Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1100

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
152999 / HA ZA 14-347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voormalig bestuurder RENDO (Regionaal Nutsbedrijf voor Zuid Drenthe en Noord Overijssel) heeft onrechtmatig gehandeld door betalingen aan te nemen zonder zakelijke grondslag in het kader van de verkoop van een deel van de onderneming van RENDO aan Electrabel. Het verwijt is des te ernstiger omdat de bestuurder de betaling in privé heeft getracht te maskeren. De schade bestaat onder meer uit de betaalde onzakelijke vergoeding. Er is onvoldoende causaal verband tussen het handelen van de bestuurder en de door RENDO gestelde schade die het gevolg zou zijn van een hogere koopprijs die een andere koper bereid zou zijn geweest te betalen.

Bovendien heeft deze bestuurder onrechtmatig gehandeld door onverantwoord veel (gemeenschaps)geld uit te lenen namens RENDO aan een startende onderneming in alternatieve energie, terwijl hijzelf en zijn medebestuursleden belangen hadden in deze onderneming. Het verwijt is des te ernstiger gelet op het feit dat de bestuurder zijn eigen belang in deze onderneming en dat van de andere bestuurders heeft getracht te maskeren, alsmede de (grote) omvang van de uitstaande leningen van RENDO in deze onderneming. De schade - die nog nader bij eindvonnis moet worden bepaald - zal moeten worden vergoed, met uitzondering van de investering van 4 a 5 miljoen, omdat aannemelijk is dat RENDO anders een dergelijk bedrag had geïnvesteerd in een vergelijkbaar project, met een hoog risicoprofiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: 152999 / HA ZA 14-347

Vonnis van 20 maart 2019

in de zaak van

1 de naamloze vennootschap N.V. RENDO HOLDING,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RENDO BEHEER B.V.,

3. de naamloze vennootschap N.V. RENDO (REGIONAAL NUTSBEDRIJF),

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RENDO DUURZAAM B.V.,

alle gevestigd te Meppel,

eisers,

advocaten mrs. B.M.M. Weiffenbach en R.P.A. de Wit te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mrs. E.J.A. van Leuveren te Groningen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WOLDOMUS B.V.,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk in enkelvoud worden aangeduid als Rendo c.s. Afzonderlijk zullen eiseressen worden aangeduid als respectievelijk Rendo Holding, Rendo Beheer, N.V. Rendo en Rendo Duurzaam. Gedaagden zullen [gedaagde] en Woldomus worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 november 2014 met producties 1 t/m 98,

  • -

    de conclusie van antwoord van 1 april 2015 met producties 1 t/m 62,

  • -

    de conclusie van repliek van 24 juni 2015 met producties 99 t/m 129,

  • -

    de incidentele conclusie tot het overleggen van bescheiden ex artikel 843a Rv van 2 september 2015 van de zijde van [gedaagde] ,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van Rendo c.s. van 2 september 2015 tevens akte houdende overlegging van producties 130 t/m 134,

  • -

    de akte houdende precisering vordering tot het overleggen van bescheiden, danwel wijziging van eis van 7 oktober 2015 van de zijde van [gedaagde] ,

  • -

    de antwoordakte op de akte houdende precisering vordering tot het overleggen van bescheiden, danwel wijziging van eis van 4 november 2015 van de zijde van Rendo c.s.

  • -

    het vonnis in het incident van 1 juni 2016,

  • -

    de conclusie van dupliek van 13 juli 2016 met producties de boekhouding van 2007 van Woldomus, map A met producties 63 t/m 89, map B met producties 92-102, map C met producties 103 t/m 120, map D met producties 121 t/m 144, map E met producties 145 t/m 180,

  • -

    de antwoordakte van Rendo c.s. van 31 augustus 2016 met producties 135 t/m 176,

- de akte uitlating producties van 1 maart 2017 van [gedaagde] met producties 183 t/m 193,

- akte wijziging eis tevens akte inhoudende een bewijsaanbod van 15 maart 2017 van Rendo c.s. met een aantal ongenummerde producties;

- de pleidooien van 16 oktober 2017 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken, te weten de pleitnota van Rendo c.s. en de pleitnota van [gedaagde] (met aangehechte ongenummerde productie) en producties 182 t/m 206 van Rendo c.s. en bijlagen I t/m XVIII van [gedaagde] ;

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooien;

  • -

    de akte van de zijde van Rendo na pleidooi;

- de reacties van [gedaagde] op het proces-verbaal van de +pleidooien.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Rendo Holding is enig aandeelhoudster en bestuurder van Rendo Beheer. Rendo Beheer is enig aandeelhoudster en bestuurder van N.V. Rendo en van Rendo Duurzaam. Deze groep van vennootschappen (hierna gezamenlijk in enkelvoud ook wel aan te duiden als: Rendo) exploiteert infrastructuur waarlangs gas en elektriciteit aan eindgebruikers wordt geleverd. De aandelen in Rendo Holding worden gehouden door een negental gemeenten in Noord-Overijssel en Zuid-Drenthe. De Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van Rendo Holding wordt gevormd door leden vanuit het College van Burgemeester en Wethouders van de negen aandeelhoudende gemeenten. Iedere aandeelhoudende gemeente heeft verder een vertegenwoordiger in de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) van Rendo Holding.

2.2.

In 2006 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rendo Energielevering B.V. (hierna: Rendo Energielevering) bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Electrabel Nederland B.V. (hierna: Electrabel) in beeld gekomen als mogelijk over te nemen energieleverancier. Rendo Energielevering maakte toen nog deel uit van Rendo. Rendo Energielevering legde zich toe op de in- en verkoop van energie (gas en elektriciteit) aan eindgebruikers. Op dat moment was [gedaagde] (enig) statutair bestuurder van Rendo Holding. Tot 4 augustus 2008 was er een aparte vennootschap met betrekking tot het netbeheer, zijnde Rendo Netbeheer B.V., welke vennootschap is gefuseerd met N.V. Rendo op voornoemde datum. Vanaf 1 januari 2003 is [naam 1] directeur Rendo Netbeheer geworden bij Rendo Netbeheer. [gedaagde] was toen zijn direct leidinggevende.

2.3.

In 2006 luidde artikel 15 van de statuten van Rendo Holding (productie 84 dagvaarding), voor zover hier relevant:

"TAAK EN BEVOEGDHEDEN VAN DE DIREKTIE

(…)

3. In alle gevallen waarin de vennootschap een tegenstijdig belang met één of meer van haar direktie-leden heeft, wordt zij vertegenwoordigd door de raad van commissarissen."

2.4.

[gedaagde] bezit 99,5% van de aandelen in Woldomus. De resterende 0,5% aandelen zijn eerst gehouden door een broer van [gedaagde] en later door zijn schoonvader ( [naam 2] ).

2.5.

In 2006 tot februari 2010 was [naam 3] (hierna: [naam 3] ), destijds burgemeester van Steenwijkerland, voorzitter van de RvC en van de AvA van Rendo Holding. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) was in die tijd één van de commissarissen.

2.6.

Electrabel is een Nederlandse dochtervennootschap behorend tot het GDF Suez concern, waarvan de leiding zich bevindt in Brussel en Parijs. Van 31 december 2004 tot 31 oktober 2010 was [naam 5] (hierna: [naam 5] ) bestuurder van Electrabel. Een voor overnames opgericht projectteam van Electrabel bestond in 2006 uit [naam 5] , [naam 6] (hierna: [naam 6] , algemeen directeur Noord-Oost Europa, commissaris van Electrabel in concernverband en leidinggevende van [naam 5] ), [naam 7] als projectleider (hierna: [naam 7] ) en [naam 8] (als juridisch adviseur). Vanuit het hoofdkantoor in Brussel waren naast [naam 6] betrokken [naam 9] (Chief Legal Officer voor Noord-Oost Europa) en haar leidinggevende [naam 10] (General Legal Counsel).

2.7.

Op 14 februari 2006 vond de eerste bespreking plaats over een mogelijke overname van Rendo Energielevering door Electrabel. De gesprekken werden gevoerd door [naam 5] en [gedaagde] . [naam 5] heeft van die bespreking schriftelijke handgeschreven aantekeningen gemaakt. In dit aantekeningenboekje (productie 145 antwoordakte Rendo) is op bladzijde 44 vermeld, voor zover hier van belang:

"Daarom actie van EBL nu en snel! Bereid hoge prijs te betalen in € …. per aansluiting maar ook in absolute zin. Dwz: € 305,- p. aansluiting, € 61,5 mio totaal (uitgaande van ca. 202.000 aansluitingen)"

en op bladzijde 45 (productie 145 antwoordakte Rendo), voor zover hier relevant:

"[gedaagde] zeer positief. Schat bedrag € 61,5 mio als zeer goed haalbaar bij aandeelhouders. Medewerkers en diensten overnemen; helpt zeker om deal rond te maken. Management (= [gedaagde] ) zal sterk positief adviseren + proces begeleiden vanwege aandeelhouders"

en op bladzijde 46 (productie 18 CvA), voor zover hier van belang:

"Vraagt fee voor medewerking. Komt neer op 1 mio euro schriftelijke bevestiging"

2.8.

Diezelfde dag heeft [naam 5] over zijn gesprek met [gedaagde] een e-mailbericht gestuurd aan [naam 6] . Dit e-mailbericht van 14 februari 2006 (producties 17 en 27 dagvaarding en productie 19 CvA) luidt, voor zover hier van belang:

"(…) Heb vervolgens ons bod aan [gedaagde] voorgelegd uitgaande van € 305 per aansluiting, uitkomend op € 61,5 mio te corrigeren voor eventueel afwijkend aantal aansluitingen, schuldpositie en werkkapitaal op het moment van overname. Eventuele extra financiële ruimte heb ik niet meteen op tafel gelegd. (…) Naar zijn (toevoeging rechtbank: [gedaagde] ) oordeel zullen aandeelhouders het aanbod van € 61,5 mio snel aanvaarden. Hij adviseert het bod niet te relateren aan het aantal aansluitingen, omdat daarmee het totale bedrag flink zou stijgen (…) Hij (toevoeging rechtbank: [gedaagde] ) kan naar mijn oordeel van grote waarde zijn voor ons in dit overname-traject en wellicht ook daarna in het integratietraject. Hij heeft wel een fee van € 1 mio voor zijn bemiddeling geclaimd. Ik heb gezegd dat dat bespreekbaar is, onder de voorwaarde dat we slechts een fee betalen bij gebleken prestatie en resultaat. De vorm waarin de fee dan gegoten wordt vormt onderwerp van nader overleg. Een combinatie van consultancy-fee, succes-fee, aanbreng-fee, integratie-fee etc. is denkbaar. Deels kan de fee ook bestaan uit vergoeding van kosten en/of vooruitbetaald salaris (?). Ik breng onder de aandacht dat als de stelling van [gedaagde] juist is mbt het aantal (gestegen) aansluitingen en we in staat zouden zijn om de prijs op € 61,5 mio te houden we de kosten van zijn inschakeling snel hebben terugverdiend. (…) [gedaagde] vraagt schriftelijke bevestiging van afspraken met hem persoonlijk. (…)"

2.9.

Bij e-mailbericht van 17 februari 2006 (productie 20 CvA) heeft [naam 5] aan [gedaagde] bericht, voor zover hier relevant:

"(…) Wat de incentives betreft het volgende. Zoals ik al zei hebben wij in de onderneming nogal strikte regels voor dergelijke zaken. De afspraken moeten transparant en verdedigbaar zijn. Tegenover de vergoeding dient een duidelijke prestatie te staan. (…)

1. Uitgangspunt is dat er ons veel aan gelegen is dat we een deal kunnen maken met de aandeelhouders van Rendo over de overname van Rendo Levering en dat we een beroep op u en eventueel andere belangrijke managers/medewerkers kunnen doen om ons bij te staan in de aansturing van deze activiteiten na overname. (…)

3. Wij zijn er zeer in geïnteresseerd om u te kunnen inzetten in het traject dat we na de overname zullen moeten doorlopen. We zoeken natuurlijk asap en zoveel mogelijk naar synergie. Gedeeltelijk zal er ook sprake van integratie zijn. Aan de andere kant moeten de leveringsactiviteiten in de retail van RENDO Levering gecontinueerd worden. Je hebt jarenlange ervaring bij RENDO opgedaan en deze organisatie markt- en klantgericht gemaakt met, naar het schijnt, een goed resultaat. Wij overwegen daarom om na de overname aan jou of aan een door jou aangewezen vennootschap voor een periode van

-zeg- twee jaar een opdracht te geven voor de uitvoering van bovenbeschreven werkzaamheden en eventuele aanvullende activiteiten voor een bedrag van € 250.000 per jaar. Aan het welslagen van deze activiteiten hechten we zo veel waarde dat we aanvullend bereid zijn een bonus van € 100.000 aan te bieden, die tot uitbetaling komt als blijkt dat aan de targets is voldaan. Indien de werkzaamheden zouden worden uitgebreid met de integratie van een eventueel tweede retailbedrijf van vergelijkbare omvang zijn we bereid deze bonus te verhogen met € 100.000. (…)

4. Het zou kunnen zijn dat we in bepaalde omstandigheden nog bijzonder advies van je behoeven (…). In dergelijke gevallen zijn we graag bereid nadere afspraken met jou of een door jou aangewezen vennootschap te maken. (…) "

2.10.

Bij brief van 21 februari 2006 (productie 62 CvA, productie 100 CvR en bijlage II [gedaagde] ) heeft Electrabel zich bij Rendo Holding als overnamekandidaat van Rendo Energielevering gemeld. Electrabel doet daarbij een aanbod van EUR 61,5 miljoen onder in de (bijlage 2 van de) brief vermelde aannames en in de brief vermelde voorwaarden. De brief luidt verder, voor zover hier van belang:

"(…) Het Bod zal in ieder geval worden aangepast volgens onderstaand correctie mechanismen:

- in verband met de aanname vermeld onder punt 1 van Bijlage 2: de overnamesom zal pro rata verminderd worden al naar gelang het daadwerkelijke aantal gecontracteerde en beleverde aansluitingen onder het aangenomen aantal van 200.000 ligt;

(…)

Indien wij niets van u of uw aandeelhouders vernemen is het Bod na afloop van de termijn van 14 dagen van rechtswege vervallen. Indien u of uw aandeelhouders wel uw belangstelling binnen de termijn kenbaar hebben gemaakt, zullen kort daarna concrete afspraken worden gemaakt over de invulling van het onderhandelingsproces en wat hiervoor verder is vereist. Voorts vragen wij dat u ons dan tot 1 juni 2006 als uw exclusieve gesprekspartner beschouwt en dat u naast onze bilaterale overnamegesprekken geen andere marktpartijen polst c.q. met geen andere marktpartijen gesprekken voert in dit verband. Wij vragen dergelijke exclusiviteit tot 1 juni 2006, het moment waarop dit Bod bij gebreke van een succesvolle uitkomst van het onderhandelings-proces komt te vervallen, of zoveel later als partijen in nader overleg zullen overeenkomen.(…)"

2.11.

Op 21 februari 2006 hebben [naam 5] en [gedaagde] elkaar weer gesproken. Over dat gesprek heeft [naam 5] in zijn aantekeningen boekje (productie 21 CvA en productie 146 CvD) vermeld, voor zover hier van belang:

"[gedaagde] inhuren eventueel via BV. Afspraak 1 miljoen euro te verdienen met management van retail activiteiten. Niets op papier: gentleman 's agreement!"

2.12.

Op 27 februari 2006 heeft een overleg tussen Electrabel en Rendo Holding plaatsgevonden naar aanleiding van het bod van Electrabel op de aandelen in Rendo Energielevering. Bij dat gesprek waren [naam 5] , [gedaagde] en [naam 3] aanwezig. Van het gesprek is een verslag opgemaakt. Dit verslag (productie 122 [gedaagde] ) luidt, voor zover hier van belang:

"Besproken is een notitie van Electrabel met daarin een bieding op de aandelen RENDO Energie levering b.v.

RENDO ziet dit gesprek slechts als een verkennend gesprek; binnen RENDO bepaalt uiteindelijk de A.V.A. of een dergelijke bieding wordt geaccordeerd.

Op verzoek van Electrabel stemt RENDO in, met het verzoek van Electrabel, om Electrabel een exclusieve rol in dit proces te geven tot 1 april 2006 (…)"

2.13.

Bij e-mailbericht van 23 maart 2006 (productie 22 CvA) heeft [naam 7] aan [naam 5] bericht, voor zover hier van belang:

"(…) Zonder precies te weten wat jij met RW over dit onderwerp hebt afgesproken krijg ik nu sterk de indruk dat RW dit onderwerp volledig buiten het zicht van zijn RvC en aandeelhouders wil houden. Hij wil in de escrow agreement tussen Rendo en EBL hebben opgenomen dat de notaris dit bedrag bij een succesvolle transactie direct aan zijn management bv kan overmaken.

Het lijkt mij een zeer slechte zaak indien de RvC of aandeelhouders van R hier helemaal niets van weten. Als het bekend wordt zou dit niet alleen grote (reputatie)schade voor ELB tot gevolg hebben, maar het kan de hele deal in gevaar brengen. (…)"

2.14.

In de notulen van de vergadering van de RvC van 30 maart 2006 (productie 4 CvA) is vermeld, voor zover hier van belang:

"(…) De heer [naam 3] deelt mee, dat RENDO 10 dagen uitstel heeft gekregen om te reageren op het voorliggende bod op de aandelen in RENDO Energielevering. Namens PWC (toevoeging rechtbank: Price Waterhouse Coopers) zijn aanwezig de heren [naam 11] en [naam 12] . Zij geven een toelichting op de stand van zaken rond de splitsing in het algemeen en op het desbetreffende bod in het bijzonder. (…) PWC: bieder heeft ambities op de Nederlandse markt. Bieder heeft recent elders in Nederland driemaal meegeboden en heeft driemaal er naast gegrepen. Dit is vertaald in het voorliggende bod. In de presentatie wordt een overzicht gegeven van de biedingen op 4 bedrijven. Hierbij worden bedragen gehanteerd die publiekelijk bekend zijn. Wellicht lagen de biedingen hoger of lager. Dit is een marktconform bod. De verwachting is, dat er niet veel ruimte meer in zit. (…) [naam 3] : is voorstander. Hij is niet zeker van een volledige pay out van het rendement. Hij verwacht niet de volle 100% te halen, maar eerder 60%. Hij onderkent de maatschappelijke argumenten. (…) Gehoord de beraadslaging en gezien het aantal voorstanders (7) luidt het voorstel de Algemene vergadering van aandeelhouder te adviseren om gezien het voorliggende bod een due dilligence te starten. Na het onderzoek kunnen de aandeelhouders pas definitief een besluit nemen. (…)"

2.15.

Bij brief van 28 april 2006 heeft de vennootschap naar Deens recht Dong Energy A/S (hierna: Dong) zich bij [gedaagde] als overnamekandidaat van Rendo Energielevering gemeld. De brief is in kopie verzonden aan [naam 3] . Dong doet daarbij een niet bindend bod van EUR 310-330 "per directly served retail gas client or retail electric client for all energy supply related activities of RENDO Supply (…)"(productie 30 dagvaarding en bijlage VIII [gedaagde] ). De brief luidt verder, voor zover hier relevant:

"A price at the higher end of the range could be achievable should the due diligence review revails that the client portfolio (including B2B customers) of RENDO is particularly attractive leading to relatively high supply margins. "

2.16.

In de notulen van de vergadering van de RvC van 12 mei 2006 (productie 4 CvA) is vermeld, voor zover hier van belang:

"(…) De heer [gedaagde] geeft een toelichting op de gang van zaken. PWC is sinds 1 mei jl. van start gegaan met het onderzoek. Zij stellen veel vragen. Het kost veel werk om alle vragen te beantwoorden. Verder komt er nog een juridische en een fiscale due diligence. Het hele onderzoek gaat ongeveer 5 weken duren, dat wil zeggen tot begin juni. Dan zijn alle plussen en minnen in beeld en zal de koper bepalen of hij het bod gestand doet."

2.17.

Bij brief van 19 mei 2006 (productie 123 CvD) heeft Electrabel aan haar RvC bericht, voor zover hier van belang:

"(…) Na enige toelichting onzerzijds heeft ons bod vanaf het begin de steun gehad van de directeur en de President Commissaris van Rendo Holding NV. Dit heeft er toe geleid dat op 7 april 2006 de aandeelhouders van Rendo hebben ingestemd met een exclusief onderhandelingstraject met Electrabel, inclusief een boekenonderzoek. (…)"

2.18.

Op enig moment heeft PricewaterhouseCoopers een due diligence-rapport opgesteld. Dit rapport (productie 3 CvA) luidt, voor zover hier relevant:

"Management estimated that Rendo has around 102,700 cutomers of which some 57,000 have both electricity and gas connections as per ealy Juni 2006"

2.19.

Bij brief van 7 juni 2006 (productie 4 CvA en productie 142 CvD) hebben [naam 3] en [gedaagde] de gemeentesecretarissen van de aandeelhoudende gemeenten bericht, voor zover hier relevant:

"(…) Waarom wordt ingezet op exclusiviteit? De vraag wordt gesteld, waarom uitsluitend met deze koper wordt gesproken. Het bod van de koper is uitsluitend bindend onder voorwaarde van exclusiviteit. Anders gezegd, als RENDO onderhandelingen zou starten met een derde, dan vervalt het bod. De gedachte bestaat wellicht, dat een veiling meer geld opbrengt. Het bod is compleet en professioneel. Koper heeft een sterke organisatie achter zich staan. Ook voor het personeel is het bod gunstig. Koper heeft geen eigen retail organisatie. Dit biedt de beste kansen om als zelfstandige eenheid door te gaan. Een grote professionele organisatie biedt ook kansen voor individuele medewerkers. Indien koper een bestaand geïntegreerd bedrijf zou zijn, dan heeft het kantoor Hoogeveen vrijwel zeker geen toekomst meer en worden de medewerkers geïntegreerd in het overnemende bedrijf. (…)"

2.20.

Bij brief van 7 juni 2006 (productie 31 dagvaarding) heeft Dong aan de aandeelhouders van Rendo Holding en in kopie aan [naam 3] en [gedaagde] laten weten, voor zover hier van belang:

"Wij hechten eraan om u, als aandeelhouder van N.V. RENDO Holding (…), ervan op de hoogte te stellen dat DONG (…) vandaag een bindend bod op de leveringsactiviteiten van RENDO (...) heeft uitgebracht en verstuurd aan het management en de Raad van Commissarissen van RENDO. (…)"

2.21.

