Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1188

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
18/630047-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:7845
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag zonder lijk. De rechtbank Noord-Nederland heeft de toenmalige echtgenoot van de sinds januari 2010 vermiste slachtoffer uit Siddeburen wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar. De rechtbank is op grond van de bevindingen van het politieonderzoek van oordeel dat het niet anders kan dan dat het slachtoffer op de avond van haar vermissing door geweld om het leven is gebracht in de echtelijke woning en dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is geweest. Andere denkbare scenario’s – vrijwillig vertrek, zelfmoord, ongeval of natuurlijk overlijden dan wel de betrokkenheid van een andere dader of daders – zijn onderzocht maar kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat uit een groot aantal getuigenverklaringen volgt dat het slachtoffer de woning vanwege de nadere echtscheiding die avond per se niet wilde verlaten, terwijl ook op grond van de weersomstandigheden, het gebrek aan vervoer en het achterlaten van haar éénjarige zoontje en een groot aantal persoonlijke spullen niet aannemelijk te achten is dat zij de woning vrijwillig heeft verlaten, zoals verdachte heeft verklaard. De rechtbank ziet zich verder in haar overtuiging gesteund door de resultaten van het forensisch onderzoek, waarbij onder meer op en rond het bed waar het slachtoffer sliep een groot aantal bloedspatten zijn aangetroffen, en door het gedrag van verdachte na haar verdwijning, zoals het plotseling vervangen van het matras van dat bed.

De rechtbank heeft ten aanzien van de strafmaat overwogen dat de maximale straf voor doodslag op zijn plaats is, waarbij de rechtbank met name zwaar heeft meegewogen dat verdachte door geen openheid van zaken te geven de nabestaanden tot op heden in onzekerheid houdt over de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht en wat er daarna met haar lichaam is gebeurd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/630047-10

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 en 12 februari 2019 en 12 maart 2019.

Verdachte is niet verschenen; wel zijn op 11 en 12 februari 2019 verschenen mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl en mr. H.L.P. Fauser, advocaat te Groningen, die verklaard hebben uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 11 en 12 februari 2019 vertegenwoordigd door mr. C. Fahner.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2010, althans in de periode van 10 januari 2010

tot en met 28 januari 2010 te Siddeburen, althans in de gemeente Slochteren en/of (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zijn echtgenote, genaamd [slachtoffer] ,

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

zodanig geweld op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] uitgeoefend,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 10 januari 2010, althans in de periode van 10 januari 2010

tot en met 28 januari 2010, te Siddeburen, althans in de gemeente Slochteren en/of (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan zijn echtgenote, genaamd [slachtoffer] ,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

zodanig geweld op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 10 januari 2010, althans in de periode van 10 januari 2010

tot en met 28 januari 2010, te Siddeburen. althans in de gemeente Slochteren, en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

zijn echtgenote, genaamd [slachtoffer] ,

al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

heeft mishandeld,

door geweld op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] uit te oefenen,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meest subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2010 tot en met 28 januari 2010

te Siddeburen, althans in de gemeente Slochteren, en/of (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer]

heeft verbrand, vernietigd, verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt,

met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig een op schrift gesteld requisitoir gemotiveerd veroordeling gevorderd voor de primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag. Zij heeft aangevoerd dat er voldoende bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij het om het leven brengen van het slachtoffer, van wie sinds 10 januari 2010 geen levensteken is vernomen. Na uitgebreid onderzoek blijkt, ondanks het feit dat het stoffelijk overschot van het slachtoffer niet is aangetroffen, het scenario van een misdrijf, waarbij het slachtoffer is overleden, het enige overgebleven scenario. Daarbij biedt het dossier veruit de meeste aanknopingspunten dat verdachte, en niet een onbekende andere persoon, verantwoordelijk moet worden gehouden voor het misdrijf. De verklaring van verdachte over het vertrek van het slachtoffer, inhoudende dat zij op 10 januari 2010 tussen 20.00 uur en 21.00 uur vrijwillig en zonder iets te zeggen de woning heeft verlaten, acht zij volstrekt ongeloofwaardig. Zij heeft erop gewezen dat deze verklaring in strijd is met vele bewijsmiddelen. Dat verdachte bij haar overlijden betrokken is geweest, leidt de officier van justitie af uit een groot aantal door haar opgesomde bewijsmiddelen. Er was sprake van een motief, in de woning, en dan met name in de slaapkamer, zijn diverse sporen aangetroffen, waaronder bloedsporen van het slachtoffer en verdachte heeft zich kort na haar verdwijning ontdaan van een matras, terwijl eveneens een kussen van het bed lijkt te ontbreken. Verdachte heeft hiervoor, gelet op de aangetroffen sporen op en rondom het bed, geen geloofwaardige verklaring gegeven. Ook in de auto en in een kruiwagen zijn sporen van het slachtoffer aangetroffen. Voorts heeft zij gewezen op een aantal getuigenverklaringen over het gedrag van verdachte na de vermissing van het slachtoffer. Deze bevindingen passen in het scenario dat verdachte bezig is gewest met het wissen van sporen en het wegmaken van het lichaam van het slachtoffer. De officier van justitie heeft voorts ook ander gedrag van verdachte na de verdwijning van het slachtoffer in aanmerking genomen, waaronder onder meer het eigenlijk niet willen meewerken aan het programma Tros Vermist, het internetgedrag van verdachte, de aankoop en het verbruik van vuilniszakken en het achterlaten van poetslappen met bloedsporen met daarin een mengprofiel van verdachte en het slachtoffer in een prullenbak in Appingedam. Nu verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven, gaat de officier van justitie op basis van de bevindingen uit van het scenario dat verdachte het slachtoffer met enige vorm van geweldpleging om het leven heeft gebracht. Dat geweld kan zijn toegepast door middel van steken, slaan, stompen dan wel schoppen op/tegen het hoofd en/of het lichaam of een combinatie daarvan. Dit zijn allemaal feitelijke geweldshandelingen die naar uiterlijke verschijningsvorm zodanig zijn dat ze opzet op de dood impliceren, waarmee sprake is doodslag, zeker als het wegmaken van het lichaam van het slachtoffer hierbij betrokken wordt. Alhoewel in het internetgedrag van verdachte rondom de dag van verdwijning aanwijzingen zijn te vinden dat verdachte bezig is geweest met de dood en het doden, acht de officier van justitie onvoldoende bewijs aanwezig dat sprake was van voorbedachte raad, zodat zij moord niet bewezen acht. Ook het tenlastegelegde medeplegen acht zij niet te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft overeenkomstig haar pleitnota gemotiveerd betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte vanaf het begin heeft verklaard dat hij niets te maken heeft gehad met de verdwijning van het slachtoffer en dat hij geen misdrijf jegens haar heeft begaan. Dat verdachte niettemin betrokken is geweest bij een jegens het slachtoffer gepleegd misdrijf, kan niet worden bewezen. Allereerst kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het slachtoffer is overleden, nu haar stoffelijk overschot niet is gevonden en de aanwijzingen in de richting van een (vrijwillige) verdwijning onvoldoende zijn onderzocht. Gelet op het hoge aantal vermissingen per jaar, is niet uit te sluiten dat het slachtoffer vrijwillig is vertrokken en zich mogelijk een andere identiteit heeft aangemeten of dat er iets anders is gebeurd waar we geen weet van hebben. Indien echter niettemin wordt aangenomen dat het slachtoffer is overleden, dan is er geen bewijs dat haar dood door een misdrijf veroorzaakt is. Het politieonderzoek lijkt gestoeld te zijn op de aanname dat op de avond van 10 januari 2010 sprake was van een ruzie tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij verdachte het slachtoffer op het bed van het leven zou hebben beroofd en waarna verdachte haar lichaam – al dan niet in delen – zou hebben weggemaakt. Uit de getuigenverklaringen volgt weliswaar dat de sfeer tussen verdachte en het slachtoffer niet goed was, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat sprake was van slaande ruzie. Uit de resultaten van het DNA- en luminolonderzoek is evenmin af te leiden dat sprake is van een misdrijf. Rondom het bed is slechts een (zeer) kleine hoeveelheid bloed aangetroffen en er wordt niets duidelijk over de aard van de impact. Dit volgt ook niet uit het spoor op de overloop en het bloed op een door verdachte weggegooid stuk textiel. De verdediging heeft voorts verweren gevoerd over de wijze van veiligstellen en herleiden van bepaald DNA-materiaal. Nu bij het DNA-onderzoek diverse regels niet zijn nageleefd, of in ieder geval niet kan worden vastgesteld of de regels zijn nageleefd, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hieraan kan geen andere conclusie worden verbonden dan dat de resultaten van het DNA-onderzoek met betrekking tot het nachtkastje, het windlicht, het schutbord en het stuk textiel moeten worden uitgesloten van het bewijs. Indien de rechtbank deze informatie niet uitsluit, kan wellicht op basis daarvan worden aangenomen dat er een kleine hoeveelheid bloed van het slachtoffer aanwezig is geweest in de slaapkamer en op een lap(je) stof. Op grond van het bloedsporenbeeld kan, evenals in de in een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden1 in een vergelijkbare zaak, niet zonder meer worden geconcludeerd dat de onderzochte woning een plaats delict betrof van een ernstig misdrijf, zodat niet kan worden aangenomen dat de vermiste persoon om het leven is gebracht. Alternatieve oorzaken voor het bloed in de slaapkamer zijn niet onderzocht. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat, als het slachtoffer is overleden, haar dood door een misdrijf is veroorzaakt. Mocht dit wel worden aangenomen, dan kan niet worden bewezen dat verdachte dit misdrijf heeft gepleegd. Uit zijn handelen of gedrag kan dit niet worden afgeleid. Zijn handelen of gedrag is alleen opmerkelijk als ervan wordt uitgegaan dat hij een misdrijf heeft gepleegd. Dit geldt zowel voor gedragingen van verdachte van voor 10 januari 2010 als voor de gedragingen van verdachte van na die datum. Ook is het niet geloofwaardig dat hij iemand gedood zou hebben en daarvan feitelijk geen enkel spoor zou hebben achtergelaten, zeker gelet op de barre omstandigheden van januari 2010. Indien wordt aangenomen dat het slachtoffer dood is, dat haar dood door een misdrijf is veroorzaakt en dat verdachte voor haar dood verantwoordelijk is, kan ten slotte niet worden bewezen dat sprake is van één van de tenlastegelegde misdrijven. Niet kan worden vastgesteld dat en welk geweld is uitgeoefend en daardoor evenmin dat het slachtoffer ten gevolge van het geweld is overleden. Het opzet op de dood of (zwaar) lichamelijk letsel kan hiermee niet worden vastgesteld. Evenmin kan de voorbedachte raad worden vastgesteld. Ook het meest subsidiair ten laste gelegde, het wegmaken van een lijk, kan niet worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

1. De bewijsmiddelen

De rechtbank past de in de bijlage bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Deze bewijsmiddelen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2. De bewijsoverwegingen

2.1.

Inleiding

Naar aanleiding van de melding van vermissing van [slachtoffer] (nader te noemen: het slachtoffer) sinds 10 januari 2010 is op 14 januari 2010 onder de naam Althoorn een politieonderzoek gestart, welk onderzoek hierna is overgedragen aan het coldcase team van de Politie Noord-Nederland. Het onderzoek heeft niet geleid tot het aantreffen van het slachtoffer of haar stoffelijk overschot.

In het betreffende onderzoek zijn diverse scenario's betrokken, zoals de vraag of het slachtoffer nog in leven is of dat zij is overleden, waarbij in het geval het slachtoffer in leven zou zijn is betrokken de vraag of sprake is van een vrijwillige of onvrijwillige vermissing, en waarbij in het geval het slachtoffer overleden zou zijn de vraag is betrokken of dat door een natuurlijke oorzaak, door een ongeval, door suïcide of door een misdrijf is gebeurd.

De rechtbank zal hieronder aan de hand van de beantwoording van een aantal deelvragen, die samenhangen met de in het politieonderzoek onderzochte scenario's, uiteenzetten op grond waarvan zij bewezen acht dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan. Dit betreft de volgende deelvragen:

2.2.

Is het slachtoffer overleden?

2.3.

Heeft het slachtoffer de woning verlaten?

2.4.

Op welke wijze is het slachtoffer overleden?

2.5.

Is verdachte bij de gewelddadige levensberoving betrokken?

2.6.

Welk strafbaar feit levert dit op?

2.2.

Is het slachtoffer overleden?

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of bewezen kan worden dat het slachtoffer is overleden. Nu er geen stoffelijk overschot is gevonden, zal de rechtbank deze vraag op grond van andere feiten en omstandigheden moeten beantwoorden.

De rechtbank overweegt dat uit onderstaande feiten en omstandigheden volgt dat het slachtoffer tot op heden, inmiddels ruim negen jaar na het laatste teken van leven, niet meer is gezien en dat haar lichaam niet is gevonden, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat het slachtoffer vrijwillig is verdwenen. Integendeel, op basis van het dossier kunnen vooral aanwijzingen worden gevonden waaruit blijkt dat het slachtoffer juist in de woning wilde blijven. Naar het oordeel van de rechtbank kan het daarom niet anders zijn dan dat het slachtoffer niet langer in leven is.

De rechtbank stelt vast dat het laatste levensteken van het slachtoffer bestond uit een door haar via haar mobiele telefoon gevoerd gesprek met getuige [getuige 1] . Dit gesprek vond plaats op zondag 10 januari 2010 vanaf 21.35 uur en duurde 269 seconden. De telefoon van het slachtoffer straalde toen een mast in haar woonplaats Siddeburen aan. Na genoemd gesprek zijn er geen uitgaande gesprekken via het door het slachtoffer gebruikte telefoonnummer geregistreerd. Er zijn slechts registraties van kortdurende inkomende gesprekken, waarbij in enkele gevallen waarschijnlijk de voicemail is ingesproken. Gewoonlijk was het slachtoffer telefonisch echter goed te bereiken. Uit de verklaringen van verdachte volgt ook dat hij het slachtoffer in de avond van 10 januari 2010 voor het laatst in levenden lijve heeft gezien.

Er zijn geen verklaringen van getuigen die het slachtoffer persoonlijk kenden waaruit volgt dat zij het slachtoffer na dat tijdstip nog hebben gesproken of haar buiten haar woning hebben gezien of op andere wijze contact met haar hebben gehad. Dit terwijl het slachtoffer een uitgebreide vrienden- en kennissenkring had en daarmee veelvuldig contact onderhield.

Ook met haar familie heeft het slachtoffer geen contact meer opgenomen. Tot en met 10 januari 2010 had zij (nagenoeg) dagelijks contact met haar moeder, dat na die datum abrupt is gestopt. Haar familie heeft zij nadien niet meer financieel ondersteund, terwijl zij dat daarvoor wel deed. Ze heeft haar zoontje [naam zoon] , van wie zij blijkens een groot aantal verklaringen zielsveel hield en die zij graag bij zich wilde houden, achtergelaten bij verdachte. Met verdachte, haar echtgenoot, heeft zij evenmin contact opgenomen.

Op verschillende afspraken die zij voorafgaand aan haar vermissing heeft gemaakt, is zij, tegen haar gewoonte in, zonder afmelding niet verschenen. Het slachtoffer heeft in de avond van 10 januari 2010 telefonisch met getuige [getuige 2] afgesproken dat getuige haar de volgende dag om 9.45 uur zou ophalen om haar naar haar advocaat te brengen. Toen deze getuige op het afgesproken tijdstip bij de woning van verdachte en het slachtoffer arriveerde, deed het slachtoffer de deur niet open en nam zij haar telefoon niet op. Ze is ook niet zelfstandig op de afspraak met haar advocaat verschenen. Op een feest van een vriendin, getuige [getuige 3] , dat op 12 januari 2010 plaatsvond, is ze evenmin verschenen. Zij hadden afgesproken dat ze voorafgaand aan dat feest, in de avond van 11 januari 2010, telefonisch contact zouden hebben, maar dit contact is niet tot stand gekomen. Op de nieuwjaarsreceptie van de buurtvereniging op 16 januari 2010, waarvoor verdachte en het slachtoffer zich hadden opgegeven, zijn zij voorts beiden, zonder kennisgeving, evenmin verschenen.

Uit het financieel onderzoek volgt dat zij na 7 januari 2010 geen gebruik heeft gemaakt van haar bankpas en dat zij na haar vermissing geen geld van haar bankrekening heeft opgenomen. Niet is gebleken dat zij een andere bankrekening tot haar beschikking heeft of heeft gehad.

Verder hebben de vele zoekacties door de politie en door burgers in de directe omgeving, maar ook daarbuiten, niet tot het aantreffen van of contact krijgen met het slachtoffer geleid. Daarbij zijn ook vluchtgegevens bekeken, waaruit volgt zij niet met het vliegtuig naar Marokko is vertrokken. Ook oproepen via de televisieprogramma´s Tros Vermist en Peter R. de Vries hebben niet tot enig resultaat geleid.

