Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1197

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
C/18/187054 / HA ZA 18-201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opzegging geldlening, beperkende / aanvullende werking redelijkheid en billijkheid bij opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/187054 / HA ZA 18-201

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAR HOLDING B.V.,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

advocaat: mr. L.A.M. Barendregt te Groningen,

tegen

1 [voornaam] [gedaagde 1] ,

wonende te Haren,

2. [voornaam] [gedaagde 2],

wonende te Haren,

gedaagden,

advocaat: mr. P. Lettinga te Groningen.

Eiseres zal hierna "SAR Holding" worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk " [gedaagde 1] " en " [gedaagde 2] " en gezamenlijk " [gedaagden] " worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 december 2018,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SAR Holding is aandeelhoudster van SAR Trading B.V. (hierna te noemen: SAR Trading), waarin zij 66,66% van de aandelen houdt. S. Bos Holding B.V. (hierna te noemen: Bos Holding), waarvan [gedaagde 1] de aandeelhouder/bestuurder is, houdt 33,33% van de aandelen in SAR Trading.

2.2.

SAR Trading is een internationaal opererende handelsonderneming in parfums en cosmetica.

2.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn echtgenoten.

2.4.

SAR Holding heeft [gedaagden] ten behoeve van de financiering van de koopsom van een woning te Haren een bedrag van € 64.169,75 geleend. Dit bedrag is door SAR Holding op 12 september 2014 naar de bankrekening van [gedaagde 1] overgemaakt. Het bedrag van de lening was voordien vanuit SAR Trading naar SAR Holding overgemaakt.

2.5.

De overeenkomst van geldlening tussen SAR Holding en [gedaagden] is aanvankelijk niet op schrift gesteld. Op advies van de accountant van de onderneming is de overeenkomst van geldlening in 2016 alsnog op schrift gesteld. Deze overeenkomst is vervolgens door partijen op 12 september 2014 geantedateerd en door hen ondertekend.

In de overeenkomst van geldlening is onder meer bepaald:

(…)

Artikel 1 Hoofdsom

De schuldeiser verstrekt aan de schuldenaar ter leen, gelijk de schuldenaar van de schuldeiser ter leen in ontvangst neemt, een bedrag van € 64.169,75 (zegge: vierenzestigduizend honderdnegenenzestig euro en vijfenzeventig cent), hierna te noemen de hoofdsom, welke hoofdsom na ondertekening van deze overeenkomst door de schuldeiser ter beschikking zal worden gesteld door overmaking op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [gedaagde 1] geadministreerd bij de Rabobank.

Artikel 2 Rente

De schuldenaar is verplicht om over de geleende hoofdsom of het restant daarvan aan de schuldeiser te betalen een rente van vier procent (4%) per jaar, verschijnend op de laatste dag van het jaar, voor het eerst op

31-12-2014. In het geval van achterblijven van de betaling van de rente over een bepaald jaar, wordt de verschuldigde rente bij de hoofdsom opgeteld op de 1e datum van het opvolgende jaar.

Artikel 3 Aflossing

1. De schuldenaar is verplicht op de in artikel 2 genoemde jaarlijkse verschijndagen der rente op de hoofdsom af te lossen een bedrag van € 10.000 (zegge: tienduizend euro), voor het eerst op 31-12-2015, zodat de hoofdsom per 31-12-2021 (datum) zal zijn afgelost. Wijziging van de aflossingsregeling in onderling overleg is mogelijk.

(…)

Artikel 4 Opeisbaarheid ineens

1. De hoofdsom is steeds met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden geheel of naar keuze van de schuldeiser gedeeltelijk opeisbaar.

(…)

Artikel 10 Kosten

Alle kosten waartoe deze overeenkomst van geldlening overigens aanleiding geeft of in de toekomst aanleiding geven zal, daaronder begrepen die, welke de schuldeiser nodig zal oordelen te maken tot behoud en ter uitvoering van haar rechten ter zake van onderhavige overeenkomst, komen ten laste van de schuldenaar.

(…)

2.6.

De geldlening van SAR Holding aan [gedaagden] is in de jaarrekeningen van SAR Trading betreffende de jaren 2015 en 2016 op de balans onder de financiële vaste activa opgenomen.