In de notulen van de vergadering van de RvC van 15 juni 2006 (productie 4 CvA en productie 154 CvD) is vermeld, voor zover hier van belang:

"(…) De heer [naam 3] meldt, dat voorafgaande aan deze vergadering de eindonderhandelingen over het bod hebben plaatsgevonden tussen RENDO en Electrabel. Namens RENDO waren hierbij aanwezig de heren [naam 3] (Holding), [naam 13] (RENDO Netbeheer) en [gedaagde] . Het uiteindelijke bod komt uit op 68 mln. euro. Electrabel neemt het personeel dat direct en indirect voor Levering werkt over. Hiervoor worden geen vergoedingen in mindering gebracht. (…) Het bod is uitgebracht onder een aantal ontbindende voorwaarden, zoals goedkeuring van de Raad van Commissarissen, de aandeelhouders (…) De Raad machtigt de heren [naam 3] en [gedaagde] om een en ander af te handelen. (…) De Algemene vergadering van Aandeelhouders is het orgaan, dat uiteindelijk het definitieve besluit neemt. (…) Het voorstel van de Raad luidt nu als volgt:1) de aandeelhouders wordt geadviseerd RENDO Energielevering te verkopen onder nader uit te werken condities; (…) DONG heeft de laatste dagen de gemeenten individueel benaderd met een tegenbod. Uit analyse van het bod blijkt, dat het bod per saldo lager uitvalt. Het is een kwestie van definiëring waarop geboden wordt, per klant of per aansluiting. De Raad besluit verder niet op het bod van DONG in te gaan. (…)"

2.22.

Bij brief van 16 juni 2006 (productie 4 CvA) heeft [naam 3] namens de RvC, de AvA bericht, voor zover hier relevant:

"(…) RENDO is niet actief op zoek gegaan naar een partner. Electrabel heeft RENDO benaderd. De commissarissen en de aandeelhouders hebben het bod besproken en zij vonden het bod dusdanig interessant, dat zij hun fiat hebben gegeven een zogenaamd due diligence te starten. Dat is een uitgebreid juridisch, financieel-economisch en fiscaal boekenonderzoek.

Waarom wordt ingezet op exclusiviteit?

De vraag wordt gesteld waarom uitsluitend met Electrabel wordt gesproken. De gedachte kan bestaan, dat een veiling meer op zou brengen. Wij hebben PricewaterhouseCoopers in deze om advies gevraagd. Zij bevestigen dat het hier om een uitstekend bod gaat. Zeker als dit bod wordt afgezet tegen de bekende biedingen op een aantal andere bedrijven de laatste twee jaar. De markt is erg in beweging en zeer risicovol. RENDO heeft als kleine speler op de markt een nadeel als het gaat om de inkoop. Om de risico's als aandeelhouder van een commercieel leveringsbedrijf weg te nemen, is het moment nu gunstig om te gaan verkopen. Om die redenen is er bewust voor gekozen geen veiling te houden. Bij een veiling is het volstrekt onzeker welke partij uiteindelijk het beste bod uitbrengt. Als dat een bestaand geïntegreerd energiebedrijf zou zijn, dan heeft het kantoor vrijwel zeker geen zelfstandige toekomst meer en zijn de sociale gevolgen van de medewerkers zeer onzeker. Een veiling betekent een onbekende toekomst.

Het bod

Electrabel is bereid om na onderhandeling en onder een aantal voorwaarden een bedrag van 66,5 mln euro te betalen voor Rendo Energielevering. Zoals hiervoor is gezegd, is dit bod zeer goed te noemen. Electrabel heeft aangegeven en inmiddels bevestigd, dat zij alle werknemers die direct en indirect voor Energielevering werken over zal nemen. Het gaat hierbij om circa 69,5 fte. Ook hun huidige rechtspositie wordt verzekerd. Dat is buitengewoon royaal te noemen. De Raad van Commissarissen is van mening, dat de belangen van de werknemers hiermee zijn gewaarborgd. Het sociale aspect is hiermee goed ingedekt. Onder deze condities is er maximale zorg voor de medewerkers. Naast het personeel wordt ook het kantoorgebouw in Hoogeveen overgenomen.

Resumé

Omdat de gemeenten de commerciële risico's van een leveringsbedrijf hiermee kunnen vermijden en gezien de zeer goede uitwerking van het bod voor aandeelhouders en personeel, ziet de Raad van Commissarissen voldoende redenen de Algemene vergadering van Aandeelhouders te adviseren tot verkoop van RENDO Energielevering over te gaan aan Electrabel. (…)"

2.23.

Agendapunt op de algemene vergadering van de AvA van 19 juni 2006 is het voorgenomen besluit tot verkoop van Rendo Energielevering. Bij die vergadering is drs. [naam 14] AC aanwezig, accountant bij Deloitte. De notulen van die vergadering (productie 4 CvA en bijlage XII [gedaagde] ) luiden, voor zover hier van belang:

"(…) De heer [naam 15] wijst op het bod van DONG dat alle gemeenten onlangs hebben ontvangen van 300-330 per klant. Het verschil in beide biedingen zit in de definitie die gebruikt wordt. Electrabel bied per aansluiting / per EAN - code. DONG biedt per cliënt / per end=user. RENDO heeft 102.000 klanten in het gebied. Hiervan nemen 50.000 klanten 2 producten af. Als je dat afzet tegen het bod, dan is het bod zeer goed te noemen en is het bod van DONG lager dan het bod van Electrabel. (…) De heer [naam 14] bevestigt de argumenten die over tafel zijn gegaan. Het bod is enorm te noemen en ligt boven alle andere prijzen die elders geboden zijn. Electrabel wil nu doorpakken. Zij is sterk aan de inkoopzijde. RENDO is zeer goed in de retailmarkt. Het is dan ook logisch dat Electrabel het eerst bij RENDO langs gaat. (…)"

2.24.

Bij brief van 20 juni 2006 (productie 138 CvD en bijlage III [gedaagde] ) heeft Electrabel aan Rendo Holding ter attentie van [naam 3] en [gedaagde] een bod van EUR 66,5 miljoen gedaan voor de aandelen in Rendo Energielevering onder de in de brief vermelde voorwaarden.

2.25.

[naam 3] heeft bij brief van 22 juni 2006 (productie 88 dagvaarding en productie 103 CvR) namens de RvC aan de AvA laten weten, voor zover hier van belang:

"(…) In de bijeenkomst op 19 juni jl. werd de vergelijking gemaakt met het hoogst gerealiseerde bod tot nu toe, zijnde het bod op NRE. Navraag bij NRE Holding leert, dat daar een bedrag van circa 304 euro per klant is geboden. Indien een klant zowel gas als elektriciteit afnam, dan werd een waarde verrekend van tweemaal 304 euro is 608 euro per klant. Indien we op dezelfde wijze de rekensom voor RENDO maken, dan zou RENDO Energielevering ongeveer 47 miljoen euro waard zijn (155.000 energie eenheden maal 304 euro). Het bod van Electrabel is beduidend hoger. Dat komt omdat in de onderhandelingen Electrabel bereid is gebleken veel meer leveringsrelaties in onze (nu) goed gevulde portefeuille aan te merken als klantrelatie. Hierdoor is het bod van Electrabel ook hoger dan het schriftelijk gedane bod van DONG, dat wij in onze RvC-vergadering hebben besproken. Nog afgezien van de werkgelegenheids- en vestigingsplaatsaspecten, zijn wij daarom overtuigd van de aantrekkelijkheid van de finale Electrabel-bieding, zijnde € 66,5 miljoen. (…)"

2.26.

Bij brief van 28 juni 2006 gericht aan [naam 3] en Woldering en in cc naar de aandeelhoudende gemeenten, heeft Dong onder meer bericht (bijlage X [gedaagde] ):

"(…) Op 16 juni 2006 heeft RENDO bekendgemaakt tot overeenstemming te zijn gekomen met Electrabel met betrekking tot de overname van de leveringsactiviteiten van RENDO. (…) DONG (…) is bereid € 330 per direct beleverde gasklant/eindverbruiker of elektriciteitsklant/eindverbruiker te betalen (oftewel € 660 per direct beleverde klant/eindverbruiker die zowel gas als elektriciteit afneemt en € 330 per direct beleverde klant/eindverbruiker die ofwel gas ofwel elektriciteit afneemt). Gebaseerd op in totaal circa 200.000 klanten/eindverbruikers (het aantal vermeld in verschillende kranten, gebaseerd op de informatie verstrekt door de heer [naam 3] tijdens de persconferentie van 16 juni), zou de prijs voor RENDO (…) gelijk zijn aan € 66 miljoen. Daarnaast bevestigen we dat we bereid zijn het kantoor van RENDO in Hoogeveen, op dezelfde voorwaarden als Electrabel, over te nemen voor een additioneel bedrag van € 3 miljoen, het bedrag dat naar wij denken Electrabel bereid is te betalen. Gebaseerd op bovenstaande aannames betekent dit een totaalbedrag voor RENDO (…) van € 69 miljoen. Daarnaast is DONG (…) mogelijk bereid dit bedrag te verhogen naar aanleiding van de hieronder genoemde aspecten:

(…)

DONG (…) is tevens bereid, als onderdeel van een succesvolle transactie, RENDO te compenseren voor mogelijke transactiekosten tot een bedrag van € 1 miljoen.

(…) "

2.27.

De brief van Dong van 28 juni 2006 bevat een in de Engelse taal opgestelde appendix met voorwaarden waaronder het bod is uitgebracht. De Nederlandse vertaling daarvan (eveneens bijlage X [gedaagde] ) luidt, voor zover hier relevant:

"(…) De organisatie van RENDO Supply kan aan ons worden overgedragen zonder materiële nadelige gevolgen, en heeft na (af)splitsing ("unbundling") van de netwerkactiviteiten (voorzover benodigd) redelijke en voor ons aanvaardbare dienstverleningsovereenkomsten ("service level agreements"), een markt georiënteerde kostenstructuur, de werknemers, (inkoop en andere) contracten, rechten, activa en processen om op een juiste en winstgevende wijze haar onderneming in de normale bedrijfsvoering voort te zetten, zodanig dat RENDO Supply gereed en in staat is tot bedrijfsvoering in de concurrerende leveringsmarkt en winstniveaus heeft die vergelijkbaar zijn met andere Nederlandse leveringsondernemingen;

(…)

RENDO Supply heeft in totaal circa 200.000 klanten/eindverbruikers;

(…)

Dit bod is onderworpen aan de finale goedkeuring door de Raad van Commissarissen van DONG Energy A/S; (…) "

2.28.

In de notulen van de gecombineerde vergadering van de RvC van Rendo Holding en Rendo Netbeheer van 29 juni 2006 (productie 4 CvA) is vermeld, voor zover hier van belang:

"(…) Het Deense bedrijf DONG heeft zeer recent een laatste bod van 69 mln. uitgebracht aan de aandeelhouders. Dit bod roept veel vragen op bij de aandeelhouders. Essentieel in deze discussie is het verschil in definitie van klanten een aansluitingen. Wanneer het bod van DONG afgezet wordt tegen het werkelijke aantal klanten, dan ontstaat een aantal beeld. In de brief aan de aandeelhouders staat een en ander juist verwoord. In het bod van DONG staat niets over vestigingsplaatsen en personeel. (…) Er zijn opnieuw onderhandelingen geweest met Electrabel. Electrabel heeft verklaard tot medio 2011 retailactiviteiten vanuit Hoogeveen te blijven verrichten. (…) De heer [naam 16] vraagt waarom exclusief gekozen is voor Electrabel. Mag de Raad dit bod van DONG eigenlijk wel negeren? Spreker behartigt de belangen van de stakeholders. Het bod van Electrabel lijkt redelijk, het vertegenwoordigt de marktwaarde. De heer [naam 3] merkt op, dat een openbare tender slechter voor pand en personeel zou zijn uitgepakt. (…) Besluit en voorstel. 1. De Raad van Commissarissen van N.V. RENDO Holding besluit akkoord te gaan met het voornemen van de directie, om RENDO Energielevering B.V. te verkopen door RENDO Beheer B.V. aan Electrabel, een en ander conform de condities zoals verwoord in de brieven van 16 en 22 juni 2006. 2. De Raad van Commissarissen stelt de Algemene vergadering van Aandeelhouders voor overeenkomstig dit voorstel te besluiten op 6 juli 2006. (…)"

2.29.

Bij e-mailbericht van 2 juli 2006 (productie 16 CvA, productie 144 antwoordakte Rendo en productie bijlage IV [gedaagde] ) heeft [naam 5] aan [gedaagde] bericht, voor zover hier van belang:

"(…) In een telefoongesprek met de heer [naam 3] op donderdag jl. heb ik gezegd, dat, indien de interne discussie binnen de kringen van de aandeelhouders daartoe aanleiding mocht geven en indien een extra actie van de kant van EBL nodig zou moeten zijn - vooral vanwege het aanvullende aanbod van Dong - we bereid zouden zijn de werkgarantie voor het vaste personeel te verhogen met 1 jaar en de prijs te verhogen tot een zodanig bedrag, dat daarmee het verschil met Dong voor een belangrijk deel zou worden goedgemaakt. Desgevraagd heb ik een bedrag van € 68 mio genoemd.

(…)

Mbt de eventuele verhoging van de prijs deelde jij me mede dat de aanbieding van Dong uiteindelijk daartoe geen aanleiding zou behoeven te geven, omdat deze uiterst onduidelijk is en het door Dong aangeboden bedrag niet spoort met de gehanteerde voorwaarden en uitgangspunten. (…)"

2.30.

In de notulen van de AvA van Rendo Holding van 6 juli 2006 (productie 4 CvA) is vermeld, voor zover hier relevant:

"De aandeelhouders stemmen in met de motie om 4 jaar werkgelegenheid te vragen. Het besluit tot verkoop wordt niet genomen onder voorwaarde dat de werkgelegenheidsgarantie 4 jaar wordt. (…)

(…)

De algemene vergadering van aandeelhouders van N.V. RENDO Holding besluit goedkeuring te verlenen aan het voorstel van de Raad van Commissarissen van N.V. RENDO Holding om RENDO Energielevering B.V. te verkopen door RENDO Beheer B.V. aan Electrabel, een en ander onder de condities zoals verwoord in de brieven van 16, 22 en 29 juni 2006) (…) "

2.31.

Bij brief van 21 augustus 2006 (productie 16 CvA) heeft [naam 3] aan commercieel directeur [naam 17] van Electrabel geschreven, voor zover hier relevant:

"Hierbij voldoe ik graag aan uw verzoek om toelichting op het gedane eindbod. Tijdens een laatste telefonisch contact met de heer [naam 5] , is gesproken over de ontstane situatie rondom o.a. de bieding van DONG, een aantal naar buitengekomen standpuntbepalingen van individuele aandeelhouders (zoals het 'nee' van de gemeente Hoogeveen) en het standpunt van de OR terzake van de garanties bij het aanhouden van de vestiging Hoogeveen (die toen nog ontbraken c.q. onvoldoende werden bevonden). Daarbij is door mij de vraag gesteld wat ik (in de ogen van Electrabel) zou kunnen antwoorden op de mogelijke kritische vragen van aandeelhouders over het laten passeren van het bod van DONG. De heer [naam 5] antwoordde dat, onder de voorwaarde van het geheel ontbreken van resterende geschilpunten en het aanwezig zijn van een geaccordeerde eindovereenkomst, vlak vóór de ondertekening, als een soort finale afronding, het bod zou kunnen worden verhoogd met maximaal 1,5 miljoen. Als President-Commissaris heb ik deze toezegging gebruikt in o.a. mijn rol als burgemeester van Steenwijkerland bij de vertrouwelijke behandeling/voorbereiding van de gemeentelijke standpuntbepaling, welke bij het 'nee' van Hoogeveen - positief moest zijn om tot meerderheidsbesluitvorming te komen. (…)"

2.32.

Op 1 oktober 2006 is Rendo Energielevering door Electrabel overgenomen.

Op 29 september 2006 is daartoe door enerzijds Rendo Beheer en NV Rendo en anderzijds Electrabel een overeenkomst gesloten (productie 95 dagvaarding). In de overeenkomst is een koopprijs opgenomen van EUR 68 miljoen, waarvan EUR 3 miljoen voor de overname van het kantoorpand in Hoogeveen. In de overeenkomst wordt Rendo Beheer aangeduid als "de Verkoper", NV Rendo als "Infra", Rendo Energielevering als "de Vennootschap" en Electrabel als "de Koper". Bedoelde overeenkomst luidt verder, voor zover hier van belang:

"(…) 14 SAMENWERKING NA CLOSING

14.1.

Koper en de Vennootschap enerzijds en Verkoper en Infra anderzijds zullen elkaar als goed huisvader alle medewerking verlenen die zij redelijkerwijs van elkaar verlangen om te komen tot een efficiënte en zorgvuldige ontvlechting van de leveringsactiviteiten en de netwerkactiviteiten van de Verkoper (waaronder het adequate beheer door de Vennootschap en de Koper van het overgenomen register van afnemers en hun EAN codes en het tijdig en zorgvuldig factureren door de Vennootschap aan afnemers voor geleverde elektriciteit en gas), op zodanige wijze dat zowel Koper als Verkoper hun interne bedrijfsprocessen en de externe relatie met hun respectievelijke afnemers kunnen voortzetten. (…)"

2.33.

In de periode van november 2006 tot en met juni 2007 heeft Electrabel ter attentie van [naam 5] van Woldomus tot een bedrag van EUR 1 miljoen facturen ontvangen, welk bedrag Electrabel aan Woldomus heeft betaald. Op de facturen (productie 23 dagvaarding) is telkens vermeld: "Honorarium voor verrichte advieskosten. De specificatie zal u separaat worden toegezonden". De betreffende facturen zijn door [naam 5] en commercieel directeur [naam 17] geparafeerd.

2.34.

Ten tijde van deze betalingen aan Woldomus was eerst de broer van [gedaagde] en later de schoonzus van [gedaagde] bestuurder van Woldomus. Per 31 augustus 2017 is de schoonvader van [gedaagde] de schoonzus van [gedaagde] opgevolgd als bestuurder van Woldomus. Woldrings broer, schoonzus en schoonvader hebben in die periode als bestuurder aan [gedaagde] blanco volmachten (productie 20 dagvaarding) verstrekt voor alle voorkomende handelingen en opdrachten betreffende de bedrijfsvoering van Woldomus.

2.35.

Naar aanleiding van de betalingsinstructie van [naam 5] heeft de afdeling inkoop van Electrabel gevraagd welke onderliggende stukken aan de facturen van Woldomus ten grondslag liggen. [naam 5] heeft de betreffende medewerker van de afdeling bij e-mail van 8 november 2006 (productie 24 dagvaarding) bericht, voor zover hier van belang:

"(…) Ik breng nog eens onder de aandacht dat deze opdracht ook door inkoop als strikt vertrouwelijk behandeld dient te worden. Er bestaat geen offerte van deze opdracht en ook geen uurtarieven en urenbesteding. Er is wel een prestatieverplichting, zoals jij dat noemt, maar die kan niet verder worden gespecificeerd. (….) Ik realiseer me dat die informatie wellicht niet voldoet aan de eisen die daaruit vanuit inkoop worden gesteld, maar in dit geval zullen we dat moeten accepteren. (…)"

2.36.

In 2007 is [gedaagde] in contact gekomen met de heren [naam 18] (hierna: [naam 18] ) en [naam 19] (hierna: [naam 19] ), destijds bestuurders van een vennootschap handelend onder de naam Stramproy Groep. Deze vennootschap heeft zich beziggehouden met het zogeheten torrefactieproces waarbij houtsnippers (biomassa) in korte tijd worden omgezet in (een soort) steenkool die kan worden gebruikt als brandstof voor een elektriciteitscentrale. Stramproy Groep wilde vanuit de testfase een biomassacentrale op industrieel niveau in Steenwijk opzetten en zocht een geschikte partner. Er is gesproken over de mogelijkheid dat de Stramproy Groep in Steenwijk een torrefactiecentrale zou realiseren in combinatie met een warmtekrachtkoppeling en over de rol van Rendo hierin. Een warmtekrachtkoppeling is een elektriciteitscentrale die zowel stroom als warmte genereert.

2.37.

Bij besluit van 25 mei 2007 is de door Rendo in 2006 voor de nieuw te bouwen warmtekrachtkoppeling aangevraagde MEP (Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie)-subsidie toegekend onder de voorwaarde dat de warmtekrachtkoppeling binnen drie jaar volledig operationeel diende te zijn.

2.38.

Vanaf 16 juli 2007 luiden de statuten van Rendo Holding (productie 84 dagvaarding), voor zover hier relevant:

"Taak en bevoegdheden van de directie

(…)

3. In alle gevallen waarin de vennootschap een tegenstrijdig belang met één of meer van haar directieleden heeft, wordt zij vertegenwoordigd door de algemeen directeur. De algemene vergadering is echter steeds bevoegd één of meer andere personen daartoe aan te wijzen."

2.39.

Bij brief van 16 juli 2007 (één van de ongenummerde producties bij akte wijziging eis van Rendo c.s.) heeft [naam 17] (commercieel directeur van Rendo) aan [gedaagde] laten weten, voor zover hier van belang:

"In de Koopovereenkomst zijn Koper en Verkoper een voorlopige koopprijs voor de aandelen in het kapitaal van de Vennootschap overeengekomen, waarbij nadien een verrekening dient plaats te vinden van het Werkkapitaal en de Netto Uitstaande Schuld (zoals gedefinieerd in de Koopovereenkomst).

Alle op Overdrachtsdatum openstaande debiteuren van de Vennootschap, welke niet per 1 maart 2007 door de Vennootschap zijn geïnd en welke thans een nominale waarde blijken te hebben van EUR 2.670.293 (de "Debiteurenpositie"), zijn echter uitgezonderd van de definitie van Werkkapitaal in artikel 1.1 van de Koopovereenkomst. Daarmee wordt voor de Debiteurenpositie door Koper niet betaald in het kader van voornoemde verrekening van het Werkkapitaal en de Netto Uitstaande Schuld. De Debiteurenpositie is per Overdrachtsdatum wel als gevolg van de aandelenoverdracht eigendom van Koper.

Aangezien een significant deel van de Debiteurenpositie als oninbaar moet worden beschouwd, als gevolg waarvan de marktwaarde hiervan lager ligt dan de nominale waarde, bepaalt artikel 5.9 van de Koopovereenkomst dat Koper en Verkoper zullen overleggen over de door Koper aan Verkoper te vergoeden marktwaarde van de Debiteurenpositie. (…)

Koper en Verkoper zijn echter overeengekomen de termijn van 1 juni 2007 te verlengen en hebben vervolgens op 28 juni 2007 overeenstemming bereikt over de marktwaarde van de Debiteurenpositie. Koper en Verkoper waarderen de Debiteurenpositie op EUR 50.000 (vijftigduizend euro). (…)"

2.40.

