Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1151

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
18/840064-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 141 en 302 Sr. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en het medeplegen van poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft zich eerst schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging door het slachtoffer zonder enige aanleiding in het gezicht te slaan. Enige tijd later heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging zware mishandeling door, samen met zijn medeverdachten, te vechten met een groep jongens van een andere school, waartoe het slachtoffer ook behoorde. Het slachtoffer is daarbij meermalen geslagen en geschopt (onder andere tegen het hoofd), nadat hij op de grond was gevallen. Ook is op het lichaam van het slachtoffer gesprongen terwijl hij op de grond lag.

Werkstraf van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met aftrek met een proeftijd van 2 jaren. Vordering benadeelde partij toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840064-18

ter berechting gevoegd parketnummer 18/840098-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats] 2003 te [geboortedatum],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 08 maart 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.L.P. Fauser, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hertogs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 20 februari 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen,

althans eenmaal - terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag - met kracht (met

geschoeide voet) tegen het hoofd en/of de romp en of andere delen van het

lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of geslagen en/of gestompt en/of op

het lichaam van die [slachtoffer 1] is gesprongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 februari 2018 te Groningen openlijk, te weten, aan of bij het Heerdenpad aldaar, in elk geval op of aan

de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal - terwijl die [slachtoffer 1] op de grond

lag - tegen het hoofd en/of de romp en/of andere delen van het lichaam te

schoppen en/of te slaan/stompen en/of op het lichaam van die [slachtoffer 1] te

springen;

2. Primair

(Parketnummer 18.840098.18) hij op of omstreeks 27 januari 2018 te Groningen openlijk, te weten, op of aan de Eikenlaan aldaar, in elk geval op of aan de

openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2], door die [slachtoffer 2] te bespugen en/of uit te schelden en/of achterna te gaan en/of

tegen te houden en/of meermalen, althans eenmaal in het gezicht te slaan en/of

te stompen;

Subsidiair

hij op of omstreeks 27 januari 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in het gezicht, althans tegen het

hoofd te slaan en/of te stompen;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. primair en onder 2. primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte is naar aangever gelopen om hem te vertellen dat hij geen ruzie wilde. Daarop heeft aangever hem een klap gegeven. Vervolgens is medeverdachte [medeverdachte 1] naar de vechtende partijen toegelopen om ze uit elkaar te halen. Medeverdachte [medeverdachte 2] is daar niet betrokken bij geweest. Ook heeft verdachte zich na de klap omgedraaid en heeft hij zich aan de situatie onttrokken. Daarom is geen sprake van een gezamenlijke geweldsuitoefening, maar van een op zichzelf staande mishandeling.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1. primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 08 maart 2019;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2018, opgenomen op pagina 185 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018045938 d.d. 20 juni 2018, inhoudend als relatering van verbalisant [verbalisant 1];

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2018, opgenomen op pagina 196 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 20 juni 2018, inhoudend als relatering van verbalisant [verbalisant 2];

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 mei 2018, opgenomen op pagina 268 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 20 juni 2018, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1].

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat zowel verdachte als de medeverdachten gelijktijdig hebben deelgenomen aan het geweld tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] op het grasveld bij de voetbalkooi aan het Heerdenpad te Groningen. Gelet op de inhoud van bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Verdachte erkent dat hij met beide voeten op [slachtoffer 1] is gesprongen en dat hij [slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl deze op de grond lag. Ook de andere verdachten hebben geschopt en geslagen. Vast staat dat [slachtoffer 1] daarbij meermalen hard tegen zijn hoofd is geschopt, terwijl hij op de grond lag. Naar het oordeel van de rechtbank is het hiervoor omschreven handelen van verdachten naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op een bepaald gevolg, namelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1], dat het niet anders kan dan dat verdachte en zijn mededaders de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, willens en wetens hebben aanvaard. Verdachten hebben daarmee in ieder geval in voorwaardelijke zin opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1]. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van een poging zware mishandeling bewezen.

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 08 maart 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was met een vriend, [naam 1] was dat. [naam 2] was er ook. Ik ben op een opstapje gaan zitten. Ik heb aangever een stoot in zijn gezicht gegeven.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 januari 2018, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018023624 d.d. 23 juli 2018, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2]:

Op 27 januari 2018 liep ik samen met [naam 3] langs pizzeria Domino's bij het winkelcentrum Paddenpoel te Groningen. Ik zag dat naast de Domino's drie jongens stonden. [naam 3] en ik liepen langs de jongens. We liepen op de stoep langs de Eikenlaan. Ongeveer één à twee minuten later zag ik de jongens langs ons fietsen. Ik zag dat jongen 1 in mijn gezicht spuugde. Ik reageerde hier niet op, omdat ik niet tegen drie jongens wilde vechten.