2.7.

[gedaagden] hebben sinds het aangaan van de overeenkomst van geldlening tot op heden nog geen enkel bedrag op de geldlening afgelost of rente betaald.

2.8.

[gedaagde 1] heeft op of omstreeks 6 april 2018 namens Bos Holding te kennen gegeven met onmiddellijke ingang te willen terugtreden uit SAR Trading alsmede enkele andere tot de groep behorende vennootschappen.

2.9.

Bij brief aan [gedaagden] van 10 april 2018 heeft SAR Holding de overeenkomst van geldlening opgezegd. SAR Holding vermeldt daartoe in deze brief onder meer:

"Zoals u wel bekend heeft SAR Holding B.V. u op 12 september 2014 een geldlening van (in hoofdsom) € 64.169,75 verstrekt. Middels dit schrijven zeggen wij, op grond van artikel 4 van de overeenkomst, de geldlening op (in ieder geval) per 10 juli 2018. Uiterlijk per die datum dient u het alsdan openstaande bedrag (hoofdsom, vermeerderd met de opeisbare rente) ad € 70.884,- te hebben bijgeschreven op de bankrekening met nummer [rekeningnummer] ten name van SAR Holding B.V. (…)"

2.10.

Op de aandeelhoudersvergadering van SAR Trading van 19 april 2018 is Bos Holding ontslagen als (mede)bestuurder van SAR Trading.

2.11.

[gedaagden] is ondanks een schriftelijke (confraternele) sommatie niet tot terugbetaling van de geldlening aan SAR Holding overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

SAR Holding vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt:

I. tot betaling aan SAR Holding van het bedrag van € 70.954,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de contractuele rente van 4% vanaf 19 juli 2018 tot aan de dag van algehele betaling, te voldoen binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn;

II. tot betaling aan SAR Holding van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.416,70, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn;

II. in de kosten van het geding (de kosten van gelegde beslagen daaronder begrepen), alsmede de nakosten volgens het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen acht dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van SAR Holding, met veroordeling van SAR Holding - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding.

4. Het standpunt van SAR Holding

4.1.

SAR Holding heeft conform artikel 4 lid 1 van de overeenkomst van geldlening deze overeenkomst per brief van 10 april 2018 met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden opgezegd, zodat per 10 juli 2018 voor [gedaagden] de (hoofdelijke) verplichting is ontstaan om de geleende geldsom vermeerderd met rente aan SAR Holding terug te betalen. Vanaf deze datum is [gedaagden] in verzuim. Ondanks een sommatie d.d. 13 juli 2018 om per

19 juli 2018 het volledig verschuldigde bedrag te voldoen, is [gedaagden] daartoe tot dusverre niet overgegaan. De door [gedaagden] verschuldigde hoofdsom (vermeerderd met 4% rente) bedroeg per 19 juli 2018 € 70.954,00.

4.2.

Ten onrechte ziet [gedaagden] in de vermelding van de geldlening onder de activa op de balans in de jaarrekeningen van SAR Trading over 2015 en 2016 een cessie van de vordering op [gedaagden] door SAR Holding aan SAR Trading. Cessie van een vordering kan alleen plaatsvinden op grond van een daartoe bestemde akte. Die akte is er in het onderhavige geval niet. De enkele vermelding van de geldlening op de balans van SAR Trading is onvoldoende om een cessie van de vordering op [gedaagden] door SAR Holding aan SAR Trading aan te kunnen nemen. De geldlening aan [gedaagden] is louter vanwege administratieve redenen op de balans van SAR Trading geactiveerd; het geld voor de lening aan [gedaagden] is namelijk per saldo door die vennootschap ter beschikking gesteld.

4.3.

Het is voor SAR Trading vanaf het moment van verstrekking van de geldlening door SAR Holding aan [gedaagden] tot op heden niet mogelijk geweest om dividend aan haar aandeelhouders uit te keren. Dat stond Rabobank, de financier van de onderneming, niet toe. De stelling van [gedaagde 1] dat partijen zijn overeengekomen dat terugbetaling van de geldlening tegelijk met het uitbetalen van dividend zou plaatsvinden, berust niet op een afspraak tussen partijen. Er was immers geen zicht op de betaling van dividend door SAR Trading.