Ten behoeve van de vergadering van de RvC van 13 september 2007 is begin september 2007 een agenda verstuurd met een door de directie van Rendo opgestelde notitie over agendapunten 6 "standpuntbepaling over deelname aan het project ''van afval naar grondstof"" (productie 48 CvA) en 7 "deelname in productie van stroom" (productie 49 CvA).

De notitie luidt ten aanzien van agendapunt 6, voor zover hier van belang:

"Dit project behelst het opwekken van afvallen van biologische aard van bijvoorbeeld gemeentes, afvalverwerkingsbedrijven en of composteringbedrijven, tot een uitstekend bruikbare grondstof voor elektriciteitscentrales. (…) Op bovenstaande wijze wordt dus niet alleen afval opgeruimd, maar tevens wordt voorkomen dat duurzame voorraden fossiele brandstof worden gebruikt. Er kunnen dan ook CO2 emissie rechten worden geclaimd voor het eindproduct. (…)

Investering

Om deze nieuwe activiteit te realiseren is circa 4 a 5 miljoen euro risicodragend kapitaal van RENDO nodig. (…)"

De notitie luidt ten aanzien van agendapunt 7, voor zover hier relevant:

"Deelname in productie van stroom
Wij hebben u eerder gemeld dat wij studeren op de mogelijkheid om een kleinere elektriciteitscentrale in het net in Steenwijk te plaatsen. Op deze wijze wordt het elektriciteitsnet minder kwetsbaar. Gezien de historie is dat een zeer wenselijke zaak gebleken. Na intensieve gesprekken met juristen over de strekking van de Wet Onafhankelijk Netbeheer en de hieruit volgende consequenties voor RENDO zijn wij tot de conclusie gekomen dat het voor RENDO niet wenselijk is om aandeelhouder te zijn van een dergelijk project. De Wet Onafhankelijk Netbeheer beoogt immers een heldere opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds. Nu RENDO door de verkoop van haar energieleveringactiviteiten zich in de positie heeft gemanoeuvreerd van een Holding die voldoet aan de wet, lijkt het niet raadzaam weer de confrontatie met de op handen zijnde wetgeving op te zoeken.

De directie zal zich inspannen om een partij te vinden die deze voor RENDO wenselijke activiteit in haar netgebied wil uitvoeren."

2.41.

Over de projecten is in de notulen van de vergadering van de RvC van 13 september 2007 (productie 50 CvA) opgenomen, voor zover hier van belang:

"7. Deelname in het project 'van afval naar grondstof'(grondstof verrijking)

De heer [gedaagde] licht het project toe. (…) De businesscase is al geruime tijd door RENDO opgezet en van vele zijden grondig bekeken. (…)

De raad kan instemmen met het voorstel om deel te nemen in dit project.

8. Deelname in project stroomproductie

RENDO gaat deelnemen in de opwekking van (nood-)stroom in Steenwijk. Het belang voor de RENDO netbeheerder van het doorgaan van het project is duidelijk. RENDO wenst dit evenwel te doen binnen de kaders van de Wet Onafhankelijk Netbeheer. Met het voorstel van de directie om het project verder vorm te geven, door de activa van dit project door een derde partij te laten exploiteren, wordt dan ook door alle commissarissen ingestemd. De exploitant gaat dan voor eigen risico voor de exploitatie zorgdragen."

Uit de notulen blijkt dat [naam 1] en [gedaagde] bij deze vergadering van de RvC van 13 september 2007 aanwezig zijn geweest.

2.42.

In 2007 was [naam 20] (hierna: [naam 20] ) statutair bestuurder van

N.V. Rendo.

2.43.

Bij e-mailbericht van 26 september 2007 (productie 36 dagvaarding) heeft [gedaagde] aan [naam 1] , [naam 20] , [naam 18] en [naam 19] bericht, voor zover hier van belang:

"heden ochtend was ik bij notaris van de Laan te Groningen.

Ik heb hem gevraagd voorbereidingen te treffen voor de oprichting van de 3 b.v.'s te weten:

Stramproy Green Investments B.V. = Holding

Stramproy Green Coal = 100% dochter 1

Stramproy Geen Electricity = 100% dochter 2

De notaris heb ik voorts geïnformeerd dat de aandelen van de holding gehouden worden door 5 andere b.v.'s (de exacte verdeling van de aandelenverhouding hoop ik binnenkort bekend te kunnen maken)

Een van die BV's is mijn persoonlijke BV Woldomus BV.

De BV's van [naam 1] en [naam 20] moeten nog worden opgericht.
Ik verzoek aan [naam 18] en [naam 19] svp aan de notaris bekend te maken, hoe hun bv's heten en waar deze gevestigd zijn."

2.44.

[naam 18] heeft op enig moment de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ntech Holding BV (hierna: Ntech Holding) opgericht. [naam 19] heeft op enig moment de vennootschap naar buitenlands recht Bio-Coal & Waste BVBA (hierna Bio-Coal) opgericht.

2.45.

Bij e-mailbericht van 27 september 2007 (productie 68 CvD) heeft [gedaagde] aan het toenmalige hoofd P&O van Rendo c.s. bericht, voor zover hier relevant:

"zou je mij z.s.m. willen informeren over de volgende vraagstelling

RENDO staat aan de vooravond van de lancering van een grote investering (24 miljoen euro) in een nieuwe te ontwikkelen fabriek in Steenwijk.

RENDO zou asset owner worden van deze fabriek.

Een derde partij (Stramproy Group) wordt de exploitant van deze fabriek en betaalt huur aan RENDO.

Deze derde partij heeft dus ook de mensen in dienst.

RENDO heeft hiervoor geen mensen in dienst.

In hoeverre is zo'n investering door RENDO bij de OR

- adviesplichtig?

- meldingsplichtig?"

2.46.

De conceptversie van 25 oktober 2007 van de aandeelhoudersovereenkomst (productie 37 dagvaarding) gesloten tussen Ntech Holding, Bio-Coal, Woldomus, [naam 20] en [naam 1] en SGI luidt, voor zover hier van belang:

"(…) Woldomus, [naam 20] en [naam 1] wensen een belang te nemen in Stramproy Green Technology BV (…)"

2.47.

Onder 'Mededelingen directie' is in de notulen van de AvA van 20 december 2007 (productie 51 CvA, productie 119 CvR en productie 107 CvD) opgenomen, voor zover hier van belang:

"RENDO is promotor van een project bij de totstandkoming van een noodstroomvoorziening ter versteviging van het elektriciteitsnet in Steenwijk. Dit net is relatief zwak door de huidige invoeding vanuit één hoogspanningstraject, waardoor het risico van uitval in crisissituaties relatief groot is. De noodstroomvoorziening draagt tevens bij aan het voldoen aan de duurzaamheids verplichtingen van gemeenten en RENDO, doordat deze volledig 'groen' is en doordat de vrijkomende warmte wordt gebruikt voor het drogen van een vervolgproces. Als brandstof wordt kaphout en snoeihout gebruikt. RENDO heeft bij dit project de rol van financier met een aantrekkelijk rendement en vervult daarnaast een faciliterende rol. De exploitatie van het project (productie) geschiedt bewust door een derde partij. Indien RENDO zelf de productie ter hand zou nemen zou dit implicaties hebben inzake haar positie van de Wet Onafhankelijk Netbeheer. Dit wenst RENDO niet. De vervolgvraag of dit project aansluit bij de nieuwe activiteiten die RENDO wenst uit te voeren, wordt bevestigend beantwoord. Het rendement is goed, de activiteiten sluiten goed aan bij de belangen van de stakeholders, het risico is te overzien, het is een investering in infrastructuur gerelateerde activiteiten, die bovendien een positief energieduurzaam karakter heeft. De heer [naam 3] meldt dat dit project uitgebreid in de Raad van Commissarissen is bediscussieerd en daar een groen licht heeft gekregen. Daar was de conclusie dat het project uitstekend past bij RENDO gezien de combinatie van noodstroomvoorziening en het voldoen aan de duurzaamheidverplichting."

2.48.

Op 20 december 2007 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stramproy Green Investments BV (hierna: SGI) opgericht (productie 44 dagvaarding). Oprichters van SGI waren Woldomus, Ntech Holding, Bio-Coal en mevrouw [naam 22] (hierna: [naam 22] ), echtgenote van de heer [naam 20] . De afspraken tussen enerzijds deze oprichters tevens aandeelhouders en mevrouw [naam 21] (hierna [naam 21] ), toenmalig echtgenote van [naam 1] en anderzijds SGI zijn vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst van 20 december 2007 (productie 45 dagvaarding). Vervolgens zijn ook de besloten vennootschappen SG Coal B.V. (hierna: SGC), SG Electricity B.V. (hierna: SGE) en SG Technology B.V. (hierna: SGT) opgericht. SGI is enig aandeelhouder van SGC, SGE en SGT. De torrefactiecentrale was ondergebracht in SGC, de warmtekrachtcentrale was ondergebracht in SGE en de knowhow was ondergebracht in SGT. In de akte van oprichting van SGI van 20 december 2007 is (in de slotverklaringen) tot bestuurder (algemeen directeur) benoemd [naam 23] (hierna: [naam 23] ).

2.49.

Woldomus hield 60% van de aandelen in SGI, waaronder 20% van de aandelen voor [naam 21] . Woldomus en [naam 21] hebben op 20 december 2007 een overeenkomst gesloten met een koopoptie voor [naam 21] op aandelen in SGI die door Woldomus werden gehouden. Ntech Holding en Bio-Coal hielden ieder 20% van de aandelen in SGI.

2.50.

Op 21 december 2007 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van EUR 3 miljoen (hierna: lening 1) en heeft Rendo Holding aan SGE een achtergestelde lening verstrekt van EUR 3 miljoen (hierna: lening 2). De beide overeenkomsten zijn namens Rendo Holding getekend door [gedaagde] .

2.51.

Op 27 december 2007 is door Rendo c.s. EUR 1 miljoen betaald aan SGC en is EUR 1,5 miljoen betaald aan SGE. [gedaagde] heeft als procuratiehouder voor deze betalingen getekend.

2.52.

In mei 2008 hebben Rendo Netbeheer (verdwijnende rechtspersoon) en N.V. Rendo (verkrijgende rechtspersoon) een voorstel tot fusie opgemaakt. Dit voorstel is door het bestuur van de fuserende vennootschappen ondertekend. [gedaagde] heeft voor N.V. Rendo getekend en [naam 1] heeft (als statutair bestuurder) voor Rendo Netbeheer getekend. Daarnaast is het voorstel tot fusie ook door de commissarissen van Rendo Netbeheer ondertekend.

2.53.

Op 2 juni 2008 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van EUR 3 miljoen (hierna: lening 3) en heeft Rendo Holding aan SGE een achtergestelde lening verstrekt van EUR 3 miljoen (hierna: lening 4). De beide overeenkomsten zijn namens Rendo Holding getekend door [gedaagde] .

2.54.

Op 11 juni 2008 is door Rendo c.s. EUR 2 miljoen betaald aan SGC. [gedaagde] heeft als procuratiehouder getekend.

2.55.

In de notulen van de AvA van 19 juni 2008 (productie 52 CvA), waar [naam 1] bij aanwezig was, is opgenomen, voor zover hier van belang:

"Ook is er extra financiering nodig voor meerdere projecten waarmee RENDO annex is. RENDO zal in het kader van duurzaamheid en innovatie zich meer gaan richten op het ondersteunen bij de totstandkoming van duurzame projecten in haar netgebied. Te noemen zijn projecten te:

Steenwijk, Noodstroom elektriciteit opwek en productie biobrandstoffen

Hoogeveen, Onderzoek naar grootschalige mestvergisting o.a. met LTO

Coevorden, Toepassing WKO systemen in delen van de nieuwbouwwijk Ossehaar en een WKO project in de gemeente Haren"

2.56.

Op 26 juni 2008 is tussen Ntech Holding, Bio-Coal, Woldomus, [naam 21] en [naam 22] een aandeelhoudersovereenkomst SGI gesloten, die voor zover hier van belang inhoudt dat [naam 22] haar aandelen (omvattende een belang van 20%) in SGI verkoopt en overdraagt aan Woldomus en dat Woldomus haar aandelen in SGI (inmiddels 60% inclusief de voor [naam 21] gehouden aandelen) met een terugkoopoptie verkoopt en levert aan de heer [naam 24] , een kennis van [gedaagde] (hierna: [naam 24] ) . Deze afgesproken gang van zaken is dezelfde dag uitgevoerd. Daartoe is een nadere aandeelhoudersovereenkomst opgesteld die op 26 juni 2008 is ondertekend door de aandeelhouders. In de overeenkomst stemmen de aandeelhouders in met de aandelenoverdracht aan [naam 24] en laten zij in het kader van de blokkeringsregeling weten geen gebruik te maken van hun aanbiedingsrecht. Deze overeenkomst was [naam 1] tevoren, op 24 juni 2008, toegestuurd.

2.57.

Op 4 augustus 2008 is Rendo Netbeheer, als verdwijnende rechtspersoon, gefuseerd met N.V. Rendo. In een uittreksel van de KvK van 7 augustus 2008 is vermeld dat de registratie van Rendo Netbeheer BV op 6 augustus 2008 is beëindigd ten gevolge van fusie/splitsing met ingang van 5 augustus 2008 en dat laatstelijk [naam 1] stond ingeschreven als bestuurder van Rendo Netbeheer BV. Na de fusie is [naam 1] directeur strategie en regulering van N.V. Rendo geworden, waarbij [naam 1] verantwoordelijk was voor de taken van N.V. Rendo als netbeheerder. Na de fusie is [naam 20] directeur operations van

N.V. Rendo geworden. Artikel 9 van de statuten van N.V. Rendo (dagvaarding onder 98) luidt , voor zover hier van belang:

"De leden van het bestuur mogen direct noch indirect binding hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van (een producent), een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het leveren van (een leverancier), of een rechtspersoon die de productie, aankoop of levering van (een handelaar) elektriciteit en gas verricht als bedoeld in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet."

De statuten van Rendo Netbeheer kenden een soortgelijke bepaling, in artikel 8 lid 1.

2.58.

Op 11 september 2008 is door Rendo c.s. EUR 3 miljoen betaald aan SGC en is EUR 3 miljoen betaald aan SGE. [naam 1] heeft als procuratiehouder voor deze betalingen getekend.

2.59.

Op 3 oktober 2008 heeft Rendo Holding aan SGE een achtergestelde lening verstrekt van EUR 2 miljoen (hierna: lening 5). De overeenkomst is namens Rendo Holding getekend door [gedaagde] .

2.60.

Op 26 maart 2009 heeft [naam 1] samen met zijn broer [naam 25] de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Marella BV (hierna: Marella) opgericht.

[naam 25] was statutair bestuurder van Marella. Op de dag van de oprichting heeft [naam 25] 99% van de aandelen in Marella aan Visser verkocht en geleverd. [naam 25] hield 1% van de aandelen in Marella. Op 31 maart 2009 heeft [naam 21] haar koopoptie op aandelen in SGI voor nul euro verkocht aan Marella. Marella bezat vanaf 31 maart 2009 dan ook de koopoptie op het aandelenbelang van 20% dat voorheen voor [naam 21] werd gehouden door Woldomus en dat ten tijde van de overname van de koopoptie van [naam 24] was.

2.61.

Bij e-mailbericht van 6 juli 2009 (productie 72 dagvaarding) heeft [gedaagde] aan [naam 26] van Mazars Berenschot Corporate Finance BV (hierna: MBCF) bericht, voor zover hier van belang:

"Beste [naam 26] ,

ik heb de factuur voor RENDO in goede orde ontvangen.

ik stel voor dat ik deze ga betalen zogauw als ik een leuk adviesrapportje van je heb gekregen.

Ik zou hierin zo mogelijk graag de volgende engelse statements willen lezen

(…)

4. recommendations

To get more grip on the total operation RENDO is adviced to buy the ground and building asap (…) "

2.62.

Op 30 oktober 2009 is door Rendo c.s. EUR 2 miljoen betaald aan SGE. [naam 1] heeft als procuratiehouder voor deze betaling getekend.

2.63.

In oktober 2009 is binnen SGI gesproken over de inbreng van de (op 23 juli 2009 door [naam 18] en [naam 19] opgerichte) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EPC International BV (hierna: EPC) in SGI. Veel van de correspondentie hierover is gevoerd met [gedaagde] en [naam 1] , dat wil zeggen buiten de meerderheidsaandeelhouder [naam 24] om. Zo luidt een bijlage van een e-mailbericht van [gedaagde] van 26 oktober 2009 over deze inbreng aan [naam 18] en [naam 1] , voor zover hier van belang (onder 131 dagvaarding):

"positieve aspecten oude voorstel
1. het eigen vermogen van SGI wordt (voor de buitenwereld) opgekrikt."

2.64.

Bij e-mailbericht van 6 november 2009 (productie 92 dagvaarding) heeft [gedaagde] aan [naam 18] en [naam 1] laten weten, voor zover hier van belang:

"Ik denk dat je goed hebt aangevoeld dat het betalen van een bedrag op 22/12 voor ons zeer belangrijk is. Van deze gedachte wensen wij dan ook geen afstand te doen. (…) Voorts hoort wat ons betreft er bij dit soort transacties ook een stukje aanbetaling. Ergo boter bij de vis. (…) Gezien de zeer korte termijn die wij nog hebben om tot een gedragen voorstel te komen, stellen wij voor dat SGI de bedragen die zij dan nog ontbeert voorzover die niet uit het zuiden kunnen komen leent van de suikeroom."

2.65.

Op enig moment voorafgaand aan de op 22 december 2009 vastgestelde nadere aandeelhoudersovereenkomst is een zogeheten stappenplan inkoop aandelen opgesteld. In dit stappenplan wordt beschreven welke handelingen ondernomen moeten worden om de inkoop van de aandelen van Woldomus en Marella en de betaling daarvan mogelijk te maken. Het stappenplan bevat afspraken over de uitbetaling van de inkoop van de aandelen van Woldomus en Marella, over een tussen SGI en Rendo te sluiten sale and lease back transactie en over het omzetten van de huidige lening van EUR 14 miljoen naar een lening van EUR 8 miljoen aan SGE en een lening van EUR 7,8 miljoen aan SGC.

2.66.

Op 25 november 2009 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van EUR 1,8 miljoen (hierna: lening 6). De overeenkomst is namens Rendo Holding getekend door [gedaagde] . Met leningen 1 tot en met 6 is een totaalbedrag van EUR 15,8 miljoen gemoeid (EUR 8 miljoen aan SGE en EUR 7,8 miljoen aan SGC).

2.67.

Op 27 november 2009 heeft SGI een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale voor EUR 7 miljoen (exclusief EUR 1.330.000,00 aan omzetbelasting) verkocht en geleverd aan Rendo Holding, waarna SGI het perceel met de biomassacentrale van Rendo Holding heeft gehuurd (sale and leasebacktransactie 1: productie 59 dagvaarding).

2.68.

Op 29 november 2009 heeft (de AvA van) Marella besloten over te gaan tot uitoefening van de koopoptie op de aandelen in SGI. Op 2 december 2009 heeft Woldomus de (60%) aandelen in SGI van [naam 24] gekocht en (bij notariële akte) verkregen voor € 15.000,00 (productie 77 dagvaarding). Op 2 december 2009 heeft Woldomus 20% van de aandelen SGI aan Marella verkocht en (bij notariële akte) geleverd voor een bedrag van EUR 5.000,00 (productie 78 dagvaarding).

2.69.

In de notulen van de vergadering van de RvC van 17 december 2009 (productie 58 dagvaarding) is vastgelegd, voor zover hier van belang:

"Er wordt melding van gemaakt dat het project biomassacentrale in Steenwijk qua realisatie achter loopt op de planning. Deze achterstand hield verband met een revisieaanvraag van de vergunning. Het project blijft rendabel. Waarschijnlijk start de levering van stroom nu echter pas in het tweede kwartaal van 2010. Om de RENDO belangen veilig te stellen en in de ontstane extra liquiditeitsbehoefte van de exploitant te voorzien, zal RENDO een aankoop gaan doen van de desbetreffende grond en opstallen. De exploitant huurt deze activa vervolgens van RENDO terug, tegen een rendement van 8%. "

2.70.

Op 22 december 2009 is EPC ingebracht in SGI om het eigen vermogen van SGI boekhoudkundig te verhogen teneinde de inkoop van aandelen mogelijk te maken. Op 22 december 2009 is een nadere aandeelhoudersovereenkomst SGI gesloten tussen Ntech Holding, Bio-Coal, Woldomus en Marella. In deze overeenkomst is onder meer vastgelegd dat SGI de aandelen van Woldomus (40%) en Marella (20%) inkoopt voor een bedrag van (in totaal) EUR 8,1 miljoen, waarvan EUR 5,4 miljoen voor Woldomus en EUR 2,7 miljoen voor Marella. Tussen partijen is afgesproken dat de betaling in gedeelten zal plaatsvinden, dat de aandelen bij de laatste betaling zullen worden geleverd en dat het deel van de koopsom dat niet direct wordt voldaan zal worden omgezet in een rentedragende lening van Marella aan SGI waarop op gezette tijden moet worden afbetaald.

2.71.

Op 23 december 2009 is door Rendo c.s. EUR 1,8 miljoen betaald aan SGC.

2.72.

Op 23 december 2009 heeft Marella een bedrag van EUR 0,5 miljoen ontvangen van SGI. Op 23 december 2009 heeft Woldomus een bedrag van EUR 1 miljoen ontvangen van SGI (productie 79 dagvaarding).

2.73.

In februari 2010 is [naam 3] als voorzitter van de RvC van Rendo Holding opgevolgd door [naam 4] , toen burgemeester van Meppel. [naam 4] is tot 2014 voorzitter van de RvC geweest.

2.74.

Bij e-mailbericht van 8 maart 2010 (productie 43 dagvaarding) heeft [gedaagde] aan [naam 18] en [naam 1] een e-mailbericht gestuurd met, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

"Hallo [naam 18] ,

(…)

1. Zouden we svp ook nog een gecondoliseerde jaarrekening van SGI kunnen krijgen op de Hotmail?

Zou de accountant svp in elke jaarrekening (intern en extern per vennootschap) de volgende omschrijvingen/verwijzingen willen schrappen:

a. Marella

b. Woldomus

c. NV RENDO Holding

d. RENDO NV (…)

e. RENDO

f. etcetera alle soortgelijke verwijzingen naar deze externe partijen. (met wie een geheimhoudingsovereenkomst bestaat.)

