Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1186

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
18.950055-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor het medeplegen van poging tot het verkopen van hennep en in het bezit hebben van hennep en een vuurwapen tot een gevangenisstraf van 12 maanden. De rechtbank verwerpt de verweren die gevoerd zijn met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft in de strafmaat rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.950055-13

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.950017-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is in de zaak met parketnummer 18.950055-13 gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen 13 juni 2014, 27 september 2016, 30 januari 2018, 17 januari 2019, 26 februari 2019, 28 februari 2019 en 12 maart 2019, en in de zaak met parketnummer 18.950017-17 naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 januari 2018, 17 januari 2019, 26 februari 2019, 28 februari 2019 en 12 maart 2019.

Verdachte is met betrekking tot de inhoudelijke behandeling van zijn zaken niet verschenen; wel is verschenen mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18.950055-13 (verder aan te duiden als zaak A)

verdachte op of omstreeks 4 maart 2014, in de gemeente Assen, een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi automatisch pistool en/of een hoeveelheid munitie van categorie III van die wet, te weten een aantal patronen, voorhanden heeft gehad.

In de zaak met parketnummer 18.950017-17 (verder aan te duiden als zaak B)

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2014 tot en met 4 maart 2014 in de gemeente Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meet anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en/of verstrekt een hoeveelheid van ongeveer 53 kilogram, althans een grote hoeveelheid, hennep, zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

althans indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2014 tot en met 4 maart 2014 in de gemeente Assen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk te verkopen, af te leveren en/of te verstrekken een hoeveelheid van ongeveer 53 kilogram, althans een grote hoeveelheid, hennep, zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, met een of meer van zijn mededaders, althans alleen,

- bezig is geweest 53 kilogram, althans een grote hoeveelheid, hennep te verzamelen/bij elkaar te krijgen en/of

- een voertuig waarmee die hennep vervoerd zou kunnen worden naar de ontvanger heeft

geregeld/klaargezet en/of

- een of meer koeriers die die hennep zou(den) kunnen vervoeren naar de ontvanger heeft

geregeld en/of

- dat voertuig heeft beladen met een hoeveelheid hennep,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans indien ook ter zake van het laatst vermelde geen veroordeling mocht volgen, ter zake

dat hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2014 tot en met 4 maart 2014 in de gemeente Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 53 kilogram, althans een grote hoeveelheid, hennep, zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op of omstreeks 4 maart 2014 in de gemeente Assen, aan de [straatnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van ongeveer 15.991 kilogram, althans een grote hoeveelheid, hennep en/of

- een hoeveelheid van ongeveer 441 gram, althans een grote hoeveelheid, hasjiesj,

zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij op of omstreeks 4 maart 2014 in de gemeente Assen, aan de [straatnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van ongeveer 14,144 kilogram, althans een grote hoeveelheid, hennep en/of

- een hoeveelheid van ongeveer 207 gram, althans een grote hoeveelheid, hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat er op geen enkel ogenblik een rechtvaardiging bestond om bijzondere opsporingsbevoegdheden tegen verdachte in te zetten omdat er onvoldoende verdenking tegen verdachte bestond. Door het inzetten van bijzondere opsporingsbevoegdheden is er een zware inbreuk geweest op de privacy van verdachte. Het Openbaar Ministerie heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

De raadsman heeft ten aanzien van de stelselmatige informatie inwinning en pseudo-koop betrokken het verbod om een verdachte of een persoon te brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens voornemen reeds was gericht. Anders gezegd de overheid mag mensen niet uitlokken tot strafbare feiten.

Voorts leidt de omvang van de inzet van stelselmatige informatie inwinning en pseudo-koop er toe dat gesproken moet worden van infiltratie en daarvoor is geen bevel afgegeven.

In geval het Openbaar Ministerie wél ontvankelijk wordt geacht in de vervolging dient bewijsuitsluiting te volgen vanwege de normerende werking daarvan; het bewijs is immers verkregen op grond van onrechtmatig overheidshandelen en zulk handelen behoort vergaande consequenties te hebben

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van vormverzuimen zoals door de raadsman is gesteld.

Uit het startproces-verbaal en de later afgegeven BOB-bevelen blijkt voldoende van verdenking en ernstige bezwaren tegen verdachte. Er was sprake van verdachte transacties, er waren verdachte geldstortingen en witwasverdenkingen. Voorts werd verdachte met regelmaat gezien bij [naam bedrijf] . Er was derhalve voldoende concrete verdenking om een onderzoek te rechtvaardigen naar door verdachte gepleegde strafbare feiten. De bevelen zijn rechtmatig afgegeven en de opsporingsmiddelen zijn eveneens rechtmatig ingezet. Ook vóór het afgeven van het bevel pseudo-koop was er al sprake van verdenking jegens verdachte.

