Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1204

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3247
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:4391, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor de Pinksteractiviteiten 2018 te Schiermonnikoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/3247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2019 in de zaak tussen

Stichting Comité Dierennoodhulp, te [plaats] , eiseres

(gemachtigden: [gemachtigden eiseres] ),

en

de burgemeester van de gemeente Schiermonnikoog, verweerder

(gemachtigde: L. Bos).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Stichting Folkloristisch Pinksterfeest, gevestigd te Schiermonnikoog, vergunninghoudster,

(gemachtigden: [gemachtigden derde-partij] ).

Procesverloop

Bij primair besluit van 15 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor de Pinksteractiviteiten 2018 te Schiermonnikoog.

Tegen dat besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 29 januari 2019 heeft de rechtbank van eiseres aanvullende stukken ontvangen. Het betreft een rapportage van de pluimveegedrags- en welzijnsbioloog [deskundige] . In het begeleidend schrijven heeft eiseres aangegeven dat zij [deskundige] als deskundige zal meebrengen naar de zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Namens eiseres zijn [gemachtigden eiseres] verschenen, bijgestaan door [deskundige] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij zijn [gemachtigden derde-partij] verschenen.

Eiseres heeft na de zitting nadere stukken aan de rechtbank doen toekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 2.16, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht 2017 blijven stukken die na de sluiting van het onderzoek ter zitting ongevraagd zijn ingediend buiten beschouwing. Een uitzondering geldt voor stukken die aanleiding geven tot heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en zal de stukken dan ook buiten beschouwing laten en retourneren.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Derde-partij heeft op 4 mei 2018 een aanvraag om evenementenvergunning voor de Pinksteractiviteiten 2018 bij verweerder ingediend. De aanvraag om evenementenvergunning heeft, voor zover hier van belang, betrekking op het plaatsen van een mast op 19 mei 2018 om 23.30 uur aan de Willemshof, die geplaatst te mogen houden tot en met dinsdagavond 22 mei 2018 en het strijken van de mast op 22 mei 2018 in de avond.

1.3

Bij besluit van 15 mei 2018 heeft verweerder deze aanvraag onder voorschriften toegekend.

1.4

Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. In deze procedures heeft eiseres aangegeven dat de haan door het folkloristisch pinksterfeest zonder redelijk doel in zijn welzijn wordt aangetast. Door de opsluiting in een mand kan de haan zich volgens eiseres drie dagen lang niet natuurlijk gedragen, zit de haan in een isolement en lijdt de haan onnodig veel angst en stress. Ook het in optocht meedragen van de haan geeft de haan in de visie van eiseres onnodige angst en stress. Naar de mening van eiseres worden hierdoor de Wet Dieren en het Besluit houders van dieren overtreden. In dit verband wijst eiseres erop dat de bewegingsvrijheid van de haan op zodanige wijze wordt beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden wordt toegebracht. Volgens eiseres krijgt de haan drie dagen lang onvoldoende ruimte voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Bovendien is de behuizing in de visie van eiseres ontoereikend.

1.5

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de aanvraag een toetsing aan artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Schiermonnikoog (hierna: de APV) heeft plaatsgevonden en een belangenafweging is gemaakt. Eén van de afwegingen heeft betrekking op het plaatsen van een haan in een mand gedurende het evenement en de vraag of diens welzijn daarbij niet in het gedrang komt. In dit verband wijst verweerder erop dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) al in 2015 heeft geconstateerd dat geen sprake is van een overtreding van de Wet Dieren. Verweerder heeft in dit verband aangegeven dat de haan gedurende de drie dagen in de mand over voldoende beschutting, ruimte, voedsel en water beschikt, vooraf onderzocht wordt door een dierenarts en via cameratoezicht in de mand in de gaten wordt gehouden. Verder wijst verweerder erop dat deze jarenlange traditie in volle omvang in stand dient te worden gehouden. Van het ronddragen van de haan is volgens verweerder geen sprake. De haan wordt op derde pinksterdag teruggebracht naar de plek waar hij vandaan komt. Het door eiseres geschetste beeld is in de visie van verweerder onjuist en wekt de indruk dat zij nimmer zelf aanwezig is geweest bij ‘Kallemooi’.“

