Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1209

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
19/810161-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 19/810161-06

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 13 maart 2019 betreffende de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege

in de zaak van

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

Ter terechtzitting van 7 december 2018 heeft de behandeling plaatsgevonden van de vordering van de officier van justitie d.d. 26 oktober 2018 strekkende tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling van veroordeelde met een jaar.

De rechtbank heeft bij beslissing van 21 december 2018 de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar verlengd en de beslissing over de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege voor een periode van maximaal drie maanden aangehouden om door Reclassering Nederland een rapportage op te laten stellen in het kader van een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het onderzoek is vervolgens voortgezet op 13 maart 2019, waarbij aanwezig waren veroordeelde, diens raadsman mr. J. Boksem, de officier van justitie mr. R.G. de Graaf en de deskundigen mevrouw K.E. Chateau, als behandelcoördinator en gz-psycholoog verbonden aan FPK Assen, en J.H. Lammers, reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.

De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland. Het advies is gedateerd 2 januari 2019, maar de deskundige heeft ter terechtzitting van 13 maart 2019 aangegeven dat dit 2 februari 2019 moet zijn.

Motivering

De opgelegde terbeschikkingstelling

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de inhoud van haar voormelde beslissing d.d.

21 december 2018.

Het advies van de reclassering

In het rapport van de reclassering van 2 februari 2019 wordt geadviseerd om over te gaan tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en worden de voorwaarden geformuleerd waaronder kan worden gekomen tot voorwaardelijke beëindiging. De deskundige Lammers heeft dit advies ter terechtzitting bevestigd en nader toegelicht. Daarbij heeft hij de rechtbank in overweging gegeven als bijzondere voorwaarde toe te voegen een contactverbod met de dochter van veroordeelde.

Het standpunt van de kliniek

De deskundige Chateau heeft namens de kliniek ter terechtzitting van 13 maart 2019 naar voren gebracht dat het te vroeg is om de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen. Ten aanzien van de geadviseerde voorwaarden heeft de deskundige opgemerkt dat een time-out van 2 keer 7 weken beperkingen oplevert; wellicht zijn vaker kortere time-outs nodig. Met betrekking tot het contactverbod heeft de deskundige gesteld dat de dochter van veroordeelde via haar moeder heeft laten weten geen contact met haar vader te willen hebben. Veroordeelde heeft een sterk verantwoordingsbesef, ook richting zijn kinderen. Als hij vanuit dat besef contact gaat zoeken, kan dit voor anderen grensoverschrijdend zijn.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het standpunt dat de verpleging van overheidswege moet voortduren.

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht over te gaan tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege onder de door de reclassering opgestelde voorwaarden. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de time-out anders geformuleerd kan worden.

Veroordeelde heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met de in het reclasseringsrapport genoemde voorwaarden. Hij is het niet eens met een contactverbod met zijn dochter.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op 21 december 2018 beslist dat een rapportage moest worden opgesteld omtrent de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en de voorwaarden die daaraan moeten worden gesteld. De reclassering heeft hierop geadviseerd om veroordeelde in aanmerking te laten komen voor een beëindiging van de verpleging van overheidswege onder de door haar gestelde voorwaarden.

Op grond van de inhoud van dit advies, de toelichting die deskundige Lammers ter terechtzitting heeft gegeven en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico onder de hierna te stellen voorwaarden tot een dusdanig niveau wordt teruggebracht dat het verantwoord is de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat de kliniek met name de mogelijkheid van het stoppen met medicatie op goede gronden heeft benoemd als risico, zowel op lange als op korte termijn. Dit geldt te meer nu veroordeelde in het verleden uitte dat hij geen medicatie nodig heeft en daarmee zal stoppen zodra het verplichtend kader vervalt. Desondanks blijkt uit de rapportages van kliniek en reclassering dat hij al lange tijd adequaat is ingesteld op een antipsychoticum dat per depot wordt toegediend. Bij deze medicamenteuze behandeling lijken zich geen psychotische symptomen voor te doen. Veroordeelde is al erg lange tijd medicatietrouw, en de reclassering heeft in de rapportage benadrukt dat deze inname van medicatie ook binnen een eventuele voorwaardelijke beëindiging prima te borgen is via de voorwaarden. Externe controle wordt door veroordeelde goed aanvaard. Incidenten deden zich in de kliniek niet voor. Veroordeelde is nooit bij urinecontroles betrapt op middelen-gebruik; hij stelt ook in de toekomst geen middelen te willen gebruiken.