Ik zag dat de jongens langs ons fietsten. Ik zag dat jongen 1 iets verderop op een opstapje ging zitten. Ik zag dat de andere twee jongens op de fiets al verderop waren. Toen ik dichterbij jongen 1 kwam, zei ik tegen hem: 'Als je ruzie zoekt, moet je het niet hier zoeken.' Hierop hoorde ik hem zeggen: 'Dus je zoekt ruzie?' Ik pakte de jongen met twee handen bij zijn vest en duwde hem richting zijn vrienden. Hierna zag ik dat hij zijn rechterhand tot een vuist balde. Ik zag dat zijn vuist in een zijdelingse beweging richting mijn hoofd kwam. Hierna raakte zijn vuist de linkerkant van mijn kaak. Toen zijn vuist mijn kaak raakte, voelde ik dit. Uit reactie sloeg ik jongen 1 terug. Ik hoorde dat er achter mij geroepen werd: 'Hé, laat hem los.' Hierop volgend hoorde ik voetstappen achter me. Ik voelde op dit moment dat er iets met grote kracht tegen de linkerkant van mijn hoofd kwam. Dit gevoel kwam zeker weten van buitenaf, dit was geen hoofdpijn. De pijn kan ik beschrijven als een stekende pijn die enige tijd aanhield. Direct toen ik de kracht op mijn hoofd voelde, voelde ik me duizelig. Ook is mijn bril van mijn hoofd afgevallen. Toen ik weer rechtop kon staan, zag ik dat de drie jongens wegrenden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 29 juni 2018, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 23 juli 2018, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 2]:

Ik heb gezien dat [naam 2] hem op zijn hoofd heeft geslagen, terwijl hij in gevecht was met [verdachte].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte zich op 27 januari 2018 in aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] aan de Eikenlaan bevond en zij aangever hebben aangesproken. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op een bepaald moment geweld heeft gebruikt tegen aangever door hem in het gezicht te slaan.

De rechtbank is, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, van oordeel dat het onder 2. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de verklaringen van aangever en medeverdachte [medeverdachte 2]. Aangever heeft immers verklaard dat, nadat hij de klap kreeg van verdachte en hij vervolgens terugsloeg, hij voetstappen en geschreeuw achter zich hoorde en toen een klap tegen de linkerkant van zijn hoofd kreeg. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] aangever van achteren een klap op zijn hoofd heeft gegeven. Dit laatste wordt door [medeverdachte 1] zelf ontkend. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 2] op dit punt met de nodige behoedzaamheid gehanteerd moet worden. Dit omdat [medeverdachte 2] zichzelf ook geen rol toedicht wat betreft de aanleiding voor het geweldsincident, terwijl [medeverdachte 1] en verdachte ter zitting hem aanwijzen als aanstichter. Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] aanwijst om zichzelf vrij te pleiten.

Niet valt in te zien echter, waarom [medeverdachte 2] over de klap op het hoofd zou verklaren indien er in het geheel géén tweede persoon bij het geweld jegens aangever betrokken is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de verklaring van [medeverdachte 2] daarom wel steun aan de verklaring van aangever, en wel in die zin dat naast verdachte in elk geval nog een andere persoon geweld heeft gebruikt tegen aangever. Weliswaar is niet met voldoende zekerheid komen vast te staan of dit [medeverdachte 1] was of wellicht [medeverdachte 2] zelf, maar gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in elk geval vast is komen te staan dat naast verdachte nog iemand anders uit de groep aangever heeft geslagen. Daarom is sprake van ten minste twee personen die gezamenlijk geweld pleegden en kan worden bewezen dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen aangever.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 20 februari 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen - terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag - met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en/of de romp en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of geslagen en/of gestompt en op het lichaam van die [slachtoffer 1] is gesprongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op 27 januari 2018 te Groningen, openlijk, te weten aan de Eikenlaan aldaar, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2], door die [slachtoffer 2] achterna te gaan en tegen te houden en in het gezicht te slaan of te stompen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;

2. Primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, het aandeel van de andere groep jongens van het [naam school] aan het gevecht ten aanzien van feit 1, het tijdsverloop sinds de strafbare feiten zijn gepleegd, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat verdachte al eens eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en de richtlijnen van het openbaar ministerie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw sluit zich aan bij de vordering van de officier van justitie. De raadsvrouw heeft aanvullend aangevoerd dat er bij de strafmaat rekening mee moet worden gehouden dat na de gebeurtenissen waar verdachte van verdacht wordt, verdachte niet meer betrokken is geweest bij geweldsincidenten en dat hij goed functioneert op school.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft op 27 januari 2018 zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging gericht tegen aangever [slachtoffer 2] door hem zonder enige aanleiding in het gezicht te slaan. Enige tijd later, op 20 februari 2018, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 1]. Na een incident tussen een vriend van verdachte en een groep jongens van het [naam school], hebben verdachte en zijn medeverdachten de andere groep (waaronder het slachtoffer) op het grasveld bij de voetbalkooi aan het Heerdenpad ontmoet. Op het grasveld kwam het niet onverwacht tot een vechtpartij en het slachtoffer is hierbij onder meer meermalen geslagen en geschopt, nadat hij op de grond was gevallen. In beide gevallen is door het handelen van verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van de slachtoffers. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij ernstig geweld heeft gebruikt in het bijzijn van omstanders. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en vergroot de gevoelens van onveiligheid.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank er ten gunste van verdachte rekening mee gehouden dat de jongens van het [naam school], waartoe [slachtoffer 1] behoorde, zich niet onbetuigd hebben gelaten, in die zin dat zij ook niet louter met goede bedoelingen naar de school van verdachte zijn gekomen om de vriend van verdachte op te zoeken. Verder heeft de rechtbank er acht op geslagen dat alle twee de strafbare feiten een jaar geleden zijn gepleegd en zich in de tussentijd met betrekking tot verdachte geen nieuwe geweldsincidenten hebben voorgedaan.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 18 februari 2019. Volgens de Raad functioneert verdachte over het algemeen positief binnen verschillende levensgebieden. Er zijn veel beschermende factoren die de kans op herhaling verkleinen. Zo hebben de ouders voldoende zicht op verdachte en corrigeren hem waar nodig. Ook functioneert verdachte positief op school en werkt hij na school als bijbaan in de sportschool van zijn opa en vader. Verdachtes nieuwsgierigheid, impulsiviteit en gedeeltelijke beïnvloedbaarheid maken dat verdachte soms in de problemen komt. De Raad acht het van belang dat verdachte samen met zijn ouders stilstaat bij het effect van zijn handelen en gedrag, zodat hij hier meer inzicht in krijgt en hij in de toekomst bewustere keuzes kan gaan maken. Ten aanzien van het delict lijkt verdachte ook vanuit impulsen te hebben gereageerd. Verdachte heeft aangegeven spijt te hebben van zijn daden en neemt verantwoordelijkheid. De Raad adviseert om een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

De rechtbank neemt in het nadeel van verdachte in aanmerking dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder een werkstraf heeft verricht voor openlijke geweldpleging. Gelet op zijn nog jonge leeftijd is het zorgelijk te noemen dat hij nu weer twee keer - kort na elkaar - betrokken is geweest bij een geweldsincident.

De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat de officier van justitie dit onvoldoende laat meewegen in de door haar geformuleerde strafeis. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

Benadeelde partij

Feit 2

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 317,75 ter vergoeding van materiële schade en € 850,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 1.167,75 en € 481,00 aan proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, nu de vordering voldoende onderbouwd is en het slachtoffer in zijn gezicht blijvend zichtbaar letsel heeft overgehouden aan het voorval.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het materiële deel van de vordering - verlies in verdienvermogen na de mishandeling -, met uitzondering van de door het slachtoffer gevorderde € 57,61, over de periode februari 2018 niet betwist. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de verdediging verzocht het bedrag te matigen tot een bedrag van € 250,00. De verdediging acht het gevorderde bedrag aan immateriële schade aan de hoge kant, nu in vergelijkbare zaken een lagere vergoeding wordt toegekend en het slachtoffer zelf schuld heeft aan het ontstane letsel. Ten aanzien van de proceskosten heeft de verdediging verzocht het bedrag te matigen tot een bedrag van € 120,00 gelet op de hoogte van de ingediende vordering en de vastgelegde liquidatietarieven kanton 2019.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De post 'verdienvermogen na mishandeling - periode 3-2018' is niet toewijsbaar, nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in die periode zijn bril terug had en weer kon werken. De posten 'brilschade' ter hoogte van € 168,75 en 'verdienvermogen na mishandeling - periode 2-2018' ter hoogte van € 91,39 zijn niet betwist. Dit betekent dat de post materiële schade tot een bedrag van € 260,14 zal worden toegewezen.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank deze schade naar billijkheid op € 500,00.

In totaal is derhalve een bedrag van € 760,14 toewijsbaar. De rechtbank wijst het overige deel van de vordering van de benadeelde partij af. Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Zij zal bij de begroting van deze kosten het liquidatietarief kanton als uitgangspunt nemen, hetgeen neerkomt op een bedrag van, € 120,00.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. primair en onder 2. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 60 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van 18/840064-18, feit 2. primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 760,14 (zegge: zevenhonderdzestig euro en veertien cent), bestaande uit € 260,14 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 120,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 760,14 (zegge: zevenhonderdzestig euro en veertien cent.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.B.W. Venema en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. A.M.J. Flach, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2019.

Mr. B.F. Hammerle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.