4.4.

Op grond van artikel 10 van de overeenkomst van geldlening is [gedaagden] alle (incasso)kosten verschuldigd die SAR Holding dient te maken ter behoud en/of uitvoering van haar rechten ter zake deze overeenkomst. SAR Holding heeft [gedaagden] herhaaldelijk aangemaand en gesommeerd om tot betaling over te gaan. Om die reden vordert SAR Holding conform de WIK/BIK betaling van een bedrag van € 1.416,70 aan incassokosten.

5 Het standpunt van [gedaagden]

5.1.

Uit de jaarrekeningen van SAR Trading blijkt dat SAR Holding haar vordering op [gedaagden] in 2015 heeft overgedragen aan SAR Trading. [gedaagden] is van deze cessie op de hoogte. SAR Holding heeft als gevolg van de cessie geen vordering meer op [gedaagden] Om die reden dient SAR Holding in haar vorderingen jegens [gedaagden] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.2.

Indien de vordering op [gedaagden] nog wel bij SAR Holding zou berusten, dan heeft SAR Holding niet het recht om de lening op te zeggen en de hoofdsom op te eisen met een beroep op artikel 4 van de overeenkomst van geldlening. Bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening is over terugbetaling daarvan geen afspraak gemaakt. In een later stadium is afgesproken dat de geldlening zou worden afgelost door middel van het doen van dividenduitkeringen door SAR Trading (aan Bos Holding, waarbij Bos Holding op haar beurt dividend zou uitkeren aan haar aandeelhouder [gedaagde 1] , die daarmee de geldlening bij SAR Holding zou aflossen). Hetgeen in de schriftelijke overeenkomst van geldlening omtrent de aflossing is bepaald, is volgens [gedaagden] dan ook niet overeenkomstig de afspraken van partijen. Dat partijen een afspraak over het aflossen van de geldlening tegelijk met het doen van dividenduitkeringen hebben gemaakt, blijkt volgens [gedaagden] ook uit het feit dat er nooit tussentijds is afgelost of aanspraak is gemaakt op aflossing en uit het feit dat de geldlening door SAR Holding aan SAR Trading is gecedeerd. Een andere reden voor deze cessie dan het creëren van de mogelijkheid om de aflossing van de geldlening met (toekomstige) dividenduitkeringen te kunnen verrekenen is niet te bedenken, aldus [gedaagden]

5.3.

Indien tussen partijen toch zou zijn overeengekomen dat de geldlening met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden kan worden opgeëist, dan is deze opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daartoe voert [gedaagden] het volgende aan. De waarde van de aandelen van Bos Holding in SAR Trading bedraagt ruim € 600.000,00. Aflossing van de geldlening zou bij verkoop van de aandelen in de transactie worden meegenomen. SAR Holding wil echter op geen enkele manier met [gedaagde 1] en Bos Holding in overleg treden over de overname van diens aandelen. Het is SAR Holding bekend dat [gedaagde 1] naast zijn aandelen in SAR Trading niet over enig vermogen beschikt. Door hem in deze situatie als bestuurder te ontslaan, de lening op te eisen en aan te sturen op het voortduren van het aandeelhouderschap van [gedaagde 1] , tracht SAR Holding [gedaagde 1] bewust in een financieel zeer lastige positie te manoeuvreren. Een (zwaarwichtige) reden voor opzegging van de overeenkomst van geldlening is er niet en is door SAR Holding ook niet gegeven.

5.4.

Voorts dienen aan de contractuele opzeggingsbepaling waarop SAR Holding zich in dezen beroept volgens [gedaagden] nadere eisen worden gesteld op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Een redelijke uitleg van de opzeggingsbepaling is dat de geldlening alleen kan worden opgezegd wanneer er een einde komt aan het aandeelhouderschap van Bos Holding. De geldlening is namelijk met het oog op de komst van Bos Holding als aandeelhouder van SAR Trading verstrekt.

5.5.

SAR Holding maakt misbruik van recht door de lening in de hiervoor geschetste omstandigheden op te eisen. Het gevolg daarvan is dat SAR Holding geen terugbetaling van de geleende geldsom kan eisen.