Het dossier bevat één melding van een persoon die het slachtoffer na haar verdwijning zou hebben gezien. Deze persoon, een stadswacht, heeft verklaard dat zij op 26 juli 2011 in het centrum van Groningen in botsing kwam met een vrouw die zij, nadat zij enige tijd later een foto van het vermiste slachtoffer op internet zag, herkende als het slachtoffer. De rechtbank neemt in aanmerking dat dit een enkele waarneming betreft van een persoon die het slachtoffer niet persoonlijk kende, maar haar enkel van een naderhand waargenomen foto meende te herkennen. Aan een dergelijke herkenning kan over het algemeen minder waarde worden gehecht dan aan een herkenning door een persoon die de herkende persoon kent. De waarneming van deze getuige valt voorts niet te rijmen met de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden, in bijzonder niet met het feit dat het slachtoffer na 10 januari 2010 geen contact meer heeft opgenomen met vrienden en familieleden. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat deze herkenning een vergissing betreft, zodat de rechtbank deze buiten beschouwing zal laten. Ditzelfde geldt voor het gerucht dat het slachtoffer zou zijn ondergedoken in de Turkse gemeenschap, nu dit slechts een ongefundeerd vermoeden van één enkele persoon betreft en onderzoek door de politie niet tot enige bevestiging van dit gerucht heeft geleid.

Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer stappen ondernam om verdachte te verlaten. Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan hieruit niet worden afgeleid dat het slachtoffer bezig was in het geheim een nieuw leven op te bouwen. Integendeel, het slachtoffer was zeer open over de relatieproblemen tussen haar en verdachte en zocht hierbij hulp en steun van vrienden, kennissen en familieleden. Zij vond het bovendien van belang om over haar rechten en plichten te worden voorgelicht door een advocaat, maar is op de afspraak die zij met hem had, tegen de verwachtingen in, niet verschenen. Ook voor het overige komen naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier geen concrete aanwijzingen naar voren die tot de conclusie kunnen leiden dat het slachtoffer vrijwillig, met achterlating van haar zoontje, is verdwenen en elders, onder verbreking van alle bestaande familie- en kennissenbanden, een bestaan heeft opgebouwd.

2.3.

Heeft het slachtoffer de woning verlaten?

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het slachtoffer voor haar overlijden de woning te Siddeburen heeft verlaten, zoals verdachte heeft verklaard.

Verdachte heeft namelijk verklaard dat het slachtoffer in de avond van 10 januari 2010, op een tijdstip gelegen tussen 20.00 en 21.00 uur, vrijwillig de woning heeft verlaten. Daarvoor zou zij enige tijd in de badkamer hebben verbleven. Verdachte zat op dat moment naar eigen zeggen achter de computer in de slaapkamer op de benedenverdieping en heeft het slachtoffer niet zien weggaan, maar zou wel hebben gehoord dat zij de deur achter zich dichttrok. Hij heeft tevens verklaard dat het slachtoffer hem niet heeft gezegd dat ze vertrok en waar zij naartoe zou gaan. Op het moment van weggaan was het slachtoffer volgens verdachte niet overstuur en heeft ze niet gehuild; verdachte en het slachtoffer praatten weliswaar niet meer met elkaar, maar er werd, zo heeft hij verklaard, die avond niet geschreeuwd of met deuren geslagen. Ook tijdens de webcamsessie die het slachtoffer met haar moeder had, was de sfeer tussen hen "niet verkeerd".

Tegenover deze verklaring van verdachte staan echter een groot aantal andere feiten en omstandigheden, die op het tegendeel wijzen. De rechtbank wijst in dit verband op het volgende.

Het slachtoffer heeft de avond van 10 januari 2010 zowel telefonisch als via de webcam met diverse personen uit haar familie- en kennissenkring gesproken. Uit de verklaringen die deze getuigen hebben afgelegd, volgt, anders dan verdachte heeft verklaard, dat er die avond wel degelijk sprake was van een meer dan enkel gespannen sfeer tussen verdachte en het slachtoffer. Zo hebben de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] , die die avond in de tijdsperiode gelegen tussen 19.30 en 21.00 uur in elkaars bijzijn via de webcam met het slachtoffer contact hebben gehad, verklaard dat het slachtoffer aangaf dat zij problemen met haar man had en dat hij met de deuren sloeg. Het slachtoffer vroeg getuige [getuige 4] of ze dat op de achtergrond hoorde. Getuige [getuige 5] heeft voorts verklaard dat het slachtoffer zei dat verdachte erg boos was. Ook getuige [getuige 6] , de moeder van het slachtoffer, die die avond eveneens via de webcam contact met het slachtoffer had, heeft verklaard over de boosheid van verdachte op die avond. Zij heeft voorts verklaard dat het slachtoffer huilde en aangaf verdachte te hebben verteld dat ze de volgende dag een afspraak met haar advocaat had, waarna verdachte tegen haar had gezegd dat ze onmiddellijk de woning moest verlaten. Zij zag verdachte via de webcam "opgefokt " door de woning lopen en zag dat hij met de deuren sloeg. Hierbij hoorde zij verdachte onder meer zeggen dat hij de duivel was, "Nimrod", en dat haar dochter moest ophoepelen. Haar dochter reageerde hierop door te zeggen dat ze met dit weer niet weg kon, waarop verdachte aangaf dat hij de sloten zou vervangen. Na het advies van haar moeder om de woning te verlaten, heeft het slachtoffer tegen haar gezegd dat ze het niet vertrouwde om haar zoontje alleen achter te laten.

Zoals de rechtbank hierboven al heeft opgemerkt, volgt uit een groot aantal getuigenverklaringen bovendien dat de band tussen het slachtoffer en haar zoontje zodanig sterk was dat het volstrekt onaannemelijk is dat het slachtoffer voor langere tijd zou vertrekken, laat staan elders een nieuw leven zou willen opbouwen, onder achterlating van haar zoontje bij verdachte.

Daarnaast komt uit verschillende bewijsmiddelen helder naar voren dat het slachtoffer helemaal niet weg wilde en de woning die avond onder geen beding wilde verlaten. Het slachtoffer heeft namelijk tegenover de getuigen [getuige 1] , [getuige 7] , [getuige 6] , [getuige 8] en [getuige 9] aangegeven dat zij niet van plan was de woning, waarover strijd was in verband met de op handen zijnde echtscheiding, te zullen verlaten. Ook uit door verdachte met een memorecorder opgenomen gesprekken volgt dat het slachtoffer nadrukkelijk te kennen had gegeven dat zij in de woning wilde blijven. Het slachtoffer heeft de bewuste avond bovendien op verschillende momenten tegen meerdere getuigen gezegd dat zij naar bed zou gaan of niet meer naar buiten zou gaan. Getuigen hebben ook (via de webcam) gezien dat zij een huispak of pyjama droeg.

Voorts is niet gebleken dat het slachtoffer voorzorgsmaatregelen heeft genomen voor een verblijf elders. Dit lag wel voor de hand en hiertoe waren voldoende mogelijkheden. Zeker in het geval er geen sprake was van een overhaast vertrek, zoals verdachte heeft verklaard. Verschillende getuigen, te weten getuigen [getuige 1] , [getuige 10] , [getuige 11] en [getuige 12] , hebben verklaard dat zij het slachtoffer op enig moment hebben laten weten dat ze eventueel bij hen zou kunnen verblijven of dat zij een verblijfplaats voor haar zouden kunnen regelen. In een eerder stadium heeft zij vanwege de relatieproblemen met verdachte ook daadwerkelijk onderdak bij haar vriendin, getuige [getuige 10] , in Duitsland gezocht.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat het slachtoffer in de woning diverse persoonlijke goederen heeft achtergelaten, hetgeen in het geval van een rustig en voorbereid vertrek met de intentie om niet meer terug te keren opmerkelijk is.

Dat het slachtoffer die avond de woning heeft verlaten, is ook gezien de weersgesteldheid van die avond weinig aannemelijk. Het was koud, er lag sneeuw en er reden in verband met de slechte weersomstandigheden geen bussen of taxi´s. Tegen haar moeder heeft het slachtoffer die avond nog gezegd dat zij niet van plan was met dit weer de woning te verlaten. Het slachtoffer was niet in het bezit van een rijbewijs, de auto van slachtoffer en verdachte is niet weggeweest en niet is gebleken dat zij door iemand uit haar vrienden- of kennissenkring is opgehaald.

In en rond de woning zijn daarnaast diverse sporen aangetroffen die ondersteuning bieden aan het scenario dat het slachtoffer de woning niet heeft verlaten en dat aldaar een geweldsincident heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal deze sporen hierna onder 2.4. bespreken.

Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat het slachtoffer de woning op de avond van 10 januari 2010 niet levend heeft verlaten en dat de andersluidende verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.

1.

2.4.

Op welke wijze is het slachtoffer overleden?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld op welke wijze het slachtoffer is overleden. Nu haar lichaam niet is gevonden, dient ook deze vraag beantwoord te worden op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier blijken.

De rechtbank is van oordeel dat het op grond van deze, hierna nader te bespreken, feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het slachtoffer door geweld van een ander om het leven is gekomen en dat het lichaam vervolgens is weggemaakt om mogelijke sporen uit te wissen en het opsporingsonderzoek te bemoeilijken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Voor een onverwachte natuurlijke dood bestaat geen enkel aanknopingspunt. Voor zover bekend had het slachtoffer geen relevante medische klachten en leed zij niet aan een ernstige ziekte. In dit scenario geldt bovendien dat het dan voor de hand had gelegen dat verdachte hieromtrent verklaard had en dat er een lichaam was gevonden. Dat laatste geldt eveneens voor een scenario waarin het slachtoffer zou zijn overleden door een noodlottig ongeval. Deze scenario's kunnen daarom buiten redelijke twijfel worden uitgesloten.

Er zijn geen aanwijzingen dat het slachtoffer zichzelf van het leven heeft beroofd. Het slachtoffer heeft geen afscheidsbrief achtergelaten en heeft in de periode voorafgaand aan haar vermissing evenmin signalen gegeven dat ze een dergelijk plan had. Integendeel, het slachtoffer was bezig met de toekomst - werk, de Nederlandse nationaliteit - en heeft in de avond van 10 januari 2010 zelfs nog de moeite genomen haar vervoer voor de afspraak met haar advocaat te regelen, welke afspraak erg belangrijk voor haar was. Ook in het scenario van zelfdoding zou het overigens voor de hand liggen dat er een lichaam was gevonden.

De doodsoorzaken natuurlijke dood, ongeval en zelfdoding, kunnen naar het oordeel van de rechtbank daarom in redelijkheid worden uitgesloten. Dit laat slechts de mogelijkheid open dat het slachtoffer door geweld van een ander om het leven is gekomen en dat het lichaam vervolgens is weggemaakt om mogelijke sporen uit te wissen en het opsporingsonderzoek te bemoeilijken. Dit laatste scenario vindt ondersteuning in de in en om de woning aangetroffen sporen die hieronder zullen worden omschreven en de hierna onder 2.5. te noemen bevindingen. Voorafgaand aan de beschrijving van de aangetroffen forensische sporen, zal de rechtbank ingaan op de door de verdediging omtrent het DNA-materiaal gevoerde verweren.

Betrouwbaarheid van het verkregen DNA-materiaal

De verdediging heeft verweren gevoerd met betrekking tot verkregen DNA-materiaal. Ten aanzien van een aantal sporen, te weten sporen afkomstig van het schutbord van het bed, het wangslijm van de zoon van het slachtoffer en het wangslijm van de moeder en vervolgens het DNA-materiaal dat door middel van verwantschapsonderzoek aan het slachtoffer is gelinkt, heeft de verdediging een concreet verweer gevoerd. Ten aanzien van het DNA-monster dat afkomstig is van het schutbord heeft de verdediging aangevoerd dat de verzegeling met een sluitzegel van het NFI bij ontvangst door het NFI ontbrak, zodat contaminatie niet kan worden uitgesloten. Met betrekking tot de afname van wangslijmvlies van de zoon van verdachte en het slachtoffer heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de artikelen 4, eerste lid, 5 en 8 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken zijn geschonden, zodat niet zorgvuldig is gewerkt en partijdigheid niet kan worden uitgesloten. Bij de afname van het wangslijmvlies van de moeder van het slachtoffer ontbreekt voorts een proces-verbaal van afname, zodat niet kan worden gecontroleerd of de regels zijn nageleefd. De verdediging heeft hieraan de conclusie verbonden dat, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat hierdoor voor verdachte is veroorzaakt het bovengenoemde materiaal van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan het volgende. De rechtbank stelt vast dat in de rapportage van het NFI van 19 juli 20102 staat gerapporteerd dat de verpakkingen van de bemonsteringen ten tijde van het betreffende onderzoek door de deskundige niet verzegeld waren met NFI-sluitzegels. Dat betekent dat er in theorie sprake van kan zijn dat de onderzochte monsters niet afkomstig zijn van de plaats delict of dat zij besmet zijn geraakt met ander materiaal. De rechtbank is echter van oordeel dat er in het onderhavige geval geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de uitkomst van het DNA-onderzoek, nu de resultaten van dit onderzoek niet op zichzelf staan, maar consistent zijn met de overige bewijsmiddelen en de rest van het sporenbeeld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de sporen met SIN-nummers AAAZ3832NL#01, AAAZ3847NL#01, AAAZ3848NL#01 en AAAZ3988NL#01 wel voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

Ten aanzien van het van de familieleden van het slachtoffer afgenomen wangslijmvlies overweegt de rechtbank het volgende. Om het DNA-profiel van het slachtoffer te verkrijgen, is een in de badkamer aangetroffen tandenborstel bemonsterd. Hieruit is het DNA-profiel van een vrouw verkregen, terwijl het slachtoffer de enige vrouwelijke bewoner van het huis was.

Het betreffende DNA-profiel is eveneens vergeleken met het uit een wortel van een haar die in een afvalbak in de badkamer is aangetroffen verkregen DNA-profiel en daarbij bleek sprake te zijn van een match. Om met nog meer zekerheid te kunnen vaststellen dat het verkregen DNA-profiel daadwerkelijk van het slachtoffer afkomstig was, is het betreffende DNA-profiel daarnaast vergeleken met het DNA-profiel van de moeder en de zoon van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat het van de moeder van het slachtoffer verkregen DNA-materiaal dat eveneens na afname van wangslijmvlies is verkregen, niet van het bewijs hoeft te worden uitgesloten. Uit het dossier volgt dat het DNA-materiaal met toestemming van de moeder is afgenomen en dat dit in het bijzijn van de verbalisant door een opsporingsambtenaar die werkzaam is bij de afdeling van de Forensische Opsporing, is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen om te veronderstellen dat bij het betreffende onderzoek regels zijn geschonden die tot gevolg moeten hebben dat aan de betrouwbaarheid moet worden getwijfeld, te meer niet nu ook uit ander bewijsmateriaal reeds volgt dat het niet anders kan dan dat het op de tandenborstel aangetroffen DNA-profiel van het slachtoffer afkomstig is.

Nu op grond van het voorgaande reeds vaststaat dat het DNA-materiaal dat afkomstig is van de tandenborstel van het slachtoffer is, behoeft het verweer met betrekking tot het van de zoon van verdachte en het slachtoffer afgenomen wangslijmvlies geen bespreking.

Het forensisch onderzoek

In en om de woning en in de auto van verdachte en het slachtoffer is op 28 januari 2010 met behulp van lijkenspeurhonden onderzoek verricht. De gecertificeerde lijkenspeurhonden, die afgericht zijn op de ontbindingsgeur van lijk(delen) en bloed, vertoonden een reactie op verschillende plaatsen, te weten enkele meters voor de ingang van de garage, bij een betondrempel onder de garagedeur, in de bodem van de kruiwagen die tegen de zich in de tuin bevindende berging bevond, bij een zich daar eveneens bevindende dakkoffer, op de betonvloer in het midden van de garage, op de begane grond in het halletje tussen de woning en de garage, op de trap naar boven (vierde traptrede van boven) en op drie plaatsen in een slaapkamer op de eerste verdieping, te weten op de vloerbedekking, onder het bureau, op het deken van het bed en op het hout van het hoofdeinde van het bed. Zij sloegen eveneens aan op diverse plaatsen op de vloerbedekking van de kofferbak van de auto. Op plaatsen waar deze lijkenspeurhonden aansloegen, zijn vervolgens diverse sporen aangetroffen. Uit de plaatsen waar de honden zijn aangeslagen kan een doorlopend spoor worden afgeleid dat ondersteuning vindt in diverse hierna te noemen bevindingen, namelijk van de slaapkamer op de eerste verdieping via de overloop en vervolgens de trap naar beneden, naar de garage, de kruiwagen en de skibox en uiteindelijk naar auto die zich gewoonlijk op de oprit bij de woning bevond.

In de woning heeft daarnaast een luminolonderzoek plaatsgevonden om bloedsporen te kunnen detecteren. Tijdens dit onderzoek werd op verschillende plaatsen in de slaapkamer op de eerste verdieping luminescentie waargenomen, waarbij een duidelijk verhoogde intensiteit van luminescentie werd waargenomen bovenaan de rechter bedpoot aan de zijde van het hoofdeind van het bed. Opvallend was verder een patroon dat op het schutbord van het bed, de zijkanten van de nachtkastjes en de muur achter het schutbord werd waargenomen. Met betrekking tot het spoor op het schutbord van het bed heeft de NFI-deskundige gerapporteerd dat het patroon kan worden geclassificeerd als een veegspoorpatroon. Dit veegspoor kan, onder de aanname dat het hier daadwerkelijk bloed betreft, veroorzaakt zijn door veegbewegingen met bijvoorbeeld een bebloed object waarvan het bloed niet afkomstig is van het schutbord zelf of door bijvoorbeeld een (vochtige) doek, waarbij aanwezig bloed op het schutbord wordt verdund en verspreid, terwijl een combinatie van beide eveneens mogelijk is. In aanmerking genomen dat op en rond het bed bemonsterde sporen bloed bleken te bevatten, gaat de rechtbank ervan uit dat de na toepassing van luminol zichtbaar geworden veegsporen inderdaad veegsporen van (verdund) bloed betroffen.

