Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1145

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
25-03-2019
Zaaknummer
LEE 17/2881 en LEE 17/2889 (EINDUITSPRAAK)
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na de tussenuitspraak van 2 juli 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:2625).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de in de tussenuitspraak genoemde onderzoeks- en motiveringsgebreken thans voldoende heeft hersteld. De rechtbank stelt vast dat [bedrijf] zich in het nader verkeerskundig onderzoek heeft gehouden aan de kaders die in de tussenuitspraak zijn gesteld, waaronder het in samenspraak met de eisende partijen vaststellen van de totale parkeercapaciteit, het meetellen van de bijzondere parkeerplaatsen, de onderzoeksperiode van drie maanden en de kenmerkende meetmomenten in de week. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar meningen dat het nader verkeerskundig onderzoek onvoldoende representatief is geweest en dat verweerder zijn standpunt daarop niet zou mogen baseren. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder [bedrijf] in redelijkheid heeft kunnen volgen in de conclusie dat de door de eisende partijen genoemde vijf parkeerplaatsen aan de noordzijde van de Dr. C. Hofstede de Grootkade behoren tot de parkeercapaciteit binnen 150 meter loopafstand van het plangebied. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiseres en [eiser 18] de onderzoeksresultaten in het nader rapport en (de berekening van) de gemiddelde bezettingsgraad van 84,5% verder niet hebben bestreden. Gelet daarop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan de gestelde parkeernormen en dat het bouwplan thans is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de parkeerbehoefte van het bouwplan.

De rechtbank verklaart het beroep van eiseres gegrond, verklaart het beroep van eisers [straat] niet-ontvankelijk behoudens voor zover dat is ingediend namens [eiser 18], verklaart het beroep ingediend namens [eiser 18] ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden besluit van 14 juni 2017 voor wat betreft de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de parkeerbehoefte van het bouwplan, bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand blijven, draagt verweerder op de betaalde griffierechten aan eiseres en [eiser 18] te vergoeden en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres en [eiser 18].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/2881 en LEE 17/2889

einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2019 in de zaken tussen

[eiseres] , te Groningen, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

[eiser 1] , woonachtig aan [adres 1] ,

[eiser 2] , woonachtig aan [adres 2] ,

[eiser 3] , woonachtig aan [adres 3] ,

[eiser 4] , woonachtig aan [adres 4] ,

[eiser 5] , woonachtig aan [adres 5] ,

[eiser 6] , woonachtig aan [adres 6] ,

[eiser 7] en [eiser 8], woonachtig aan [adres 7] ,

[eiser 9] , woonachtig aan [adres 8] ,

[eiser 10] , woonachtig aan [adres 9] ,

[eiser 11] , woonachtig aan [adres 10] ,

[eiser 12] en [eiser 13], woonachtig aan [adres 11] ,

[eiser 14] , woonachtig aan [adres 12] ,

[eiser 15] , woonachtig aan [adres 13] ,

[eiser 16] en [eiser 17], woonachtig aan [adres 14] ,

[eiser 18] en [eiser 19], woonachtig aan [adres 15] ,

[eiser 20] en [eiser 21], woonachtig aan [adres 16]

gezamenlijk: eisers [straat] ,

(gemachtigde: [gemachtigde eisers straat] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigden: mr. M.G. Braam-Boerema en J.W. Bekhof).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder], te [plaats] , de vergunninghouder

(gemachtigde: mr. J.D. Poot).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) verleend voor het realiseren van een expositieruimte, een restaurant en twaalf appartementen in de voormalige watertoren op het perceel

[perceel] (het perceel).

Eiseres en eisers [straat] hebben, afzonderlijk van elkaar, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiseres is bekend onder zaaknummer LEE 17/2881. Het beroep van eisers [straat] is bekend onder zaaknummer LEE 17/2889.

Partijen hebben schriftelijk hun standpunten ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en medegedeeld dat zij een schriftelijke tussenuitspraak zal doen.

Bij tussenuitspraak van 2 juli 2018 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.