Dit zeeeeer zorgvuldig per pagina willen doorvoeren, waarvoor dank.

Dit verzoek svp niet 1 op 1 doormailen. (…)"

2.75.

Bij brief van 17 juni 2010 heeft MBCF aan N.V. Rendo t.a.v. [gedaagde] een positief advies gegeven voor het verstrekken van een aanvullende tijdelijke lening van EUR 4,5 miljoen teneinde SGI in staat te stellen om de bouw van de biomassacentrale te voltooien en aan haar financiële verplichtingen te voldoen.

2.76.

Op 18 juni 2010 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van EUR 4,5 miljoen (hierna: lening 7). De overeenkomst is namens Rendo Holding getekend door [gedaagde] . Al met al heeft Rendo Holding alsdan uit hoofde van geldleningen aan SGE EUR 8 miljoen betaald en aan SGC EUR 12,3 miljoen betaald (in totaal EUR 20,3 miljoen).

2.77.

Op 22 juni 2010 is [naam 23] (die eerder tot bestuurder was benoemd van SGI, zie hiervoor onder 2.48) in dienst getreden bij Woldomus.

2.78.

Op 25 juni 2010 is van lening 7 EUR 3.010.845,37 betaald door Rendo c.s. aan SGC. Het restant van lening 7 is verrekend met facturen van Rendo.

2.79.

Op 29 juni 2010 heeft Marella een bedrag van EUR 0,5 miljoen ontvangen van SGC en heeft Woldomus van SGC een bedrag van EUR 1 miljoen ontvangen (productie 80 dagvaarding).

2.80.

Op 14 juli 2010 is door Rendo c.s. EUR 4,5 miljoen betaald aan SGC.

2.81.

Bij e-mailbericht van 26 oktober 2010 (productie 58 dagvaarding) heeft [gedaagde] aan [naam 18] en [naam 19] laten weten, voor zover hier van belang:

"Ik constateer dat onze gedachten over een korte termijn financiering ver uiteen lopen. RENDO niet betalen qua rente of aflossing is geen optie meer voor mij. We komen uit dit probleem zo via de mail absoluut niet uit. Donderdag 28 oktober dienen er wat mij betreft knopen gehakt te worden over de rentebetaling en aflossing aan RENDO. De geloofwaardigheid van SGI in de RENDO gelederen staat op het spel! Indien er dan geen besluiten worden genomen dan wordt de situatie onvoorspelbaar en oncontroleerbaar voor mij."

2.82.

Bij schriftelijke overeenkomst van 1 november 2010 (productie 56 CvA) heeft Woldomus een bedrag van EUR 1 miljoen geleend aan SGC. In deze overeenkomst is bepaald dat het geen achtergestelde lening betrof en dat de lening uiterlijk op 1 juli 2011 volledig afgelost moest zijn.

2.83.

Bij brief van 27 december 2010 (productie 99 CvD) heeft MBCF aan Rendo Holding t.a.v. [gedaagde] een prognose verstrekt voor SGI met daarin verwerkt de voorgenomen sale and leasebacktransactie om activa van SGI te kopen voor EUR 2,25 miljoen. De brief luidt verder, voor zover hier van belang:

"Deze transactie verhoogt de zekerheidspositie van N.V. Rendo, omdat zij hiermee de volledige infrastructuur van de Biocoal-fabriek in Steenwijk in haar bezit heeft.

(…)

De verwachte financiële lease/lening van Torrefactie 1 ad € 6.000.000 start in januari 2011, waarmee de tijdelijke lening ad € 4.500.000 van Rendo wordt afgelost.

(…)

Zoals u ziet in Bijlage 1 wordt in het eerste operationele jaar 2011 een winst van € 1.300.000 geprognosticeerd. Dat is lager dan eerder aan u werd gemeld. De reden hiervoor is grotendeels gelegen in het ontbreken van omzet door de gemelde opstartproblemen. Het management van SGI heeft verzekerd dat deze problemen in de loop van de komende maanden opgelost worden."

2.84.

Op 30 december 2010 heeft SGI roerende zaken (duurzame systemen danwel bedrijfsmiddelen) voor (afgerond) EUR 2,25 miljoen verkocht aan Rendo Duurzaam, waarna SGI deze roerende zaken van Rendo Duurzaam heeft gehuurd (sale and leasebacktransactie 2: productie 60 dagvaarding).

2.85.

Eind 2010 is op de leningen van Rendo Holding aan SGI en haar dochtervennootschappen EUR 1 miljoen afgelost, door het te verrekenen met een koopsom met betrekking tot de sale and leasebacktransactie als gevolg waarvan aan leningen een bedrag van EUR 19,3 miljoen resteerde.

2.86.

In juli 2011 heeft Rendo Duurzaam van Rendo Holding verkregen de onroerende zaken die Rendo Holding op 27 november 2009 voor EUR 7 miljoen van SGI had verkregen door middel van de eerste sale and leasebacktransactie (zijnde een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale).

2.87.

SGI en Rendo Duurzaam hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten - en op 22 september 2011 notarieel vast laten leggen - ingevolge welke Rendo Duurzaam aan SGI een vergoeding moet betalen van EUR 3,7 miljoen voor in de biomassacentrale gedane investeringen, waarvoor SGI aan Rendo Duurzaam jaarlijks een huurbedrag moet voldoen (sale and leasebacktransactie 3: productie 61 dagvaarding). Van het bedrag van EUR 3,7 miljoen wordt EUR 1,7 miljoen verrekend met vorderingen die Rendo c.s. op SGI heeft en wordt het restant overgemaakt aan SGI en EPC.

2.88.

Op 22 september 2011 hebben Rendo Duurzaam en SGI een huurovereenkomst gesloten betreffende de verhuur van alle roerende zaken die Rendo van SGI heeft verworven waarbij zij zijn overeengekomen dat Rendo over de jaren 2011 en 2012 geen huur in rekening zal brengen bij SGI.

2.89.

Als gevolg van de (drie) en sale and leasebacktransacties heeft SGI (van N.V. Rendo en Rendo Duurzaam) in totaal een bedrag van EUR 12,95 miljoen ontvangen.

2.90.

Bij notariële akte van 22 september 2011 heeft Rendo Duurzaam (onder meer) de door Rendo Holding met SGE en SGC gesloten overeenkomsten van geldlening overgenomen als bedoeld in artikel 6:159 BW. In de notariële akte is vermeld dat SGC en SGE medewerking wensen te verlenen aan de overdracht van de leningen van Rendo Holding op Rendo Duurzaam.

2.91.

Op 22 september 2011 heeft Horizon BioEnergy Netherlands BV (hierna: Horizon) de aandelen van Marella in SGI overgenomen, waarbij de vordering van Marella op SGI met EUR 450.000,00 is afgewaardeerd. De openstaande vordering die Woldomus op SGI had is door Horizon overgenomen voor EUR 2,25 miljoen (productie 81 dagvaarding). Horizon heeft aan Woldomus op 22 september 2011 een bedrag van EUR 0,5 miljoen betaald (productie 82 dagvaarding), zoals ook eerder was overeengekomen (productie 103 [gedaagde] ). Woldomus heeft al met al EUR 2,5 miljoen ontvangen voor de aandelen in SGI (op 23 december 2009 EUR 1 miljoen, op 29 juni 2010 EUR 1 miljoen en op 22 september 2011 EUR 0,5 miljoen).

2.92.

In januari 2012 heeft [naam 23] aan Woldomus een brief gestuurd (productie 74 CvD) met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

"Recentelijk heeft u mij de vraag gesteld, om s.v.p. schriftelijk te reageren op de vraag, wat ik mij nog herinner van de eerste werkzaamheden, die ik voor Woldomus B.V. heb verricht.

Omdat het alweer een lange tijd geleden is, kan ik mij hierover echter nog maar heel weinig herinneren. Ik weet nog slechts dat ik enkele jaren geleden een computermodel in opdracht van Woldomus B.V. heb gemaakt. Het computermodel maakte berekeningen over de inkoop van energie. (…)"

2.93.

Vanaf enig moment in 2012 heeft het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek tegen (onder meer) [gedaagde] en Electrabel ingesteld. Electrabel heeft een schikking getroffen met het openbaar ministerie voor een bedrag van EUR 2,5 miljoen. Dit bedrag is ten goede gekomen aan Rendo Holding. Electrabel heeft daarnaast een bedrag van EUR 850.000,00 aan Rendo Holding betaald (in totaal derhalve EUR 3.350.000,00).

2.94.

[naam 23] is op 9 mei 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. In dat verhoor heeft [naam 23] verklaringen afgelegd over de inhoud van de arbeidsovereenkomst die hij met Woldomus had gesloten. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 25 dagvaarding) luidt op dat punt, voor zover hier van belang:

"(…) [gedaagde] is nadien bij mij gekomen. Hij zei er moet nog een zinnetje in. Het betreft de zin "In de honorering is tevens meegenomen de beloning voor eerder verrichte werkzaamheden aangaande de bouw van een computermodel m.b.t. de optimalisatie van inkoop van energie". Deze zin is er later ingezet. Op 22-06-2010 is die overeenkomst ondertekend. Daarna is de zin erin gezet en is het document opnieuw ondertekend. Het is dan geantidateerd. Het is meer dan een jaar later opgenomen, die zin bedoel ik. (…)

(…)

Ik trek een groot gedeelte van mijn verhaal terug. Er was geen computermodel. Ik had daar niets mee te maken. Ik kan helemaal niets met computers. (…) Heb ik ook geen verstand van. Wil ik ook helemaal niet. Ik heb geen computermodel gemaakt. (…)

Het verhaal gaat mis bij het verhaal van het computermodel. Dit computermodel heb ik in ieder geval niet gemaakt. Wellicht is het er wel maar daar heb ik niets mee te maken. Alles wat er gebeurd is met computermodellen en de verkoop aan Electrabel daar weet ik niets van. Dat het in mijn arbeidscontract staat dat is op verzoek van [gedaagde] . Ik heb het inderdaad ondertekend. (…) "

2.95.

[naam 3] is op 14 mei 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 22 dagvaarding en productie 13 CvA) luidt, voor zover hier relevant:

"Opmerking: Wij tonen gehoorde (…) een verslag van overleg tussen Electrabel (…) en NV Rendo Holding, dd 27 februari 2006. (…) Uit dit verslag volgt dat Rendo exclusiviteit gunt aan Electrabel tot 1 april 2006. Bij dit gesprek zijn onder meer aanwezig [naam 5] , drs. [naam 3] en drs. [gedaagde] .

(…)

Antwoord: "(…) Dat had te maken met het feit dat Electrabel ook nog in onderhandeling was met Cogas. Voor ons was het belangrijk dat Electrabel voor ons zou kiezen. Uiteindelijk heeft Electrabel toch ook Cogas overgenomen. De exclusiviteit was voor ons zeker zo belangrijk als voor Electrabel. Electrabel wilde graag als leverancier op de Nederlandse markt komen, wij wilden graag verkopen. De exclusiviteit was dus een wederzijds belang. Electrabel had aan slechts één marktpartij genoeg om een Nederlandse marktpositie in te nemen. Die kans wilden wij onderzoeken. Wij wisten dan zeker dat wij drie maanden de tijd hadden om tot een deal te komen. Electrabel wist dan omgekeerd dat wij niet naar een andere koper op zoek gingen. De exclusiviteit is zeker niet door [gedaagde] opgedrongen. Het was een strategisch belang voor ons als bestuur."

(…)

Vraag: (…) wordt met het terzijde schuiven van het bod van Dong de exclusiviteit van Electrabel bedoeld?

Antwoord: "Als wij hadden willen verkopen aan Dong dan hadden wij de periode van exclusiviteit van Electrabel kunnen afwachten. Het heeft er dus niets mee te maken dat het bod van Dong terzijde wordt geschoven in verband met de verleende exclusiviteit aan Electrabel."

Vraag: Heeft RENDO (…) het bod van DONG terzijde geschoven? Zo ja, waarom?

Antwoord: "Nee, absoluut niet. Het totaalpakket was van belang. Er is gewogen op het totaalpakket. Wij hebben het proces zo zichtbaar gemaakt richting de aandeelhouders, ook al omdat alle aandeelhouders op de hoogte waren van het bod van Dong, dat ieder aandeelhouder zijn eigen afweging kon maken. De AVA bleef vasthouden aan het voorstel van de Raad van Commissarissen om te verkopen aan Electrabel. Met name ook vanwege de randvoorwaarden waaraan Electrabel heeft voldaan."

(…)

Opmerking: (…) In de email van 2 juli 2006 van [naam 5] aan [gedaagde] , refereert [naam 5] aan een gesprek dat hij met de heer [naam 3] (gehoorde) heeft gehad, over extra acties van de kant van Electrabel, vooral vanwege het aanvullende aanbod van DONG. Electrabel heeft daarbij onder meer een bedrag genoemd van € 68 miljoen.

Vraag: Herinnert u zich bedoeld telefoongesprek? Heeft u met [naam 5] onderhandeld over verhoging van het bod van Electrabel?

Antwoord: "Dit gesprek ken ik, ik heb onderhandeld over het bod van Electrabel en heb het bod van DONG gebruikt als onderhandelingsmiddel. Ook hier gaat het weer over versterking van de personeelskant en de verzilvering van de omzetvergroting van Rendo."

2.96.

Op 29 juni 2012 is [gedaagde] op non-actief gesteld omdat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek naar hem instelde.

2.97.

Per 12 juli 2012 heeft [naam 1] de benoeming tot tijdelijk bestuurder van Rendo Holding geaccepteerd.

2.98.

Medio 2012 is [gedaagde] ontslagen wegens verdenking van fraude.

2.99.

Notulen van de vergadering van de RvC van Rendo Holding van 23 november 2012 (productie 113 CvD) luiden, voor zover hier van belang:

"De heer [naam 27] geeft aan geschrokken te zijn over de situatie waarin we verzeild zijn geraakt. Hoe heeft dit kunnen ontstaan dat er ruim 30 miljoen naar een onzeker project is gestopt?

De heer [naam 1] geeft aan dat er binnen RENDO alleen onze voormalig directeur met dit project bezig is geweest en dat er verder niemand iets vanaf wist. Vanaf juli 2012 is de heer [naam 1] hier actief ingedoken samen met de heer [naam 28] en [naam 29] ."

2.100. Op 4 december 2012 is [naam 1] met [gedaagde] door de FIOD gearresteerd op verdenking van fraude. Eind december 2012 is [naam 1] op staande voet ontslagen.

2.101. [naam 4] is op 4 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 41 dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Was de Raad van Commissarissen van Rendo en/of u destijds als commissaris op de hoogte van de 60% (middellijke) deelneming door de drie directeuren van Rendo (via echtgenotes dan wel een vennootschap) in SGI?

Antwoord: Nee, voor mij zelf sprekend nee en als commissaris sprekend ook nee.

Vraag: Hebben de directieleden van Rendo, de heren [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] de Raad van Commissarissen, of aan u als President Commissaris om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit?

Antwoord: Wat denkt u dat het antwoord is? Nee dus.

(…)

Antwoord: (…)

Ik wil nog wel verder opmerken dat als de Raad van Commissarissen dit allemaal had geweten in 2007 dan was dit hele project niet doorgegaan en had Rendo niet geïnvesteerd in dit project"

2.102. [naam 19] is op 4 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 70 dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Waarom ging u aandelen inkopen en wie heeft deze constructie bedacht?

Antwoord: Wij zagen dat er steeds meer belangstelling was en wij wilden van de overige aandeelhouders af. De constructie rond EPC is bedacht door een combinatie van [naam 18] , Tamek (toevoeging rechtbank: de accountant van SGI, zie dagvaarding onder 133) en Mazar.

(…)

Vraag: Hoe was de liquiditeitspositie van SGC BV en SGI BV voorafgaand aan het verkrijgen van de leningen van totaal 4,5 miljoen euro van Rendo in juni 2010?

Antwoord: Die liquiditeitspositie is nooit goed geweest, we hadden nog geen inkomsten enkel uitgaven. "

2.103. [naam 18] is op 4 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 69 dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang:

"Antwoord: (…) EPC is een vehikel dat we gebruikt hebben om de vermogenspositie van SGI te verhogen. (…) De reden om EPC te laten waarderen was om een mogelijkheid te creëren om de aandelen van de andere aandeelhouders, niet zijnde van mij of [naam 19] in te kunnen kopen. De andere aandeelhouders betroffen Woldomus en Marella BV. Je kunt pa inkopen als je een positief eigen vermogen hebt. De waarde van de aandelen van EPC zorgde hiervoor. (…) "

2.104. [naam 24] is op 5 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 50 dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Heeft u ook werkzaamheden verricht voor Stramproy Green Investments BV, zo ja welke en wanneer?

Antwoord: Daar heb ik geen werkzaamheden voor verricht. Over deze BV kan ik verder ook helemaal niets vertellen, maar het is wel zo dat [gedaagde] mij heeft gevraagd om daar een jaar aandeelhouder van te worden. Hij heeft mij er wel eens iets over verteld. Dat ze van houtsnippers iets maken. Ik wist er verder niets van. [gedaagde] vertelde mij dat hij een belangenverstrengeling had met Rendo en daarom vroeg hij om te helpen. Ik denk dat dit ergens in 2008 is geweest, in februari ofzo. Hij zei niet direct dat het een jaar zou duren, hij zei voor een korte periode misschien een of twee jaar. Hij garandeerde mij dat hij ze terug zou kopen. Ik wist dus dat het slechts tijdelijk zou zijn en ik heb het gedaan omdat hij mijn vriend is. (…)

(…)

Vraag: U koopt van de vennootschap Woldomus BV van de heer [gedaagde] aandelen Stramproy Green Investments BV en spreekt met hem af dat hij de aandelen weer terugkoopt op het moment dat de heer [gedaagde] dat wil. Ook spreekt u met hem af dat u in de tijd dat u wel aandeelhouder bent, niet actief bent in Stramproy Green Investments BV. Bent u het met ons eens dat u bent gebruikt als een stroman om de heer [gedaagde] , als de feitelijke gerechtigde, buiten beeld te houden?

Antwoord: Het begrip stroman ken ik niet. Achteraf zou het wel zo kunnen zijn dat ik gebruikt ben om [gedaagde] buiten beeld te houden. (…) "

2.105. [naam 3] is op 10 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 40 dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Was de Raad van Commissarissen van Rendo en/of u als toenmalig President Commissaris op de hoogte van de 60% (middellijke) deelneming door de drie directeuren van Rendo (via echtgenotes dan wel een vennootschap) in SGI?

Antwoord: Neen, de Raad van Commissarissen en ook ik was niet op de hoogte van de deelneming door de directie van Rendo in SGI.

Vraag: Hebben de directieleden van Rendo, de heren [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] de Raad van Commissarissen, of aan u als President Commissaris om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit?

Antwoord: Nee, zij hebben niet om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit.

(…)

Opmerking: De gehoorde wordt geconfronteerd met een passage uit de verklaring van [naam 19] van 4 december 2012, op de vraag had de raad van commissarissen van NV Rendo Holding toestemming gegeven aan de directie van NV Rendo Holding om een belang (middellijk dan wel onmiddellijk) te hebben in een bedrijf die stroom produceert:

" [naam 18] heeft dat tegen mij gezegd dat hij dat heeft gevraagd aan [gedaagde] en dat [gedaagde] heeft gezegd dat de Raad van Commissarissen hier positief over hebben gestemd. Wij hebben nooit een document hierover gezien."

Vraag: Wat is uw reactie hierop?

Antwoord: (…) Als hij bedoelt te zeggen dat RvC toestemming heeft gegeven aan de directieleden van Rendo om op persoonlijke titel aandelen te verkrijgen in Stramproy dan is dat volstrekt onjuist. Wij hebben dit als Raad van Commissarissen nooit geweten en wij zouden daar ook nooit toestemming voor hebben verleend.

(…)

Vraag: Als de Raad van Commissarissen had geweten dat de directieleden van Rendo ( [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] ) tevens meerderheidsaandeelhouders waren van SGI, zou de Raad van Commissarissen dan toestemming hebben verleend voor verstrekking van bovenstaande leningen ad € 20.300.000 door Rendo?

Antwoord: Als de Raad van Commissarissen had geweten van de doorbetalingen aan rechtspersonen van [gedaagde] en [naam 1] had de Raad van Commissarissen absoluut geen toestemming verleend voor deze leningen.

Vraag: Als u als toenmalig President-Commissaris had geweten dat de directieleden van Rendo ( [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] ) tevens meerderheidsaandeelhouders waren van SGI, zou u dan toestemming hebben verleend voor verstrekking van bovenstaande leningen ad € 20.300.000 door Rendo?

Antwoord: Absoluut niet.

Opmerking: De gehoorde wordt geconfronteerd met een passage uit de verklaring van de huidige President Commissaris [naam 4] van 4 december 2012:

"Ik wil nog wel verder opmerken dat als de Raad van Commissarissen dit allemaal had geweten in 2007 dan was dit hele project niet doorgegaan en had Rendo niet geïnvesteerd in dit project."

Vraag: Wat is uw reactie hierop?

Antwoord: Het zijn zijn woorden, maar ik ben het er volledig mee eens."

2.106. Op 31 januari 2013 is [naam 3] als getuige gehoord door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 15 CvA) luidt, voor zover hier relevant:

"In de laatste fase van de onderhandelingen met Electrabel heb ik als president commissaris telefonisch contact met [naam 5] opgenomen als voorzitter van de Raad van Commissarissen. Ik vond het belangrijk dat ik hierover zelf, in plaats van [gedaagde] , contact met [naam 5] had. Het was ook een kwestie die door de OR als heel belangrijk werd beschouwd. Namens de Raad van Commissarissen heb ik dus nog contact gehad hierover om zekerheid te krijgen. (…)

(…)

We hebben voor dit proces een versterkte accountbegeleiding ingehuurd. (…)

(…)

U houdt mij voor dat ik heb gezegd dat ik zelf de onderhandelingen heb gevoerd. Ik bedoel hiermee in mijn rol als voorzitter van de Raad van Commissarissen. Dit betreft het begingesprek en de eindfase. Tijdens het eerste gesprek met [gedaagde] en [naam 5] , het strategisch begin, leek mij dat zij elkaar vanuit hun studie kenden. Na dat eerste gesprek had de Raad van Commissarissen de bestuurlijke regie op het proces. De tussenstappen, zoals gesprekken met accountant, klantenanalyses en dergelijke zijn door [gedaagde] gedaan. Het bedrag moest te matchen zijn met het gekapitaliseerde rendement. De Raad van Commissarissen besprak de voortgang en monitorde. (…)

(…)

Het kernpunt is dus dat ik eerlijk heb verteld aan Dong dat we niet in gesprek konden gaan want dat we in een exclusiviteitfase zaten waarbij we belangrijke niet financiële aspecten op tafel hadden die we waarschijnlijk binnen zouden halen. Ik bedoelde dus te zeggen dat we 2 extra condities, die voor ons heel belangrijk waren, al binnen hadden. Ik wist niet of Dong dat ook zou willen. Er waren voor mij geen zwaarwegende redenen om de exclusiviteit niet als kernargument aan Dong voor te houden. Eigenlijk heb ik dus gewoon gezegd: "U bent te laat".