Daarnaast werd luminescentie waargenomen op de overloop van de eerste etage, vegen en strepen, waaronder een streep op de vloer onder een op de overloop aanwezig vloerkleed. Deze liep vanaf de drempel van de slaapkamer op de eerste etage naar het trapgat en in het trapgat op de muur. Ook op de slaapkamerdeur van de slaapkamer aan de voorzijde van de woning en op de deur van het CV hok aan de zijde van de overloop werd luminescentie gezien.

Het onderzoek in en om de woning en in de auto heeft daarnaast geleid tot diverse met het blote oog zichtbare bloedsporen en tot na toepassing met luminol zichtbaar geworden bloedsporen die bemonsterd zijn. In een aantal van deze bemonsteringen is een DNA-profiel aangetroffen. Ook is een aantal gevonden haren onderzocht.

In de slaapkamer op de eerste verdieping zijn meerdere bloedsporen aangetroffen, voornamelijk op en rond het bed. Van de volgende met het oog zichtbare bloedsporen bleek het daaruit verkregen DNA-profiel met een matchkans van kleiner dan één op de één miljard te matchen met dat van het slachtoffer:

- bloed op het hoofdeinde van het bed, rechterzijde midden3;

- bloed op het hoofdeinde van het bed4;

- een bloedspat op het glas van het lampje aan de rechterzijde naast het bed rechts5 en

- bloed op de linkerzijde van het hoofdeinde van het bed6.

Na toepassing met luminol werden ook andere bloedsporen zichtbaar, waaruit vervolgens een DNA-profiel werd verkregen dat met een matchkans van kleiner dan één op de één miljard met het DNA-profiel van het slachtoffer bleek te matchen:

- bloedspat op het hoofdeinde van het bed7;

- een bloedspat op het linker nachtkastje, bovenste rand, zijde bed8 en

- op een windlicht op het linker nachtkastje9.

Ook op de deken van het logeerbed10 in de slaapkamer boven en op de vloer rechts naast het bed11 werden na het onderzoek met luminol bloedsporen gevonden, waaruit een DNA-mengprofiel van verdachte en het slachtoffer kon worden afgeleid.

Op de overloop is voorts na bemonstering van een dunne ononderbroken streep van de drempel van de slaapkamer naar de trap, onder een vloerkleed, (zichtbaar met luminol) een bloedspoor12 aangetroffen dat na testen door de politie en het NFI bloed bleek te zijn. Hieruit werd een DNA mengprofiel verkregen, waarbij verdachte, het slachtoffer en hun zoon niet als donor konden worden uitgesloten.

Op een mat uit de kofferbak van de auto is de aanwezigheid van bloed op de bovenzijde van die mat aangetoond. Op een spoor13 is een onvolledig mengprofiel aangetroffen. Na onderzoek in 2016 heeft het NFI uit dat spoor een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen, te weten het slachtoffer, verdachte en minimaal 1 onbekende persoon afgeleid, waarbij bij twee andere (sub) sporen14 een match met het DNA-profiel van het slachtoffer is gevonden. In het bloed dat is aangetroffen op deze mat, is derhalve DNA van het slachtoffer aangetroffen.

De kruiwagen15 is eveneens onderzocht op aanwezigheid van bloed. Door middel van luminolonderzoek zijn op meerdere plaatsen aan de binnen- en buitenzijde van de kruiwagen aanwijzingen verkregen voor aanwezigheid van bloed. Met name aan de binnenzijde van het schuine gedeelte van de kruiwagen is een chemiluminescente waas waargenomen. Bij het onderzoek naar sporen zijn op de randen van de kuip van de kruiwagen haren aangetroffen en veiliggesteld16. Er heeft vervolgens een vergelijkend haaronderzoek plaatsgevonden tussen de twee hoofdhaardelen afkomstig van de kruiwagen (op de plaats waar aanwijzingen voor bloed zijn) en de haren uit het emmertje uit de badkamer die matchen met het slachtoffer. Hieruit is naar voren gekomen dat er tussen deze haren geen verschillen in morfologische kenmerken zijn waargenomen en dat de haren van de kruiwagen passen binnen de variatie van hoofdharen uit het afvalemmertje. In 2016 heeft er mitochondriaal DNA-onderzoek naar de hoofdhaardelen van de kruiwagen plaatsgevonden. De conclusie is dat het veel waarschijnlijker is dat de hoofdhaardelen afkomstig zijn van het slachtoffer of van iemand die in de moederlijke lijn aan haar verwant is, dan dat deze afkomstig zijn van een willekeurig persoon, niet in moederlijke lijn verwant aan het slachtoffer.

Op een aantal stukken textiel17, afkomstig van lakens, die verdachte op 27 januari 2010 in een openbare prullenbak in Appingedam heeft gedeponeerd, waren enkele vage vlekken zichtbaar en volgde een positieve reactie op bloed met de tetrabase test. Van een spoor18 is een onvolledig mengprofiel verkregen van minimaal twee personen, waarbij het slachtoffer niet kan worden uitgesloten. Op deze lappen komt de rechtbank hieronder nog terug.

Uit bovenstaande bevindingen volgt, resumerend, dat op diverse plaatsen in en om de woning, en dan met name rondom het bed in de slaapkamer op de eerste etage, en in de kofferbak van de auto bloed met daarin het DNA-profiel van het slachtoffer en haar van het slachtoffer zijn aangetroffen. Dat aldaar DNA-materiaal van het slachtoffer aanwezig was, is, gelet op het feit dat zij daar woonachtig was, op zichzelf beschouwd niet opmerkelijk. Ook is er niet een zodanige hoeveelheid bloed aangetroffen, dat enkel uit die constatering kan worden afgeleid dat zich in of om de woning een geweldsmisdrijf moet hebben voltrokken. Uit de forensische bevindingen volgt echter wel dat met name rondom het bed, op verschillende plaatsen en aan verschillende zijdes van dat bed, te weten aan zowel de linker- als de rechterzijde van het bed, op het deken van het bed en op de vloer naast het bed, bloed is aangetroffen, waarin van een deel van de bemonsterde bloedsporen het DNA-profiel van het slachtoffer is aangetroffen. Een dergelijk wijdverbreid patroon van bloedspatten valt moeilijk te rijmen met een andere oorzaak dan het gebruik van geweld. Daar komt nog bij dat op en rond het bed een veegspoorpatroon is geconstateerd dat zeer wel kan duiden op het schoonmaken van het oppervlak dat eerder meer bloed heeft bevat. De bevindingen moeten bovendien in het licht van de vermissing van het slachtoffer en de overige door de rechtbank besproken feiten en omstandigheden worden bezien.

Verdachte heeft desgevraagd als verklaring voor deze bevindingen niet meer naar voren gebracht dan dat het slachtoffer na de geboorte van hun zoontje een periode last had van veel bloedverlies en dat zij een zware ongesteldheid had, of dat ze mogelijk een keer heeft geniesd, waarbij het bloed op diverse plaatsen terecht is gekomen. Deze verklaringen, die overigens ook volgens verdachte zelf niet meer dan speculatief zijn, kunnen naar het oordeel van de rechtbank als niet aannemelijk terzijde worden gesteld. Niet valt in te zien hoe het bloed van een vloeiende vrouw zowel op het linker windlicht als op het rechter windlicht als ook op het hoofdeinde van het bed terecht kan komen. Bovendien ontbreekt een verklaring voor het aantreffen van het bloed van het slachtoffer in de kofferbak van de auto.

De rechtbank komt, zoals gezegd, op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang, ook met overige bewijsmiddelen, tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat het slachtoffer door geweld van een ander om het leven is gekomen en dat het lichaam vervolgens is weggemaakt om mogelijke sporen uit te wissen en het opsporingsonderzoek te bemoeilijken.

2.5.

Is verdachte bij de gewelddadige levensberoving van het slachtoffer betrokken?

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte bij de hiervoor aangenomen gewelddadige levensberoving van het slachtoffer betrokken is geweest. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op verdachtes aanwezigheid in de woning, de hiervoor genoemde forensische sporen, het gedrag van verdachte na afloop van het feit en het bij verdachte aanwezige motief, in onderlinge samenhang beschouwd, niet anders kan dan dat verdachte rechtstreeks betrokken is geweest bij de gewelddadige dood van het slachtoffer.

Aanwezigheid in de woning op 10 januari 2010

De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat dat het slachtoffer de woning niet vrijwillig heeft verlaten, zoals hiervoor is uiteengezet. In deze woning waren in de avond van 10 januari 2010 enkel het slachtoffer, verdachte en hun één jaar oude zoontje aanwezig. Hiermee blijft alleen verdachte over als mogelijke betrokkene bij de levensberoving van het slachtoffer.

Gedrag van verdachte na de verdwijning

Uit verschillende gedragingen van verdachte kan worden afgeleid dat verdachte het opsporingsonderzoek naar de vermissing van zijn vrouw heeft willen frustreren en zichzelf de tijd heeft gegeven om sporen weg te maken.

Op 11 januari 2010, de dag na de vermissing, heeft verdachte om 8.18 uur zijn vriend [getuige 16] , die die dag bij hem langs zou komen, afgebeld. Korte tijd later is hij naar zijn huisarts gegaan om oxazepam te halen. Getuige [getuige 2] , die naar zijn woning reed om het slachtoffer op te halen, kwam verdachte onderweg daarnaartoe tegen. Later die dag, om 13.07 uur, heeft verdachte via zijn mobiele telefoon met getuige [getuige 2] gesproken, die zich afvroeg waarom [slachtoffer] die morgen niet klaarstond om met haar mee naar Groningen te rijden. Nog geen kwartier later, om 13.20 uur, heeft verdachte op zijn computer naar een tweedehands matras gezocht en kort daarna is hij naar de supermarkt gegaan om vervolgens om 13.39 uur onder meer twee rollen huisvuilzakken af te rekenen. Op diezelfde dag heeft verdachte om 18.34 uur op zijn computer gezocht naar "Brengstation Appingedam".

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft verdachte op de eerste dag van de vermissing van het slachtoffer, om 13.20 uur, via marktplaats.nl gezocht naar een tweedehands matras en heeft hij die dag om 21.02 uur ook geprobeerd contact te krijgen met de verkoper van het door hem op marktplaats.nl bekeken matras. Op 13 januari 2010 heeft verdachte nogmaals contact opgenomen met de betreffende verkoopster en aangegeven dat hij het matras voor

€ 50,-- wilde kopen en diezelfde dag wilde langskomen om het matras op te halen, waarbij hij aangaf dat de koop anders niet zou doorgaan. Verdachte heeft het matras die dag samen met getuige [getuige 13] opgehaald. Deze getuige heeft hierbij aangeboden te helpen bij het naar boven brengen van het matras, maar dit aanbod heeft verdachte afgeslagen.

Ten tijde van de doorzoeking was het oude matras niet meer in de woning aanwezig en lag het aangekochte matras op het bed in de slaapkamer op de eerste etage. Dit was niet de slaapkamer waar verdachte hoofdzakelijk sliep. Hij sliep namelijk in de slaapkamer op de benedenverdieping.

Verdachte heeft verklaard dat hij het oude matras heeft vervangen, omdat het een slecht matras was; tijdens zijn verblijf in Duitsland zou hij lekker hebben geslapen en daarom wilde hij thuis een ander matras. Omdat het matras op de slaapkamer van de bovenverdieping het slechtst lag, heeft hij ervoor gekozen dat matras als eerste te vervangen. Het oude matras heeft hij, voordat hij in het bezit was van het nieuwe matras, niet naar het afvalverwerkingsbedrijf gebracht maar in stukken gesneden en vervolgens ergens in de berm naast de weg achtergelaten. Op welke plaats en wanneer dat was, kan of wil verdachte niet verklaren.

De rechtbank overweegt dat zij de door verdachte gegeven verklaring voor de wijze en het moment waarop hij zich van het oude matras heeft ontdaan en de reden voor en het moment van aankoop van het vervangende matras, niet geloofwaardig acht. Uit een aantal verklaringen volgt weliswaar dat verdachte niet tevreden was met zijn eigen matras, maar uit het dossier volgt ook dat verdachte in de slaapkamer op de benedenverdieping sliep. Het is zeer opmerkelijk te noemen dat verdachte zo kort na de verdwijning van het slachtoffer, op een moment dat hij erg moe was, op zoek is gegaan naar een ander matras voor het bed dat hij over het algemeen niet besliep en dat hij zoveel haast had om dit matras te bemachtigen. Uit de zoekgeschiedenis van de computer van verdachte is bovendien niet gebleken dat verdachte ook al vóór de verdwijning van het slachtoffer naar een ander matras heeft gezocht. Het is eveneens zeer opmerkelijk dat verdachte zich zo snel heeft ontdaan van het oude matras en dat hij niet heeft verklaard wanneer en op welke plaats hij het oude matras heeft achtergelaten.

Daar komt bij dat verdachte pas op 14 januari 2010 melding heeft gemaakt van de vermissing van het slachtoffer, nadat hij er door diverse personen op is gewezen dat zij zich zorgen maakten over haar lot en zij erop aandrongen dat verdachte de politie zou inschakelen.

Voorts heeft verdachte op 27 januari 2010 delen van lakens waarop bloed is aangetroffen in een openbare prullenbak te Appingedam achtergelaten. Verdachte heeft hierover verklaard dat deze (poets)doeken al geruime tijd in de woning lagen en dat hij die dag besloot deze doeken, die hij voor het vissen zou kunnen gebruiken, mee te nemen. Toen hij in Appingedam was, wilde hij van de lappen af en besloot ze weg te gooien. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte, gezien de andere bevindingen die erop duiden dat verdachte bezig was met het wissen van sporen met betrekking tot het bed in de slaapkamer, niet geloofwaardig.

Voor de hierboven genoemde gedragingen in onderling verband en in samenhang met de overige besproken feiten en omstandigheden beschouwd is naar het oordeel van de rechtbank geen andere redelijke verklaring dan dat verdachte tijd nodig had om sporen uit te wissen en dat hij het opsporingsonderzoek heeft willen tegenwerken.

Motief: relatieproblemen en oplopende spanningen

Zoals hiervoor reeds naar voren is gekomen, was er sprake van relatieproblemen tussen verdachte en het slachtoffer en waren er plannen om te scheiden. In verband hiermee zou het slachtoffer op 11 januari 2010 haar advocaat bezoeken. Een belangrijk punt van onenigheid was wie er in de woning te Siddeburen zou blijven wonen. Uit verklaringen volgt dat verdachte zeer angstig was de woning, en daarmee voor zijn gevoel ook zijn zoon, te verliezen. Nadat het slachtoffer op 5 januari 2010 onverwachts uit Duitsland terugkwam om, anders dan verdachte verwachtte, in de woning te Siddeburen te blijven, liepen de spanningen op. Verdachte heeft vervolgens met een heimelijk in de woning geplaatste memorecorder gesprekken opgenomen; hij wilde weten wat er in het hoofd van het slachtoffer omging. Uit het verslag van een op 5 januari 2010 gemaakte geluidsopname van deze memorecorder, volgt dat het slachtoffer de woning niet wil verlaten en dat verdachte bang is dat "de dingen gaan escaleren, dat hij rust moet hebben, dat hij met zijn hoofd tegen de muur loopt en dat hij het gevoel heeft dat hij nu achterelkaar fouten gaat maken." Verdachte uitte zijn onmacht op dat moment tegen de maatschappelijk werkster. Uit een verslag van een gesprek tussen verdachte en het slachtoffer dat heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010 volgt voorts dat er met stemverheffing wordt gesproken en dat het slachtoffer heeft aangegeven dat "de situatie gedraaid is, dat er hele vervelende, echt vervelende, dingen zijn gebeurd en dat ze echt niks meer met verdachte samen durft te doen en dat ze op haar advocaat wacht". De rechtbank ziet in het voorgaande een motief voor de levensberoving van het slachtoffer.

2.6.

Welk strafbaar feit levert dit op?

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de primair (impliciet primair) ten laste gelegde moord, nu er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van doodslag, wat primair (impliciet subsidiair) is ten laste gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval.

Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank bewezen dat het slachtoffer is overleden en dat zij niet vrijwillig de woning heeft verlaten, waarbij verdachte naast het slachtoffer de enige (volwassen) persoon was die zich in de avond van 10 januari 2010 in de door hen bewoonde woning bevond. Het scenario dat verdachte naar voren heeft gebracht, te weten dat zij die bewuste avond vrijwillig de woning heeft verlaten, heeft de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde gesteld. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het niet anders kan dan dat het slachtoffer door geweld gepleegd door een ander om het leven is gekomen en dat het lichaam vervolgens is weggemaakt om mogelijke sporen uit te wissen en het opsporingsonderzoek te bemoeilijken. De rechtbank heeft hiervoor ook uiteengezet dat en waarom zij van oordeel is dat het niet anders kan dan dat verdachte daarvoor (als enige) verantwoordelijk is geweest.