Er is geen sprake van infiltratie geweest. De WOD-ers hebben niet meegewerkt aan het criminele samenwerkingsverband (CSV) waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] deel uit maakte en zij hebben binnen die organisatie niet geopereerd of willen opereren.

De inbreuk op de privacy van verdachte was gering en is niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde te achten.

Er is niet in strijd met het Tallon-criterium gehandeld. Verdachte is niet gebracht tot het begaan van strafbare feiten door de inzet van de WOD-ers.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de raadsman niet in de gevoerde verweren en overweegt daartoe het volgende.

Uit het startproces-verbaal (AH-004) blijkt de verdenking dat gedurende het voorbereidende onderzoek, dat in 2012 is gestart, het criminele samenwerkingsverband (CSV) rondom de familie [achternaam familie verdachte] in de totale keten van de hennepteelt actief is. Dit strekt zich uit tot het telen van hennep, het aanleveren van hennepstekken en het opkopen van geoogste hennep en het verhandelen van hennep. De growshop [naam bedrijf] waar verdachte regelmatig werd gesignaleerd en die op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] staat, is met betrekking tot deze activiteiten de centrale spil.

Uit het voorbereidende onderzoek blijkt met betrekking tot verdachte het volgende.

In september 2012 ontvangt de politie een MMA melding dat de gebroeders [achternaam familie verdachte] wekelijks marihuana naar Duitsland exporteren, 50 à 60 kilogram, zeker 2 à 3 keer per week. Het gaat dan onder andere om [naam 1] , [medeverdachte 1] en [verdachte] uit Assen.

Uit het bij het dossier gevoegd onderzoek Heiderups blijkt het volgende.

Het pand [straatnaam] in Assen is verkocht door [verdachte] aan [naam 2] , partner van [naam 3] . Met ingang van die verkoop huurt [verdachte] dit vastgoed van [naam 2] . Op zijn beurt verhuurt hij dit weer onder aan anderen, waaronder leden van de familie [achternaam familie verdachte] .

Voorlopige analyse van de vanuit Heiderups verstrekte gegevens leert het volgende:

- het betreffende vastgoed is verkocht voor een bedrag dat 34% lager lag dan de in dat jaar geldende WOZ-waarde;

- de huurverplichtingen van [verdachte] worden niet gedekt door geregistreerde huurinkomsten die hij uit het gebruik van de panden genereert en/of uit geregistreerd financieel vermogen;

- op de bankrekeningen onder beheer van [verdachte] is sprake van aanzienlijk contant geldverkeer.

De herkomst van die geldmiddelen is veelal onduidelijk. In een beperkt aantal gevallen zijn die contante stortingen gedaan door een medewerker van growshop [naam bedrijf] te Assen. Gezien de bevindingen kan niet worden uitgesloten dat hier sprake is van geldstromen, afkomstig van misdrijf (zoals: fiscaal niet geregistreerd contant geld en/of drugshandel).

Uit het bij het dossier gevoegd onderzoek Galwesp komt het volgende naar voren.

Door de politieregio Groningen werd vanaf 3 februari 2011 het onderzoek Galwesp ingesteld naar de gang van zaken rond een gewapende nachtelijke ripdeal op 3 februari 2011 te Assen op [verdachte] en daarop volgende gewelddadigheden te Groningen. Binnen het opsporingsonderzoek Galwesp is het sterke vermoeden ontstaan dat de gewelddadigheden een directe relatie hadden met de handel in verdovende middelen en dan specifiek de hennephandel.

Naar het oordeel van de rechtbank is voornoemde informatie voldoende om een opsporingsonderzoek te starten tegen onder andere verdachte. Ook is deze informatie in samenhang met bevindingen ten aanzien van medeverdachten voldoende om bijzondere opsporingsmiddelen tegen onder andere verdachte in te zetten. Gelet op de omvang van het onderzoek, het aantal verdachten en dat de bevelen stelselmatige informatievoorziening en pseudo-koop die tegen alle op dat moment bekende verdachten gegeven zijn, is de inbreuk op de privacy van de verdachten niet dusdanig geweest dat gesproken kan worden van een dusdanig ernstige inbreuk op hun privacy dat gehandeld is in strijd met een goede procesorde.