1.6

De voorzieningenrechter heeft op 18 mei 2018 uitspraak gedaan het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

1.7

Op 13 juli 2018 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en heeft de commissie bezwaarschriften advies uitgebracht. De commissie is van oordeel dat de weigeringsgronden opgenomen in artikel 1:8 van de APV niet van toepassing zijn op dit evenement. Dit beperkt verweerder aanzienlijk in haar mogelijkheden om de vergunning te weigeren. Daarnaast heeft verweerder uitgebreid beargumenteerd waarom naar haar oordeel het evenement, danwel een deel van het evenement, niet geweigerd dient te worden. Voorts is door de RVO onderzocht of het onderdeel van het evenement dat ziet op de activiteiten die betrekking hebben op de haan in strijd is met de wet. De RVO heeft bij schrijven van 29 september 2015 aangegeven dat de activiteiten niet in strijd zijn met de wet. Omdat de situatie in 2018 in niets verschilt met die van 2015 mocht verweerder er vanuit gaan dat ook thans er geen sprake is van strijd met de wet- en regelgeving inzake dierenwelzijn. Gelet op het feit dat de haan vooraf door een dierenarts wordt onderzocht, het gehele evenement via cameratoezicht in de gaten wordt gehouden en het feit dat de RVO heeft aangegeven dat de activiteiten niet in strijd zijn met de wet, is de commissie van oordeel dat het besluit correct is genomen.

1.8

Bij besluit van 12 september 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres conform het advies van de adviescommissie ongegrond verklaard.

1.9

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep ligt ter beoordeling van de rechtbank voor.

2.1

In artikel 1:8, eerste lid, van de APV is bepaald dat een vergunning of ontheffing in ieder geval worden kan worden geweigerd in het belang van:

  1. de openbare orde;

  2. de openbare veiligheid;

  3. de volksgezondheid;

  4. e bescherming van het milieu;

  5. het karakter van het dorp en het eiland.

In artikel 1:8, tweede lid, is bepaald dat een vergunning of ontheffing ook kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

2.2

De rechtbank stelt allereerst vast dat dierenwelzijn niet als afwijzingsgrond voor een evenementenvergunning is opgenomen in artikel 1:8 van de APV. In zoverre biedt de APV geen grondslag om de gevraagde vergunning te weigeren. Anders dan eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat dierenwelzijn valt onder de bescherming van het milieu, zoals genoemd in artikel 1.8, aanhef en onder d, van de APV. In dat kader acht de rechtbank van belang dat de APV vooral een openbare orde en overlastverordening is. Het milieubegrip is gerelateerd aan overlast van de omgeving of het milieu. De door eiseres gestelde aantasting van het dierenwelzijn valt hier niet onder. Voor zover er sprake zou zijn van dierenmishandeling, zou de weigeringsgrond openbare orde een rol kunnen spelen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat gelet op de getroffen maatregelen hiervan geen sprake is. De rechtbank noemt in dit verband, onderzoek door dierenarts, monitoring, contact met RVO, voldoende beschutting, voedsel en water. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door eiseres overgelegde rapportage van [deskundige] (pluimveegedrags- en welzijnsbioloog) evenmin tot het oordeel kan leiden dat in dit geval sprake zou zijn van dierenmishandeling. Het vorenoverwogene leidt derhalve tot het oordeel dat de APV in dit geval geen mogelijkheden geeft om de evenementenvergunning te weigeren. Voor zover eiser meent dat het dierenwelzijn in geding is, zal zij met een beroep op de Wet Dieren om handhaving kunnen verzoeken.

2.3

De rechtbank concludeert dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat de gevraagde vergunning te weigeren.

3.1

Het beroep is ongegrond.

3.2

Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.