Onbegeleid verlof werd toegekend in juni 2016, transmuraal verlof in april 2017 en proefverlof in juli 2018. Alle verloven verliepen goed. Hij is betrouwbaar gebleken in het nakomen van voorwaarden en afspraken. Veroordeelde verblijft thans op een klinische resocialisatie-afdeling die qua beveiliging vergelijkbaar is met een FPA. Hij werkt drie dagen per week. De verwachting is weliswaar dat veroordeelde door zijn gebrekkige ziektebesef en ziekte-inzicht afhankelijk zal blijven van toezicht en begeleiding, maar die kunnen hem ook in het kader van een voorwaardelijke beëindiging langdurig geboden worden.

Het bezwaar van de kliniek dat een klinische time-out van 2 keer 7 weken beperkingen oplevert, zal de rechtbank trachten te ondervangen door te bepalen dat klinische time-outs meermalen kunnen worden gelast, doch met een maximum van 14 weken per jaar.

De rechtbank zal vooralsnog geen contactverbod met de dochter van veroordeelde als bijzondere voorwaarde stellen omdat het contact tussen ouder en kind niet zomaar kan worden verbroken, mede gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien bestaat er geen relatie met het indexdelict. Wel wijst de rechtbank erop dat veroordeelde hier uiterst voorzichtig zal moeten optreden, steeds in nauw overleg met de reclassering, waarbij hij de wensen van zijn dochter en haar ouders/verzorgers moet respecteren. Zodra de reclassering en/of de kliniek in dit verband verstoringen of bezwaren opmerken, kunnen zij de nodige aanwijzingen geven en/of kunnen zij een wijziging van de voorwaarden voorleggen aan de rechtbank.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38, 38a en 38g van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beëindigt voorwaardelijk de verpleging van overheidswege.

Stelt daarbij als algemene voorwaarden:

- Veroordeelde zal zich niet schuldig maken aan het plegen van strafbare feiten en zal zich

ook niet anderszins misdragen.

- Veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen

aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

Stelt daarbij als bijzondere voorwaarden:

1. Veroordeelde verleent medewerking aan reclasseringstoezicht, welke medewerking onder andere inhoudt:

- zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;

- zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

- medewerking verlenen aan huisbezoeken;

- inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

- niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;

- medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.

2. Veroordeelde begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland en overlegt hierover vooraf met de reclassering.

3. Veroordeelde verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing.

4. Veroordeelde werkt mee aan Forensisch Psychiatrisch Toezicht (FPT) en, indien de reclassering dit nodig acht, aan een of meer time-outs in een Forensische Psychiatrisch Centrum (FPC) tot maximaal 14 weken per jaar.

5. Veroordeelde gebruikt geen drugs zolang de reclassering dat nodig acht en werkt ter controle van dit verbod mee aan urine-, speeksel- en/of bloedonderzoek, waarbij de reclassering de wijze van uitvoering en de frequentie van de controle bepaalt.

6. Veroordeelde laat zich behandelen in de Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) te Assen of soortgelijke instelling, zulks ter bepaling door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de instelling aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit medicamenteuze (depot-)behandeling inhoudt. Wijzigingen in de dosering dan wel frequentie gaan in overleg en afstemming met de behandelend arts/psychiater.

7. Veroordeelde laat zich behandelen door AFPN of soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit medicamenteuze (depot-)behandeling inhoudt. Wijzigingen in de dosering dan wel frequentie gaan in overleg en afstemming met de behandelend arts/psychiater.

8. Veroordeelde werkt mee aan controles op de ingenomen/toegediende (depot-) medicatie middels urinecontroles en/of bloedproeven.

9. Veroordeelde verblijft in een RIBW of een andere instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de instelling.

10. Veroordeelde dient zijn medewerking te verlenen aan het opstellen en uitbrengen van een psychiatrisch adviesrapport, bedoeld in artikel 48 lid 1 Rvt.

11. Veroordeelde zet zich in voor het vinden en behouden van een passende dagbesteding/werk, zulks ter beoordeling aan de reclassering.

12. Veroordeelde blijft onder bewind staan en verschaft de reclassering informatie over zijn financiën en eventuele schulden, zolang de reclassering dat nodig acht en volgt hierbij de aanwijzingen op.

13. Veroordeelde geeft openheid over het aangaan en onderhouden van sociale contacten en (partner)relaties en geeft toestemming aan de reclassering om contact te hebben met alle personen. Hij verleent toestemming tot contactopname met een nieuwe relatie. Tevens verleent veroordeelde, indien de reclassering dat nodig acht, inzicht in zijn telefoon-, e-mail-, sms- en internetactiviteiten hieromtrent.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.R. de Vries, voorzitter, mr. M. Brinksma en

mr. K. Post, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2019.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.