Met betrekking tot de pseudo-koop kan het handelen van de WOD-ers niet gezien als infiltreren in het CSV. De concrete opdracht van de WOD-ers beperkte zich tot het aankopen van hennep van medeverdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachten. Daarmee hebben de WOD-ers geen handelingen verricht binnen het CSV noch zijn zij daarvan onderdeel geweest of wilden zij daarvan onderdeel zijn. Een bevel infiltratie had dan ook niet hoeven worden afgegeven.

Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet gebracht tot het begaan van strafbare feiten door de inzet van het middel pseudo-koop op 3 maart 2014. Verdachte was aanwezig bij het laden van hennep in de auto van de WOD-ers, heeft daaraan meegewerkt en had toegang tot de ruimte waaruit de hennep werd gehaald. Gelet hierop moet verdachte hebben geweten dat aan personen een grote hoeveelheid hennep werd verkocht. Door op dat tijdstip daar te zijn en er aan bij te dragen dat de hennep kon worden geleverd kan niet worden gezegd dat verdachte door uitlokking is gebracht tot het begaan van strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging nu niet gebleken is van vormverzuimen zoals door de raadsman is betoogd.

Bewijsuitsluiting zoals door de raadsman is bepleit kan uitsluitend aan de orde komen indien door het verzuim waardoor het bewijsmateriaal is verkregen een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een bewezenverklaring gevorderd van het feit in zaak A en de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 in zaak B. Verdachte dient vrijgesproken te worden van feit 3 primair in zaak B omdat de feitelijke levering en betaling van de hennep niet heeft plaatsgevonden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte ter zake van het in zaak A en zaak B ten laste gelegde moet worden vrijgesproken op grond van bewijsuitsluiting gelet op het gevoerde verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Ook in andere zin dient verdachte te worden vrijgesproken van het in zaak A ten laste gelegde omdat niet gebleken is dat verdachte wetenschap had dat het vuurwapen lag op de plaats in de slaapkamer waar de politie het wapen heeft aangetroffen.

Ook voor de in zaak B ten laste gelegde feiten 2 en 3 dient vrijspraak te volgen. Voor de in het pand aan de [straatnaam] in Assen geldt dat verdachte daar niet frequent verbleef en de ruimten waar de hennep en de hasjiesj zijn aangetroffen ook toegankelijk waren voor anderen.

Voor de in het pand van [naam bedrijf] aangetroffen hennep en hasjiesj geldt dat verdachte daarover geen zeggenschap had.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit in zaak A en de in zaak B 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte zal overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie worden vrijge-sproken van het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde.

Uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate dat verdachte de bewezen geachte feiten heeft medegepleegd met anderen omdat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. De in de bewijsmiddelen genoemde personen hadden elk een wezenlijke rol in het tot stand kunnen laten komen van de verkoop/levering van hoeveelheden hennep dan wel dat ook verdachte kon beschikken over de aangetroffen hennep in de loods aan de [straatnaam] in Assen op 4 maart 2014.

Dat is anders met betrekking tot de in het kantoor van [naam bedrijf] aangetroffen hasjiesj en hennep. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte daarvan wetenschap had.

Met betrekking tot de aangetroffen hennep in het pand aan de [straatnaam] te Assen op 4 maart 2014 acht de rechtbank bewezen dat verdachte kon beschikken over de op zijn slaapkamer aangetroffen 24 gram hennep. Van de overige aangetroffen hennep en hasjiesj is niet duidelijke geworden of verdachte daarvan wetenschap had omdat meerdere personen toegang hadden tot de ruimten in het pand en de hennep/hasjiesj op verschillende plekken zijn gevonden. De aangetroffen vingerafdrukken van verdachte op twee strijkzakken acht de rechtbank onvoldoende voor een bewezenverklaring.

Het op 4 maart 2014 aangetroffen wapen lag in de slaapkamer die bij verdachte in gebruik was, boven het bed op het systeemplafond. Gelet hierop is de verklaring van verdachte dat hij geen wetenschap had van het wapen niet geloofwaardig.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Zaak A

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Team Wapens, Munitie en Explosieven d.d. 27 maart 2014, opgenomen op pagina 1458 e.v. van het dossier Palmlori van Politie Dienst Landelijke Operationele Samenwerking i.o. d.d. 6 augustus 2014, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2].

Door personeel van de politie, Eenheid Noord-Nederland werden op een vuurwapen en

munitie gelijkende voorwerpen inbeslaggenomen onder:

[verdachte] .

Wapen:

Het voorwerp is een semi automatisch pistool,

Merk : Glock

Model : 26

Kaliber : 9 x 19 mm

Serienummer : verwijderd

Land Fabricage : Oostenrijk

Het voorwerp is geschikt om projectielen door een loop af te schieten.

De werking van het voorwerp berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing. Bij het wapen werden twee patroonmagazijnen aangeboden.

