, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel gedurende een periode van ongeveer zeven maanden. Verdachte heeft een 18-jarige kwetsbare vrouw naar klanten gebracht of laten brengen en heeft haar verdiensten beheerd en afgepakt. Verdachte heeft zonder gêne misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer en daarbij haar lichamelijke en geestelijke integriteit geschonden.

Mensenhandel waarbij iemand in de prostitutie wordt gebracht, is een vergaande vorm van uitbuiting waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt worden gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiter. De psychische gevolgen van dergelijke uitbuiting voor een slachtoffer zijn, zo is algemeen bekend, groot.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan drie mishandelingen. Telkens was zijn toenmalige partner (de moeder van zijn kind) het slachtoffer. Het slachtoffer zat geregeld onder de blauwe plekken en verdachte sneed eenmaal haar haar af.

Dergelijke gedragingen leiden tot gevoelens van onveiligheid en onzekerheid in het dagelijks leven van het slachtoffer, zeker wanneer de feiten worden begaan in de relationele of huiselijke kring. Voor de slachtoffers van dergelijke feiten geldt dat zij vaak op langere termijn nog last ondervinden van de tegen hen gepleegde mishandelingen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte is tevens meermalen veroordeeld na de pleegperiode van de onderhavige feiten, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is bij de mensenhandel en daarbij de mishandelingen van zijn toenmalige partner zoals bewezenverklaard, ook wanneer artikel 63 Sr aan de orde is. De rechtbank houdt bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf ten aanzien van het mensenhandelfeit onder meer rekening met het relatief beperkte aantal seksafspraken.

De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan geëist door de officier van justitie, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van een aantal (sub-)onderdelen van het mensenhandelfeit. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van twaalf maanden. Gelet op het tijdsverloop legt de rechtbank de helft van de gevangenisstraf voorwaardelijk op.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de officier van justitie genoemde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel te koppelen. Het reclasseringsrapport waarin tot oplegging van deze voorwaarden wordt geadviseerd, is verouderd. Verdachte is in het verleden diverse malen veroordeeld, maar lijkt zijn leven na zijn verhuizing naar een andere stad - zonder enige vorm van hulpverlening - een positieve wending te hebben gegeven. De rechtbank acht verdachte dan ook in staat om na het uitzitten van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zijn huidige leven(swijze) zonder hulpverlening weer op te pakken.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 7.000,00 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit de kosten van vier telefoonabonnementen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de gevorderde schade geen rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk verklaren.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 17 februari 2016 van de politierechter in de rechtbank

Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Nu deze veroordeling tot stand is gekomen en de proeftijd is gaan lopen nadat de bewezenverklaarde feiten van de onderhavige zaken hebben plaatsgevonden, is de rechtbank - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 273f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730360-17 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/830106-18 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

parketnummer 18/730360-17:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/230139-15:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 17 februari 2016.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2019.

Mr. Van der Woude is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.