Bij brief van 7 november 2018 heeft verweerder van die herstelmogelijkheid gebruik gemaakt door een aanvullend verweerschrift in te dienen.

Bij brief van 23 november 2018 hebben eisers [straat] een zienswijze ingediend.

Bij faxbericht van 27 november 2018 heeft de vergunninghouder een zienswijze ingediend.

Bij brief van 28 november 2018 heeft eiseres een zienswijze ingediend.

Nadien heeft de rechtbank besloten om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Zoals opgenomen in de tussenuitspraak, zal de rechtbank het beroep van eisers [straat] (bekend onder zaaknummer LEE 17/2889) niet-ontvankelijk verklaren, behoudens voor zover dat is ingediend namens [eiser 18] . De rechtbank zal dat beroep ontvankelijk verklaren voor zover dat is ingediend namens [eiser 18] .

2. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder de in de tussenuitspraak genoemde onderzoeks- en motiveringsgebreken thans voldoende heeft hersteld. De rechtbank zal de beroepen van eiseres en [eiser 18] daarom gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor wat betreft de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de parkeerbehoefte van het bouwplan en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Zij overweegt daartoe het volgende.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het aanvullend verweerschrift een nader verkeerskundig onderzoek van [bedrijf] van 8 oktober 2018 heeft gevoegd (het nader rapport).

Uit dat nader rapport volgt onder meer dat een nieuwe capaciteitsmeting is uitgevoerd. Die meting is uitgevoerd in overleg met eiseres en eisers [straat] . Daarbij hebben de eisende partijen ingestemd met de gemeten capaciteiten, behalve met de capaciteit langs de Dr. C. Hofstede de Grootkade omdat binnen die sectie een aantal voetpaden aanwezig zijn die toegang geven tot de woonboten aan de noordzijde van de rijbaan. [bedrijf] heeft de situaties voorgelegd aan een verkeersjuridisch expert. Die expert heeft aangegeven dat in de beschreven situaties parkeren voor de voetpaden (verkeersjuridisch) is toegestaan omdat de voetpaden niet een juridische status hebben, zoals uitritten dat wel hebben, en het vrijhouden daarvan niet is geregeld. Door [bedrijf] is vastgesteld dat er in totaal binnen het gehele onderzoeksgebied 259 openbare parkeerplaatsen zijn, waarvan
149 parkeerplaatsen zijn gelegen binnen de loopafstand van 150 meter vanaf de toegang tot het plangebied.

Voorts volgt uit het nader rapport dat een parkeerdrukmeting is uitgevoerd in de maanden juli, augustus en september 2018. Overwogen is dat in de maanden juli en augustus in Noord-Nederland de zomervakantie aan de gang was, waardoor geen sprake was van een reguliere parkeersituatie zoals in september wel het geval was. Het onderzoek is in die twee maanden wel gehouden vanwege de verplichting daartoe op basis van de tussenuitspraak. In het nader rapport zijn de resultaten van de parkeerdrukmeting weergegeven in zes tabellen.

3.2.

In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder op basis van het nader rapport – kort samengevat – aangevoerd dat de gemiddelde bezettingsgraad voor de secties gelegen op minder dan 150 meter loopafstand van de watertoren op 50% ligt (75 auto’s op
149 parkeerplaatsen). De gemiddelde bezettingsgraad voor de secties gelegen op meer dan 150 meter loopafstand van de watertoren ligt op 53%. Rekening houdend met het maximale aantal van 44 extra parkeerplaatsen bij uitvoering van het bouwplan, zou daarmee de totale bezettingsgraad binnen een loopafstand van 150 meter neerkomen op 80% (119 auto’s op 149 parkeerplaatsen). Wanneer alleen wordt gekeken naar de metingen in september 2018 bedraagt het gemiddelde aantal auto’s 82 en ligt de gemiddelde bezettingsgraad inclusief de extra parkeerplaatsen van het bouwplan op 84,5% (126 auto’s op 149 parkeerplaatsen). Verweerder heeft zijn standpunt herhaald dat het bouwplan daarmee voldoet aan de gestelde parkeernormen nu de bezettingsgraad niet hoger zal zijn dan de aanvaardbare grens

van 85%.