Het onderzoek van de politie heeft niet kunnen uitwijzen wat er exact op de avond en in de nacht van 10 januari 2010 heeft plaatsgevonden, anders dan dat verdachte over de werkelijke toedracht heeft gelogen. Wel staat, zo heeft de rechtbank hierboven uiteengezet, buiten redelijke twijfel vast dat verdachte geweld heeft gebruikt om het slachtoffer van het leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat het gepleegde geweld zodanig is geweest dat het geschikt was om de dood te doen intreden en dat dat geweld ook naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht was op dat gevolg, zodat geconcludeerd moet worden dat verdachte de opzet moet hebben gehad op de dood van het slachtoffer. Alternatieve scenario’s kunnen, zo volgt uit al het voorgaande, in redelijkheid worden uitgesloten.

Op grond van alle bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte het slachtoffer op of omstreeks 10 januari 2010 opzettelijk van het leven heeft beroofd.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van doodslag, zoals hem primair, (impliciet subsidiair), is ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2010 te Siddeburen opzettelijk zijn echtgenote, genaamd [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet geweld op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge van welk geweld die [slachtoffer] is overleden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair (impliciet subsidiair): doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in geval van veroordeling gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf van kortere duur, waarbij de omstandigheid dat sprake is van een feit van oudere datum en de berechting lange tijd op zich heeft laten wachten een matigend effect op de straf moet hebben.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar voorgehouden dossier, de psychiatrische rapportage van 14 maart 2010, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de levensberoving van zijn echtgenote, moeder van hun beider zoon, in hun gezamenlijke woning te Siddeburen en heeft zich vervolgens van haar lichaam ontdaan. Het lichaam van het slachtoffer is tot op heden niet teruggevonden.

Verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Hij heeft er onder meer voor gezorgd dat zij haar nog heel jonge kind niet kan zien opgroeien, dat ze niet meer kan samenzijn met haar vrienden en familie, dat ze niet meer kan werken, dat ze niet meer de vruchten kan plukken van haar lang begeerde Nederlanderschap.

Verdachte heeft bewerkstelligd dat hun beider zoon vanaf jonge leeftijd zonder moeder moet opgroeien. Daar komt nog bij dat verdachte ervoor verantwoordelijk is dat zijn zoon op enig moment zal moeten leren leven met het schrijnende besef dat zijn eigen vader zijn moeder heeft gedood.

Ook aan de andere nabestaanden heeft verdachte onherstelbaar leed toegebracht. Niet alleen moeten zij leven met het gemis van een dierbare, maar verdachte houdt hen tot op heden, al negen jaar lang, in onzekerheid over de precieze toedracht van de dood van het slachtoffer en de verschrikkingen die zij mogelijk die avond heeft moeten doorstaan. Ook over de aanleiding voor de doodslag kan alleen maar gespeculeerd worden. Vermoedelijk heeft deze gelegen in de naderende echtscheiding en het verlies van controle op de situatie bij verdachte. De nabestaanden zullen, als verdachte blijft volharden in zijn ontkenning, bovendien nooit weten wat er met de stoffelijke resten van hun geliefde is gebeurd. Ze zullen haar nooit een normale begrafenis in haar thuisland Marokko kunnen geven.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding voor strafverzwaring of strafmatiging. Uit het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie volgt dat verdachte in de afgelopen jaren niet voor een strafbaar feit is veroordeeld. Wel volgt uit het dossier dat verdachte in een ver verleden (1973) voor het medeplegen van bankovervallen is veroordeeld tot een gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling van de regering (TBR).

Verdachte heeft niet willen meewerken aan het opmaken van reclasseringsrapportage. Wel heeft verdachte in maart 2010 enige tijd met psychiater B.T. Takkenkamp gesproken en heeft hij, onder door hem gestelde voorwaarden, meegewerkt aan het door de psychiateruitgevoerde ambulante onderzoek. De psychiater heeft in zijn rapport weergegeven dat er op dat moment geen psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin waarneembaar was, maar dat het goed mogelijk lijkt dat sprake is van onderliggende persoonlijkheidspathalogie. Bij gebreke van voldoende informatie over onder meer de voorgeschiedenis van verdachte, heeft de psychiater hiervan echter geen onderbouwing kunnen geven. Daarnaast bevat het dossier informatie over de persoon van verdachte die is ontleend aan de eerder in 1973 opgelegde TBR. Recentere rapportages over verdachte zijn, mede door zijn verblijf in Marokko, niet voorhanden. Voor de conclusie dat het feit verdachte niet of verminderd kan worden toegerekend bestaat dus geen grond.

Evenmin ziet de rechtbank reden om het lange tijdsverloop in strafverminderende zin in aanmerking te nemen. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte er door zijn proceshouding en door het wegmaken van sporen voor heeft gezorgd dat het politieonderzoek lange tijd in beslag heeft genomen en het vervolgens lange tijd heeft geduurd tot de zaak ter terechtzitting kon worden behandeld. Verdachte had hieraan op ieder moment een einde kunnen maken door een verklaring af te leggen over wat er op 10 januari 2010 in de echtelijke woning te Siddeburen is gebeurd. Ook zijn zelfgekozen verblijf in Marokko heeft een vertragend effect op het verloop van de strafzaak tot gevolg gehad.

Doodslag betreft één van de ernstigste feiten in het strafrecht. Dat alleen rechtvaardigt het opleggen van een lange gevangenisstraf. De rechtbank tilt daarnaast zeer zwaar aan de omstandigheid dat verdachte tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gruwelijke daden, en zelfs op een kille en berekenende manier heeft geprobeerd zijn verantwoordelijkheid te ontlopen door het lichaam weg te maken en onwaarachtige verklaringen af te leggen of te zwijgen. Bij het onbeschrijflijke en voortdurende leed dat hij hierdoor bij de nabestaanden teweeg heeft gebracht past een nog zwaardere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank doet alleen de maximale straf voor doodslag, een gevangenisstraf van vijftien jaren, recht aan wat er is gebeurd.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 281,56 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 325,30 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ter terechtzitting is voorts immateriële schadevergoeding gevorderd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt en heeft voorts gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, aangezien verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair, in geval van veroordeling, heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partijen geen schade hebben geleden, nu het openbaar ministerie de schadeposten reeds heeft vergoed, hetgeen ertoe moet leiden dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen, als nabestaanden van het slachtoffer, vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting hebben gevorderd. Deze kosten bestaan uit kosten voor de aanschaf van een vliegticket, de aanvraag van een visum, de reisverzekering en een treinkaartje vanaf de luchthaven naar Groningen. Voorts is ter terechtzitting vergoeding van immateriële schade door het verlies van de dochter, respectievelijk zus gevorderd, zonder dat hieraan een bedrag is verbonden.

Ten aanzien van de ter terechtzitting gevorderde immateriële schade, overweegt de rechtbank dat de op 10 januari 2010 geldende wettelijke bepalingen, anders dan thans het geval is, geen basis bieden voor toekenning van immateriële schadevergoeding bestaande uit affectieschade. De rechtbank zal de vorderingen in zoverre dan ook afwijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan de verdediging heeft bepleit, voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade bestaande uit reiskosten hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Dat deze schade mogelijk is voorgeschoten door het openbaar ministerie, hetgeen overigens niet is gebleken, doet hieraan niet af. De vorderingen, waarvan de hoogte niet namens verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Gevangenneming

De officier van justitie heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd. De rechtbank zal deze vordering toewijzen. De rechtbank komt in dit vonnis tot een bewezenverklaring van doodslag. Dit feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld, is zodanig ernstig en schokkend voor de rechtsorde dat onaanvaardbaar is dat verdachte zijn eventuele verdere berechting in vrijheid mag afwachten. Om die reden wordt -ook bij afzonderlijke beslissing met het oog op de executie- de gevangenneming van verdachte bevolen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair, impliciet primair (moord) is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair, impliciet subsidiair (doodslag) ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 281,56 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro en zesenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 281,56 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro en zesenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 325,30 (zegge: driehonderdvijfentwintig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 325,30 (zegge: driehonderdvijfentwintig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beveelt de gevangenneming van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2019.

parketnummer 18/630047-10

Deze bijlage behoort bij het op 26 maart 2019 gewezen vonnis in de zaak tegen verdachte [verdachte] .

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte (V-001-04) d.d. 28 januari 2010, opgenomen op pagina 4703 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland genaamd onderzoek Althoorn d.d. 2 mei 2016, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb mijn vrouw [slachtoffer] voor het laatst gezien in de avond van 10 januari 2010 in onze woning te Siddeburen. Ik bevond mij op dat moment in de woning.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte (V-001-05) d.d. 29 januari 2010, opgenomen op pagina 4712 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Op 27 januari 2010 heb ik in Appingedam een zak met vodden weggegooid. Dit waren stukken lakens.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte (V-001-11) d.d. 2 april 2010, opgenomen op pagina 4817 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

[slachtoffer] heeft niets meegenomen, waarvan ik denk dat ze een nacht wegging. Haar tandenborstel bijvoorbeeld of haar pyjama.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens (AH-022) d.d. 6 februari 2010, opgenomen op pagina 190 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

In het kader van vermissing van [slachtoffer] werden verkeersgegevens gevorderd van middels Nederlandse telecommunicatie-providers gevoerde telefonisch contacten. Het totale bestand van de printlijsten werd door mij onderzocht. Hierbij werd door mij gekeken naar de contacten tussen de telefoonnummers:

- [telefoonnummer] ( op naam van [verdachte] , huistelefoon)

- [telefoonnummer] ( op naam van [verdachte] , in gebruik bij [slachtoffer] )

- [telefoonnummer] ( op naam van [verdachte] , in gebruik bij [verdachte] )

in de periode gelegen tussen: 10 januari 2010 17.00 uur en 12 januari 2010 23.59 uur.

Hierbij zag ik de volgende contacten:

Telefoon

Contact met

Datum en tijd

Inkomend of uitgaand

Duur contact

Met huistelefoon

[telefoonnummer]

[telefoonnummer]

( [getuige 10] , zie haar verklaring)

10-01-10 om 18.40 uur

Uitgaand

519 sec.

[telefoonnummer]

( [naam 1] , betreft [getuige 3] )

10-01-10 om

19.30 uur

Uitgaand

4133 sec.

[telefoonnummer]

( [getuige 16] )

11-01-10 om

08.18 uur

Uitgaand

40 sec.

Met mobiele telefoon [slachtoffer]

[telefoonnummer]

[telefoonnummer]

( [getuige 2] )

10-01-10 om 17.13 uur

Inkomend

303 sec.

[telefoonnummer]

[telefoonnummer]

( [getuige 2] )

10-01-10 om

17.20 uur

Inkomend

85 sec.

[telefoonnummer]

[telefoonnummer] ( [getuige 1] )

10-01-10 om 21.35 uur

Uitgaand

269 sec.

Daarna geen gesprekken meer. Alleen inkomende pogingen tot contact.

Met mobiele telefoon verdachte

[telefoonnummer]

[telefoonnummer]

( [getuige 2] )

11-01-10 om 9.44 uur

Inkomend

5 sec.

[telefoonnummer]

[telefoonnummer]

( [getuige 2] )

11-01-10 om

13.07 uur

Inkomend

167 sec.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen aanvraag tap (BOB-009) d.d. 10 maart 2010, opgenomen op pagina 2652 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Uit een getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat deze om 21.35 uur nog telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer] en dat deze zei dat ze thuis was en zo naar bed zou gaan. Uit telecomgegevens wordt bevestigd dat de gsm van [slachtoffer] op dat moment een mast in Siddeburen aanstraalde. Dit betreft de laatste activiteit die met de telefoon van [slachtoffer]

heeft plaatsgevonden. Daarna zijn er nog wel diverse inkomende telefoontjes geweest. Deze zijn echter van korte duur omdat er kennelijk geen verbinding tot stand kwam. Mastgegevens zijn dan ook niet meer meegezonden, omdat de gsm zich kennelijk niet meer in het netwerk bevond.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-008)

d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 4099 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 10] :

Op 30 december 2009 kwamen [slachtoffer] , [verdachte] en hun zoontje [naam zoon] bij ons op bezoek. Zij zouden 1 januari 2010 weer naar huis, maar [slachtoffer] is uiteindelijk langer bij mij in Duitsland gebleven. [verdachte] vertelde dat de relatie niet goed ging. Ik vertelde aan [verdachte] dat ik [slachtoffer] reeds hulp had aangeboden en dat ze samen met [naam zoon] bij mij kon verblijven indien het huwelijk zou stranden. De volgende ochtend vertelde [slachtoffer] mij dat het huwelijk bijzonder slecht ging en dat ze wilde scheiden. Op 1 januari 2010 heeft [slachtoffer] in mijn bijzijn aan [verdachte] verteld dat ze van hem wilde scheiden. [verdachte] vertelde dat hij graag relatietherapie wilde. Alles kwam in een stroomversnelling. [verdachte] was gefrustreerd. Hij wil altijd de touwtjes in handen hebben en dat was nu niet het geval. [verdachte] is een "controlfreak". [slachtoffer] had in eerste instantie voor vrijdag 8 januari 2010 een afspraak met de advocaat. [slachtoffer] heeft de afspraak verplaatst naar maandag 11 januari 2010, 11.00 uur. Na het vertrek van [verdachte] vertelde [slachtoffer] dat ze een opleiding wilde volgen. Verder wilde ze haar rijbewijs halen. Op 5 januari 2010 waren [slachtoffer] en ik van plan om haar uit te laten schrijven bij de Gemeente Slochteren. We zijn toen naar de woning te Siddeburen gegaan. [verdachte] schrok enorm dat wij er waren. Terwijl [slachtoffer] boven was, sprak [verdachte] met mij. Hij zei dat [slachtoffer] niet eerlijk en niet te vertrouwen was. Even later vertelde [verdachte] dat hij rust wilde. Hij vroeg aan [slachtoffer] of hij de sleutel van de woning kon krijgen. Zij voelde zich beledigd dat ze haar eigen sleutel moest inleveren. [verdachte] ging ervan uit dat [slachtoffer] zich had laten uitschrijven in de gemeente Slochteren. Ik merkte dat het gedrag van [verdachte] vervolgens veranderde. Hij voelde zich zeker. Ik hoorde dat [verdachte] vervolgens tegen [slachtoffer] zei dat ze dan geen rechten meer had in hun woning. Hij wilde daar blijven wonen. Vervolgens ontstond er strijd. Ik merkte aan alles dat [verdachte] boos, geïrriteerd was. Ik zag dat hij een op een voorwerp in de kast legde. Ik zag dat [verdachte] in de kast een memorecorder had neergelegd en die stond aan. [slachtoffer] had reeds verteld dat ze de woning niet meer zou verlaten. [verdachte] werd boos en vertelde dat ze niet meer samen konden wonen. Het was over en [slachtoffer] moest weg. [slachtoffer] vertelde verder dat zij geen gezamenlijke advocaat voor de scheiding zouden nemen. Vervolgens zijn [slachtoffer] en ik in de auto gaan zitten en heb ik in het bijzijn van [slachtoffer] gebeld met de advocaat, [getuige 9] . Ik heb aan de advocaat gevraagd om [slachtoffer] te overtuigen niet in de woning te blijven. De advocaat kon haar niet overtuigen. Zij wilde blijven. Op den duur is ze uit de auto gestapt en ben ik vertrokken naar Duitsland. Dat was de laatste keer dat ik haar gezien heb. In een gesprek dat ik voor haar verdwijning met haar had, hebben wij afgesproken dat ze na de scheiding of in ieder geval zo snel mogelijk bij mij zou komen wonen. Daarna zou ze verhuizen naar Vlagtwedde. Ik heb [verdachte] nog gesproken en hem geconfronteerd met de memorecorder. Hij vertelde dat hij wilde weten wat er in [slachtoffer] hoofd omging. In het gesprek wat ik met [slachtoffer] had gevoerd spraken wij af dat we elkaar zouden bellen. Tot de dag van de vermissing op zondag 10 januari 2010, omstreeks 21.00 uur heeft [slachtoffer] mij elke dag gebeld. De laatste keer dat ik contact had met [slachtoffer] was die zondagavond. [slachtoffer] belde mij met haar mobiele telefoon op mijn vaste telefoonaansluiting [telefoonnummer] . Tijdens dit gesprek vertelde zij mij dat zij de volgende dag naar haar advocaat zou gaan. [slachtoffer] vertelde mij dat zij mee zou gaan rijden met een vriendin, omdat die naar de notaris in Groningen moest. Zij vertelde dat zij niet meer ging luisteren naar [verdachte] en niet meer doen wat hij zei en ze zou net doen alsof hij lucht was. Ik kon horen dat [slachtoffer] erg boos was op [verdachte] . [slachtoffer] vertelde mij dat zij heel erg moe was en op tijd naar bed zou gaan, waarna het gesprek ook is beëindigd. Ik hoorde ook dat [slachtoffer] heel erg moe was. Wij spraken af dat we elkaar woensdag weer zouden bellen. Op donderdagochtend heb ik geprobeerd [slachtoffer] te bellen. Na enige tijd kreeg ik de voicemail van [slachtoffer] . Zij nam niet op. In het begin van de middag heb ik opnieuw gebeld en heb haar voicemail ingesproken dat ze contact met mij moest opnemen. Later in de middag werd ik gebeld door [verdachte] . [slachtoffer] had [naam zoon] ( [naam zoon] ) niet meegenomen. Ik wist dat ze door een vriendin genaamd [getuige 2] met telefoonnummer [telefoonnummer] zou worden gebracht en dat zij op 12 januari het haar moest doen van [getuige 3] . [verdachte] en ik hebben een aantal keren met elkaar gebeld. Hij vroeg of hij de politie moest bellen. Ik vertelde dat het wel verstandig zou zijn. Die donderdag heb ik gebeld met haar advocaat die vertelde dat ze niet op haar afspraak was geweest. Later hoorde ik ook dat haar moeder niets over haar gehoord heeft. Ik vond dat [verdachte] te lang wachtte met het bellen van de politie. [slachtoffer] was namelijk altijd mobiel bereikbaar. Verder was ze actief op MSN maar vanaf die zondag ook niet meer. Op vrijdag heb ik contact opgenomen met [verdachte] . Ik zei tegen hem dat ik naar Tros Vermist wilde gaan. [verdachte] wilde dit niet. Toch heb ik het initiatief genomen en heb een mail gestuurd naar Tros Vermist. [verdachte] was boos dat ik toch contact had gezocht met Tros Vermist.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-014)

d.d. 25 januari 2010, opgenomen op pagina 4154 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