5.6.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten stelt [gedaagden] dat de sommatiebrief van SAR Holding niet voldoet aan de eisen die de WIK stelt aan een sommatiebrief gezonden aan een consument-schuldenaar, zodat SAR Holding geen aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten kan maken. Daarnaast staan de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet in een redelijke verhouding tot de verrichte werkzaamheden.

6 De beoordeling van het geschil

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat SAR Holding als de contractuele wederpartij van [gedaagden] met betrekking tot de onderhavige overeenkomst van geldlening moet worden aangemerkt, nu SAR Holding in de schriftelijke overeenkomst van geldlening als schuldeiser staat vermeld, en het SAR Holding is geweest die het geleende bedrag aan [gedaagden] ter beschikking heeft gesteld. Daarmee komt in beginsel aan SAR Holding het recht toe om aflossing van deze geldlening door [gedaagden] te vorderen. [gedaagden] heeft echter betoogd dat SAR Holding haar vordering op [gedaagden] uit hoofde van de geldlening aan SAR Trading heeft gecedeerd, zodat aan SAR Holding geen vordering ter zake meer zou toekomen. Dit betoog kan naar het oordeel van de rechtbank geen doel treffen. Daartoe wordt het volgende overwogen. De enkele vermelding van de vordering op [gedaagden] uit hoofde van de geldlening onder de financiële vaste activa op de balans in de jaarrekeningen van SAR Trading over 2015 en 2016 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is geweest van een cessie van deze vordering door SAR Holding aan SAR Trading. Voor een openbare cessie van een vordering zijn ingevolge artikel 3:94 lid 1 BW immers een daartoe bestemde akte en mededeling van de cessie aan de schuldenaar vereist. Aan deze beide vereisten is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet voldaan. Allereerst is niet gebleken van het bestaan van een cessie-akte, waarbij de vordering van SAR Holding op [gedaagden] aan SAR Trading is overgedragen. Evenmin is gebleken dat door SAR Holding of SAR Trading aan [gedaagden] als schuldenaar van de vordering mededeling van de gestelde cessie is gedaan. Voor zover [gedaagden] zich zouden beroepen op een zogeheten "stille" cessie van de vordering als bedoeld in artikel 3:94 lid 3 BW (waarbij het mededelingsvereiste niet geldt), gaat ook dat betoog niet op, nu van het bestaan van de hiervoor vereiste authentieke of geregistreerde akte niet is gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient er in deze procedure vanuit te worden gegaan dat er géén cessie van de vordering van SAR Holding op [gedaagden] aan SAR Trading heeft plaatsgevonden en dat de vordering op [gedaagden] dus nog steeds bij SAR Holding berust. Het door [gedaagden] gevoerde ontvankelijkheidsverweer faalt dan ook.

6.2.

De rechtbank overweegt dat de onderhavige overeenkomst van geldlening als een onderhandse akte in de zin van de wet (artikel 156 lid 3 Rv) moet worden beschouwd. Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte, behoudens de in deze wetsbepaling vermelde uitzondering (die in dit geval niet geldt) ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring.