Derhalve is het voorwerp een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op

artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.

Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de Wet wapens en munitie.

Munitie:

Soort : Centraalvuur kogelpatronen

Merk : Sellier & Bellot

Kaliber : 9 mm Luger

Aantal : 45

Deze patronen zijn geschikt om projectielen door middel van een (voormeld) vuurwapen af

te schieten.

Derhalve zijn de patronen munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid

2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

De vrijstellingsbepalingen van de Wet wapens en munitie zijn op het voormelde

vuurwapen en munitie niet van toepassing.

Uit niets is gebleken dat de verdachte gerechtigd was tot het voorhanden hebben van het

voormelde vuurwapen en munitie.

Zaak B

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van d.d. 11 februari 2014, opgenomen op pagina 6025 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de bevindingen van Stelselmatige Informatie Inwinner [nummer] .

[nummer] vroeg aan [medeverdachte 1] of hij nog steeds zaken met hem wilde doen, waarop ik

[medeverdachte 1] volmondig hoorde zeggen: “Ja, natuurlijk.”

Nadat [nummer] had aangegeven op 3 en 4 maart 2014 de wiet te willen afnemen en [medeverdachte 1] met deze data instemde, gaf [nummer] aan een grote hoeveelheid te willen afnemen.

[medeverdachte 1] en [nummer] kwamen overeen dat er minimaal 50 kg wiet geleverd/afgenomen zou worden, doch dat [nummer] geld mee zou nemen voor eventuele afname van maximaal 80 kilogram wiet. [medeverdachte 1] gaf aan dat hij op 4 maart pas kon zeggen hoeveel kilogram wiet hij leveren kon, daar hij tot op het laatste moment nog wiet aangeleverd kon krijgen. [nummer] kon er vanuit gaan dat er zeker 60 kilogram wiet geleverd zou worden.

Op 3 maart kon [nummer] een transportmiddel in de hal van [medeverdachte 2] achter laten en deze op 4 maart ‘s ochtends weer op komen halen, hoorde ik [medeverdachte 1] zeggen. Hij voegde er aan toe dat hij zelf zou op 4 maart om 09.00 uur aanwezig zou zijn, zodat hij exact aan kon geven hoeveel kilogram van welke kwaliteit er geleverd kon worden.

Op de vraag van [nummer] aan [medeverdachte 2] of hij het goed vond dat er een transportmiddel in zijn bedrijfshal werd achtergelaten en de geldoverdracht in zijn woning plaatsvond, hoorde ik [medeverdachte 2] zeggen: “ Natuurlijk is dat goed.”

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2014, opgenomen op pagina 1417 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] .

De verdachten genoemd in dit proces-verbaal zijn door mij verbalisant [verbalisant 1] herkend, dit

betreffen:

[medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .

Deze zijn herkend van beelden gemaakt in de Opel Vivaro bus voorzien van kenteken [kenteken] welke op 3 maart 2014 door opsporingsambtenaren van de Unit Werken Onderdekmantel is gebracht bij [naam bedrijf] aan de [straatnaam] te Assen.

3 maart 2014

Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte [medeverdachte 2] omstreeks 18:54 uur handschoenen aantrekt. Vervolgens is te zien dat hij in de Opel bus stapt, daarna is te zien dat de Opel bus wordt verplaatst in de loods.

Omstreeks 18:56 uur is te zien dat verdachte [medeverdachte 2] de achterdeuren van de Opel Vivaro opent en dat hij een kist uit de bus pakt, en deze achter de bus op de grond zet.

Omstreeks 19:02 uur loopt verdachte [medeverdachte 2] terug richting de bus, te zien is dat verdachte [medeverdachte 2] weer handschoenen draagt. Achter verdachte [medeverdachte 2] komt verdachte [verdachte] . Verdachte [verdachte] draagt een zilver kleurige gevulde zak.

Verdachte [medeverdachte 2] en [verdachte] lopen naar de achterzijde van de bus. De verdachten komen dan uit de richting van het 'afgetimmerde hok' in de loods van verdachte [medeverdachte 2] .

Omstreeks 19:03 uur is te zien dat verdachte [medeverdachte 3] richting de bus loopt er is te zien dat hij handschoenen aantrekt. Verdachte [medeverdachte 3] loopt ook naar de achterzijde van de bus waar verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] staan. Te zien is dat verdachte [medeverdachte 2] kennelijk de metalen kisten in de bus telt.