(…)

Dong bood geen hogere prijs volgens [gedaagde] , zijn mensen en volgens mijzelf. Ik heb dit ook laten uitrekenen. het kon geen substantieel hogere prijs worden. Dit is door [gedaagde] verder uitgewerkt in het eindstuk dat aan de AVA werd aangeboden neergelegd. [gedaagde] heeft dit ook nog toegelicht. Mijn bron van wetenschap omtrent de hoogte van de prijs, en het feit dat de door Dong geboden prijs niet hoger was dan de prijs die Electrabel had geboden, was dus [gedaagde] (…)"

2.107. Aan SGI is op 2 mei 2013 op verzoek van haar bestuurder Horizon voorlopig surseance van betaling verleend. Op diezelfde dag is het faillissement uitgesproken van SGC en SGE. Op 8 mei 2013 is de surseance van SGI omgezet in een faillissement.

2.108. Op 25 april 2013 is [naam 5] als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD (productie 139 antwoordakte Rendo). Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Volgens de specificatie (…) is sprake van een computermodel. Heeft Woldomus BV daadwerkelijk de prestaties of leveringen voor Electrabel verricht zoals omschreven in de specificatie?

Antwoord: Dat is mij niet bekend. U vraagt mij of ik de naam [naam 23] ken. Vóór het verhoor in mei 2012 had ik nooit van hem gehoord. De FIOD heeft zijn naam genoemd. (…)"

2.109. [naam 19] is op 11 september 2013 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD (productie 54 dagvaarding). Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Wanneer heeft u van [gedaagde] gehoord wie [naam 24] was en wat vond u daarvan?

Antwoord: (…) [gedaagde] wist mij te overtuigen dat ik geen contact met [naam 24] zou hebben. Die wijziging was volgens [gedaagde] nodig vanwege de Splitsingswet. Volgens die wet mochten de directieleden van RENDO op geen enkele wijze, dus ook niet indirect, aandeelhouder van SGI zijn. De aandelen gingen over naar [naam 24] de vertrouwenspersoon van Rendo. Overigens is [naam 24] op geen enkele AVA aanwezig geweest en ik heb hem eenmalig bij de notaris gesproken. [naam 24] had dus in de praktijk geen zeggenschap. (…)"

2.110. In opdracht van Rendo Holding heeft Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EY) een accountantsonderzoek gedaan gericht op het in kaart brengen van de feiten en omstandigheden met betrekking tot de besluitvorming, de totstandkoming van en de uitvoering van de overeenkomsten met SGI en daartoe behorende groepsmaatschappijen in relatie tot de energiecentrale Steenwijk alsmede de financiering van de energiecentrale. EY heeft dat onderzoek verricht en daarover op 25 september 2013 gerapporteerd. Het rapport (productie 64 dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang:

"Als onderdeel van de jaarrekening 2007 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2007

(bedragen * € 1.000)

(…)

Achtergestelde geldleningen 2.500

(…)

"De achtergestelde geldleningen aan bedrijven, met ondernemingsactiviteiten die een versterkende invloed hebben op het energienetwerk van RENDO, hebben een looptijd van 10 jaar en een rentepercentage van 8% per jaar. In totaal is voor € 6 miljoen aan leningen overeengekomen waarvan € 2,5 miljoen in 2007 beschikbaar is gesteld. Terugbetaling van de lening zal lineair geschieden in 7 achtereenvolgende jaren, vervallende voor het eerst op 31 december 2010"

(…)

Als onderdeel van de jaarrekening 2008 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2008

(bedragen * € 1.000)

(…)

Achtergestelde geldleningen 2.500

(…)

"De achtergestelde geldleningen aan bedrijven, met ondernemingsactiviteiten die een versterkende invloed hebben op het energienetwerk van RENDO, hebben een looptijd van 10 jaar en een rentepercentage van 1-maands euribor + 5,3% per jaar. In totaal is voor € 15,8 miljoen aan leningen overeengekomen waarvan € 3,8 miljoen in 2009 beschikbaar is gesteld. Terugbetaling van de lening zal lineair geschieden in 10 achtereenvolgende jaren, vervallende voor het eerst op 31 december 2010"

(…)

Als onderdeel van de jaarrekening 2009 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2009

(bedragen * € 1.000)

Boekwaarde 1 januari 2009 12.000

Aankopen, verstrekte leningen 3.800

(…)

15.800

(…)

Als onderdeel van de jaarrekening 2010 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2010

(bedragen *€ 1.000)

Boekwaarde 1 januari 2010 15.800

Aankopen, verstrekte leningen 4.500

(…)

20.300

(…)

Als onderdeel van de jaarrekening 2010 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2011

(bedragen *€ 1.000)

Boekwaarde 1 januari 2011 20.300

(…)

Verkopen, aflossingen, onttrekkingen (1.000)

(…)

19.300"

Over de aan SGI danwel haar dochters verstrekte leningen is in het rapport van EY (op bladzijden 58 en 59) vermeld, voor zover hier van belang:

"In de kwartaal rapportage van NV Rendo Holding van het 4e kwartaal 2008 is onder ''Treasury' het navolgende over de liquiditeit en solvabiliteitspositie van NV Rendo Holding opgenomen:

"De leningen aan Stramproy Green Coal betreffen twee achtergestelde leningen van 6 miljoen elk. Het rentepercentage over deze leningen bedraagt 8%. Gezien de liquiditeit en het langdurige karakter van de lening u/g Stramproy valt te overwegen om deze lening lang te financieren i.p.v. kort. De komende maanden wordt een verdere daling van de lange rente verwacht, voorlopig is het dan ook aan te raden om de korte financiering voor te zetten maar op een later tijdstip om te zetten in lange financiering"

In de notulen van de bespreking (toevoeging rechtbank: met verwijzing naar een voetnoot waarin voor zover hier van belang is vermeld "Volgens de notulen waren de heren [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] bij de bespreking aanwezig (…)") van de kwartaalrapportage 4e kwartaal 2008 is het volgende vermeld:

"Voor wat betreft de keuze van omzetting lening/reeds aangaan van nieuwe lening met betrekking tot de langlopende financiering zal een aanvullend gesprek plaatsvinden tussen [gedaagde] , [naam 1] en [naam 28] . (…)"

In de kwartaal rapportage van NV Rendo Holding van het 1e kwartaal 2010 is onder ''Treasury" het navolgende over de liquiditeit en solvabiliteitspositie van NV Rendo Holding opgenomen:

"De leningen aan Stramproy Green Coals betreffen twee achtergestelde leningen van respectievelijk 8 miljoen en 7,8 miljoen. (…)

In de notulen (toevoeging rechtbank: met verwijzing naar een voetnoot waarin voor zover hier van belang is vermeld "Volgens de vermelding in de notulen waren hierbij de heren [gedaagde] en [naam 1] aanwezig.") van de bespreking van het 1e kwartaalrapport 2010 is het navolgende vermeld:

"Stramproy. [gedaagde] geeft aan dat er een nieuwe leningsovereenkomst van 4,5 miljoen is afgesproken. [naam 28] vraagt zich af of er niet teveel risico wordt genomen? [gedaagde] geeft aan dat de nieuwe lening gedekt is door meer dan 8 miljoen aan activa. Verder is op juridisch gebied advies gevraagd door een separate notaris. Op economisch gebied heeft Mazars Berenschot een positief advies rapport geschreven. Met de nieuwe lening worden ook alle facturen die per 1 juli zouden komen open te staan richting Rendo naar Stramproy verrekend (per saldo wordt dus minder dan 3,6 miljoen uitbetaald). De voortgang richting dit project gaat in afstemming met de RvC. De directie houdt hier natuurlijk een eigen bevoegdheid in. (…)"

2.111. Een persbericht van het Openbaar Ministerie van 16 december 2013 (productie 26 dagvaarding) luidt, voor zover hier van belang:

"Het Openbaar ministerie (OM) is met GDF Suez Energie Nederland N.V. - voorheen Electrabel Nederland N.V. (Electrabel NL) - een transactie overeengekomen van een betaling aan het OM van drie miljoen euro.

Dit bedrag wordt betaald vanwege betalingen van in totaal één miljoen euro door Electrabel NL aan een vennootschap van de toenmalige algemeen directeur van Rendo Holding B.V. in 2006 en 2007. De betalingen hielden kennelijk verband met de overname aan de energieleveringspoot van Rendo (Rendo Energielevering B.V.) door Electrabel NL in 2006. Deze betalingen waren met een valse factuurstroom aan Electrabel NL afgedekt. (…)"

2.112. Op 18 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Rendo Holding verlof verleend tot het ten laste van [gedaagde] (doen) leggen van conservatoir beslag op onroerende zaken, roerende zaken, aandelen op naam en onder derden (productie 3 dagvaarding). Bij beschikking van 25 april 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank Rendo Holding toegestaan tot het ten laste van [gedaagde] (doen) leggen van conservatoir beslag onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en onder het APB (productie 4 dagvaarding).

2.113. [naam 23] is op 7 april 2015 als getuige gehoord door de rechter-commissaris belast met strafzaken in deze rechtbank. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 67 CvD) luidt, voor zover hier van belang:

"(…) Ik heb nooit werkzaamheden voor Woldomus verricht. Ik heb geen Excel spreadsheetmodel ontwikkeld. Ik had dat ook niet gekund. Ik kan een computer bedienen, maar als het te ingewikkeld wordt, dan kan ik het niet. Ik kan niet programmeren. Ik beschik niet de vaardigheden en de kennis om een computermodel te maken. Ik heb bij de FIOD een aantal facturen gezien voor in totaal een miljoen Euro of zo. Ik had deze facturen niet eerder gezien. Ik wist niet van het bestaan van die facturen. Ik wist niet dat er geld aan Woldomus door Electrabel was betaald. Ik heb nooit werkzaamheden voor Electrabel verricht. Ik heb wel werkzaamheden voor Rendo verricht op het gebied van duurzame energie. (…)"

2.114. Op 5 oktober 2015 is [naam 3] als getuige gehoord door de rechter-commissaris belast met strafzaken in deze rechtbank. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (productie 87 CvD) luidt, voor zover hier relevant:

"U vraagt mij of [gedaagde] mij heeft verteld dat hij door [naam 5] was benaderd om werkzaamheden te verrichten? Dat heeft hij me inderdaad verteld. Het ging om werkzaamheden met betrekking tot klantsystemen, de systemen met betrekking tot de in- en verkoop. [gedaagde] vertelde dat een bureautje van zijn schoonvader deze werkzaamheden zou gaan verrichten. Ik heb toen wel aan [gedaagde] gevraagd of dat wel kon. Het waren beperkte bedragen, 1 a 2 ton. Ik snapte dat er hulp moest komen."

2.115. Op 10 november 2016 heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [gedaagde] vonnis gewezen (ECLI:NL:RBNNE:2016:4959). Deze rechtbank heeft [gedaagde] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden (onder meer) voor het feit dat hij zich als ambtenaar heeft laten omkopen (passieve ambtelijke omkoping). De rechtbank acht bewezen dat [gedaagde] een beloning van EUR 1 miljoen heeft gevraagd en ontvangen voor het verlenen van zijn medewerking aan de onderhandelingen in 2006 met Electrabel en over de overname van het leveringsbedrijf van Rendo. Verder heeft de rechtbank bewezen verklaard geacht:

"2. primair: opdracht gegeven tot valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, door een rechtspersoon, terwijl hij daar opdracht tot heeft gegeven;

3. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

4. primair: medeplegen van valsheid in geschrift. "

2.116. In een tussenconclusie heeft de rechtbank daartoe in het vonnis van 10 november 2016 overwogen, voor zover hier van belang:

"Vast staat dat in de maanden na de overname op 1 oktober 2006 door Electrabel inderdaad een bedrag van 1 miljoen euro is uitgekeerd via de betaling van de zeven hiervoor aangehaalde facturen aan Woldomus BV.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank niet gebleken dat door of vanwege Woldomus enig advieswerk is verricht voor of ten behoeve van Electrabel en/of [naam 5] , laat staan de werkzaamheden die [naam 5] aan verdachte in zijn e-mailbericht van 17 februari 2006 heeft voorgesteld. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat de facturen op de kosten voor dergelijke werkzaamheden zien, omdat de periode van werkzaamheden die in de e-mail wordt voorgesteld (twee jaar) langer is dan de periode van ruim 8 maanden waarbinnen de facturen ter betaling zijn ingediend. Bovendien correspondeert het totaalbedrag van de zeven facturen niet met het in de e-mail van 17 februari 2006 voorgestelde bedrag en de omschrijving van de werkzaamheden op de facturen ('advieskosten'") niet met de door [naam 5] voorgestelde retailwerkzaamheden.

In de administratie van Electrabel is geen specificatie van deze facturen aangetroffen. Uit een eerst op 17 maart 2010 door verdachte aan [naam 30] , financieel directeur van Electrabel, overgelegde specificatie is op te maken dat de bedragen van de facturen zouden zien op de kosten van (de ontwikkeling van) een computerprogramma dan wel prestatieverbeteringen die het gevolg zouden zijn van een computermodel. Ter zitting heeft verdachte nader uitgelegd dat Woldomus, in de persoon van [naam 23] , een besparings(computer)programma heeft ontwikkeld dat geïntegreerd zou zijn in het door Electrabel reeds gebruikte computerprogramma en dat de facturen van Woldomus zagen op de in dit kader gemaakte kosten.

Deze onderbouwing van de facturen acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daartoe overweegt de rechtbank dat niemand binnen Electrabel heeft bevestigd dat Woldomus voor Electrabel een dergelijk computer- of besparingsprogramma heeft ontwikkeld en dat het programma zelf, noch enige documentatie hieromtrent, is aangetroffen bij Electrabel en/of verdachte en/of Woldomus. Bovendien heeft [naam 23] , die als ontwikkelaar van het programma door verdachte naar voren wordt geschoven, ontkend voormeld computerprogramma te hebben gebouwd, waarbij hij heeft verklaard hiertoe ook niet in staat te zijn omdat hij daarvoor te weinig verstand van computers heeft. Hieruit volgt tevens dat de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij via Woldomus met behulp van [naam 23] een computerprogramma heeft geleverd ten bedrage van 1 miljoen euro niet geloofwaardig acht. (…) Uit het voorgaande volgt dat verdachte - via Woldomus - een bedrag van 1 miljoen euro heeft ontvangen zonder enige aanwijsbare tegenprestatie die is verricht na de overname van de aandelen van Rendo Energielevering door Electrabel. De conclusie is derhalve gerechtvaardigd dat deze betaling de weerslag is geweest van de afspraken die in februari 2006, derhalve voor de overname, tussen verdachte en [naam 5] zijn gemaakt over de bemiddelende en meewerkende rol die verdachte in het overnametraject zou spelen. (…)

2.117. Verder heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 november 2016 overwogen, voor zover hier relevant:

"(…) Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen en in het licht van de hierboven weergegeven tussenconclusies is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de hoedanigheid van ambtenaar in de ten laste gelegde periode in strijd met zijn plicht voor zijn bemiddeling bij de overname van het energieleveringsonderdeel van Rendo door Electrabel heeft gevraagd om betaling van 1 miljoen euro, de belofte hiertoe heeft aangenomen en na het rondkomen van de overname dit geldbedrag daadwerkelijk heeft ontvangen via zijn eigen vennootschap. Daarbij wijst de rechtbank er op dat niet vereist is dat bewezen kan worden dat sprake is van een direct verband tussen de gift en/of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, maar dat er ook een bewezenverklaring kan volgen indien een gift en/of belofte is gedaan teneinde aldus een relatie met diegene te doen ontstaan en/of onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (…). De rechtbank acht hiermee vergelijkbaar de situatie die in het onderhavige geval aan de orde is, namelijk dat de belofte en later de gift zijn gedaan om ervoor te zorgen dat verdachte, die als algemeen directeur van Rendo een invloedrijke stem had in het onderhandelingsproces, een meewerkende welwillende opstelling zou (blijven) innemen. Op grond van de reeds aangehaalde bewijsmiddelen, en de algehele gang van zaken, staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat verdachte weet had van de reden waarom deze belofte, en later de gift, gedaan werden. Reeds hieruit volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - passieve ambtelijke omkoping. (…)"

2.118. De rechtbank heeft in het vonnis van 10 november 2016 verder overwogen dat er geen bewijs is voor het verwijt dat hij het onderhandelingsproces negatief heeft beïnvloed door prijsinformatie aan Electrabel te verstrekken of door een concurrerend bod van een andere energiemaatschappij buiten de deur te houden. De rechtbank heeft daartoe (onder meer) overwogen:

"(…) Het verwijt dat verdachte prijsinformatie zou hebben verstrekt, vloeit - zo begrijpt de rechtbank - voort uit de aantekeningen van [naam 5] over het gesprek op 14 februari 2006 en de inhoud van de e-mail van dezelfde datum van [naam 5] aan [naam 6] , in het bijzonder de passage: "Ik breng onder de aandacht dat als de stelling van [gedaagde] juist is mbt het aantal (gestegen) aansluitingen en we in staat zouden zijn om de prijs op € 61,5 mio te houden we de kosten van zijn inschakeling snel hebben terugverdiend".

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat er een verband bestond tussen de beloning waarom verdachte in dat gesprek heeft gevraagd en de - kennelijk - door hem gemaakte opmerkingen over het aantal aansluitingen. [naam 5] maakt een dergelijke koppeling ook niet in zijn aantekeningen of de hierboven weergegeven e-mail.

De rechtbank wijst er bovendien op dat in het verloop van de onderhandelingen met Electrabel de overnameprijs meerdere malen verhoogd is en dat de overnameprijs (uiteindelijk) wel degelijk (mede) gebaseerd is op het aantal gas- en elektriciteitsaansluitingen van Rendo. Ook uit de feitelijke gang van zaken kan dus geen helder verband worden afgeleid tussen de betaling van het bedrag van 1 miljoen euro en de (enkele) opmerking die verdachte op 14 februari 2006 over het bod in relatie tot het aantal aansluitingen heeft gemaakt.

Evenmin kan op grond van de stukken overtuigend worden vastgesteld dat de (belofte van) de betaling van 1 miljoen euro door Electrabel aan verdachte een rol heeft gespeeld bij de beslissing van Rendo om geen onderhandelingen aan te gaan met Dong. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat verdachte daar niet als enige over kon beslissen. Het door Dong gedane bod was niet alleen bij verdachte bekend. Ook de aandeelhoudende gemeentes en de RvC waren van (details van) het bod op de hoogte. Dong heeft, zo blijkt uit de stukken, het bod immers nadrukkelijk onder de aandacht gebracht bij alle mogelijke betrokkenen. Er is overigens geen sprake van dat het bod van Dong zonder meer terzijde is gelegd. Het bod is wel degelijk onderzocht en vergeleken met het bod van Electrabel; het is zelfs gebruikt om Electrabel tot (nog meer) concessies te dwingen. De suggestie dat verdachte er voor heeft gezorgd dat het bod van Dong geen rol heeft kunnen spelen bij de besluitvorming over de verkoop van Rendo Energielevering vindt derhalve geen steun in het dossier. De rechtbank merkt daarbij nog op dat (onder meer) uit de verklaringen van de voorzitter van de RvC, [naam 3] , volgt dat Rendo niet per se uit was op het hoogst mogelijke bod per aansluiting, maar dat ook zeer veel waarde werd gehecht aan de garanties die Electrabel gaf met betrekking tot de huisvesting en werkgelegenheid - garanties die overigens voor een deel tot stand zijn gekomen door te schermen met het bod van Dong. Het bod van Dong kwam bovendien op een dusdanig moment dat het onderhandelingsproces tussen Rendo en Electrabel al in een vergevorderd stadium was en zijn afrondingsfase naderde; Dong was gewoonweg te laat, aldus [naam 3] . (…)"

2.119. [gedaagde] is van het vonnis van de rechtbank van 10 november 2016 in hoger beroep gekomen.

2.120. Op 10 november 2016 heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdacht Woldomus vonnis gewezen (ECLI:NL:RBNNE:2016:4950). De rechtbank heeft geoordeeld dat Woldomus zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Woldomus is veroordeeld tot betaling van een geldboete van EUR 500.000,00. Verder heeft de rechtbank het geldbedrag van EUR 1.190.000,00 verbeurd verklaard. Ten aanzien van de verbeurdverklaring heeft de rechtbank overwogen, voor zover hier relevant:

"Nu verdachte een groot bedrag heeft ontvangen door middel van het door haar gepleegde strafbare feit ziet de rechtbank aanleiding dit bedrag verbeurd te verklaren teneinde verdachte terug te brengen in de financiële situatie waarin zij verkeerde zonder de opbrengst van het gepleegde strafbare feit. Het aldus verbeurd te verklaren bedrag bepaalt de rechtbank op een bedrag inclusief BTW, omdat ook dit bedrag aan BTW ter hoogte van € 190.000,00 door middel van het strafbare feit is verkregen. (…)"

2.121. [naam 18] is op 11 oktober 2017 als getuige gehoord door de rechter-commissaris belast met strafzaken in deze rechtbank. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal (ongenummerde aan de pleitnota van [gedaagde] gehechte productie) luidt, voor zover hier van belang:

"Het klopt dat [gedaagde] en ik in november 2009 over en weer e-mailden over de inbreng van EPC en de financiering van de inkoop van de aandelen. u vraagt mij wie het zogenaamde stappenplan dat hiervoor is gemaakt, heeft bedacht. Ik denk dat dit in interactie is gebeurd en dat het een combinatie van ideeën was. [gedaagde] wilde wel dat de stappen in een document werden vastgelegd. Ik weet niet wie dit heeft opgesteld. De aandelenovereenkomst die ook onderdeel was van dit stappenplan, is door [naam 31] opgesteld."