4.1.

[eiser 18] meent dat de gebreken niet zijn hersteld, omdat de gemiddelde bezettingsgraad in de representatieve maand van september 87,5% bedroeg. [eiser 18] voert – kort samengevat – aan dat hij geen overeenstemming met [bedrijf] heeft bereikt over de parkeercapaciteit, nu langs de Dr. C. Hofstede de Grootkade vijf voetpaden aanwezig zijn die toegang geven tot woonboten aan de noordzijde van de rijbaan. Dat parkeren daar zou zijn toegestaan, althans niet expliciet verboden is, wil volgens [eiser 18] echter niet zeggen dat deze parkeerruimte voor parkeergebruik ook werkelijk beschikbaar is. Hij meent dat dit nadrukkelijk niet het geval is omdat parkeren voor het voetpad zou leiden tot blokkade van toegang tot de woonboten. Volgens [eiser 18] zal geen weldenkend autobestuurder voor zo’n voetpad parkeren, nu dat onbehoorlijk zal zijn en niet hoort bij burgerlijk fatsoen. In de praktijk zullen de voetpaden dus altijd worden vrijgehouden, nu parkeren aldaar hinderlijk is in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij het bepalen van de parkeercapaciteit is dus ten onrechte met die vijf parkeerplaatsen rekening gehouden, aldus [eiser 18] .

4.2.

Eiseres meent dat de gebreken niet zijn hersteld, omdat in het nader verkeerskundig onderzoek is uitgegaan van een onjuist aantal parkeerplaatsen en dat onderzoek niet representatief is.

Zij voert – kort samengevat – aan dat met [bedrijf] overeenstemming is bereikt over de parkeercapaciteit, met uitzondering van het meetellen van de parkeerruimte voor de ingang van de woonboten aan de Dr. C. Hofstede de Grootkade. Eiseres stelt dat [bedrijf] ten onrechte niet heeft aangegeven wie de verkeersjuridisch expert is en waar diens mening op is gebaseerd. Daardoor kan die mening niet worden getoetst. Volgens eiseres gaat het er niet om dat parkeren voor een voetpad is toegestaan, maar dat parkeren voor de ingang naar woonboten niet is toegestaan. Dat laatste moet worden aangemerkt als het veroorzaken van hinder aan andere weggebruikers als bedoeld in artikel 5 van het Wegenverkeersreglement waardoor die parkeerplaatsen buiten de telling dienen te worden gehouden, aldus eiseres.

Verder voert eiseres aan dat in de tussenuitspraak niets is overwogen over de

32 parkeerplaatsen op sectie 1a bij de Jumbo aan de Wilhelminakade, waarop een regime van kort parkeren van kracht is. Dit regime betekent dat op die plaatsen tot 21:00 uur slechts één uur mag worden geparkeerd en auto’s daarna moeten worden verplaatst. Daardoor is geen sprake meer van de acceptabele loopafstand van 150 meter, aldus eiseres.

Voorts stelt eiseres dat het nader onderzoek onvoldoende representatief is als onderbouwing van het bestreden besluit. Ten eerste heeft, zoals [bedrijf] erkent, alleen in september een reguliere meting plaatsgevonden. Ten tweede meent eiseres dat het tijdslot van 17:00 uur tot 19:00 uur ten onrechte buiten de metingen is gelaten, nu dat de periode is waarop veel mensen van werk thuiskomen en veel mensen bij de Jumbo boodschappen gaan doen.

5.1.

De rechtbank overweegt dat zij in de tussenuitspraak, onder 3.3.1., reeds een oordeel heeft gegeven over de beroepsgronden betreffende (de openbaarheid van) de parkeerplaatsen aan de Wilhelminakade. Geoordeeld is dat die beroepsgronden niet slagen.
In de thans geponeerde stellingen van eiseres over de aard van die parkeerplaatsen ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

5.2.