Verdachte [medeverdachte 3] komt dan vervolgens omstreeks 19:04 uur weer terug richting de bus, met een grote zwarte tas, welke hij overdraagt aan verdachte [verdachte] . Verdachte [verdachte] loopt vervolgens weer naar de achterzijde van de bus, waar hij uit de zwarte tas weer een zilver kleurige gevulde zak haalt, een strijkzak.

Op de beelden is te zien dat vanaf ongeveer 19:05 verdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] en verdachte [medeverdachte 2] gezamenlijk de metalen kisten uit de Vivaro bus uitladen en dat zij in de kisten gevulde strijkzakken doen.

Omstreeks 19:12 uur wordt er door verdachte [medeverdachte 3] , weer een grote gevulde sporttas gebracht naar de achterzijde van de bus. En omstreeks 19: 13 uur wordt er door verdachte [verdachte] nog een grote zwarte sporttas naar de achterzijde van de bus gebracht. Vervolgens wordt er verder gegaan met het uitpakken van metalen kisten uit de bus en deze vullen met gevulde strijkzakken, zowel zwarte als zilverkleurige.

Omstreeks 19:23 uur lopen verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] weer even weg in de richting van de loods waarna verdachte [medeverdachte 3] terug komt met een gevulde zwarte strijkzak. Op het moment dat verdachte [medeverdachte 3] terugloopt met de gevulde strijkzak, is verdachte [medeverdachte 2] in de Vivaro bus, waar hij een metalenkist uit haalt en aan verdachte [medeverdachte 3] geeft.

Omstreeks 19:26 uur komt verdachte [medeverdachte 3] weer terug samen met verdachte [verdachte] . Verdachte [medeverdachte 3] heeft dan weer een gevulde zwarte strijkzak in zijn handen. Aan de achterzijde van de bus staan de gevulde metalen kisten opgestapeld, waarbij het lijkt dat de verdachten overleggen. Dan wordt de strijkzak kennelijk nog in een metalenkist gedaan. Het lijkt erop dat er nog iets geplakt of geschreven wordt op de metalenkist.

Omstreeks 19:29 uur worden er door verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] 11 metalen kisten in de bus gedaan en wordt de bus vervolgens gesloten.

4 maart 2014

Omstreeks 08:48 uur stapt [medeverdachte 2] in de Vivaro bus en wordt deze verplaatst.

Omstreeks 09:19 uur komt verdachte [medeverdachte 2] samen met verdachte [medeverdachte 1] de loods binnen.

Door verdachte [medeverdachte 2] wordt vervolgens weer de schuifdeur van de Vivaro bus geopend. Er wordt vervolgens door verdachte [medeverdachte 2] 2 metalen kist uit de Vivaro bus gepakt en op de grond neer gezet. Vervolgens worden er door verdachte [medeverdachte 2] omstreeks 09:20 uur handschoenen gepakt van een rek naast de zijdeur en deze worden aangetrokken. Vervolgens verdwijnen verdachte [medeverdachte 2] en verdachte [medeverdachte 1] uitbeeld, Dan verschijnt verdachte [medeverdachte 2] weer in beeld en lijkt er een strijkzak door kennelijk in een van de metalenkisten op de grond te worden gedaan. Dan verschijnt ook verdachte [medeverdachte 1] weer in beeld, deze lijkt verdachte [medeverdachte 2] aanwijzingen te geven of iets te vertellen gezien de arm bewegingen die [medeverdachte 1] maakt.

Omstreeks 09:21 uur loopt verdachte [medeverdachte 2] weer de loods in, om vervolgens weer terug te komen en nog een metalen kist uit de Vivaro te pakken. Omstreeks 09:22 uur wordt er in deze laatste metalen kist ook een zwarte gevulde strijkzak gedaan door verdachte [medeverdachte 2] . Deze metalen kist wordt door [medeverdachte 2] weer in de Vivaro bus gezet.

Uit het onderzoek gedaan naar de strijkzakken in de metalenkisten (AH-088) is gebleken dat er 14 metalen kisten met strijkzakken waren gevuld en dat in deze strijkzakken totaal 53,98 kilo hennep toppen zaten.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van d.d. 5 maart 2014, opgenomen op pagina 6062 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de bevindingen van Stelselmatige Informatie Inwinner [nummer] .

Op maandag 3 maart 2014, omstreeks 15.50 uur, bevonden [nummer] en ik ons bij de woning van [medeverdachte 2] , [straatnaam] te Assen. Na te hebben aangebeld, opende [medeverdachte 2] de deur van zijn wij de woning van [medeverdachte 2] binnengegaan.

In de woonkamer van [medeverdachte 2] vond er tussen ons drieën een sociaal gesprek plaats.