2.122. Op 6 februari 2018 heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [gedaagde] vonnis gewezen. Deze rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan:

- het medeplegen van de voortgezette handeling van oplichting;

- het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware toelichting op een staat, meermalen gepleegd;

- valsheid in geschrift;

- valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- het medeplegen van valsheid in geschrift.

2.123. De Noordelijke Fraudekamer heeft [gedaagde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. [gedaagde] is van het vonnis van de rechtbank van 6 februari 2018 in hoger beroep gekomen.

3 Het geschil

3.1.

Rendo c.s. vordert, na wijziging eis, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair [gedaagde] en Woldomus hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Rendo Holding van de door haar geleden schade ter grootte van EUR 38.809.319,83 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

subsidiair

  1. [gedaagde] en Woldomus hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Rendo Holding van de door haar geleden schade ter grootte van EUR 21.167.882,21 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, althans ter grootte van EUR 3.500.000 te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

  2. [gedaagde] en Woldomus hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Rendo Beheer van de door haar geleden schade ter grootte van EUR 6.718.312,44 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

  3. [gedaagde] en Woldomus hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan NV Rendo van de door haar geleden schade ter grootte van EUR 38.809.319,83 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, althans EUR 6.718.312,44 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, althans ter grootte van EUR 3.500.000 te vermeerderen met wettelijke rente, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

  4. [gedaagde] en Woldomus hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Rendo Duurzaam van de door haar geleden schade ter grootte van EUR 10.638.780,18 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

primair en subsidiair met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en Woldomus in de proceskosten, de beslagkosten inbegrepen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer primair met conclusie tot afwijzing van de vorderingen, subsidiair met conclusie tot toewijzing tot een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, primair en subsidiair met veroordeling van Rendo c.s. in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij faxbericht van 18 januari 2018 heeft mr. Van Leuveren namens [gedaagde] opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal en aanvullingen op het proces-verbaal geformuleerd met het verzoek deze aanvullingen onderdeel te laten uitmaken van het proces-verbaal. Rendo heeft daarop niet gereageerd.

De rechtbank wijst het verzoek af. Het proces-verbaal is geen letterlijke weergave van hetgeen ter gelegenheid van de pleidooien is verklaard, maar vormt een zakelijke samenvatting daarvan. Van kennelijke fouten of misslagen in het proces-verbaal is niet gebleken. De inhoud van de brief namens [gedaagde] maakt dan ook geen onderdeel uit van de processtukken.

4.2.

Het door Rendo c.s. primair gevorderde, aan Rendo Holding te betalen bedrag

van € 38.809.319,83 is als volgt opgebouwd:

  1. schade inzake Electrabel EUR 6.718.312,44

  2. schade inzake SGI EUR 31.806.662,39

  3. overige schade EUR 284.345,00

Totale schade EUR 38.809.319,83

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vordering tot schadevergoeding inzake Electrabel en vervolgens op de vordering tot schadevergoeding inzake SGI.

Electrabel

4.3.

Het bedrag van EUR 6.718.312,44 dat wordt gevorderd inzake Electrabel omvat de volgende posten:

1. verschil overnameprijs

Electrabel en bieding Dong EUR 5.678.000,00

2. juridische kosten WW ontslagzaak EUR 182.400,00

3. juridische kosten Bontebok/Electrabel EUR 164.559,00

subtotaal EUR 6.024.959,00

4. wettelijke rente 1/10/06 tot aan 28/11/14 EUR 2.355.908,35

subtotaal EUR 8.380.867,35

5. reeds verhaalde schade (1e betaling) -/- EUR 850.000,00

subtotaal EUR 7.530.867,35

6. wettelijke rente 29/11/14 tot 23/2/15 EUR 42.709,30

subtotaal EUR 7.573.576,65

7. reeds verhaalde schade (2e betaling) -/- EUR 2.500.000,00

subtotaal EUR 5.073.576,65

8. wettelijke rente 24/2/15 - 13/3/17 EUR 210.178,74

9. nog te ontvangen vergoeding -/- EUR 22.500,00

totaal EUR 5.261.255,39

10. waardeverschil i.v.m. debiteuren EUR 1.042.316,56

10. wettelijke rente 16/7/07 - 13/3/17 EUR 414.740,49

totaal EUR 1.457.057,05

totale schade Electrabel EUR 6.718.312,44

4.4.

Onder verwijzing naar de tegen [gedaagde] en Woldomus gewezen strafvonnissen van 10 november 2016 heeft Rendo c.s. (onder meer en samengevat) aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] en Woldomus onrechtmatig jegens Rendo c.s. hebben gehandeld, [gedaagde] omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping en Woldomus omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

4.5.

Bij de beoordeling van de vorderingen stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde] van het strafvonnis in hoger beroep is gekomen en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Een niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Nederlandse strafrechter, waarbij bewezen is verklaard dat een feit is begaan, heeft vrije bewijskracht (artikel 161 Rv en HR 20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7682).

4.6.

Mede op basis van het strafvonnis zal de tegen Woldomus (die niet in deze procedure is verschenen) ingestelde primaire vordering tot vergoeding van schade van EUR 6.718.312,44 inzake Electrabel bij eindvonnis als zijnde niet ongegrond of onrechtmatig worden toegewezen.

4.7.

[gedaagde] heeft in deze procedure gemotiveerd betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping en overigens dat hij onrechtmatig heeft gehandeld.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] en [naam 5] een ontoelaatbare en onrechtmatige afspraak hebben gemaakt eruit bestaande dat [gedaagde] EUR 1 miljoen zou ontvangen als hij positief zou adviseren over en mee zou werken aan de overname door Electrabel. [naam 5] heeft het als volgt omschreven: "Vraagt fee voor medewerking. Komt neer op 1 mio euro schriftelijke bevestiging" (zie 2.7. hiervoor) en "Hij (toevoeging rechtbank: [gedaagde] ) kan naar mijn oordeel van grote waarde zijn voor ons in dit overname-traject en wellicht ook daarna in het integratietraject. Hij heeft wel een fee van € 1 mio voor zijn bemiddeling geclaimd." (zie 2.8. hiervoor). [gedaagde] heeft ook naar de afspraak gehandeld. Zo heeft hij [naam 5] aangegeven dat Electrabel het bod niet te hoefde te verhogen vanwege het bod van Dong (zie het e-mailbericht van [naam 5] aan [gedaagde] van 2 juli 2006 en het e-mailbericht van [naam 5] aan [naam 6] van 14 februari 2006). [naam 5] heeft op zijn beurt ervoor gezorgd dat [gedaagde] via Woldomus uiteindelijk EUR 1 miljoen heeft ontvangen.

Dat het een ontoelaatbare en onrechtmatige beloning betrof realiseerden [gedaagde] en [naam 5] zich ook. [naam 5] merkt daarover op dat er niets op papier moest komen, het was een 'gentleman 's agreement ' (hiervoor 2.11.) en hij heeft de afdeling inkoop van Electrabel (die navraag deed over de betalingen aan Woldomus) geantwoord dat er geen nadere gegevens aan de facturen ten grondslag lagen en dat de opdracht (ook door de afdeling inkoop) strikt vertrouwelijk behandeld moest worden. Ook [gedaagde] wist dat de door hem bedongen vergoeding niet was toegestaan en dat hij daarvan in ieder geval melding moest maken bij de RvC (zie ook hierna r.o. 4.12.). Dat heeft hij niet gedaan. Sterker nog, [gedaagde] heeft bewust geprobeerd zijn persoonlijke beloning van EUR 1 miljoen buiten het zicht te houden van Rendo en de RvC. Dat blijkt uit het feit dat [gedaagde] wilde dat het bedrag apart op een escrow rekening ten gunste van [gedaagde] zou worden gestort, waarna het vrij zou moeten vallen direct na de verkoop van Rendo (2.13. hiervoor). [naam 7] (van de zijde van Electrabel) heeft [naam 5] er in dat verband nog op gewezen dat het er op lijkt dat [gedaagde] zijn beloning bewust buiten het zicht van Rendo/RvC wil houden. Bovendien heeft [gedaagde] achteraf een (volstrekt niet overtuigende) reden getracht te fabriceren voor de door Woldomus ontvangen gelden (zie daarvoor ook hetgeen de rechtbank hierna overweegt). Dat maakt zijn handelwijze des te kwalijker. Tot dat oordeel kwam ook de meervoudige strafkamer (bij vonnis van 10 novemer 2016). Weliswaar heeft dat vonnis in deze procedure geen dwingende bewijskracht, maar daarin wordt het onrechtmatige karakter van de betaling in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen vastgesteld.

4.9.

Het feit dat het een onrechtmatige en ontoelaatbare betaling betrof, volgt ook uit het feit dat (dus) ook niet gebleken is dat [gedaagde] - anders dan zijn medewerking aan de overname van Rendo door Electrabel - enige reële tegenprestatie heeft verricht voor betaling door Electrabel van EUR 1 miljoen. Vaststaat dat [gedaagde] na de overname voor Rendo c.s. is blijven werken. Het enkele feit dat [gedaagde] na de overname werkzaamheden bij Electrabel heeft uitgevoerd, verklaart dan ook niet waarom aan Woldomus EUR 1 miljoen is betaald. Rendo c.s. heeft in dit kader ook aangevoerd dat het om werkzaamheden ging die [gedaagde] in zijn hoedanigheid van algemeen directeur op grond van artikel 14 van de overnameovereenkomst ("SAMENWERKING NA CLOSING") van 29 september 2006 diende uit te voeren.

4.10.

[gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat hij van de vorige bestuurder van Rendo Holding, ing. [naam 32] (hierna: [naam 32] ), toestemming heeft gekregen om een besloten vennootschap op te richten. [gedaagde] heeft overgelegd (productie 53 CvA) een volgens [gedaagde] door [naam 32] voor akkoord ondertekende verklaring met de inhoud "Hierbij verzoek ik (toevoeging rechtbank: [gedaagde] ) om (…) mij toestemming te verlenen om een B.V. op te richten. In deze B.V. zullen onroerende goederen worden ge-exploiteerd.". [gedaagde] verwijst verder naar de door [naam 3] ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van 5 oktober 2015. [naam 3] heeft verklaard dat [gedaagde] hem heeft verteld dat "een bureautje van zijn schoonvader", lees: Woldomus, werkzaamheden met betrekking tot klantsystemen en systemen met betrekking tot de in- en verkoop voor Electrabel zou verrichten en dat hij, [naam 3] , snapte dat er hulp moest komen.

4.11.

Aan dit verweer gaat de rechtbank reeds voorbij omdat de tussen [naam 5] en [gedaagde] gemaakte afspraak een ontoelaatbaar en onrechtmatig karakter had, waarvan zowel [gedaagde] als [naam 5] zich bewust waren. Dat was ook de reden voor vertrouwelijkheid en heimelijkheid. Voornoemde toestemming, zou deze reeds gegeven zijn, hetgeen door Rendo wordt betwist, kan het onrechtmatige karakter van die betaling daaraan natuurlijk niet ontnemen. Voorts geldt nog het volgende. De rechtbank stelt vast dat [naam 3] op 5 oktober 2015 ook heeft verklaard dat het om bedragen van EURO 1 tot 2 ton ging (zie 2.114). Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dus niet waarom Electrabel aan Woldomus EUR 1 miljoen moest betalen. Ook de omstandigheid, voor zover al juist want door Rendo c.s. betwist, dat [gedaagde] van een vorige bestuurder van Rendo Holding toestemming heeft gekregen om een besloten vennootschap op te richten, verklaart de betaling van EUR 1 miljoen niet. Bovendien is toestemming gevraagd en (als hiervoor verwoord, voor zover al juist) verkregen voor het oprichten van een besloten vennootschap waarin onroerende goederen worden geëxploiteerd. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien wat dat te maken heeft met werkzaamheden die voor Electrabel zouden zijn verricht. [gedaagde] heeft voorts geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij voor Electrabel andere werkzaamheden heeft uitgevoerd dan de werkzaamheden waartoe hij op grond van art. 14 van de overnameovereenkomst van 29 september 2006 was gehouden. [gedaagde] stelt zelf (CvD onder 23 sub a) nog dat de werkzaamheden andere werkzaamheden betreffen dan als door [naam 5] omschreven in zijn e-mailbericht van 17 februari 2006. Elke specificatie van de facturen van Woldomus ontbreekt. De facturen omvatten immers enkel de omschrijving "Honorarium voor verrichte advieskosten" en "De specificatie zal u separaat worden toegezonden." Uit het e-mailbericht van [naam 5] aan een medewerking van de afdeling inkoop van 8 november 2006 blijkt dat verdere specificatie niet zou komen en dat er ook geen verdere specificaties waren.

4.12.

[gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat Woldomus in de persoon van [naam 23] een computerprogramma heeft ontwikkeld ten behoeve van Electrabel, maar [naam 23] heeft dit ontkend zowel (op 9 mei 2012) ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD als (op 7 april 2015) ten overstaan van de rechter-commissaris belast met strafzaken in deze rechtbank. Deze verklaringen staan lijnrecht tegenover de verklaring van [naam 23] in zijn brief van januari 2012 aan Woldomus. Aan deze brief hecht de rechtbank daarom geen waarde. [naam 23] heeft bij de rechter-commissaris verklaard nooit werkzaamheden voor Electrabel te hebben verricht anders dan in het kader van duurzame energie. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien wat daarvan de relatie met Electrabel is. Ook [naam 5] heeft (op 25 april 2013) ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD verklaard geen weet te hebben van bedoeld computermodel. Eén en ander verklaart de betaling van EUR 1 miljoen door Electrabel aan Woldomus dan ook niet.

4.13.

[gedaagde] heeft zich zoals hiervoor reeds vastgesteld onrechtmatig gedragen ten opzichte van Rendo c.s. [gedaagde] heeft zichzelf verrijkt en heeft niet de belangen van de vennootschap vooropgesteld, waartoe hij als bestuurder wel gehouden was. Voor [gedaagde] was duidelijk, althans dat had hem duidelijk moeten zijn, dat zijn privébelang (het aannemen van EUR 1 miljoen voor een ten gunste van Electrabel bemiddelende en meewerkende rol in het overnametraject) tegenstrijdig was aan het belang van Rendo c.s. om Rendo Energielevering zo gunstig mogelijk te verkopen. [gedaagde] heeft zich bij de verkoop aan Electrabel (mede) laten leiden door zijn eigen en persoonlijke gewin. Op grond van het derde lid van artikel 15 van de in 2006 geldende statuten had alleen de RvC Rendo c.s. mogen vertegenwoordigen bij de overname. Vaststaat dat (ook) [gedaagde] zich als bestuurder met de overname van Rendo Energielevering heeft bemoeid, zie op dat punt ook de verklaring van [naam 3] van 31 januari 2013. [naam 3] heeft die dag ten overstaan van de rechter-commissaris, zakelijk weergeven, verklaard dat hij zich aan het begin en aan het einde met de onderhandelingen heeft bemoeid en dat [gedaagde] al het tussenliggende werk heeft verricht. [gedaagde] heeft zich derhalve als bestuurder met de overname bemoeid - daarmee Rendo c.s. vertegenwoordigend - zonder de RvC van zijn privébelang op de hoogte te stellen waartoe [gedaagde] ingevolge het bepaalde in art. 2:141 lid 1 BW verplicht was. Op grond van art. 2:141 BW is het bestuur verplicht de RvC tijdig de voor diens taakuitoefening noodzakelijk gegevens te verschaffen. Voor [gedaagde] moest naar het oordeel van de rechtbank duidelijk zijn dat hij de RvC moest informeren over zijn privé belang (het aannemen van EUR 1 miljoen voor een bemiddelende en meewerkende rol) in het overnametraject, om de RvC in de gelegenheid te stellen haar toezichthoudende rol uit te kunnen voeren.

4.14.

Ten aanzien van de door Rendo gevorderde schade geldt het volgende. Rendo c.s. vordert inzake Electrabel in hoofdsom allereerst (post 1) een bedrag van EUR 5.678.000,00 aan schadevergoeding zijnde het verschil tussen het bod van Dong (EUR 73.678.000,00) en de betaling door Electrabel (EUR 68.000.000,00). Deze vordering is gebaseerd op de stelling dat het bod van Dong hoger was dan dat van Electrabel en dat het door de onrechtmatige gedraging van [gedaagde] komt dat het bod van Dong niet is aanvaard.

4.15.

Hoewel de rechtbank enerzijds van oordeel is dat [gedaagde] jegens Rendo c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, is de rechtbank anderzijds van oordeel dat niet is gebleken dat [gedaagde] een sturende en beslissende rol heeft gespeeld in de beslissing van Rendo c.s. om Rendo Energielevering aan Electrabel te verkopen in plaats van aan Dong. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.16.

Rendo c.s. verwijt [gedaagde] dat hij welbewust de markt van kopers klein heeft gehouden. Vaststaat evenwel dat het initiatief tot overname is uitgegaan van Electrabel, waarbij Electrabel om exclusiviteit heeft verzocht, en dat Rendo c.s. er bewust voor heeft gekozen om met Electrabel te onderhandelen, in plaats van te trachten om door middel van een veiling de hoogste prijs te verkrijgen. Dit blijkt uit de brieven van [naam 3] van 7 juni 2006 (aan de gemeentesecretarissen van de aandeelhoudende gemeenten) en van 16 juni 2006 (aan de AvA). In de brief van 16 juni 2006 heeft [naam 3] de AvA expliciet bericht dat Rendo c.s. door Electrabel is benaderd. Verder heeft [naam 3] in beide brieven verklaard dat en toegelicht waarom Rendo c.s. bewust heeft gekozen om een due dilligence onderzoek te starten en geen veiling te houden. Bij een veiling is het, aldus [naam 3] in zijn brief van 16 juni 2006, volstrekt onzeker welke partij uiteindelijk het beste bod uitbrengt. [naam 3] betrekt in beide brieven bij die afweging de gevolgen van een (aandelen)overname voor kantoor Hoogeveen en de medewerkers.

4.17.

Voorts staat vast dat Dong zich eigener beweging tot de aandeelhouders van Rendo Holding en [naam 3] en [gedaagde] heeft gewend, te weten bij brieven van 28 april, 7 en 28 juni 2016 waarin zij haar interesse voor overname van Rendo Energielevering kenbaar heeft gemaakt en biedingen heeft gedaan. Nu eveneens vaststaat dat niet eerder dan in de gecombineerde vergadering van de RvC van Rendo Holding en Rendo Netbeheer van 29 juni 2006 is besloten akkoord te gaan met het bod van Electrabel waartoe vervolgens de AvA op 6 juli 2006 heeft besloten, betekent dit dat Rendo c.s. ten tijde van die besluiten op de hoogte was van de interesse van Dong en van het bod van Dong van EUR 69 miljoen met de bereidheid het pand te Hoogeveen over te nemen voor EUR 3 miljoen.

4.18.

Rendo c.s. betoogt in deze procedure dat het bod van Dong hoger is dan het bod van Electrabel omdat onderscheid moet worden gemaakt tussen particuliere klanten en zakelijke klanten en in het bod van Dong de zakelijke klanten nog niet waren meegenomen. Rendo c.s. wijst naar de brief van Dong van 28 april 2006 en stelt dat Dong bereid was een prijs aan de bovenkant van de biedingsrange te betalen wanneer uit due dilligence onderzoek zou blijken dat sprake was van aantrekkelijke marges. Volgens [gedaagde] daarentegen is het bod van Electrabel hoger omdat dit bod gebaseerd was op het aantal aansluitingen en er volgens [gedaagde] per definitie meer aansluitingen zijn dan klanten. [gedaagde] voert verder aan dat Dong in haar bod uitgaat van een te hoog aantal klanten zodat niet valt uit te sluiten dat Dong haar prijs naar beneden toe zou aanpassen als zij van het werkelijke aantal klanten op de hoogte zou zijn nu in het bod van Dong van 28 juni 2006 als voorwaarde is gesteld dat sprake is van circa 200.000 klanten en daarnaast ook andere voorwaarden zijn gesteld. Rendo c.s. wijst er vervolgens op dat ook Dong bereid zou zijn geweest om een werkgelegenheidsgarantie te verstrekken, om transactiekosten van EUR 1 miljoen te betalen en om de software voor EUR 1,5 miljoen over te nemen waarbij Dong bij herhaling heeft verklaard bereid te zijn haar bod te verhogen als zij toegang zou krijgen tot bedrijfsspecifieke informatie. Rendo c.s. verwijt [gedaagde] dat hij geen contact met Dong heeft opgenomen om het bod van Dong te bespreken en met Dong in onderhandeling te gaan.

4.19.

Of achteraf bezien na verdere onderhandelingen met Dong het bod van Dong hoger zou zijn uitgevallen dan het bod van Electrabel, kan naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing blijven. Rendo c.s. miskent in haar verwijt aan [gedaagde] dat uit de notulen van de gecombineerde vergadering van de RvC van Rendo Holding en Rendo Netbeheer van 29 juni 2006 blijkt, dat de RvC, toen de RvC wist dat het bod van Dong van 28 juni 2006 er lag, er bewust voor heeft gekozen akkoord te gaan met het voornemen van de directie om Rendo Energielevering te verkopen aan Electrabel en om de AvA voor te stellen overeenkomstig haar voorstel te besluiten, in plaats van verder te onderhandelen met Dong. Tijdens die vergadering is aan de orde geweest dat de strekking van het bod van Dong onduidelijk was waarbij het verschil in definitie van klanten en aansluitingen is genoemd. Tijdens de vergadering is verder onder ogen gezien dat in het bod van Dong niets is vermeld over vestigingsplaatsen en personeel. Dit alles was voor de RvC aanleiding om niet verder te onderhandelen met Dong. [gedaagde] kon niet zelfstandig beslissen over de overname. Dat en op welke wijze [gedaagde] de RvC en/of de AvA over de biedingen van Dong van 7 en 28 juni 2006 onjuist heeft voorgelicht en misleid, door de RvC en/of de AvA te bewegen in te gaan op het bod van Electrabel en niet verder te onderhandelen met Dong, blijkt uit niets. Het door Dong gedane bod was ook bij de AvA en RvC bekend. De AvA en de RvC werden niet overvallen door het bod van Dong van 28 juni 2006. Zij waren al op de hoogte van de eerdere belangstelling van Dong door de brief van Dong van 28 april 2006. Dit bod is gekomen nadat door de RvC en Ava was besloten tot het laten verrichten van due dilligence onderzoek op basis waarvan Electrabel zou kunnen bepalen of zij haar bod gestand zou doen, zo blijkt uit de notulen van de vergadering van de RvC van 30 maart 2006 en de brief van 19 mei 2006 van Electrabel aan haar RvC. In de vergadering van de RvC van 12 mei 2006 is dat due dilligence onderzoek weer ter sprake gekomen en kennelijk is de brief van Dong van 28 april 2006 geen aanleiding voor de RvC geweest om Dong in het onderhandelingsproces te betrekken. De RvC gaat in haar vergadering van 15 juni 2006 wel in op het alsdan bindend bod van Dong van 7 juni 2006, maar uit de notulen blijkt dat zij het bod van Dong per saldo lager waardeert. Uit de notulen van de vergadering van de RvC van 15 juni 2006 blijkt dat de RvC besluit "verder niet op het bod van Dong in te gaan". In zijn brief aan de AvA van 16 juni 2006 noemt [naam 3] het bod van Electrabel zeer goed en rept [naam 3] over "de zeer goede uitwerking van het bod voor aandeelhouders en personeel". Uit de notulen van de AvA van 19 juni 2006 blijkt dat de AvA dat bod van Dong als lager zag dan het bod van Electrabel, hetgeen niet is tegengesproken door de bij die vergadering aanwezige accountant De [naam 14] . Ook [naam 3] heeft in zijn brief van 22 juni 2006 namens de RvC aan de AvA laten weten het bod van Electrabel "beduidend hoger" te vinden dan het bod van Dong.