De avond voordat [slachtoffer] verdwenen is, hebben wij gebeld. Dat was op zondag 10 januari 2010, iets na 17.00 uur. Ze vroeg of ik haar maandag mee kon nemen naar Groningen omdat zij om 11.00 uur een afspraak had met haar advocaat. [slachtoffer] klonk een beetje overstuur en verward. Ze zei dat [verdachte] heel gemeen was tegen haar en dat ze dit niet langer wilde. En dat ze maandag dus naar de advocaat wilde om een scheiding te regelen. Ik zei dat ik haar zou terugbellen. [slachtoffer] zei toen dat ze naar boven liep, omdat [verdachte] de hele tijd achter haar aan liep en ze wilde rustig praten. Ze wilde niet dat [verdachte] op de hoogte was van haar afspraak met de advocaat en dat ze met mij mee zou rijden op maandag. Ik heb [slachtoffer] om 17.20 uur teruggebeld. Ik heb gezegd dat [slachtoffer] met ons mee kon rijden en dat we haar af zouden zetten bij de advocaat en weer op zouden halen. Ik vroeg haar nog wat er allemaal aan de hand was. [slachtoffer] zei toen dat [verdachte] heel gemeen was en dat ze me morgen wel zou vertellen wat er aan de hand was. Ik sprak met [slachtoffer] af dat mijn man en ik maandag 11 januari 2010 om 09.45 uur bij haar huis zouden zijn om haar op te halen. Die maandag reden wij richting het huis van [slachtoffer] . Een paar straten bij haar huis vandaan, kwamen wij [verdachte] in tegengestelde richting tegen. Wij reden door naar [slachtoffer] huis en belden aan, maar er deed niemand open. Nog een keer aangebeld. Hierna hebben wij haar gebeld op haar mobiele nummer ( [telefoonnummer] ) en heel veel sms'jes verstuurd. Toen ik belde kreeg ik gelijk de voicemail; de telefoon ging dus niet over. Op een gegeven moment zijn we maar weg gegaan. We vonden het wel vreemd, want [slachtoffer] is niet iemand die haar afspraken niet nakomt. Ik heb [verdachte] gebeld, omdat ik mij zorgen maakte om [slachtoffer] . [verdachte] zei dat hij wist dat [slachtoffer] een afspraak met mij had. Ik zei tegen [verdachte] dat ik hem die ochtend nog had zien rijden. Hij zei dat hij naar zijn huisarts in Hellum moest om medicijnen te halen. Ik vind het vreemd dat [slachtoffer] zonder kind is weg gegaan. Ze zou nooit vrijwillig weg gaan zonder haar kind. Ik vind het ook heel vreemd dat ze helemaal geen contact meer heeft gehad met haar moeder. Ik weet dat zij elke dag telefonisch of via de webcam contact had met haar moeder.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-020)

d.d. 5 februari 2010, opgenomen op pagina 4195 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

[slachtoffer] belde met haar advocaat die aangaf dat hij op 11 januari 2010, om 11.00 uur nog ruimte had. [slachtoffer] maakte de afspraak en ze vroeg aan mij of ik met haar mee wilde. Ik gaf aan dat ze wel bij mij terecht kon. [slachtoffer] zei: "Nee, ik ga mijn huis niet uit. Anders doet [verdachte] andere sloten op de deur en kom ik er niet meer in. Pas maandagmorgen om 09.30 als jij komt gaan [naam zoon] en ik de deur uit." Op zondag 10 januari 2010 omstreeks 21.30 belde [slachtoffer] mij. Ze klonk heel verdrietig. Ze zei dat een vriendin van haar naar de notaris in Groningen moest en dat zij en [naam zoon] met haar konden meerijden.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-032-02) d.d. 25 januari 2010, opgenomen op pagina 4304 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

In de week voordat [slachtoffer] verdween had ik elke dag contact met [slachtoffer] . [slachtoffer] zei dat het slecht ging met haar en met de relatie. Ze praatten helemaal niet met elkaar. [verdachte] wilde graag in relatietherapie, maar [slachtoffer] wilde dit niet. Ze wilde de scheiding doorzetten. [verdachte] was hier boos over. Zaterdag 9 januari 2010 heb ik nog telefonisch contact met [slachtoffer] gehad over een feest bij mij thuis waar [slachtoffer] ook zou komen. Ik sprak met [slachtoffer] af dat ik haar dinsdag om 11.00 uur van huis zou halen. Zondag 10 januari 2010 heb ik ook nog contact met [slachtoffer] gehad. Zij vertelde mij dat zij maandag 11 januari 2010 om 11.00 uur een afspraak met haar advocaat had. [slachtoffer] wilde niet dat [verdachte] wist dat ze naar de advocaat ging. Zij zei dat ik haar maandag pas kon bellen na 18.00 uur, omdat ze niet eerder thuis zou zijn. Dat was het laatste gesprek dat ik met haar had. Maandagavond 11 januari 2010 heb ik [slachtoffer] vanaf 18.00 uur meerdere keren geprobeerd te bellen tot 22.00 uur, zowel op haar mobiel ( [telefoonnummer] ) als op haar vaste telefoon. Er nam niemand op. Ik heb dinsdag om 9.30 uur gebeld, toen kreeg is [verdachte] aan de lijn. Ik snap niet dat hij mij niet heeft gebeld om te vragen of [slachtoffer] bij mij was. Hij heeft niemand uit onze omgeving gebeld om te vragen waar [slachtoffer] was. [slachtoffer] zou nooit weggaan zonder haar kind. Maandag was een belangrijke dag voor haar, de afspraak met de advocaat om te scheiden. Ik snap niet waarom ze niet op die afspraak is gekomen. [achternaam] is de achternaam van mijn man.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-043)

d.d. 31 maart 2010, opgenomen op pagina 4416 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

De laatste keer dat ik [slachtoffer] zag en sprak was zondagavond 10 januari 2010, omstreeks 20.30 uur. [slachtoffer] en ik hadden contact via de webcam. Ik heb tussen 19.30 en 20.30 uur gechat. [slachtoffer] droeg haar pyjama. Op dat moment zat [slachtoffer] op haar slaapkamer beneden in hun woning. [slachtoffer] vertelde dat ze veel problemen had met [verdachte] . Ze vertelde mij dat [verdachte] heel erg boos was en dat hij hard met de deuren sloeg. [slachtoffer] zei dat ze moe was en dat ze zo naar bed zou gaan. Ze vertelde dat ze de volgende ochtend naar de advocaat zou gaan. Terwijl ik op de webcam met [slachtoffer] zat te chatten, was een vriendin genaamd [getuige 4] bij me. Ik wist dat de relatie tussen [slachtoffer] en [verdachte] heel slecht was. Ik hoorde vervolgens dat ze [naam zoon] had achtergelaten. Ik verbaasde mij daarover. Ze zou nooit zonder [naam zoon] vertrekken. Ik heb [verdachte] gebeld en wij wilden naar [verdachte] in Siddeburen. Wij wilden [verdachte] helpen met zoeken naar [slachtoffer] maar dat was niet nodig.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-045)

d.d. 7 april 2010, opgenomen op pagina 4428 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

Op zondag 10 januari 2010 was ik 's avonds bij mijn vriendin [getuige 5] . Zij was aan het chatten met [slachtoffer] . Ik ken [slachtoffer] verder niet. Terwijl mijn vriendin met [slachtoffer] aan het chatten was keek ik mee op haar computer. Ik zag dat ze een pyjama of een soort huispak droeg. [slachtoffer] wilde mij graag leren kennen en stelde veel vragen over mijn leven. [slachtoffer] vertelde dat ze problemen had met haar man. Ze wilde de volgende dag naar een advocaat voor een scheiding. Tijdens het chatten vroeg [slachtoffer] aan mij of ik ook iets hoorde op de achtergrond. Zij vertelde dat haar man met de deuren sloeg.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-029-02) d.d. 24 februari 2010, opgenomen op pagina 4257 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 6] :

Op de zondag voor [slachtoffer] verdwijning, het was 19.00 uur, had ik voor het laatst contact met mijn dochter [slachtoffer] . Dit contact bestond uit een webcamcontact wat wij met elkaar hadden. Hierbij liet [slachtoffer] de webcam in de rondte gaan en liet mij zien dat alles buiten wit was. [slachtoffer] vertelde mij hierbij dat het zo koud was buiten dat het niet mogelijk was om naar buiten te gaan. [slachtoffer] had een pyjama aan. Wij waren beiden aan het huilen in verband met spanningen die er waren binnen het gezin van [slachtoffer] . Ik hoorde dat tijdens dit contact dat ik met [slachtoffer] had dat er lawaai in de woning van mijn dochter was. Ik vroeg mijn dochter wat er aan de hand was. Ze huilde omdat zij net tegen mij had gezegd dat zij tegen [verdachte] had verteld dat zij een advocaat in de arm had genomen en dat zij de volgende dag een afspraak had. [verdachte] tegen haar hierop had gezegd dat ze onmiddellijk, diezelfde avond, de woning moest verlaten. Mijn dochter vertelde dat haar man [verdachte] op de tafel sloeg met een doek. Ik zag toen op de webcam dat [verdachte] opgefokt door de woonkamer heen en weer liep. Ik zag hem zenuwachtig roken. Ik hoorde en zag via de webcam dat [verdachte] tekeer ging. Hierbij sloeg [verdachte] ook op de deuren. Dit zei [slachtoffer] tegen mij. Hij sloeg ook met de deuren in de woning. [slachtoffer] zei toen tegen mij: "Hoor je wat hij zegt?" [slachtoffer] zei tegen mij dat [verdachte] zei: "Eruit, opdonderen." Ik zag dat [verdachte] voor de webcam dreigend over [slachtoffer] heen ging hangen en ik hoorde dat [verdachte] in het Marokkaans schreeuwde: "Ik ben de duivel, ik ben Nimrod." Ik zag dat [verdachte] gebaren maakte met zijn duim en hierbij riep. [slachtoffer] vertaalde voor mij dat [verdachte] tegen haar riep: "Opdonderen, opdonderen." [slachtoffer] antwoordde: "hoe kan ik nu weg met dit weer, het sneeuwt, ik kan niet weg, want ik heb geen auto. [slachtoffer] zei dit in het Nederlands en vertaalde direct wat zij tegen [verdachte] zei. [verdachte] zei toen: "Eruit en als je eruit bent vervang ik het slot." Toen [slachtoffer] weigerde zag ik dat [verdachte] boos in een stoel ging zitten. [slachtoffer] vroeg [verdachte] om haar met [naam zoon] naar vrienden te brengen. [verdachte] antwoordde hierop dat [naam zoon] in de woning bleef en dat hij haar nergens naartoe bracht. [verdachte] zei dat zij zelf weg moest gaan en dat hij haar nooit meer wilde zien. [verdachte] zei tegen [slachtoffer] dat hij van haar ging scheiden en dat zij met haar spullen weg moest gaan en verder niets meekreeg. [slachtoffer] antwoordde: "Je hebt het huis en wilt [naam zoon] houden. Ik heb geen geld jij hebt alles en ik heb niets en daarom wil ik met mijn advocaat spreken." [verdachte] kwam voor de webcam, klapte zijn handen op de tafel voor de computer en ik hoorde dat hij tegen mij zei dat [slachtoffer] niet goed in haar hoofd was en hij zei: "Veel problemen." [slachtoffer] zei tegen mij dat [verdachte] tegen haar had gezegd dat ze het kind moest achterlaten en op moest donderen. Ik heb tegen haar gezegd dat ze uit de woning moest gaan, ik vertrouwde het niet. [slachtoffer] vertelde mij dat ze ging scheiden. Ik heb toen tegen [slachtoffer] gezegd dat ze naar de politie moest, maar [slachtoffer] zei tegen mij dat ze nergens naar toe kon gaan. [slachtoffer] eindigde gesprek als volgt: " [naam zoon] ligt nu op bed." Ik zei tegen tegen [slachtoffer] dat ze naar de politie moest gaan. Hierop antwoordde [slachtoffer] dat ze het niet vertrouwde om [naam zoon] alleen achter te laten. [slachtoffer] eindigde: "Ik ga nu naar bed, ik word er gek van." Ik hoorde op een gegeven moment dat [verdachte] tegen [slachtoffer] zei: "Pas op." Dit zei hij in het Nederlands, maar ik begreep wel dat [slachtoffer] op haar tellen moet passen. De volgende dag op maandag heb ik geprobeerd [slachtoffer] te bereiken. Ik heb zowel met de telefoon als met internet contact met [slachtoffer] gezocht, maar ik kreeg geen contact met [slachtoffer] . Dagelijks per computer hadden [slachtoffer] en ik op verschillende tijden contact met elkaar.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-255) d.d. 17 december 2012, opgenomen op pagina 2253 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 7 december 2011 is middels een Arabisch tolk/vertaler een telefoongesprek gevoerd met de moeder van [slachtoffer] , mevrouw [getuige 6] . Zij vertelde tijdens dit gesprek het volgende:

-zij kreeg voor de verdwijning wel geld van [slachtoffer] voor levensonderhoud. Dit gebeurde stiekem, meegegeven met vriendinnen, of opgestuurd in pakketten en het was iets van omgerekend 200-250 euro per twee maanden;

-sinds de vermissing ontvangt zij geen geld meer.

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-018)

d.d. 3 februari 2010, opgenomen op pagina 4183 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 14] :

De laatste tijd hoorde ik van [slachtoffer] dat haar relatie steeds slechter ging. In de week na de verdwijning van [slachtoffer] heb ik diverse keren contact gehad met [verdachte] en gevraagd naar [slachtoffer] . Ik heb [verdachte] aangeraden dat hij naar de politie moest gaan. Op donderdag 14 januari 2010 sprak ik ook met [verdachte] . Toen vertelde hij aan mij dat [slachtoffer] was vertrokken zonder [naam zoon] . Vanaf dat moment wist ik zeker dat het niet goed was met [slachtoffer] . Zij zou hem nooit in de steek laten. In onze cultuur mag je als vrouw scheiden, maar je laat nooit je kind achter. Als je dat doet, word je verstoten door de familie en de gehele gemeenschap.

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-059) d.d. 25 juni 2010, opgenomen op pagina 4496 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 9] :

Ik ben advocaat te Groningen. Omstreeks kerst 2009 belde [slachtoffer] mij en vertelde dat ze het beu was om samen met [verdachte] te leven en ze wilde zo snel mogelijk scheiden. Later is er een afspraak gemaakt voor 8 januari 2010. Ik kreeg op 8 januari 2010 [slachtoffer] via de telefoon te spreken. Zij wilde toen de afspraak afzeggen omdat het weer heel slecht was. Er was toen sprake van erg veel sneeuw en gladheid. [slachtoffer] vertelde mij telefonisch dat de situatie uit hand aan het lopen was. Er was steeds meer ruzie en het was thuis eigenlijk niet meer uit te houden. Ik heb haar toen toegezegd dat ik een verzoek voorlopige voorzieningen aan zou vragen en heb haar geadviseerd om bij haar vriendin Ingrid [getuige 10] te blijven. [slachtoffer] vertelde mij dat ze dat niet zou doen omdat zij angst had dat [verdachte] haar administratie en de inboedel toe zou eigenen. Ik heb na dit telefoongesprek niets meer van [slachtoffer] gehoord of gezien. Op 18 januari 2010, werd ik op kantoor gebeld door [verdachte] . Hij vertelde mij dat [slachtoffer] weg was en dat ze [naam zoon] bij hem achter had gelaten. Ik kon niet begrijpen dat [slachtoffer] [naam zoon] achter zou laten. Hij vertelde mij toen dat [slachtoffer] en hij ( [verdachte] ) ook veel ruzie hadden gehad over hun zoontje [naam zoon] . Ik vroeg verder nog aan hem of [slachtoffer] [naam zoon] altijd mee nam als ze weg ging. [verdachte] bevestigde dat [slachtoffer] altijd [naam zoon] mee nam als ze wegging en hij kon mij ook geen verklaring geven waarom dit nu niet zo was gegaan.