Na een kort sociaal gesprek, waarin onder andere gesproken werd over het komende verlovingsfeest van de dochter van [medeverdachte 1] , zag ik dat [medeverdachte 1] een briefje uit zijn broekzak pakte. Vervolgens legde [medeverdachte 1] uit dat hij op dit moment reeds kon leveren, 40 kilogram wiet van een mindere kwaliteit voor 4.500 euro per kilogram en 13 kilogram wiet van de hees voor 5.500 euro per kilogram.

[medeverdachte 1] vroeg of de wiet in zakken van 5 kilogram verpakt kon worden, waarop [nummer] aangaf dat dit geen probleem was als de zakken maar in de bakken in de bus zouden passen. Daarop hoorde ik [medeverdachte 1] zeggen tegen [medeverdachte 2] dat hij daarop diende toe te zien. Ik zag dat [medeverdachte 2] hierop bevestigend knikte.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van d.d. 5 maart 2014, opgenomen op pagina 6087 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de bevindingen van Stelselmatige Informatie Inwinner [nummer] .

Op dinsdag 4 maart 2014, omstreeks 10.30 uur, bevonden [nummer] en ik ons bij de woning van [medeverdachte 2] , [straatnaam] te Assen. [medeverdachte 2] opende de deur waarna wij de woning van [medeverdachte 2] zijn binnengegaan.

In de woonkamer vroeg [nummer] aan [medeverdachte 2] of alles klaar was, waarop [medeverdachte 2] bevestigend antwoordde.

Omstreeks 11.36 uur, hoorde ik [nummer] zeggen dat de koeriers gearriveerd waren. [medeverdachte 2] liep daarop naar buiten. Enkele minuten later zag ik dat [medeverdachte 1] en een mij onbekende man de woonkamer kwamen binnen gelopen.

Vervolgens ben ik naar buiten gelopen, alwaar direct daarop het arrestatieteam het terrein opgereden kwam.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van d.d. 4 maart 2014, opgenomen op pagina 6091 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de bevindingen van Stelselmatige Informatie Inwinner [nummer] .

Intussen hadden wij telefonisch van onze transporteurs gehoord dat de waar volgens afspraak in het bestelbusje was gedeponeerd. Als hoeveelheid noemden ze ca. 53 kilo.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juni 2014, opgenomen op pagina 1873 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] .

Op 4 maart 2014 werden doorzoekingen verricht in woningen en in twee loodsen.

In dit Proces-verbaal staan de bevindingen beschreven van de in de verschillende woningen en loodsen gevonden hennep (lijst II) en hasjiesj (lijst II). Door mij, verbalisant [verbalisant 1] , senior medewerker opsporingstactiek, taakgebied drugs, werden de gewogen plantmaterialen herkend aan de hand van de structuur van het plantmateriaal en de geur, als hennep genoemd op Lijst II van de Opiumwet zijnde: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.

Tevens werden door mij plakken hasjiesj herkend, deze werden echter ook getest middels een MMC narcotest cannabis. Hasjiesj worden genoemd op Lijst II van de Opiumwet als: een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten.

Loods [straatnaam] Assen

In de loods gelegen naast de woning van verdachte [medeverdachte 2] , werd een afgetimmerde ruimte aangetroffen. In deze ruimte werden diverse big bags en tassen aangetroffen met daarin hennep. Tevens werd er een Renault Traffic aangetroffen welke door opsporingsambtenaren van de Unit Werken onder Dekmantel op 3 maart 2014 was achtergelaten ten behoeve van de pseudokoop op 4 maart 2014.

Goederen afgetimmerde gedeelte Loods

Goed H.1

Betreft een grote bigshopper tas. In de tas zaten 2 gripzakken met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 1930 gram.

Goed H.2

Betreft een grote bigshopper tas. In de tas zaten 3 gripzakken met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 1600 gram.

Goed H.3

Betreft een grote weekendtas. In de tas zaten 2 gripzakken met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 1600 gram.

Goed H.4

Betreft een grote weekendtas. In de tas zaten 3 gripzakken met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 2210 gram.

Goed H.5

Betreft een bigshopper tas. In de tas zaten 5 gripzakken met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 1620 gram.

Goed H.6

Betreft een zwarte weekendtas. In de tas zaten 1 strijkzak en 1 gripzak met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 2820 gram.

Goed H.7

Betreft een groene leger plunjebaal. In de tas zaten 7 gripzakken met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 2660 gram.

Goed H.8

Betreft een zwarte weekendtas. In de tas zaten 5 strijkzakken in deze strijkzakken bevonden zich gripzakken met hennep toppen. Het netto gewicht van de hennep bedroeg 1330 gram.