Gelet op de dwingende bewijskracht die aldus aan de schriftelijke, door beide partijen ondertekende overeenkomst van geldlening toekomt, dient - voor zover hier van belang - in beginsel ervan te worden uitgegaan dat partijen een geldlening van € 64.169,75 zijn overeengekomen, tegen een rente van 4% per jaar, alsmede dat partijen aflossingen op de geldlening zijn overeengekomen als voorzien in artikel 3 van de geldleningsovereenkomst en dat partijen ten aanzien van de opeisbaarheid van de geldlening zijn overeengekomen dat de hoofdsom steeds met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden opeisbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagden] de door hem hiertegenover gestelde afwijkende afspraak dat de geldlening zou worden afgelost middels het doen van toekomstige dividenduitkeringen door SAR Trading - mede in het licht van de uitdrukkelijke betwisting van deze stelling door SAR Holding - onvoldoende onderbouwd. [gedaagden] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit het bestaan van een dergelijke afwijkende afspraak tussen partijen kan worden afgeleid. De gestelde afspraak valt naar het oordeel van de rechtbank ook niet te rijmen met de door SAR Holding gestelde en door [gedaagden] niet weersproken omstandigheden dat de Rabobank in haar financiering van SAR Trading heeft bepaald dat er geen dividend door SAR Trading mag worden uitgekeerd en dat [gedaagde 1] daarvoor ook heeft getekend. Aldus was er geen enkel zicht op betaling van dividend aan de aandeelhouders van SAR Trading. Het komt de rechtbank tegen die achtergrond niet aannemelijk voor dat de geldlening van SAR Holding aan [gedaagden] niettemin door het doen van toekomstige dividendbepalingen zou worden afgelost. De omstandigheid dat er niet, zoals contractueel is overeengekomen, tussentijds door [gedaagden] op de lening is afgelost, acht de rechtbank onvoldoende aanwijzing voor de door [gedaagden] gestelde aflossing door middel van het doen van toekomstige dividenduitkeringen. Nu [gedaagden] de gestelde afspraak onvoldoende heeft onderbouwd, is bewijslevering ter zake niet aan de orde. Daarmee is deze door [gedaagden] gestelde afwijkende afspraak over aflossing van de geldlening in rechte niet komen vast te staan.

6.3.

Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat onverkort dient te worden uitgegaan van hetgeen in de schriftelijke overeenkomst van geldlening is bepaald omtrent aflossing en opzegging van de geldlening. SAR Holding was naar het oordeel van de rechtbank in beginsel dan ook gerechtigd om op grond van artikel 4 lid 1 van de overeenkomst van geldlening de hoofdsom met inachtneming van in deze bepaling genoemde opzegtermijn van drie maanden op te eisen. Conform deze contractuele bepaling heeft SAR Holding bij brief van 10 april 2018 de geldlening tegen 10 juli 2018 opgezegd. De geldlening is daarmee naar het oordeel van de rechtbank vanaf laatstgenoemde datum opeisbaar geworden.

6.4.

Ook bij een overeengekomen opzeggingsrecht geldt dat de partij die wil opzeggen daarbij de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW in acht moet nemen. Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134).

6.4.1.

De rechtbank is van oordeel dat het door SAR Holding gedane beroep op opzegging van de geldleningsovereenkomst in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Allereerst is niet gebleken dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat de aflossing van de geldlening pas bij verkoop van de aandelen van Bos Holding in SAR Trading zou plaatsvinden. Feiten of omstandigheden die daarop wijzen, zijn door [gedaagden] niet aangevoerd. Verder overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat partijen het kennelijk nog niet eens zijn over de overname van de aandelen van Bos Holding in SAR Trading niet in de weg staat aan de opzegging van de geldlening door SAR Holding. Het gaat hierbij om twee los van elkaar staande kwesties; de ene betreft de zakelijke belangen van Bos (Holding) en de andere de privébelangen van [gedaagden] Ook is het de rechtbank niet gebleken dat, zoals [gedaagden] heeft gesteld, SAR Holding de overname van de aandelen van Bos Holding bewust traineert teneinde hem in een financieel lastige positie te manoeuvreren. SAR Holding hoefde gezien het vorenstaande met de opzegging van de geldlening aan [gedaagden] dan ook niet te wachten totdat de kwestie van de overname van de aandelen van Bos Holding in SAR Trading is afgerond. De door [gedaagden] genoemde omstandigheid dat hij - naast zijn aandelen in SAR Trading - niet over enig vermogen beschikt, behoefde SAR Holding er naar het oordeel van de rechtbank evenmin van te weerhouden om de overeenkomst van geldlening op te zeggen. (Eventuele) betalingsonmacht vormt een omstandigheid die voor rekening en risico van [gedaagden] als schuldenaar komt en die hij in het kader van de opzegging van de geldlening dan ook niet met succes aan SAR Holding kan tegenwerpen.

6.5.

De rechtbank overweegt verder dat ook nu de opzegging van de overeenkomst van geldlening op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW kunnen meebrengen dat aan de opzegging aanvullende eisen mogen worden gesteld. Zo kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat of dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen (vgl. HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141).

6.5.1.