4.20.

In deze procedure is naar het oordeel van de rechtbank evenmin komen vast te staan dat [gedaagde] Rendo c.s. uit eigen belang zou hebben bewogen om exclusiviteit met Electrabel overeen te komen. [naam 3] was aanwezig bij het gesprek van 27 februari 2006 toen voor het eerst exclusiviteit aan Electrabel werd verleend. Electrabel heeft al in haar eerste bod van 21 februari 2006 op exclusiviteit aangedrongen. [naam 3] heeft op 14 mei 2012 ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD enerzijds verklaard dat de aan Electrabel verleende exclusiviteit voor Rendo c.s. zeker zo belangrijk was als voor Electrabel en dat exclusiviteit "zeker niet door [gedaagde] is opgedrongen". Verder heeft [naam 3] toen verklaard: "Als wij hadden willen verkopen aan Dong dan hadden wij de periode van exclusiviteit van Electrabel kunnen afwachten. Het heeft er dus niets mee te maken dat het bod van Dong terzijde wordt geschoven in verband met de verleende exclusiviteit aan Electrabel." [naam 3] heeft overigens, zo blijkt uit zijn verklaring van 31 januari 2013, tegen Dong de met Electrabel afgesproken exclusiviteit wel als argument genoemd om niet verder te onderhandelen. Het is, zo blijkt uit die verklaring, [naam 3] geweest die tegen Dong heeft gezegd: "U bent te laat." [naam 3] heeft het bod van Dong aangewend om verder met Electrabel te onderhandelen, zo blijkt uit het e-mailbericht van 2 juli 2006 van [naam 5] aan [gedaagde] , de brief van [naam 3] van 21 augustus 2006 aan commercieel directeur [naam 17] van Electrabel en uit de verklaring van [naam 3] van 14 mei 2012 ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD.

4.21.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door [gedaagde] komt dat geen verdere onderhandelingen met Dong zijn aangegaan en met Dong geen overeenkomst tot stand is gekomen. De daarop gebaseerde vordering van EUR 5.678.000,00 zal dan ook worden afgewezen.

4.22.

Rendo c.s. heeft nog wel aangevoerd dat het volstrekt ondenkbaar en onbestaanbaar is dat [gedaagde] aan Electrabel ( [naam 5] ) heeft laten weten dat zij haar bod niet hoefde te verhogen vanwege het bod van Dong (zie het e-mailbericht van [naam 5] aan [gedaagde] van 2 juli 2006 en het e-mailbericht van [naam 5] aan [naam 6] van 14 februari 2006), maar Rendo c.s. heeft aan deze stelling geen rechtsgevolg verbonden. Hierop kan niet worden gebaseerd dat het door [gedaagde] komt dat met Dong geen overeenkomst tot stand is gekomen.

4.23.

Rendo c.s. vordert inzake Electrabel verder een tweetal bedragen (van EUR 182.400,00 en EUR 164.559,00) aan juridische kosten (de posten 2 en 3). Deze posten worden door Rendo c.s. in de processtukken niet verder toegelicht dan met een verwijzing naar een bij dagvaarding als productie 98 overgelegd overzicht van door haar gemaakte kosten. In dat overzicht splitst Rendo c.s. haar kosten uit in "WW/ontslag" tot een bedrag van EUR 182.400,00 en in "Bontebok" tot een bedrag van EUR 164.559,00. De rechtbank begrijpt dat Rendo c.s. vergoeding vordert van door haar werkelijk gemaakte kosten in tussen partijen gevoerde procedures. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Rendo c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand als onvoldoende onderbouwdzal worden afgewezen.

4.24.

Nu de gevorderde vergoeding van de posten 1, 2 en 3 wordt afgewezen, wordt ook de daarover in de posten 4, 6 en 8 gevorderde wettelijke rente afgewezen.

4.25.

Aan het gevorderde bedrag van EUR 1.042.316,56 (post 10) legt Rendo c.s. ten grondslag dat dit schade is als gevolg van de onrechtmatige gedraging/de passieve omkoping van [gedaagde] . Rendo c.s. voert aan dat [gedaagde] bij de financiële afrekening van de overname, meer specifiek ten aanzien van de opbrengst op de debiteuren, niet de belangen van Rendo diende maar Electrabel in vergaande mate tegemoet kwam. Volgens Rendo c.s. waren de openstaande debiteuren goed voor een bedrag van EUR 1.092.316,56, zo blijkt uit de brief van Electrabel ( [naam 17] ) aan [gedaagde] van 16 juli 2007, terwijl [gedaagde] heeft bewerkstelligd dat de debiteurenportefeuille voor een bedrag van slechts EUR 50.000,00 aan Electrabel is verkocht. De vordering van Rendo c.s. van EUR 1.042.316,56 is gebaseerd op het verschil (EUR 1.092.316,56 minus EUR 50.000,00). [gedaagde] heeft die stelling niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat inzake Electrabel een bedrag van EUR 1.042.316,56 toewijsbaar is, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente.

SGI

4.26.

Het bedrag van EUR 31.806.662,39 dat wordt gevorderd inzake SGI omvat de volgende posten:

  1. schade als gevolg van de verstrekte leningen EUR 19.300.000,00

  2. wettelijke rente 8/5/13 tot aan 13/3/17 EUR 1.867.882,21

  3. schade als gevolg van aangaan sale and

leasebacktransacties EUR 9.700.000,00

4. wettelijke rente 8/5/13 tot aan 13/3/17 EUR 2.355.908,35

totale schade SGI EUR 31.806.662,39

Rendo c.s. vordert EUR 19,3 miljoen aan verstrekte leningen terug (post 1) nu Rendo c.s. erkent dat eind 2010 op de leningen EUR 1 miljoen via verrekening is afgelost.

4.27.

Rendo c.s. heeft (onder meer) aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] en Woldomus onrechtmatig jegens Rendo c.s. hebben gehandeld omdat zij Rendo c.s. ieder voor zich, tezamen en in vereniging met anderen (waaronder [naam 1] ) hebben opgelicht en dat al het geld dat Rendo c.s. vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan SGI of haar dochters heeft verstrekt (EUR 29 miljoen: de posten 1 en 3) als door Rendo c.s. geleden schade heeft te gelden, die Rendo c.s. in deze procedure terugvordert. Naast voormeld onrechtmatig handelen van [gedaagde] en Woldomus legt Rendo c.s. aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] , van wanprestatie van [gedaagde] onder zijn arbeidsovereenkomst en/of van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten koste van Rendo c.s.

4.28.

De tegen Woldomus (die niet in deze procedure is verschenen) ingestelde primaire vordering inzake SGI zal bij eindvonnis als zijnde niet ongegrond of onrechtmatig worden toegewezen.

4.29.

[gedaagde] heeft in deze procedure gemotiveerd betwist onrechtmatig jegens Rendo c.s. te hebben gehandeld. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking. Gelet op deze betwisting ligt ter beoordeling voor of de door Rendo c.s. gestelde feiten en omstandigheden tot (één van) de door Rendo c.s. ingeroepen rechtgevolgen kunnen leiden en of die feiten in deze procedure zijn komen vast te staan.

4.30.

De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure is komen vast te staan dat:

 [gedaagde] vanaf het moment van oprichting van SGI zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen een (indirect) belang in SGI heeft genomen voor eigen gewin, welk privé-belang hij niet heeft gemeld aan de AvA en RvC van Rendo Holding, welk belang [gedaagde] heeft gemaskeerd, wetende dat Rendo c.s. voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale vanwege de op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd en/of bestuurd en Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon zijn, wetende dat het hem (daarom) ook niet was toegestaan dit (indirecte) belang in SGI te hebben;

 [gedaagde] niet alleen wetenschap heeft gehad van de zeven achtergestelde leningen van EUR 20,3 miljoen die door Rendo Holding aan de dochters van SGI zijn verstrekt en van de drie sale and leasebacktransacties op grond waarvan Rendo Holding aan SGI een bedrag van EUR 7 miljoen heeft betaald en Rendo Duurzaam aan SGI bedragen van EUR 2,25 en EUR 3,7 miljoen heeft betaald, maar [gedaagde] ook actief betrokken is geweest bij de nakoming (betaling) van een deel van de geldleningen, dit alles voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale, wetende dat daardoor het risico voor Rendo c.s. te groot werd en wetende dat een deel van die leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om zijn (via Woldomus) aandelen in te kopen voor EUR 5,4 miljoen (waarvan EUR 2,5 miljoen daadwerkelijk is betaald) waarvoor hij (danwel Woldomus) een maand eerder slechts een bedrag van EUR 10.000 aan [naam 24] EUR had betaald (zie de notariële akte van 2 december 2009 en rekening houdende met een aandelenbelang van 40%)

4.31.

De rechtbank zal in het navolgende toelichten op grond waarvan naar haar oordeel de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan.

a. [gedaagde] heeft vanaf het moment van oprichting SGI, zonder substantieel eigen vermogen in te brengen, een (indirect) aandelenbelang in SGI genomen voor eigen gewin

4.32.

[gedaagde] was direct na de oprichting van SGI op 20 december 2007 via Woldomus één van de aandeelhouders. Bij de oprichting heeft Woldomus aandelen genomen. Voorafgaand aan de oprichting was al duidelijk dat [gedaagde] via Woldomus een belang wilde nemen in SGI, zie het e-mailbericht van [gedaagde] van 26 september 2007 aan [naam 1] , [naam 20] , [naam 18] en [naam 19] en de conceptversie van de aandeelhoudersovereenkomst van 25 oktober 2007. Vaststaat dat Woldomus haar aandelen in SGI (60% van de aandelen inclusief de voor Kuurman gehouden aandelen, zijnde 20% van de aandelen) op 26 juni 2008 met een terugkoopoptie heeft verkocht aan [naam 24] en dat Woldomus op 2 december 2009 de (60%) aandelen in SGI van [naam 24] heeft gekocht en (bij notariële akte) verkregen voor EUR 15.000,00 en dat Woldomus die dag 20% van de aandelen SGI aan Marella heeft verkocht en (bij notariële akte) geleverd voor een bedrag van EUR 5.000,00. De 40% aandelen in SGI zijn derhalve voor EUR 10.000,00 en daarmee zonder inbreng van substantieel eigen vermogen verkregen. Dat [gedaagde] eigen gewin voor ogen had, volgt uit de omstandigheid dat [gedaagde] 99,5% van de aandelen in Woldomus bezat; slechts 0,5% van de aandelen werd gehouden door eerst een broer van [gedaagde] en later zijn schoonvader (Staal), welke familieleden overigens ook, net als een schoonzus van [gedaagde] , bestuurder van Woldomus waren.

b. [gedaagde] heeft zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI niet gemeld aan de Ava en RvC van Rendo Netbeheer en evenmin aan die van Rendo Holding; [gedaagde] heeft dat (indirecte) belang gemaskeerd

4.33.

[gedaagde] betwist niet dat hij zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI niet zelf heeft gemeld aan de AvA en/of de RvC van Rendo Netbeheer en die van Rendo Holding. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie waarin [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo c.s. een indirect aandelenbelang heeft in SGI aan wie Rendo c.s. geldleningen ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale verstrekt, een situatie van tegenstrijdig belang. Dit niet alleen zijnde financiële tegenstrijdige belangen, ook gelet op het belang van Rendo c.s. om te voldoen aan de in de Wet Onafhankelijk Netbeheer neergelegde verplichting tot een heldere opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds. Voor [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo Holding moest duidelijk zijn dat het daarom aan hem was om duidelijkheid over zijn indirecte aandelenbelang te verschaffen. Voor [gedaagde] moest dat als indirect statutair bestuurder ook duidelijk zijn gelet op het in artikel 9 van de statuten van N.V. Rendo neergelegde verbod tot het hebben van een (indirect) aandelenbelang in een energieproducent. Dat [gedaagde] ingevolge de vanaf 16 juli 2007 geldende statuten van Rendo Holding ook bij tegenstrijdig belang bevoegd was om namens Rendo c.s. rechtshandelingen te verrichten, ontslaat [gedaagde] niet van de op hem rustende wettelijke plicht de RvC tijdig de voor de uitoefening van diens taak tot het houden van toezicht op het bestuur noodzakelijk gegevens te verschaffen (art. 2:141 lid 1 BW). Vanwege voormelde tegenstrijdige belangen was voor een voldoende toezicht op het bestuur naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat [gedaagde] de RvC op de hoogte bracht van zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI. Gelet op die wettelijke verplichting is niet relevant dat er geen directiestatuut was dat [gedaagde] verplichtte om bepaalde zaken te melden. Niet is komen vast te staan, zoals [gedaagde] stelt, dat de AvA en/of RvC niet wilde weten hoe het aandeelhouderschap van SGI geregeld was. [gedaagde] heeft die stelling niet nader onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen aangezien uit de verklaringen (onder andere van [naam 3] ) nu juist blijkt dat een dergelijk aandelenbezit niet zou zijn toegestaan ware men daarvan op de hoogte geweest. Bovendien geldt dat zelfs als [gedaagde] dit wel zo begrepen heeft, omdat er verzocht zou zijn om discretie te betrachten in verband met politieke belangen, dit [gedaagde] hoe dan ook niet ontslaat van zijn wettelijke verplichting om aan de RvC en de AvA een tegenstrijdig belang situatie in de gegeven omstandigheden te melden. Dat in de statuten een regeling was opgenomen hoe te handelen in geval van tegenstrijdig belang doet aan die meldplicht niet af.

4.34.

Uit de omstandigheid dat de bestuurders van Woldomus in hun periode als bestuurder blanco volmachten aan [gedaagde] hebben verstrekt voor alle voorkomende handelingen en opdrachten betreffende de bedrijfsvoering van Woldomus zonder dat daarvoor een steekhoudende verklaring is gegeven, kan worden aangenomen dat zij hebben gefungeerd als stromannen voor [gedaagde] . De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat deze constructie door [gedaagde] is opgetuigd om zijn naam buiten de in het handelsregister te publiceren informatie te houden. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] moeite heeft gedaan om zijn (indirecte) financiële belang in SGI voor derden te maskeren.

Op 26 juni 2008 zijn de aandelen in SGI overgedragen aan [naam 24] . Uit de verklaring van [naam 24] van 5 december 2012 ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD blijkt dat ook hij als stroman van [gedaagde] fungeerde. Dat de verkoop aan [naam 24] ertoe strekte het (indirect) belang van [gedaagde] in SGI te verhullen blijkt ook uit de verklaring van [naam 19] van 11 september 2013. Dit volgt tevens uit het e-mailbericht van [gedaagde] van 8 maart 2010 aan [naam 18] en [naam 1] . In dat bericht vraagt [gedaagde] of de namen van (onder meer) Woldomus en Rendo uit alle jaarrekeningen van SGI kunnen worden geschrapt.

c. [gedaagde] wist dat Rendo c.s. het project alleen wilde financieren als dit zou worden geëxploiteerd door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon zijn van dit project

4.35.

Vaststaat dat Rendo c.s. het project (de torrefactiecentrale in combinatie met de warmtekrachtcentrale) slechts wilde financieren als het door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd. In de notulen van de vergadering van de RvC van 13 september 2007 is vastgelegd dat het project stroomproductie binnen de kaders van de Wet Onafhankelijk Netbeheer door een derde partij moet worden geëxploiteerd. Uit de voorafgaand ten behoeve van deze vergadering door de directie van Rendo opgestelde en aan de RvC toegestuurde notitie (over agendapunt 7), blijkt dat duidelijk was dat de Wet Onafhankelijk Netbeheer een opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds beoogt en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kan zijn van een dergelijk project. Ook in de notulen van de AvA van 20 december 2007 is vastgelegd dat de exploitatie van het project stroomproductie bewust door een derde partij geschiedt; dat indien Rendo c.s. de productie zelf ter hand zou nemen dit implicaties zou hebben vanwege de Wet Onafhankelijk Netbeheer. [gedaagde] is bij de betreffende vergaderingen van de RvC aanwezig geweest. [gedaagde] wist kortom, althans had moeten begrijpen, dat Rendo c.s. slechts wilde financieren wanneer het project door een niet aan Rendo c.s. verbonden partij zou worden geëxploiteerd.

d. [gedaagde] wist dat het hem daarom ook niet was toegestaan een (indirect) belang in SGI te hebben omdat SGI dan niet als een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde kon worden aangemerkt

4.36.

Waar voor [gedaagde] op grond van de voorafgaand aan de vergadering van de RvC van 13 september 2007 toegestuurde notitie duidelijk was dat Rendo c.s. gelet op de vereisten van de Wet Onafhankelijk Netbeheer geen aandeelhouder kon zijn van de derde partij die werd gezocht, moest voor [gedaagde] duidelijk zijn dat dit eveneens zou gelden voor de besloten vennootschappen van [gedaagde] en [naam 1] . Het was [gedaagde] als indirect bestuurder op grond van artikel 8 van de statuten van Rendo Netbeheer en artikel 9 van de statuten van N.V. Rendo niet toegestaan om indirect binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit. Van [gedaagde] mocht als statutair bestuurder worden verwacht dat hij op de hoogte was van de statutaire bepalingen en dat hij zich aan die statutaire bepalingen zou houden.

e. [gedaagde] had wetenschap van de achtergestelde leningen en sale and leasebacktransacties ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale en was deels actief betrokken bij de nakoming (betalingen) van de leningen

4.37.

Dit is komen vast te staan aangezien [gedaagde] de overeenkomsten namens Rendo c.s. is aangegaan. [gedaagde] heeft alle zeven overeenkomsten van geldlening namens Rendo Holding getekend. [gedaagde] heeft als bestuurder van Rendo Holding en als indirect bestuurder van Rendo Duurzaam de sale- and leasebackovereenkomsten getekend en [gedaagde] heeft als (indirect) bestuurder bij de notariële transacties Rendo Holding en Rendo Duurzaam vertegenwoordigd.

f. [gedaagde] wist dat door de leningen en transacties het risico voor Rendo c.s. te groot werd

4.38.

[gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de risico's verbonden aan de verstrekte leningen te groot werden voor Rendo c.s. . Om te beginnen waren de aan SGI verstrekte leningen achtergesteld, hetgeen een extra risico in geval van insolventie met zich brengt. Bovendien was SGI een startende onderneming met een slechte liquiditeitspositie (zie hiervoor 2.102.), op basis van een mogelijk in potentie veelbelovende (nieuwe) techniek. Echter die techniek was niet, althans volstrekt onvoldoende, bewezen. Daar komt bij dat SGI over onvoldoende eigen vermogen beschikte, hetgeen volgens [gedaagde] ook de reden is geweest waarom gezocht werd naar externe investeerders. Uiteindelijk is Rendo c.s. - tot de overname van de aandelen SGI door Horizon - de enige private investeerder geweest die SGI met leningen van een onverantwoorde omvang heeft gefinancierd. Uit de (geconsolideerde) jaarstukken blijkt dat waar de verstrekking van leningen en sale and leasebacktransacties in 2008 nog een aandeel in het eigen vermogen van Rendo Holding en N.V. Rendo hadden van 8,2% respectievelijk 18,8%, deze percentages in 2011 waren opgelopen tot 42,5% respectievelijk 56,9 %. Rendo c.s. heeft op grote schaal gemeenschapsgelden aangewend voor onverantwoorde financieringen, vanwege de omvang ervan en de risico's die daaraan verbonden waren. Een en ander terwijl [gedaagde] wist, dan wel behoorde te weten, dat Rendo c.s. slechts bereid was voor 4 à 5 miljoen euro in een dergelijk project te willen deelnemen. Waar [gedaagde] [naam 18] en [naam 19] nog bij e-mailbericht van 26 oktober 2010 waarschuwt dat het niet betalen van rente of aflossing aan Rendo voor hem geen optie is en dat de geloofwaardigheid van SGI bij Rendo op het spel staat, wordt desondanks op 30 december 2010 de tweede sale and leasebacktransactie gesloten als gevolg waarvan Rendo Duurzaam een kooprijs van EUR 2,25 miljoen verschuldigd is.

4.39.

[gedaagde] beroept zich op het rapport van MBCF van 27 december 2010, waaruit volgens [gedaagde] blijkt dat de investeringen van Rendo c.s. zakelijk verantwoord waren.

De rechtbank verwerpt dit verweer omdat naar het oordeel van de rechtbank gelet op het e-mailbericht van 6 juli 2009 van [gedaagde] aan MBCF aan de objectiviteit van die rapporten sterkmoet worden getwijfeld. In dat e-mailbericht schrijft [gedaagde] in feite voor hoe het rapport van MBCF moet luiden. Bovendien heeft de rechtbank hiervoor reeds overwogen (r.o. 4.38) dat de investeringen die Rendo heeft gedaan in SGI, mede gelet op de omvang ervan, zeer riskant waren. Het enkele feit dat SGI mogelijk veel potentie bood, maakt dat risico als zodanig niet kleiner.

g. [gedaagde] wist dat een deel van die leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om hem (danwel Woldomus) een (deel van het) bedrag van EUR 5,4 miljoen te betalen voor het inkopen van zijn aandelen waarvoor hij (danwel Woldomus) eerder slechts € 10.000,00 had betaald

4.40.