[straatnaam] Assen

In dit pand verbleef onder andere verdachte [verdachte] .

Goed D-8-005 slaapkamer voorzijde pand vermoedelijk [verdachte]

Betreft een plastic bakje met daarin gedroogde hennep toppen. Het netto gewicht bedroeg 18,86 gram.

Goed D-8-012 slaapkamer voorzijde pand vermoedelijk [verdachte]

Betreft een plastic bakje met daarin gedroogde hennep toppen. Het netto gewicht bedroeg 5,21 gram.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 mei 2014, opgenomen op pagina 8421 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de verklaring van [getuige] .

Over 3-4 maart 2014

De laatste keer dat ik meerdere kilo’s voor [medeverdachte 1] heb bewaard was de dag voordat hij is aangehouden. Toen heb ik het ‘s avonds naar [naam bedrijf] gebracht. Dat waren twee tassen.

Ik heb het teruggegeven aan [medeverdachte 1] of [verdachte] . En ook gekregen van beiden. Als [medeverdachte 1] te lui was dan stuurde hij [verdachte] .

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 1 april 2014, opgenomen op pagina 6800 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] .

Op een gegeven moment wilden ze wiet. Ik zei toen eerst dat doe ik niet. Ze bleven vragen.

En toen heb ik twee keer wat bemiddeld. De eerste keer 10 kilo en de tweede keer 9 kilo.

En op die van vier maart heb ik via [naam 4] geregeld dat ze een grotere hoeveel konden kopen.

De hennep is naar de ruimte van [verdachte] gegaan in de andere loods. Dat is die afgetimmerde ruimte. Die ruimte heeft [verdachte] van [medeverdachte 2] gehuurd. In die ruimte verpakt hij spullen voor de coffeeshop. [verdachte] koopt de hennep in en zorgt dat het daar verpakt wordt voor de coffeeshops.

[verdachte] koopt wel in voor de coffeeshops. Daar doe ik niks aan. Ja, als [verdachte] er niet is dan doe ik het wel eens. Dan betaal ik de mensen die hennep brengen. De hennep gaat naar die afgetimmerde ruimte.

Maar de tweede keer heb ik 9 kilo Haze geleverd omdat ze te weinig geld hadden is er een kilo af gegaan. Die hennep lag al klaar voor de coffeeshop. [verdachte] heeft pakketten klaar liggen van 5 of tien kilo. Daar is de hennep van gekomen.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 26 maart 2014, opgenomen op pagina 7530 e.v. van voornoemd dossier Palmlori, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] .

Over 3 en 4 maart 2014 kan ik het volgende verklaren.

Op 3 maart hadden [verdachte] en [medeverdachte 3] de hennep.

Er moest 50 kilo zijn. De tas die ik had was 10 kilo, ik had dat gewogen. Dat andere moest 40 kilo zijn.

[verdachte] en [medeverdachte 3] hadden de hennep op de avond van de 3de maart uit de achterste ruimte gehaald, die verhuur ik aan iemand. Er zit een tussen deur in, normaal is die op slot. Die avond toen was die los. Dan kwamen ze achter uit de ruimte in mijn loods. Die jongen heet [naam 5] , die die loods ruimte huurt. Die verhuurt het weer aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] betaalt mij.

In de afgetimmerde ruimte in mijn loods heb ik wel gezien dat ze daar de weed voorbereiden.

Ik heb gezien dat er van die zakken lagen en een strijkijzer en zakken. Ze waren dan niet bezig, maar ik moest er dan even zijn. Er stond ook een weegschaal.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit in zaak A en de ten laste gelegde feiten onder 1 subsidiair, 2 en 3 in zaak B wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Zaak A

verdachte op 4 maart 2014, in de gemeente Assen, een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi automatisch pistool en een hoeveelheid munitie van categorie III van die wet, te weten een aantal patronen, voorhanden heeft gehad.

Zaak B

1.

hij in de periode van 3 maart 2014 tot en met 4 maart 2014 in de gemeente Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk te verkopen een hoeveelheid van ongeveer 53 kilogram hennep, zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,

met een of meer van zijn medeverdachten,

- bezig is geweest 53 kilogram hennep te verzamelen/bij elkaar te krijgen en

- een voertuig waarmee die hennep vervoerd zou kunnen worden naar de ontvanger, heeft

geregeld/klaargezet en

- een of meer koeriers die die hennep zouden kunnen vervoeren naar de ontvanger heeft

geregeld en

- dat voertuig heeft beladen met een hoeveelheid hennep,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 4 maart 2014 in de gemeente Assen, aan de [straatnaam] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van 15.770 kilogram hennep,

zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;

3.

hij op 4 maart 2014 in de gemeente Assen, aan de [straatnaam] , aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van ongeveer 24 gram hennep,

zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met

artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Zaak B

1. Medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B

van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de

Opiumwet gegeven verbod.

3. Handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit in zaak A en de ten laste gelegde feiten 1 subsidiair, 2 en 3 in zaak B, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft in zijn eis laten meewegen de mate van betrokkenheid van verdachte bij het CSV. Naar het standpunt van de officier van justitie is verdachte betrokken geweest bij strafbare feiten met betrekking tot een hoeveelheid van ruim 83 kilo hennep en een hoeveelheid hasjiesj.

De officier van justitie heeft in zijn eis ook meegewogen dat sprake is van schending van de redelijke termijn en wel met een overschrijding van ongeveer 7 maanden welke door toedoen van het Openbaar Ministerie is ontstaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat sprake is van schending van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak dient te worden afgedaan. Normaliter dient een strafzaak binnen 2 jaren te worden afgedaan. In deze zaak zijn sinds de aanhouding van verdachte op 4 maart 2014, 5 jaren verstreken. De redelijke termijn is daarmee met 3 jaren overschreden.

Anderzijds is er sprake van tijdsverloop nu de verweten feiten meer dan 5 jaar geleden hebben plaatsgevonden.

Daarnaast had de zaak van verdachte kunnen worden afgesplitst van de zaken van de andere verdachten in het onderzoek en eerder kunnen worden behandeld door de rechtbank.

Al met al heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat moet worden afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte met medeverdachten heeft bewerkstelligd dat aan de undercover agenten ongeveer 53 kilo hennep zou worden geleverd. Deze verkoop ging niet door omdat verdachte en zijn medeverdachten werden aangehouden.

Daarnaast is bijna 16 kilo hennep aangetroffen in het bedrijfspand van [naam bedrijf] waar verdachte ook bij betrokken is geweest. Daarnaast is op het systeemplafond in de slaapkamer van verdachte in het pand aan de [straatnaam] in Assen een vuurwapen aangetroffen die naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte toebehoorde. Ook is in die kamer een kleine hoeveelheid hennep aangetroffen.

Het betreffen drie feiten die betrekking hebben op het handelen in strijd met de Opiumwet waarbij in totaal ongeveer 69 kilo hennep gemoeid is.

Als uitgangspunt bij de betrokkenheid bij dergelijke hoeveelheden hennep dient naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van 18 maanden te worden opgelegd. De rechtbank heeft daarbij betrokken de enigszins beperkte rol van verdachte in het CSV maar anderzijds ook het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van de Opiumwet is veroordeeld.

Over een eventuele schending van de redelijke termijn waarbinnen strafzaken zouden moeten worden afgedaan overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de stukken kan voldoende blijken dat het een omvangrijke zaak betreft waar aanvankelijk veel personen zijn aangemerkt als verdachte. Gelet op de samenhang tussen de zaken van de verdachten lag het niet voor de hand om zaken van verdachten los te koppelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de periode tot de zitting van 26 september 2016 geen sprake is van schending van de redelijke termijn.

Naar aanleiding van de zitting van 26 september 2016 heeft de rechtbank op 27 september 2016 in de zaak van verdachte de gedeeltelijke nietigheid van de dagvaarding uitgesproken en is het onderzoek met betrekking tot het wapenfeit geschorst.

Na deze zitting heeft de officier van justitie bedenktijd genomen en zijn er schikkings-voorstellen geweest. Dat proces heeft lang geduurd. Eerst in januari 2018 kon een regiezitting plaatsvinden waarbij de rechtbank heeft beslist dat een aantal getuigen moest worden gehoord. Deze getuigen zijn in de maanden juni en juli 2018 door de rechter-commissaris gehoord.

Door de agenda’s van de officier van justitie en de raadslieden van de verdachten en het zittingsrooster van de rechtbank kon de inhoudelijke behandeling niet eerder een aanvang nemen dan op 17 januari 2019.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van schending van de redelijke termijn en wel voor een periode van 12 maanden. Dat brengt met zich mee dat op de op te leggen gevangenisstraf zes maanden in mindering dient te worden gebracht.

De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

Voor het in zaak B onder 3 bewezen verklaarde feit zal de rechtbank een geldboete opleggen.

Daarnaast zal het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag worden teruggegeven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24c, 45, 47, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in zaak B onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het in zaak B onder 3 bewezen verklaarde:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro),

bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag ad € 3.750,-- (zegge: drieduizendzevenhonderdenvijftig euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2019.

Mrs. Bosker en Läkamp zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.