16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, (AH-170)

d.d. 2 september 2010, opgenomen op pagina 1140 e.v., inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik heb een nader onderzoek ingesteld naar de afspraak, welke [slachtoffer] zou hebben gehad op 11 januari 2010 met haar advocaat mr. [getuige 9] . Ik heb gesproken met de secretaresse van mr. [getuige 9] . Door de secretaresse werd mij de outlook agenda getoond van maandag 11 januari 2010. Op deze agenda was zichtbaar dat [slachtoffer] die dag om 11.00 uur een afspraak had met haar advocaat mr. [getuige 9] . [slachtoffer] was op 11 januari 2010 om 11.00 uur niet verschenen op haar afspraak en had de afspraak ook niet afgezegd.

17. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, (AH-024)

d.d. 9 februari 2010, opgenomen op pagina 196 e.v., inhoudende als relatering van verbalisant:

Door mij is contact gelegd met werkgevers van [slachtoffer] . Een medewerker van [uitzendbureau] verklaarde dat [slachtoffer] 1 december 2009 een e-mail heeft gestuurd met de mededeling dat zij weer beschikbaar was voor werk.

18. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, (AH-162)

d.d. 27 juli 2010, opgenomen op pagina 990 e.v., inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik heb contact opgenomen met een medewerker van de I.N.D. te Hoofddorp en gevraagd naar de gegevens inzake de aanvraag tot naturalisatie van [slachtoffer] . Men deelde mij mede dat men deze aanvraag van [slachtoffer] aldaar op 2 november 2009 bij hen was binnengekomen. Zij hadden deze aanvraag in behandeling genomen.

19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, met als bijlage een vertaling van een getuigenverhoor (AH-266) d.d. 25 juni 2010, opgenomen op pagina 2383 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als vertaalde verklaring van [getuige 11] :

[slachtoffer] heeft mij in december 2009 gevraagd of ik haar ook naar mij kon halen. Ik heb haar toen gezegd dat zij met de trein moest komen, maar toen zei ze dat dat moeilijk was. Als ik haar met de auto zou ophalen, zou dat wel gekund hebben. In januari sprak ze me opnieuw aan en toen zei ze: "Ik moet naar jou komen." Ze was toen in Leer bij de grens met Duitsland. Ze vroeg me of ze kon komen en of ze bij mij mocht blijven. Ik had voor het laatst contact met [slachtoffer] in januari 2010. Zij vertelde dat zij ging scheiden. Ze vertelde toen ook dat zij op maandag naar de advocaat zou gaan. Zij sliep de laatste tijd niet meer bij haar man, maar in de kamer naast die van haar zoon. Ze belde mij en wilde hulp hebben en ze zei dat zij bij mij wilde komen wonen en dat ik haar moest ophalen. Ik ben erbij geweest dat [slachtoffer] en haar man ruzie hadden. Ze hadden immers voortdurend ruzie. In huis werd er altijd hard gepraat, geschreeuwd, altijd. [slachtoffer] hield heel erg van haar zoon. Haar zoon betekende alles voor haar. Ze vertelde mij dat ze na haar scheiding bij mij wilde wonen. Ik kan me niet voorstellen dat zij het contact met haar moeder verbreekt en haar kind alleen laat.

20. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-006) d.d. 29 januari 2010, opgenomen op pagina 4080 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 8] :

Ik ben de dochter van [verdachte] . Ik sprak op 9 januari 2010 met [slachtoffer] . Ik hoorde in dit telefoongesprek met [slachtoffer] dat zij tegen mij zei: "Waarom moet ik weg. Het is toch ook mijn huis. Alle spullen van mijn kind zijn hier. Ik wil gewoon hier wonen." Ik zei tegen haar dat zij er nu voor moest zorgen dat ze een rustige en veilige plek voor haar en haar kindje zou krijgen. Ik heb geprobeerd om [slachtoffer] te bellen op haar mobiele telefoon. Ik kreeg echter geen contact met haar. De week voorafgaand aan de week waarin [slachtoffer] verdween wilde [slachtoffer] het paspoort van [naam zoon] hebben en mijn vader wilde deze niet afgeven. Ook wilde ze nog wat andere papieren hebben. Mijn vader heeft een agressieprobleem. Hij is opvliegend. [slachtoffer] was overstuur over het feit dat mijn vader tegen haar had gezegd dat hij van haar de sleutels van het huis wilde en dat als zij die niet af wilde geven, hij nieuwe sloten op het huis zou gaan zetten. De woning is voor mijn vader namelijk erg belangrijk.

21. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-005)

d.d. 3 februari 2010, opgenomen op pagina 4068 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 7] :

Ik woon aan de [straatnaam] te Siddeburen. [slachtoffer] belde mij op 5 januari 2010. Ik dacht dat zij in Duitsland was. Ik vroeg haar waar ze was. Ze zei: "naast jou". Ze was thuis. Ze had ineens in de keuken gestaan bij [verdachte] . Ze wilde papieren ophalen. Ze zei: "Het gaat niet zo goed met mij, maar alles komt weer goed met mij." Ze vertelde me dat ze hier zou blijven en dat ze niet weg zou gaan. [verdachte] had gezegd dat hij graag wilde dat [slachtoffer] de sleutels in zou leveren. Sindsdien heb ik haar niet gehoord of gezien. U vraagt mij naar het parkeergedrag van [verdachte] . Ik kan u vertellen dat [verdachte] zijn auto altijd met de voorkant naar het huis parkeert.

22. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-001) d.d. 26 januari 2010, opgenomen op pagina 4028 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 15] :

Ik ken het gezin [verdachte] van onze buurtvereniging. Op 16 januari 2010 hadden we de ledenvergadering/nieuwjaarreceptie van de buurtvereniging. [verdachte] en zijn vrouw [slachtoffer] hadden zich opgegeven hiervoor, doch ze zijn zonder kennisgeving allebei niet geweest.

23. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, financieel rapport, (FIN-001) d.d. 17 februari 2010, opgenomen op pagina 3536 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Blijkens informatie van de ING-bank is de pinpas, behorend bij het rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [slachtoffer] voor het laatst is gebruikt op 7 januari 2010 te 18.02 uur.

24. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen onderzoek bankrekeningen (AH-265) d.d. 7 december 2015, opgenomen op pagina 2383 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

In het opsporingsonderzoek naar de vermissing van [slachtoffer] werd onderzoek gedaan naar bankrekeningen van [slachtoffer] . Naar aanleiding van een verklaring van een getuige die vertelde dat [slachtoffer] haar heeft verteld dat ze naar Appingedam moest om het bankpasje en/of de pincode op te halen, zijn alle banken die in 2009 een vestiging hadden in

Appingedam aangeschreven. Van al deze banken werd als antwoord ontvangen dat van de genoemde [slachtoffer] , geen gegevens bij hun bekend waren. Van de ING Bank werd als antwoord ontvangen dat naast het rekeningnummer [rekeningnummer] geen andere gegevens en/of producten van [slachtoffer] stonden geregistreerd.

25. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-014)

d.d. 4 februari 2010, opgenomen op pagina 172 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik heb contact gehad met de liaison van Marokko met betrekking tot de vraag of [slachtoffer] Marokko is binnen gereisd. Als antwoord kreeg ik dat zij op 30 juni 2009 Marokko heeft verlaten en dat dit de laatste registratie was.

26. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (relaas, dossier 1) d.d. 24 januari 2011, opgenomen in ordner 1 van voornoemd dossier en een proces-verbaal bevindingen (relaas, dossier 2), d.d. 20 april 2016, eveneens opgenomen in ordner 1 van voornoemd dossier inhoudende de relateringen van verbalisant:

In beide dossiers, bevattende een relaas van het politieonderzoek, worden de zoekacties naar het slachtoffer benoemd die niet tot haar vondst hebben geleid.

27. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-067) d.d. 7 juli 2010, opgenomen op pagina 4531 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 12] Mairimklang:

Ongeveer twee tot drie jaar geleden heb ik [slachtoffer] leren kennen. [slachtoffer] leerde ik kennen als een hele aardige vrouw die erg open was naar andere mensen. In de tijd dat ik samen met [slachtoffer] werkte, heb ik veel met haar gesproken. Zij vertelde mij veel over haar problemen met [verdachte] . Zij vertelde mij namelijk dat zij veel ruzie hadden. [verdachte] kon erg agressief doen. Ik bedoel hiermee dat als hij boos was, hij schreeuwde en vloekte. [slachtoffer] en [verdachte] in die periode scheiden. [slachtoffer] heeft toen aan mij gevraagd of ik een huisje voor haar had in Hoogezand. Ik heb haar toen de naam en het telefoonnummer gegeven van twee woningbouwverenigingen.

28. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-013) d.d. 2 februari 2010, opgenomen op pagina 167 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij hebben gecontroleerd of er ritten van het openbaar vervoer of taxi's zijn geweest op 10 januari 2010 tussen 20.30 en 21.30 uur. Uit de site treinreiziger.nl kan worden opgemaakt dat op 10 januari 2010 in verband met het slechte weer, geen bussen hebben gereden in de regio Appingedam, waaronder Sidderburen valt. Medewerkers van in de omgeving aanwezige taxibedrijven gaven aan dat er op 10 en 11 januari 2010 geen ritten in Siddeburen waren geweest.

29. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-035) d.d.

11 februari 2010, opgenomen op pagina 225 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Door mij werd een onderzoek ingesteld naar de weersomstandigheden in de omgeving van Siddeburen. Hiertoe werd informatie van de site van het KNMI opgevraagd van 1 januari 2010 tot en met 14 januari 2010. De gegevens van de weerstations Eelde en Nieuw Beerta zijn opgevraagd. Hieruit mocht blijken dat gedurende deze periode elke dag de temperaturen onder het vriespunt hebben gelegen en waarbij enkele dagen zelfs strenge vorst is waargenomen.

30. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-071) d.d. 9 maart 2010, opgenomen op pagina 444 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik luisterde naar de geluidsbestanden op de voicerecorder die tijdens de huiszoeking in de woning van [verdachte] en [slachtoffer] in beslag is genomen.

Op een bestand gemaakt op dinsdag 5 januari 2010, 13:31:10 uur hoorde ik het volgende. [verdachte] voert een gesprek met maatschappelijk werk, [medewerker] .

[verdachte] zegt:

- dat de boel begint te escaleren en dat hij niet weet wat er moet gebeuren.

- dat hij in paniek is. "Ik heb geen goede ademhaling, ik moet oppassen dat ik niet ga hyperventileren. Ik moet rustig ademen."

- dat hij [slachtoffer] niet zover heeft kunnen krijgen om relatietherapie aan te gaan.

- dat [slachtoffer] in het huis in Vlagtwedde van de moeder van de vriendin mocht wonen.

- dat [slachtoffer] zich zojuist heeft laten uitschrijven uit de gemeente Slochteren.

- dat [slachtoffer] bij hem is gekomen om spullen op te halen, dit was ook al eerder gebeurd.

- dat hij het huis voor zichzelf wil. Hij heeft net de sleutel aan haar teruggevraagd.

- dat [slachtoffer] dit niet deed. Nu wil ze het huis niet uit.

- Dat [verdachte] nu bang is dat dingen gaan escaleren. Dit kan niet volgens hem. Zij heeft zich laten uitschrijven. Ze heeft ervoor gekozen om weg te gaan en om ergens anders te gaan wonen. "Ik moet rust hebben voor mijn gevoel. Vanaf hier moeten we gaan scheiden en de ellende aangaan". Ze heeft net gezegd, ik ga die Marokkaanse advocaat...ik stelde voor laten we één advocaat nemen. Nu is de situatie zo. Ze gaat nu pontificaal hier in huis zitten en ze wil alles terugdraaien. Ik ben 4 dagen alleen geweest. Ik wil de gordijnen dichtdoen en ik wil in mijn eentje gaan zitten. Ik kan niet met mijn vrouw onder één dak leven nu. Heb ik het verkeerd gedaan om de sleutel terug te vragen? Die vriendin woont met twee kinderen in Duitsland. Haar moeder heeft een woning gekregen. Dat was allemaal geregeld. Ja,

maar ik kan niet met mijn vrouw in één huis...De situatie is voor mij nu zo geëscaleerd. Ze wil wel eventueel nu met jullie praten. Laat me alsjeblieft niet alleen zwemmen hierin.

- Dat hij echt met mijn hoofd tegen de muur loopt.

- Dat ze hier niet meer woont, ze is ingetrokken. Wat gebeurt er als ik drie nieuwe sloten erin zet als ze naar de C 1000 gaat?

- Dat hij geen fouten wil maken. Dat hij het gevoel heeft dat hij achter elkaar fouten gaat maken nu.

- Dat hij donderdag 7 januari om half 11 in Hoogezand langs komt samen met [slachtoffer] .

- dat hij hierin echt hulp nodig heeft en dat hij bang is dat dingen wel gaan escaleren.

Opgenomen gesprek tussen [slachtoffer] en [verdachte] . Bestand gemaakt op dinsdag 5 januari 2010, 17:24:48 uur.

- [verdachte] zegt: " [slachtoffer] luister eens."

- [verdachte] zegt: "Wil je mij uit het huis hebben? Ik wil weten wat er in je hoofd zit."

- [slachtoffer] zegt dat er niks in haar hoofd zit.

- [verdachte] zegt dat [slachtoffer] vanmiddag wel gezegd heeft dat ze het huis wil hebben.

- [slachtoffer] zegt dat ze dat niet gezegd heeft.

- [verdachte] zegt van wel.

Er ontstaat een woordenwisseling. [slachtoffer] spreekt snel en verheft haar stem een beetje.

- [verdachte] zegt: "Jij hebt je laten uitschrijven, daar kom je op terug."

- [slachtoffer] zegt dat het nu een andere situatie is.

- [verdachte] zegt dat een andere zorg van hem is dat de woning een bejaardenwoning is en dat hij daar in wil blijven wonen.

- [verdachte] zegt dat [slachtoffer] op 1 januari tegen hem heeft gezegd dat ze hier niet meer zou komen. dat ze weg wilde en dat dat betekent dat hij hier nu woont.

- [slachtoffer] zegt dat ze niet weg gaat.

Bestand gemaakt op donderdag 7 januari 2010, 10:13:36. Opgenomen gesprek tussen [slachtoffer] en [verdachte] .

- [verdachte] vraagt of [slachtoffer] wil scheiden.

- [slachtoffer] zegt ja.

- [slachtoffer] zegt dat ze allebei willen scheiden.

- [verdachte] zegt dat hij heeft gezegd dat hij wil scheiden als er geen relatietherapie komt.

- [verdachte] zegt dat dat het laatste is wat ze kunnen doen

- [slachtoffer] zegt dat het niet gaat samen, dat ze uit elkaar moeten.

- [verdachte] zegt dat hij altijd heeft gezegd dat relatietherapie voor hem het laatste is wat hij zou kunnen proberen.

- [slachtoffer] zegt dat relatietherapie niet is voor de problemen wat jij met mij samen hebben, is heel erg. Dat hoeft niet.

- [slachtoffer] zegt dat [verdachte] echt vervelende dingen met haar doet.

- [slachtoffer] zegt dat ze dat echt vervelend vindt en niet meer wil.

- [verdachte] zegt dat hij er met [slachtoffer] zo niet uit komt.

- [verdachte] zegt dat het klopt, hij wil ook zo niet verder.

- [verdachte] zegt dat het bij hem mogelijk is om nog een andere stap te proberen.

- [verdachte] zegt dat alles ophoudt als dat niet kan.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat [verdachte] vrijdag bij die mensen in Duitsland iets anders heeft gezegd.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat de situatie helemaal gedraaid is.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat er hele vervelende dingen zijn gebeurd.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat hij niet makkelijk de stap kan nemen om goed uit elkaar te gaan.

- [slachtoffer] zegt dat je goed uit elkaar gaan anders doet.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat er echt vervelende dingen zijn gebeurd.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat ze daar echt niet van houdt.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat dat echt erg is.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat dat echt niet hoeft.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat [verdachte] dat vaak doet.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat ze echt niks met [verdachte] durft te doen samen.

- [slachtoffer] zegt met stemverheffing dat ze alles aan de advocaat laat.

31. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-027) d.d.

1 februari 2010, opgenomen op pagina 204 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 28 januari 2010, verleenden wij, beiden instructeur/geleider speurhonden bij de unit specialistische honden van het KLPD, ondersteuning met lijkenspeurhonden. Wij stelden op deze datum op het perceel [straatnaam] te Siddeburen, een onderzoek in met de gecertificeerde lijkenspeurhonden "Iris" en "Berry". Deze beide honden zijn afgericht op de ontbindingsgeur van lijk/delen of bloed. Wij lieten de hond "Iris" de voortuin en de oprit naar de garage van voornoemd perceel afzoeken. Wij zagen, dat de hond op de oprit, naast de woning enkele meters voor de ingang van de garage, een reactie vertoonde. Uit het gedrag van de hond konden wij afleiden dat zij het haar aangeleerde geurbeeld had geroken van een lijk, lijkdelen of bloed. Vervolgens herhaalde de hond dit gedrag op de betondrempel onder de garagekanteldeur. Hierna lieten wij de hond de verdere bestrating naast de woning en rond de berging afzoeken. Buiten tegen de wand van de berging stond een kruiwagen. Wij zagen dat de hond in de bodem van de kruiwagen een reactie vertoonde. Ook hier konden wij uit afleiden dat de hond het haar aangeleerde geurbeeld van lijk/delen of bloed had waargenomen. Hierna lieten wij de hond "Berry" aan en in de kruiwagen snuffelen. Ook deze hond vertoonde hetzelfde beeld. Ook vertoonde de hond eenzelfde reactie op een buiten tegen de achterwand van de berging staande dakkoffer. Vervolgens lieten wij de hond "Iris" zoeken in de garage van voornoemd perceel. Wij zagen dat de hond een reactie vertoonde ongeveer in het midden van de garage op de betonvloer. Uit het gedrag van de hond konden wij afleiden dat zij het haar aangeleerde geurbeeld had geroken van een lijk, lijkdelen of bloed. Diezelfde dag stelden wij met de hond "Iris" een onderzoek in op de bovenverdieping van de voornoemde woning. Hierbij zagen wij dat de hond reageerde op drie plaatsen in de rechter slaapkamer. Dit betrof een plaats op de vloerbedekking onder het bureau, de opperdeken ongeveer midden op het bed, en midden op het hout van het hoofdeind van het bed. Vervolgens reageerde de hond op de trap, de vierde traptrede van boven. Tevens gaf de hond nog op twee plaatsen reactie op de begane grond in het halletje tussen de woning en de garage. Op al die plaatsen konden wij uit het gedrag van de hond afleiden dat zij het haar aangeleerde geurbeeld had geroken van een lijk, lijkdelen of bloed.

32. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-027-02) d.d. 19 juni 2010, opgenomen op pagina 207 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 28 januari 2010 verleenden wij ondersteuning met lijkenspeurhonden. Hond "Berry" en hond "Iris" zijn voorzien van een geldig Certificaat Politiespeurhond Lijken. De kwaliteit van deze honden wordt gewaarborgd doordat dit certificaat na maximaal twee jaar en drie maanden opnieuw behaald dient te worden. Deze beide honden zijn afgericht op de geur van een dood menselijk lichaam of een deel daarvan dat in een stadium van ontbinding verkeert, en bloedresten.

33. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (FTOAH-001) d.d. 17 september 2010, opgenomen op pagina 1737 e.v. en 3895 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij stelden op 27, 28 en 29 januari 2010 een onderzoek in in de woning aan de [straatnaam] te Siddeburen.

Onderzoek tuin: de kruiwagen is voor verder onderzoek veiliggesteld (AAAU7590NL).

Onderzoek badkamer: in de badkamer is een tandenborstel veiliggesteld (AAAZ3846NL).

Onderzoek logeerkamer: de kamer, gezien vanaf de trap aan de rechterzijde, was ingericht als een slaapkamer. Het bed betrof een tweepersoonsbed met een matrasmaat van 1.40 bij 2.00 meter. Wij troffen op het hoofdeinde van het bed, in de rechterbovenhoek van de rechterrand, gerekend vanuit het voeteneind, een bloedspat aan. Deze bloedspat is bemonsterd en getest met de tetrabase test. Deze test was positief. Wij zagen in de linkerbovenhoek van de rechterrand, gerekend vanuit het voeteneind, meerdere kleine bloedspatten. Deze spatten bevonden zich onder de bovenste rand van het uitgefreesde gedeelte. Deze spatten zijn door ons bemonsterd en getest met een tetrabase test en de hexagon test. Beide testen waren positief. Op het nachtkastje rechts naast het bed stond een nachtkastje. Op dit nachtkastje stond een windlichtje. Wij zagen op dit windlicht een bloedspatje. Dit spatje werd bemonsterd en vervolgens getest met de tertrabase test. Deze test was positief.

AAAZ3847NL bemonstering hoofdeinde bed, rechterzijde midden.

AAAZ3448NL bemonstering bloed hoofdeinde bed

AAAU7596NL: bloed op glas van lampje (rechts) naast bed.

AAAU7595NL: bloed hoofdeinde bed linkerzijde.

Er werd in een afvalemmer in de badkamer achter de deur die toegang gaf tot de gang haar aangetroffen (AAAU7704NL).

34. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (FTOAH-002) d.d. 19 februari 2010, opgenomen op pagina 1781 e.v. en 3938 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij stelden op 5 februari 2010 een onderzoek in naar de latente aanwezigheid van bloed met behulp van luminol in een woning in Siddeburen, [straatnaam] .

Slaapkamer eerste etage voorzijde woning

Ons onderzoek naar latente bloedsporen ving aan op de slaapkamer op de eerste etage aan de voorzijde van het pand. Na beneveling met luminol zagen wij diverse plaatsen fel blauw-wit luminesceren. Wij zagen luminescentie op de binnenzijde van het schutbord, aan het hoofdeinde van het bed, en wel over de gehele breedte. Wij zagen namelijk veegpatronen. Tevens zagen wij in het verdiepte deel van dit schutbord nog tientallen kleine bloedspatjes zitten. Gezien de grootte en vorm betroffen het hier bloedspatjes die passen bij een zogenaamd impact patroon. Hierbij moet de bron van deze bloedspatjes zich op de matras ter hoogte van het hoofdeinde hebben bevonden. Van een enkele bloedspat werd nog een bemonstering genomen, gewaarmerkt (SIN AAAZ3988NL) en in beslag genomen. Aan weerszijden van voornoemd bed stonden nachtkastjes. Bij beide nachtkastje zagen wij luminescentie op de zijkant direct grenzend aan het bed. Wij zagen namelijk veegpatronen op beide zijkanten. Op het linker nachtkastje, gezien vanaf het voeteneind in de richting van het hoofdeind, werd op de bovenste rand aan de zijde van het bed een bloedspat bemonsterd en veiliggesteld. Deze bloedspat werd bemonsterd, gewaarmerkt (SIN AAAZ3984NL) en in beslag genomen. Het voornoemde bed werd door ons aan de zijde van het hoofdeinde van de muur gehaald. Dit om de achterzijde van het schutbord te onderzoeken met luminol. Wij zagen op de achterzijde van het rechter deel van dit schutbord, gezien vanaf het voeteneind in de richting van het hoofdeind, luminescentie. Wij zagen namelijk heel vaag een veegpatroon. Wel was duidelijk een verhoogde intensiteit waar te nemen op de rechter bedpoot (bovenaan) aan dit hoofdeind zijde. Ook zagen wij dezelfde vage veegpatronen op de muur waar dit schutbord tegenaan had gestaan. Op de vloer aan de rechterzijde van het bed, gezien vanaf het voeteneind in de richting van het hoofdeind, ter hoogte van het hoofdeind van het bed net naast het rechter nachtkastje, zagen wij luminescentie. Dit bleek om een bloedspoor te gaan. Van dit spoor werd een bemonstering gedaan, gewaarmerkt (SIN AAAZ3992NL) en in beslag genomen. Op het voornoemde bed lagen meerdere lakens en dekens. Op twee dekens werden door ons bloedsporen waargenomen. Wij zagen op de ene deken slechts enkele vlekjes luminesceren. Op de andere deken zagen wij meerdere vlekken/vlekjes luminesceren. Uit beide dekens werden door ons stukjes gesneden, getest (tetrabase positief) gewaarmerkt (SIN AAAZ3987NL en AAAZ3981NL) en in beslag genomen. Achter het bed tegen het voeteneind stond een laag tafeltje. Op de poten van dit tafeltje zagen wij luminescentie. Wij zagen een vaag veegpatroon.

Onderzoek overloop en trapgat

Ons onderzoek naar de aanwezigheid van latente bloedsporen ging verder op de overloop op de eerste etage en in het trapgat. Na beneveling met luminol zagen wij diverse plaatsen fel blauw-wit luminesceren. Op de slaapkamerdeur van de slaapkamer aan de voorzijde van de woning, aan de zijde van de overloop, zagen wij diverse vlekken, vegen en strepen luminesceren. Op de deur van het CV hok aan de zijde van de overloop, zagen wij twee vlekken cq. vegen luminesceren. De intensiteit van de luminescentie was gemiddeld. Onder een op de vloer aanwezig vloerkleed (tapijt) zagen wij luminescentie. Deze luminescentie was waarneembaar als een dunne ononderbroken streep van ongeveer 1 centimeter breed. Deze streep liep vanaf de drempel van de slaapkamer (slaapkamer eerste etage voorzijde van de woning) naar het trapgat. Na testen bleek het bloed te zijn en werd een deel van deze streep bemonsterd, veiliggesteld, gewaarmerkt (SIN AAAZ3961NL) en in beslag genomen. Door ons werd het vloerkleed waaronder voornoemde streep was waargenomen, onderzocht. Wij zagen op dit vloerkleed een dunne ononderbroken streep van ongeveer 1 centimeter breed luminesceren. De vorm en richting kwamen overeen met die van de streep op de vloer er onder. Ook dit vloerkleed werd getest en positief bevonden. (bloed) In het trapgat, op de linker muur (gezien vanaf beneden naar boven de trap omhoog) zagen wij op meerdere plaatsen vlekken en vegen luminesceren. Ook werd tijdens het luminolonderzoek een bloedspat veiliggesteld welke zat op een windlicht. Deze stond op een nachtkastje op de slaapkamer op de eerste etage aan de voorzijde van de woning. Het betrof het linker nachtkastje, gezien vanaf het voeteneind in de richting van het hoofdeind. De bloedspat werd bemonsterd, gewaarmerkt (SINAAAZ3985NL) en in beslag genomen.

35. Een deskundigenrapport (bloedspoorpatroonanalyse) (FTO-051) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 24 maart 2016, opgenomen op p. 3884 e.v. en opgemaakt door M. Roos, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Vraagstelling

Geef een interpretatie van de mogelijke ontstaansmechanismen van de aangetroffen luminolsporen aan de hand van het beeldmateriaal aanwezig in proces-verbaal van 5 februari 2010. Dit onderzoek vindt plaats op basis van foto's.

Binnenzijde schutbord hoofdeinde bed

Het betreft een houten schutbord bestaande uit een frame met daarin twee panelen. De randen van deze panelen vormen een verdieping in het geheel. Op het rechterdeel tot ongeveer halverwege het schutbord is een patroon zichtbaar met een streepvormig en vlekkerig uiterlijk. Gezien de uiterlijke kenmerken kan dit patroon worden geclassificeerd als een veegspoorpatroon. Dit veegspoorpatroon is zichtbaar van het bovenste deel van het schutbord tot aan het onderste deel van het schutbord en bestaat uit één of meerdere veegbewegingen. Onder de aanname dat het hier daadwerkelijk bloed betreft kan het veegspoorpatroon veroorzaakt zijn door veegbewegingen met bijvoorbeeld een bebloed object waarvan het bloed niet afkomstig is van het schutbord zelf. Ook kan het veegspoorpatroon zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld een (vochtige) doek waarbij aanwezig bloed op het schutbord wordt verdund en verspreid. Een combinatie van beide is ook mogelijk. Het aantreffen van het veegspoorpatroon op de aangegeven locatie op het schutbord is even waarschijnlijker wanneer deze ontstaan is op een moment dat het matras en beddengoed niet aanwezig waren op het bed dan wanneer deze wel aanwezig waren op het bed.

Binnenzijde rechterzijkant bed

Op de binnenzijde van de rechterzijkant van het bed wordt een luminescentiereactie waargenomen in de vorm van een dunne band /veeg. Onder de aanname dat het hier daadwerkelijk bloed betreft is het even waarschijnlijk als de waargenomen dunne band / veeg ontstaan is door schoonmaakhandelingen als dat deze ontstaan is door contact met een bebloed deel van een matras. Op het bovenste deel van de rechter bedpoot aan het hoofdeinde werd een luminescentiereactie waargenomen. Op de twee zichtbare zijden op de foto is een onderbroken vlekkerig patroon zichtbaar. Op de bovenzijde is ook een luminescentiereactie zichtbaar. De omvang en verschijningsvorm van deze luminescentiereactie is op deze foto niet goed waar te nemen. Gezien de waargenomen verspreiding en uiterlijke kenmerken kan dit patroon geclassificeerd worden als een overgedragen (bloedspoor)patroon.

Conclusie

Onder de aanname dat de aangetroffen luminescentiereacties op en rond het bed in

de eerder omschreven slaapkamer daadwerkelijk bloed betreft, passen deze

luminescentiereacties bij schoonmaakwerkzaamheden van bebloede oppervlakken.

36. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (FTOAH-009) d.d. 24 februari 2010, opgenomen op pagina 1827 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 27 januari 2010 werd de echtgenoot van [slachtoffer] aangehouden. Kort voor zijn aanhouding was door de verdachte een plastictas met inhoud weggegooid in een afvalbak in Appingedam. Deze plastic tas werd uit de vuilnisbak gehaald en veilig gesteld. Op 28 januari 2010 werd genoemde plastictas met inhoud aan mij, verbalisant [verbalisant] , overgedragen. Ik zag dat het een plastictas betrof met de opdruk "C1000". Ik zag dat in de tas lappen stof zaten. De plastic tas met inhoud werd door mij in beslag genomen en voorzien van een SIN nummer (AAAI1469NL). Op 23 februari 2010 werd door ons een nader onderzoek ingesteld naar de inhoud van de plastic tas. Wij zagen dat in de tas 6 lappen stof zaten. Wij zagen dat twee lappen van kennelijk hetzelfde materiaal en kleur waren, overeenkomstig de stof die voor lakens wordt gebruikt. Deze lappen zijn voorzien van SIN nummers AAAE7981NL en AAAE7982NL. Wij zagen dat de andere vier lappen van kennelijk hetzelfde materiaal en kleur waren, overeenkomstig het materiaal wat voor hoeslakens wordt gebruikt. De lappen leken gewassen. Op de twee overeenkomstige lappen waren enkele vage vlekken zichtbaar. Door ons werden de vlekken door middel van de tetrabase test (=bloedindicatieve test) getest op de aanwezigheid van bloed. De tetrabase test reageerde op beide lappen positief.

37. Een deskundigenrapport (FTO-015) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 19 juli 2010, opgenomen op p. 3628 e.v. en opgemaakt door dr. A.J. Kal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Interpretatie en conclusie

Identiteitszege

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

toelichting

AAAZ3847NL#01

Logeerkamer, bloed hoofdeinde bed, rechterzijde midden

(Zie FTOAH-001)

AAAZ3848NL#01

Logeerkamer, bloed hoofdeinde bed

(Zie FTOAH-001)

AAAZ3988NL#01

Logeerkamer, bloedspat hoofdeinde bed

(Zie FTOAH-002)

t.a.v. deze drie sporen

[slachtoffer]

(AAAZ3846NL#01, kop van de tandenborstel)

Kleiner dan één op één miljard

38. Een deskundigenrapport (FTO-004) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 15 maart 2010, opgenomen op p. 3567 e.v. en opgemaakt door dr. A.J. Kal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Interpretatie en conclusie

Identiteitszegel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

Toelichting

AAAU7596NL

logeerkamer, bloed glas lampje naast bed, rechts

(Zie FTOAH-001)

DNA-profiel van een vrouw, matcht met DNA-profiel verkregen uit tandenborstel AAAZ3846NL#01. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonsteringen afkomstig kan zijn van dezelfde vrouw.

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige vrouw matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

39. Een deskundigenrapport (FTO-003) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 9 februari 2010, opgenomen op p. 3561 e.v. en opgemaakt door dr. A.J. Kal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Interpretatie en conclusie

Identiteitszegel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

Toelichting

AAAU7595NL

Bloed linkerzijde van het hoofdeinde van het bed

(Zie FTOAH-001)

AAAZ3846NL#01

Kop van de tandenborstel, en AAAZ3846NL#02 handvat van de tandenborstel

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurige vrouw matcht met elk van deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard

40. Een deskundigenrapport (FTO-006) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 12 april 2010, opgenomen op p. 3579 e.v. en opgemaakt door dr. A.J. Kal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Mat AAAI0912NL (uit de kofferbak van een auto)

Bij het onderzoek naar bloed/biologisch materiaal zijn op de mat (AAAI0912NL) meerdere op haren gelijkende sporen aangetroffen. Een deel van de op haren gelijkende sporen die hierbij zijn aangetroffen zijn als AABP0298NL veiliggesteld.

Kruiwagen AAAU7590NL

Bij het onderzoek naar bloed/biologisch materiaal/biologische contactsporen zijn op de randen van de kuip van de kruiwagen (AAAU7590NL) op haren gelijkende sporen aangetroffen. De op haren gelijkende sporen die hierbij zijn aangetroffen zijn als (AABP0375NL) veiliggesteld.

Interpretatie en conclusie

Identiteitszegel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

Toelichting

AAAZ3984NL#01

Bloedspat linker nachtkastje, bovenste rand, zijde bed

(Zie FTOAH-002)

[slachtoffer]

(AAAZ3846NL#01, kop van de tandenborstel)l

kleiner dan één op één miljard

AAAZ3985NL#01

Windlicht, op linker nachtkastje

(Zie FTOAH-002)

[slachtoffer]

(AAAZ3846NL#01, kop van de tandenborstel)

kleiner dan één op één miljard

41. Een deskundigenrapport (FTO-035) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 18 november 2011, opgenomen op p. 3817 e.v. en opgemaakt door dr. A.J. Kal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Interpretatie en conclusie

Identiteitszegel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

toelichting

AAAE7982NL#02

Stuk textiel, lap stof uit C1000 tas

(Zie FTOAH-009)

Onvolledig DNA-mengprofiel dat de kenmerken bevat van minimaal twee personen, waarvan minimaal een man en een vrouw. [slachtoffer] , verdachte en [naam zoon] kunnen niet worden uitgesloten als een van de personen van wie celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn.