De rechtbank stelt verder vast dat [bedrijf] zich in het nader verkeerskundig onderzoek heeft gehouden aan de kaders die in de tussenuitspraak zijn gesteld, waaronder het in samenspraak met de eisende partijen vaststellen van de totale parkeercapaciteit, het meetellen van de bijzondere parkeerplaatsen, de onderzoeksperiode van drie maanden en de kenmerkende meetmomenten in de week. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar meningen dat het nader verkeerskundig onderzoek onvoldoende representatief is geweest en dat verweerder zijn standpunt daarop niet zou mogen baseren. Daar komt bij dat de stellingen van eiseres over (de verkeerskundige betekenis van) het tijdslot van 17:00 tot 19:00 uur niet eerder door haar naar voren zijn gebracht, terwijl dat wel eerder had gekund en gemoeten. De rechtbank zal die stellingen daarom verder buiten beschouwing laten.

5.3.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder [bedrijf] in redelijkheid heeft kunnen volgen in de conclusie dat de door de eisende partijen genoemde vijf parkeerplaatsen aan de noordzijde van de Dr. C. Hofstede de Grootkade behoren tot de parkeercapaciteit binnen 150 meter loopafstand van het plangebied. Daarbij is allereerst van belang dat de eisende partijen dit geschilpunt eerst na de tussenuitspraak naar voren hebben gebracht. Dat had eerder gekund. Los daarvan, acht de rechtbank van doorslaggevende betekenis dat tussen partijen de openbaarheid van die parkeerplaatsen niet in geschil is. Die openbaarheid brengt met zich mee dat (de gevolgen van) het gebruik van die parkeerplaatsen niet enkel aan het onderhavige bouwplan kan worden toegeschreven. Daarnaast behelzen de stellingen van de eisende partijen over potentieel gebruik in strijd met de wegenverkeerswetgeving geen belangen die door verweerder kunnen worden betrokken bij zijn belangenafweging over het bouwplan. Verweerder is immers niet belast met toezicht en handhaving van die wetgeving. In de stellingen van eiseres over de verkeersjuridisch expert ziet de rechtbank geen aanleiding om (alsnog) te twijfelen aan de deskundigheid van [bedrijf] , dan wel aan dit aspect van het nader rapport.

De beroepsgronden slagen niet.

5.4.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiseres en [eiser 18] de onderzoeksresultaten in het nader rapport en (de berekening van) de gemiddelde bezettingsgraad van 84,5% verder niet hebben bestreden. Gelet daarop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan de gestelde parkeernormen en dat het bouwplan thans is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de parkeerbehoefte van het bouwplan.

6. Omdat de rechtbank de beroepen van eiseres en [eiser 18] gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan hen het betaalde griffierecht vergoedt. Door eiseres is € 333,- aan griffierecht betaald. Door [eiser 18] is € 168,- aan griffierecht betaald.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres en [eiser 18] gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt in dat kader allereerst vast dat [eiser 18] zich tijdens deze beroepsprocedure niet heeft laten bijstaan door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiseres tijdens deze beroepsprocedure zich wel heeft laten bijstaan door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. De proceskosten van eiseres stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus; met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Vervolgens stelt de rechtbank de reiskosten van de gemachtigde van [eiser 18] op grond van het Bpb vast op € 2,12 om de zitting bij te wonen (retour met het openbaar vervoer tweede klas, van [adres 10] naar Guyotplein 1 te Groningen, op basis van een prijs van € 1,06 per persoon voor een enkele reis). De rechtbank is niet gebleken van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres met zaaknummer LEE 17/2881 gegrond;

- verklaart het beroep van eisers [straat] met zaaknummer LEE 17/2889

niet-ontvankelijk, behoudens voor zover dat is ingediend namens [eiser 18] ;

- verklaart het beroep met zaaknummer LEE 17/2889 ontvankelijk en gegrond, voor zover dat is ingediend namens [eiser 18] ;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 juni 2017 voor wat betreft de ruimtelijke

onderbouwing ten aanzien van de parkeerbehoefte van het bouwplan;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden

besluit geheel in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan [eiser 18] te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.280,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiser 18] tot een bedrag
van € 2,12.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze einduitspraak (en de samenhangende tussenuitspraak) kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.