SAR Holding had naar het oordeel van de rechtbank een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de geldleningsovereenkomst met [gedaagden] , nu [gedaagde 1] te kennen had gegeven niet langer voor de onderneming van SAR Trading werkzaam te willen zijn. In het verlengde daarvan acht de rechtbank het voorstelbaar dat SAR Holding de kwestie van de openstaande geldlening geregeld wenste te zien. Daarnaast heeft SAR Holding bij de opzegging van de overeenkomst van geldlening de geldende contractuele opzegtermijn van drie maanden in acht genomen. De rechtbank acht dit in de gegeven omstandigheden een redelijke termijn. De rechtbank verwerpt het standpunt van [gedaagden] dat een redelijke uitleg van de opzeggingsbepaling met zich brengt dat de overeenkomst van geldlening alleen kan worden opgezegd wanneer er een einde komt aan het aandeelhouderschap van Bos Holding. Hiervoor (in r.o. 6.4.1.) is reeds geoordeeld dat het bij de opzegging van de overeenkomst van geldlening en het einde van het aandeelhouderschap van Bos Holding om twee verschillende kwesties gaat. Anders dan [gedaagden] betoogt, is de onderhavige geldlening aan [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank ook niet verstrekt in verband met de komst van Bos Holding als aandeelhouder, maar in verband met een gat in de financiering van de woning die [gedaagden] in Haren wilden kopen. Vast staat dat [gedaagden] deze geldlening van SAR Holding nodig hadden om de financiering voor deze woning rond te kunnen krijgen. De geldlening was dus niet noodzakelijk om (via Bos Holding) aandelen in SAR Trading te kopen.

6.6.

[gedaagden] heeft ten slotte nog gesteld dat SAR Holding misbruik van recht maakt door in de gegeven omstandigheden de overeenkomst van geldlening op te zeggen. Dit verweer is door [gedaagden] echter niet nader geconcretiseerd, aan de hand van daartoe specifiek aangewezen feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van misbruik van recht, zodat de rechtbank dit verweer als onvoldoende onderbouwd zal passeren.

6.7.

Nu de opzegging van de overeenkomst van geldlening door SAR Holding in het licht van het vorenstaande stand houdt, is [gedaagden] gehouden om de door SAR Holding gevorderde hoofdsom van € 70.954,00, waarvan de hoogte niet door [gedaagden] is betwist, te voldoen. De desbetreffende vordering van SAR Holding is dan ook toewijsbaar. De gevorderde contractuele rente van 4% is eveneens toewijsbaar, nu daartegen geen zelfstandig verweer is gericht.

6.8.

De vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten komt naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden, waarbij aan [gedaagden] als consument-schuldenaar de verschuldigdheid van incassokosten is aangezegd bij het uitblijven van betaling.

6.9.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld, aan de zijde van SAR Holding vastgesteld als volgt:

- dagvaardingskosten € 87,42

- griffierecht € 1.950,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2 punten x € 1.074,00, tarief IV)

-------------

€ 4.185,42.

6.10.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna in het dictum te melden. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten/nakosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.

6.11.

SAR Holding heeft tevens gevorderd dat [gedaagden] wordt veroordeeld in de kosten van de gelegde beslagen. Nu SAR Holding echter geen nadere onderbouwing van deze vordering heeft gegeven - zo zijn er bijvoorbeeld geen beslagstukken overgelegd waaruit eventuele beslagkosten kunnen worden afgeleid - moet deze vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

I. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander (in zoverre) zal zijn bevrijd, tot betaling aan SAR Holding van een bedrag van

€ 70.954,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 4% vanaf 19 juli 2018 tot aan de dag van algehele betaling;

II. veroordeelt [gedaagden] , eveneens hoofdelijk, in de kosten van het geding, aan de zijde van SAR Holding vastgesteld op € 4.185,42 en veroordeelt [gedaagden] , eveneens hoofdelijk, in de nakosten, vastgesteld op € 157,00 zonder betekening, en verhoogd met € 82,00 in geval van betekening van dit vonnis, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen deze termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf het verstrijken van deze termijn tot aan de dag van algehele betaling;

III. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.

mp/614