--

AAAZ3992NL#01

Vloer rechts naast een bed, bloedspoor thv hoofdeinde bed, net naast rechter nachtkastje

(Zie FTOAH-002)

Onvolledig DNA- mengprofiel, dat DNA-kenmerken bevat van minimaal drie personen, waarvan minimaal een man. [slachtoffer] , verdachte en [naam zoon] kunnen niet worden uitgesloten als een van de personen van wie celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn.

--

42. Een deskundigenrapport (FTO-007) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 26 april 2010, opgenomen op p. 3590 e.v. en opgemaakt door dr. A.J. Kal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Interpretatie en conclusie

Identiteitszegel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

Toelichting

AAAZ3981NL#01

Stuk textiel, stuk deken bed logeerkamer

(Zie FTOAH-002)

[slachtoffer] (AAAZ3846NL#01, kop van de tandenborstel)

en

verdachte

--

kleiner dan één op één miljard

DNA-mengprofiel dat DNA-kenmerken bevat van minimaal twee personen, waarvan minimaal een man en een vrouw. Het DNA-profiel van [slachtoffer] matcht met dit DNA-mengprofiel. Onder de aanname dat deze bemonstering daadwerkelijk celmateriaal bevat van [slachtoffer] is uit het DNA mengprofiel van de mannelijke celdonor afgeleid. Het profiel van verdachte matcht met die afgeleide DNA-kenmerken. Deze bemonstering kan dus cel afkomstig van [slachtoffer] en verdachte bevatten.

AAAZ3987NL#01

Stuk textiel, stuk deken bed logeerkamer

(Zie FTOAH-002)

[slachtoffer] (AAAZ3846NL#01, kop van de tandenborstel) en

verdachte

--

kleiner dan één op één miljard

Idem als boven.

AAAE7982NL#01

Stuk textiel met bloed, lap stof C1000 tas

(Zie FTOAH-009)

[slachtoffer] (AAAZ3846NL#01, kop van de tandenborstel) en minimaal een onbekende persoon

Niet berekend

Onvolledig mengprofiel van minimaal twee personen. [slachtoffer] kan niet worden uitgesloten. Het is waarschijnlijker dat het DNA bevat van [slachtoffer] en van minimaal een onbekende persoon dan dat de bemonstering geen DNA van haar bevat.

43. Een deskundigenrapport (FTO-019) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 24 september 2010, opgenomen op p. 3649 e.v. en opgemaakt door dr. A.J. Kal, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Mat (AAAI0912NL) (uit de kofferbak van een auto)

De mat (AAAI0912NL) is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is gebruik gemaakt van en de tetrabasetest en van luminolonderzoek. Op de mat (AAAI0912NL) zijn met behulp van luminol aan de bovenzijde en de onderzijde aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van bloed. De aanwezigheid van bloed is met de tetrabasetest bevestigd. Aan de bovenzijde van de mat (AAAI0912NL) zijn vier plaatsen bemonsterd. Deze bemonsteringen zijn veiliggesteld als(AAAI0912NL#01 tot en met #04 voor een

DNA-onderzoek. Aan de onderzijde van de mat (AAAI0912NL) is één plaats

bemonsterd. Deze bemonstering is veiliggesteld als AAAI0912NL#05 voor een DNA-onderzoek.

Kruiwagen (AAAU7590NL)

De kruiwagen (AAA117590NL) is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is gebruik gemaakt van de tetrabasetest en van luminolonderzoek. Hierbij zijn op meerdere plaatsen aan de binnen- en buitenzijde van de kruiwagen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van bloed. Met name aan de binnenzijde van het schuine gedeelte van de kruiwagen is een chemiluminescente waas waargenomen.

Interpretatie en conclusie

Identiteitszegel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

Toelichting

AAAI0912NL#01 bloed mat kofferbak auto

(nader onderzocht door NFI in dit onderzoek en verkregen na onderzoek

FTOAH-004)

[slachtoffer]

--

onvolledig DNA-mengprofiel verkregen dat DNA-kenmerken bevat van minimaal twee personen. Uit dit DNA-mengprofiel zijn geen DNA-profielen van individuele celdonoren af te leiden. Op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek kan de vermiste [slachtoffer] niet worden uitgesloten als één van de personen van wie celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn.

AAAE7982NL#02

Stuk textiel met bloed, lap stof C1000 tas

(Zie FTOAH-009)

[slachtoffer] , de verdachte [verdachte] en [naam zoon] kunnen niet worden uitgesloten

--

onvolledig DNA-mengprofiel dat DNA-kenmerken bevat van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man en één vrouw. Uit dit DNA-mengprofiel zijn geen DNA-profielen van individuele celdonoren af te leiden. Op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek kunnen de vermiste [slachtoffer] ", de verdachte [verdachte] (RAAL3961NL) en [naam zoon] (RAAL3994NL) niet worden uitgesloten als één van de personen van wie celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn.

AAAU7704NL#01

wortel van de haar q) uit een pluk haar gevonden in afvalemmertje

(Zie FTOAH-001)

[slachtoffer]

kleiner dan één op één miljard

DNA-verwantschapsonderzoek:

Bij het DNA-verwantschapsonderzoek is het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAAZ3846NL#01 van de tandenborstel vergeleken met het DNA-profiel van [getuige 6] (RAAJ1041NL). Bij deze vergelijking is gebleken dat van elk van de vijftien vergeleken loci van het DNA-profiel in de bemonstering van de tandenborstel ten minste één kenmerk gelijk is aan een DNA-kenmerk van het desbetreffende locus in het DNA-profiel van [getuige 6] . Dit past bij een verwantschap van een kind en een biologische moeder. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering AAAZ3846NL#01 van de tandenborstel kan toebehoren aan [slachtoffer] , een biologische dochter van [getuige 6] .

44. Een deskundigenrapport (FTO-043) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 22 december 2015, opgenomen op p. 3857 e.v. en opgemaakt door ing. P.E. de Vreede, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Vergelijkend haaronderzoek tussen de twee hoofdhaardelen AABP0375NL afkomstig van kruiwagen AAAU7590NL met haren uit emmertje AAAU7704NL. Bij een vergelijkend haaronderzoek worden microscopisch morfologische zichtbare kenmerken van haarsporen vergeleken met een (referentie)monster haar. Hierbij wordt de intensiteit, kleur, pigmentverdeling, vorm en lengte vergeleken. Daarnaast worden de minder onderscheidende morfologische kenmerken zoals breedte, doorsnede, top en het merg vergeleken. Tussen de twee hoofdhaardelen afkomstig van de kruiwagen en de haren uit het emmertje zijn geen verschillen in de morfologische kenmerken waargenomen. De hoofhaardelen AABP0375NL passen binnen de variatie van de hoofdharen uit het emmertje AAAU7704NL.

De bevindingen zijn iets waarschijnlijker wanneer de twee hoofdhaardelen afkomstig van dezelfde persoon als de haren uit het emmertje dan wanneer de twee hoofdhaardelen afkomstig zijn van een willekeurig persoon. Toelichting: iets waarschijnlijk is ordegrootte 2-10.

45. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (FTOADM-053), zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 4 juli 2016, opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

In deze zaak is een mitochondriaal DNA-onderzoek uitgevoerd. De twee hoofdhaardelen AABP0375NL afkomstig van kruiwagen AAAU7590NL zijn als AABP0375#01 en #02 veiliggesteld en aan een mtDNA-onderzoek onderworpen. Van de hoofdhaardelen AABP0375NL#01 en #02 en de bemonstering AAAZ3846NL#01 (Gekoppeld aan [slachtoffer] ) zijn mtDNA-profielen verkregen die met elkaar zijn vergeleken. Hieruit wordt geconcludeerd dat de mtDNA-profielen van de hoofdhaardelen AABP0375NL#01 en #02 met elkaar matchen en matchen met het mtDNA-profiel van [slachtoffer] AAAZ3846NL#01 . Dit betekent dat deze haarsporen van [slachtoffer] afkomstig kunnen zijn, of van iemand die in moederlijke lijn verwant is aan [slachtoffer] . Het is veel waarschijnlijker dat de hoofdhaardelen afkomstig zijn van [slachtoffer] , of van iemand die in moederlijke lijn aan [slachtoffer] verwant is, dan dat de hoofdhaardelen afkomstig zijn van een willekeurig persoon, niet in moederlijke lijn verwant aan [slachtoffer] .

(veel waarschijnlijker: 100-10.000)

46. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (FTOADM-54), zaaknummer 2010.02.04.086, d.d. 29 september 2016, opgemaakt door dr. P.A. Maaskant - van Wijk, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring:

Identiteitszegel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie DNA-profiel

Toelichting

AAAI0912NL#01: Mat kofferbak

(Zie FTO-019)

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen. [slachtoffer] , [verdachte] en minimaal één onbekende persoon.

AAAI0912NL#03 en #05:

Mat kofferbak

DNA-profiel van een vrouw

[slachtoffer]

Kleiner dan één op één miljard.

AAAZ3961NL#01: overloop, onder vloerkleed, dunne ononderbroken streep drempel slaapkamer naar trap.

(Zie FTOAH-002)

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen. I [slachtoffer] , [verdachte] en minimaal één onbekende persoon. [naam zoon] kan ook niet worden uitgesloten als donor van celmateriaal in deze bemonstering

47. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-002) d.d. 28 januari 2010, opgenomen op pagina 4032 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 16] :

Ik sprak met [verdachte] af dat ik maandag 11 januari langs zou komen. [verdachte] weet dat ik meestal rond koffietijd langskom. Rond een uur of tien/half elf. Ik werd maandag 11 januari al heel vroeg door [verdachte] gebeld op mijn telefoon. Toen zei [verdachte] : "Ik ben heel moe. Ik ga straks naar de dokter en ik haal een pil dat ik lekker kan slapen." Toen heb ik tegen [verdachte] gezegd: "Dan doen we dat wel op een andere dag." Woensdag 13 januari ging ik spontaan naar [verdachte] . [verdachte] was thuis en hij vertelde mij toen dat [slachtoffer] weg was. Ik zei tegen hem: "Waarom heb je mij dit maandagmorgen niet gezegd en heb je al aangifte gedaan? " Ik zei tegen hem dat hij dit direct moest doen.

48. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-002-03) d.d. 7 april 2010, opgenomen op pagina 4047 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 16] :

[verdachte] heeft mij verteld dat [slachtoffer] boven sliep en [verdachte] beneden.

49. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (dossier 2) d.d. 20 april 2016, opgenomen op pagina 31 van dossier 2 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

In proces-verbaal AH-063 (over het onderzoek naar de inbeslaggenomen computers uit de woning van [verdachte] ) d.d. 03-02-2010 staat vermeld over historische acties op internet met betrekking tot het onderwerp `MATRAS' (citaat):

Dat op 11-01-2010 de website www.marktplaats.nl wordt bezocht. In de URL komt de volgende combinatie van woorden voor: search, matras 140, [postcode] . Deze internetactiviteit vond omgerekend naar Nederlandse tijd plaats op 11 januari 2010 om 13.20 uur.

In proces-verbaal AH-063 staat vermeld over historische acties op internet met betrekking tot het onderwerp 'Brengstation Appingedam' (citaat):

Dat op 11-01-2010 vanaf de computer gezocht wordt op de website www.google.nl naar de volgende combinatie van woorden: Brengstation Appingedam. Het juiste tijdstip van de zoekactie naar 'Brengstation Appingedam' via Google vond op die dag plaats om 18.34.58 uur Nederlandse tijd.

50. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verwerking verkeersgegevens (AH-093) d.d. 24 maart 2010, opgenomen op pagina 537 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik heb een onderzoek ingesteld naar het gebruik van de telefoonaansluiting [telefoonnummer] (op naam van [verdachte] ). Ik zag het volgende:

Uitgaand, 11-01-2010, 20.49.44, 5 sec. naar [telefoonnummer] op naam van [getuige 17] .

Uitgaand, 13-01-2010, 12.23.06, 40 sec. naar bovengenoemd nummer van [getuige 17] .

Inkomend, 13-01-2010, 12.25.50, 47 sec. vanaf bovengenoemd nummer van [getuige 17] .

51. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-021) d.d. 5 februari 2010, opgenomen op pagina 4199 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 17] :

Ik heb een matras te koop aangeboden op Marktplaats en deze heb ik verkocht in januari 2010. Op 7 januari heb ik een matras te koop aangeboden op Marktplaats. Het was een standaard-matras, 140cm bij 200cm. Ik heb een eerste reactie gehad en die was ook van de uiteindelijke koper. De uiteindelijke koper heeft telefonisch contact met mij gezocht op maandag 11 januari om 21.02 uur. Ik heb toen mijn telefoon niet opgenomen. Er is gebeld met het nummer [telefoonnummer] . Op woensdag 13 januari 2010 om 12.36 uur heeft hij mij weer gebeld. Hij vroeg of het ook voor 50 euro kon in plaats van de 75 euro die ik er voor vroeg. Hij wilde diezelfde dag nog langskomen om het matras op te halen. Ik had mijn nieuwe matras nog niet en vertelde hem dat deze nog bezorgd moest worden. Toen heeft die man aan de telefoon gelijk gezegd dat de koop dan niet door zou gaan. Het gesprek werd beëindigd. Ik heb hierop de man een paar minuten na het beëindigen van het gesprek terug gebeld met de mededeling dat het toch wel akkoord was als hij de matras diezelfde dag nog zou komen halen. Toen hebben we een afspraak gemaakt dat hij de matras zou komen halen. Hij vertelde dat het voor een logeerbed was voor hem thuis. Hij vertelde mij dat er regelmatig familie van ver kwam om te logeren. Hij vertelde mij dat het matras wat hij nog had heel oud was en niet meer functioneel was en daarom dus op zoek was naar een ander matras, een stevig matras. De man zei mij dat hij het matras wel wilde hebben en toen kreeg ik 50 euro van de man, contant. Hij wilde het matras alleen naar beneden tillen, maar hij vertelde dat hij last had van zijn handen waardoor hij moeilijk dingen beet kon pakken. Daarop zei de man tegen mij dat hij de persoon die hij mee had en nog beneden stond te wachten wel op wilde halen. Ik heb toen aangeboden om met hem mee te lopen naar beneden en te helpen om het matras te dragen.

52. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (G-022) d.d. 4 maart 2010, opgenomen op pagina 4211 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 13] :

[verdachte] belde mij over het vervoeren van een matras. [verdachte] vertelde mij niets over de vervanging van een matras, alleen dat hij een matras kon krijgen van een collega in Appingedam. Het matras dat wij opgehaald hadden hebben we in mijn camper getild. Bij het uitladen werd deze matras geplaatst tegen het keukenblok in de woning van [verdachte] . Ik heb [verdachte] aangeboden mee te helpen als het matras naar boven gebracht moest worden. Hij wilde dit niet. Ik zag dat hij het matras slecht kon vasthouden. Hij vertelde mij toen dat hij aan zijn handen was geopereerd en dat hij daardoor dingen niet meer goed kon vasthouden.

53. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-008)

d.d. 10 februari 2010, opgenomen op pagina 156 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Na aanhouding is in de fouillering van [verdachte] een kassabon aangetroffen van de C1000 supermarkt te Siddeburen, gedateerd 11 januari 2010 (de dag na de verdwijning van [slachtoffer] ) te 13.39 uur staat als aankoop huisvuilzakken.

54. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (AH-001)

d.d. 21 oktober 2010, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op donderdag 14 januari 2010, omstreeks 18.18 uur, kregen wij de melding van de Regionale Meldkamer te Groningen om te gaan naar Sidderburen, [straatnaam] .

[verdachte] had naar de buurtagent gebeld om met de politie te praten over het feit dat zijn vrouw al vier dagen wordt vermist. Ter plaatse gegaan en gesproken met [verdachte] . [slachtoffer] bleek al vanaf zondagavond omstreeks 21.00 uur te zijn vertrokken.

55. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (TTI-001)

d.d. 28 januari 2010, opgenomen op pagina 4625 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 27 januari 2010 zag ik dat een man die ik herkende als zijnde [verdachte] liep te Appingedam. Ik zag dat [verdachte] een plastic tas, kleur groen met opschrift C1000 pakte en in een aldaar opgestelde openbare prullenbak stopte. Ik heb vervolgens de groene plastic tas met opschrift C1000 uit deze prullenbak meegenomen en ter beschikking gesteld aan het tactisch team. Ik heb gezien dat tussen het moment van het deponeren van genoemde groene plastictas door [verdachte] en het moment dat ik deze tas weer uit de genoemde prullenbak heb weggenomen, niemand iets in de genoemde prullenbak heeft gedeponeerd.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11341.

2 opgenomen in het dossier op pagina 3628 e.v.

3 SIN AAAZ3847NL

4 SIN AAAZ3848NL

5 SIN AAAU7596NL

6 SIN AAAU7595NL

7 SIN AAAZ3988NL

8 SIN AAAZ3984NL

9 SIN AAAZ3985NL

10 SIN AAAZ3981NL en AAAZ3987NL

11 SIN AAAZ3992NL

12 SIN AAAZ3961NL

13 SIN AAAZ3961NL

14 SIN AAAI0912NL#03 en #05

15 SIN AAAU7590NL

16 SIN AABP0375NL

17 SIN AAAE7981NL en AAE7982NL

18 SIN AAAE7982NL#01