De rechtbank leidt dit af uit de volgende vaststaande feiten en omstandigheden waar [gedaagde] bij betrokken was, in onderling verband en samenhang bezien:

 dat [gedaagde] in zijn e-mailbericht van 26 oktober 2009 aan [naam 18] en [naam 1] als positieve aspecten over het voorstel tot inbreng van EPC in SGI heeft laten weten dat (1) het eigen vermogen van SGI daardoor voor de buitenwereld wordt opgekrikt en (2) daardoor vervroegde uitkeringen aan de aandeelhouders mogelijk wordt;

 dat [gedaagde] in zijn e-mailbericht van 6 november 2009 aan [naam 18] en aan [naam 1] heeft laten weten betaald te willen worden waarbij [gedaagde] heeft voorgesteld dat SGI het daarvoor benodigde bedrag leent van "de suikeroom", waarmee geen ander dan Rendo Holding kan zijn bedoeld omdat niet gebleken is dat er andere (rechts)personen zijn die noemenswaardige investeringen hebben gedaan/leningen hebben verstrekt aan SGI;

 dat Woldomus op 2 december 2009 de aandelen in SGI, die zij eerder aan [naam 24] had overgedragen, teruggeleverd heeft gekregen van [naam 24] tegen betaling van EUR 15.000,00,

 dat SGI de aandelen die Woldomus in SGI hield nog geen maand later, op 22 december 2009, heeft ingekocht voor EUR 5,4 miljoen,

 dat Rendo Holding op 25 november 2009 aan SGI een achterstallige lening heeft verstrekt voor een bedrag van EUR 1,8 miljoen (lening 6) en dat Rendo Holding op 27 november 2009 van SGI een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale heeft gekocht voor EUR 7 miljoen (sale and leasebacktransactie 1) waarmee gevolg wordt gegeven aan het zogeheten stappenplan inkoop aandelen zoals dat op enig moment voorafgaand aan de op 22 december 2009 gehouden nadere aandeelhoudersvergadering SGI is opgesteld, zoals ook blijkt uit de verklaring van [naam 18] van 11 oktober 2017,

 dat Rendo Holding op 18 juni 2010 aan SGC een achterstallige lening heeft verstrekt voor een bedrag van EUR 4,5 miljoen (lening 7),

 dat Rendo Duurzaam op 30 december 2010 roerende zaken van SGI heeft gekocht voor EUR 2,25 miljoen (sale and leasebacktransactie 2),

 dat Rendo Duurzaam op 22 september 2011 aan SGI een vergoeding van EUR 3,7 miljoen heeft betaald voor in de biomassa gedane investeringen (sale and leasebacktransactie 3),

 dat Woldomus voor de aandelen SGI van SGI de volgende betalingen heeft ontvangen: op 23 december 2009 EUR 1 miljoen, op 29 juni 2010 EUR 1 miljoen, op 22 september 2011 EUR 0,5 miljoen,

 uit de verklaringen van [naam 19] en [naam 18] van 4 december 2012 blijkt dat EPC is ingebracht in SGI om de inkoop van aandelen mogelijk te maken zodat zij af zouden zijn van (de bestuurders van) Woldomus en Marella.

4.41.

De omstandigheden dat [gedaagde] zonder enig substantieel eigen vermogen in te brengen voor eigen gewin een (indirect) belang in SGI heeft genomen en dat belang niet heeft gemeld aan de AvA en RvC van Rendo Holding, maar dat belang heeft gemaskeerd terwijl hij wist:

 dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale vanwege de op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd,

 dat het Rendo c.s. daarom niet was toegestaan aandeelhouder van SGI te worden en dat hem daarom ook niet was toegestaan een (indirecte) belang in SGI te hebben,

kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank als onrechtmatige, Rendo c.s. benadelende misleiding van Rendo c.s. door [gedaagde] . [gedaagde] heeft zijn eigen (financiële) belang vooropgesteld ten koste van de hem kenbare belangen van Rendo c.s., te weten dat Rendo c.s. alleen in zee wilde gaan met een onafhankelijke derde zoals vereist in de (toen) op handen zijnde wetgeving. [gedaagde] , die op dat moment bestuurder was van onder andere Rendo Holding, heeft aldus voorzienbare schade toegebracht aan Rendo c.s. waarmee is voldaan aan zowel de maatstaf van 6:162 BW als 2:9 BW.

4.42.

[gedaagde] vermengde voor eigen gewin via SGI privébelangen met de belangen van Rendo c.s., terwijl [gedaagde] de daarmee ontstane situatie van tegenstrijdig belang voor Rendo c.s. maskeerde door deel te nemen in SGI via zijn vennootschap (Woldomus). Woldering had zich als bestuurder van Rendo Holding van die handelwijze dienen te onthouden, nu [gedaagde] wist dat Rendo c.s. als financier van SGI zou optreden en te meer nu het [gedaagde] als indirect bestuurder op grond van artikel 8 van de statuten van Rendo Netbeheer en artikel 9 van de statuten van N.V. Rendo niet toegestaan was om indirect binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit. Van [gedaagde] mocht als statutair bestuurder worden verwacht dat hij op de hoogte was van de statutaire bepalingen en dat hij zich aan die statutaire bepalingen zou houden. Verder geldt dat (indirecte) toestemming van [naam 3] en/of RvC niet is gebleken. [naam 3] heeft (op 10 december 2012 als getuige gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat hij en de RvC niet op de hoogte waren van (middellijke) deelneming door [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] (via echtgenotes dan wel een vennootschap) in SGI en dat zij ook geen toestemming hebben gevraagd voor deze deelname. [naam 4] heeft (op 4 december 2012 als getuige gehoord door de Belastingdienst/FIOD) een verklaring van dezelfde strekking gegeven. Zowel de RvC (vergadering van 13 september 2007) als de AvA (van 20 december 2007) stelde zich op het standpunt dat het noodstroomproject vanwege de wettelijke vereisten door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde moest worden geëxploiteerd. Dit was [gedaagde] duidelijk omdat hij bij de vergaderingen aanwezig was en omdat de standpunten in de notulen duidelijk zijn verwoord. Verder was het [gedaagde] op grond van de voorafgaand aan de vergadering van de RvC van 13 september 2007 toegestuurde notitie duidelijk dat Rendo c.s. gelet op de vereisten van de Wet Onafhankelijk Netbeheer geen aandeelhouder kon zijn van de derde partij die werd gezocht. Zelfs al zou(den) [naam 3] en/of (anderen van) de RvC toestemming voor de mede door [gedaagde] opgezette constructie hebben gegeven, hetgeen zoals hiervoor is overwogen niet is gebleken, had [gedaagde] als statutair bestuurder een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen zich te houden van de statutaire bepalingen van Rendo c.s.

4.43.

Door zijn (indirecte) belang in SGI niet te melden bij de RvC heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met art. 2:141 lid 1 BW. Op grond van art. 2:141 lid 1 BW is het bestuur verplicht de RvC tijdig de voor diens taakuitoefening noodzakelijke gegevens te verschaffen. Voor [gedaagde] moest ook gelet op het bepaalde in artikel 9 van de statuten van Rendo Netbeheer duidelijk zijn dat hij zijn (indirecte) belang in SGI aan de RvC moest melden voor de uitoefening van de taak van de RvC. De raad heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. [gedaagde] had de RvC op de hoogte moeten stellen van zijn inbreuk op artikel 9 van de statuten en het daaruit voortvloeiende tegenstrijdig belang. Dat heeft hij niet gedaan. Sterker nog, hij heeft op verschillende manieren getracht zijn privébelang in SGI (en dat van de andere aandeelhouders) bewust buiten het zicht van Rendo c.s. en de RvC te houden. De namen van Woldomus en de andere aandeelhouders mochten expliciet niet in de (jaar)stukken van Rendo c.s. terugkomen, het belang van [gedaagde] in Woldomus was niet zichtbaar in het handelsregister omdat hij (net) geen 100% aandeelhouders was en er werd via privé e-mailadressen gecorrespondeerd met de andere aandeelhouders van SGI over leningen die Rendo c.s. aanging. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat [gedaagde] wist dat hij zijn deelneming had moeten melden, maar juist getracht heeft zijn deelneming aan het zicht van Rendo c.s. en de RvC te onttrekken. Deze handelwijze komt in sterke mate overeen met de handelwijze rondom de privévergoeding die [gedaagde] van Electrabel heeft ontvangen in het kader van de verkoop van Rendo Energielevering aan Electrabel en die hij eveneens uit het zicht wilde houden van Rendo c.s. en de RvC.

4.44.

Door in strijd te handelen met deze statutaire en wettelijke bepalingen die de vennootschap beogen te beschermen, heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank op evidente wijze het vennootschappelijke belang geschaad, waarmee (eveneens) is voldaan aan het ernstig verwijt-vereiste als bedoeld in art. 2:9 BW. [gedaagde] heeft blijk gegeven van een onbehoorlijke taakvervulling, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.45.

Ten aanzien van de geldleningen en transacties geldt dat genoegzaam is gebleken dat wanneer Rendo c.s. wetenschap had gehad van de (indirecte) belangen van haar directieleden in SGI, deze leningen niet waren verstrekt en de sale and leasebacktransacties niet waren aangegaan.

4.46.

Vaststaat dat [gedaagde] wetenschap had van en in ieder geval deels actief betrokken was bij de nakoming/betaling van de achtergestelde leningen en totstandkoming van de drie sale and leasebacktransacties, terwijl hij wist dat daardoor het risico voor Rendo c.s. te groot werd. Hij wist immers dat de leningen waren verstrekt en de transacties waren aangegaan ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale maar dat een deel van aldus verstrekte bedragen feitelijk door SGI zou worden aangewend om hem (Woldomus) EUR 4,5 miljoen te betalen voor verkrijging van de aandelen in SGI, waarvan Rendo c.s. niet op de hoogte was. Ook deze handelwijze van Woldering heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden als een dermate jegens Rendo c.s. evident misleidende handelwijze, waardoor Rendo c.s. opzettelijk is benadeeld, dat daarmee is voldaan aan het ernstig verwijt-vereiste als bedoeld in art.2:9 BW.

4.47.

[gedaagde] en [naam 1] hebben gemaskeerd in welke vennootschappen voor hoeveel werd deelgenomen. Zelfs al was (de RvC van) Rendo c.s. uit hoofde van de jaarstukken/kwartaal-rapportages op de hoogte van de leningen aan SGI danwel haar dochters, hetgeen niet is gebleken, betekent dat nog niet dat Rendo c.s. wist of moest weten dat die financiering deels zou worden gebruikt zodat SGI de aandelen van [gedaagde] (Woldomus) en [naam 1] (Marella) in SGI kon inkopen. Door daarover geen duidelijkheid te verschaffen heeft [gedaagde] Rendo c.s. benadeeld voor eigen gewin. Rendo c.s. verkeerde immers in de veronderstelling dat de gelden zouden worden besteed aan de warmtekracht- en torrefactiecentrale. Zelfs al vertegenwoordigden de aandelen de waarde die [gedaagde] als koopsom ervoor heeft gekregen, is dat het gevolg van de investeringen van Rendo c.s., die zij niet zou hebben gedaan - ook niet in deze periode - als zij had geweten van het belang van [gedaagde] en het feit dat [gedaagde] deze gelden had uitgeleend met het oogmerk om de inkoop van aandelen SGI mogelijk te maken voor hun eigen financiële gewin.

4.48.

Verder geldt dat voor [gedaagde] op grond van de geconsolideerde jaarrekening duidelijk was, of moest zijn, dat het eigen vermogen van Rendo c.s., en dus ook van Rendo Holding, in N.V. Rendo zat. [gedaagde] moet dus hebben geweten dat N.V. Rendo materieel het risico droeg van de miljoenenleningen en -verstrekkingen van Rendo Holding (de zeven geldleningen en sale and leasebacktransactie 1) en Rendo Duurzaam (sale and leasebacktransacties 2 en 3) aan SGI en haar dochters. Als bestuurder was [gedaagde] verantwoordelijk voor de taken van N.V. Rendo als netbeheerder. [gedaagde] had naar het oordeel van de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid voor de stabiliteit van deze vennootschap, gelet op de functie van de vennootschap als netbeheerder. In die zin zijn de in SGI en haar dochters gedane investeringen wel degelijk afgewenteld op de netbeheerder. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] deze zeer risicovolle leningen - gelet op zijn functie van bestuurder van Rendo Holding en bijbehorende verantwoordelijkheid - in deze omvang nooit mogen toestaan/eraan mee mogen werken.

4.49.

De rechtbank verwerpt het door [gedaagde] gevoerde verweer dat hij jegens Rendo c.s. niet aansprakelijk is omdat hem decharge voor het door hem gevoerde beleid is verleend. De decharge strekt zich alleen uit over de daden van het bestuur voor zover zij uit de jaarrekening en het bestuursverslag naar voren komen of uitdrukkelijk in de aandeelhoudersvergadering besproken zijn. Voor het eerst in het jaarverslag 2012 wordt in de jaarrekening duidelijk gemaakt dat en voor welk bedrag Rendo Holding geld aan SGI danwel haar dochters had geleend. Uit het rapport van EY van 25 september 2013 blijkt dat dit in de jaarrekeningen 2007 tot en met 2011 niet het geval was. Hoe dan ook, decharge staat niet in de weg aan aansprakelijkstelling wegens wanbeleid of onrechtmatig handelen, waarvan in deze zaak sprake is.

causaal verband

4.50.

[gedaagde] betwist dat er causaal verband is tussen zijn handelen en het door Rendo c.s. aan schadevergoeding gevorderde bedrag bestaande uit (1) een bedrag van EUR 29 miljoen aan schade zijnde (i) het aan leningen verstrekte bedrag (EUR 19,3 miljoen) en (ii) de op basis van de sale and leasebacktransacties verstrekte bedragen (EUR 9,7 miljoen).

4.51.

De rechtbank is van oordeel dat met redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat wanneer Rendo c.s. wetenschap had gehad van de (indirecte) belangen van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] in SGI, de leningen niet aan SGI waren verstrekt en de sale and leasebacktransacties niet met SGI waren aangegaan. Vaststaat immers dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon worden van die derde. [naam 4] , destijds commissaris, heeft, op 4 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, verklaard dat wanneer de RvC dit had geweten Rendo c.s. niet had geïnvesteerd in het project van SGI. [naam 3] , destijds voorzitter van de RvC heeft op 10 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, verklaard dat wanneer hij had geweten dat de directieleden van Rendo ( [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] ) tevens (indirect) meerderheidsaandeelhouders waren van SGI, hij geen toestemming zou hebben verleend voor de verstrekking van deze (en de andere) leningen. Nu Rendo Holding en Rendo Duurzaam een bedrag van EUR 29 miljoen in SGI en haar dochters hebben geïnvesteerd, wat zij niet zouden hebben gedaan als zij weet zouden hebben gehad van het (indirecte) belang van [gedaagde] (en [naam 1] ) in SGI, is naar het oordeel van de rechtbank aan het vereiste condicio sine qua non-verband voldaan.

4.52.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de schade veroorzaakt door [gedaagde] als gevolg van zijn door de rechtbank zelfstandig onrechtmatig geoordeelde handelwijze, zijn handelen in groepsverband met [naam 1] , het kennelijk onbehoorlijk bestuur en zijn wanprestatie, hem redelijkerwijs kan worden toegerekend, met uitzondering van leningen verstrekt ter hoogte van een bedrag van EUR 5 miljoen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

- de mate van verwijtbaarheid

De mate van verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. [gedaagde] heeft in zijn functie als bestuurder/directeur onverantwoord hoge leningen van Rendo c.s. aan SGI verstrekt, waarbij gemaskeerd is dat grote sommen gelden aan SGI werden geleend door Rendo c.s., terwijl [gedaagde] een substantieel privébelang had in SGI. Bovendien ging het daarbij om gemeenschapsgelden die Rendo c.s. uitleende, waaruit [gedaagde] in privé op onrechtmatige wijze substantiële voordelen heeft genoten. De ernst van deze verwijten maakt dat de schade sneller kan worden toegerekend (vgl. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310, NJ 2011/139).

- de voorzienbaarheid

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat [gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de risico's voor Rendo c.s. veel te groot werden. Bovendien wist hij, althans had hij moeten weten, dat de gelden waarmee zijn aandelenbelang in SGI werd overgenomen en waarmee hij een onrechtmatig voordeel verkreeg, rechtstreeks afkomstig waren van Rendo c.s. In zoverre was de schade voorzienbaar.

- de aard van de overtreden norm

Een bestuurder/directeur behoort in het belang van de vennootschap te handelen en dat geldt temeer voor een vennootschap met een publiekrechtelijke taak met gemeenschapsgelden. Een bestuurder/directeur behoort niet voor eigen gewin te handelen en behoort - wetende dat Rendo c.s. niet in gelieerde ondernemingen wenste te investeren, dat niet toch te doen, in strijd met het belang van de vennootschap en de statuten.

- de aard van de schade

Het betreft verloren gegaan gemeenschapsgeld , waarmee juist behoudend moet worden omgegaan. Door op voormelde wijze te handelen heeft [gedaagde] het risico in het leven geroepen dat de primaire taak van de Rendo als netbeheerder vanwege de grote omvang van de leningen en het voor eigen gewin onttrekken van gelden, in gevaar zou komen. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt door het faillissement van SGI en haar dochters met als voorzienbaar gevolg dat de leningen niet aan Rendo c.s. zouden kunnen worden terugbetaald.

4.53.

Toerekening van de gehele door Rendo c.s. gestelde schade acht de rechtbank echter niet redelijk. Duidelijk is - zie 2.40 en 2.41 hiervoor - dat Rendo c.s. bereid was een bedrag van EUR 4 a 5 miljoen te investeren als risicodragend kapitaal in een het project 'van afval naar grondstof'. De rechtbank acht het daarbij aannemelijk dat Rendo c.s. - had zij niet in SGI geïnvesteerd onder meer vanwege de privébelangen van [naam 1] en [gedaagde] - in een vergelijkbaar project had geïnvesteerd met vergelijkbare risico's. Rendo c.s. heeft willens en wetens willen investeren met risicodragend kapitaal in een innovatief nieuw project, daarmee het risico aanvaardend dat indien het project niet zou slagen, zij daarmee verlies kon lijden voor een bedrag van EUR 4 a 5 miljoen. Daarmee is toerekening van deze schade niet langer redelijk, aangezien Rendo c.s. bewust was, of behoorde te zijn, van de risico's behorende bij een dergelijk investering.

4.54.

[gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat er geen causaal verband is omdat de fabriek nog zou hebben gedraaid als er nog enkele investeringen zouden zijn gepleegd in SGI. Dit verweer strandt reeds omdat die stelling onvoldoende is onderbouwd. Overigens geldt dat de onderneming is gekocht uit faillissement voor een relatief geringe koopprijs en als waar zou zijn wat [gedaagde] stelt, dan valt die koopprijs daarmee niet te rijmen. Bovendien staat vast dat bij wetenschap van het (indirecte) belang van [gedaagde] (en [naam 1] ) in SGC, door Rendo c.s. van meet af aan niet zou zijn geïnvesteerd in SGI en haar dochters. Ook als het verweer van [gedaagde] zo moet worden opgevat dat Rendo c.s. vanwege een op haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn tot verdere investeringen, verwerpt de rechtbank dat verweer. Kennelijk wil [gedaagde] aanvoeren dat als Rendo c.s. nog wat meer geld in de warmtekracht- en torrefactiecentrale had geïnvesteerd, SGI en haar dochters aan hun betalingsverplichtingen jegens Rendo c.s. hadden kunnen voldoen. Uit niets blijkt dat, en waarom, Rendo c.s. op grond van een op haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn nog verdere investeringen in SGI en haar dochters te doen.

4.55.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] jegens Rendo c.s. aansprakelijk is voor de schade die Rendo c.s. heeft geleden schade als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] .

omvang schade

4.56.

Primair wordt gevorderd [gedaagde] te veroordelen om de gevorderde schade aan Rendo Holding te betalen. Aangevoerd wordt dat Rendo Holding op grond van door Rendo Duurzaam en N.V. Rendo verstrekte lastgeving ter incasso als lasthebber op eigen naam kan ageren en bevoegdelijk de vorderingen van de lastgevers kan innen. Dit is door [gedaagde] niet betwist, zodat aan Rendo Holding kan worden betaald. Thans ligt de vraag voor wat de hoogte van dit bedrag moet zijn.

4.57.

Om de schade van Rendo c.s. te bepalen moet een vermogensvergelijking worden gemaakt tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. De toestand zoals die in werkelijkheid is, is dat Rendo c.s. achterstelde leningen heeft verstrekt aan SGI en haar dochters. Nu SGI en haar dochters zijn gefailleerd en niet gebleken is dat er uitkeringen uit de faillissementen aan Rendo c.s. te verwachten vallen, kan worden aangenomen dat de leningen door SGI en haar dochters niet zullen worden terugbetaald. De vraag ligt voor wat de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen van [gedaagde] zou zijn geweest.

4.58.

Rendo c.s. vordert aan schade (onder meer) het door Rendo Holding aan SGI en haar dochters aan leningen verstrekte bedrag van EUR 19,3 miljoen dat SGI en haar dochters Rendo Holding niet hebben terugbetaald. Die schade acht de rechtbank in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat EUR 5 miljoen niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze schade redelijkerwijs niet kan worden toegerekend (zie 4.53), alsmede met inachtneming van het navolgende.

4.59.

Vaststaat dat uit hoofde van de geldleningen door (de dochters van) SGI rentebetalingen aan Rendo c.s. zijn gedaan. Dit opgekomen voordeel dient met de schade te worden verrekend. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van dagvaarding, nu niet meer of anders is gevorderd. Voor zover [gedaagde] nog stelt dat Rendo c.s. wel heel erg lang heeft getalmd met het aanhangig maken van deze zaak, is niet gesteld dat de vordering verjaard zou zijn noch is een andere rechtsgrond gesteld die noopt tot het afwijzen van de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank zal Rendo c.s. in de gelegenheid stellen om bij akte (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken) te onderbouwen welk bedrag op de geldleningen aan rente is betaald, waarop [gedaagde] bij antwoordakte zal mogen reageren. Daarbij geldt dat uitgezonderd mag worden de ontvangen rente over een lening van EUR 5 miljoen, nu de rechtbank ervan uit is gegaan dat Rendo c.s. een dergelijk bedrag hoe dan ook had willen investeren in een vergelijkbaar project, zodat er redelijkerwijs ook vanuit kan worden gegaan dat zij een vergelijkbare rentevergoeding had gekregen.

4.60.

Rendo c.s. vordert ook als schade het bedrag dat zij uit hoofde van de sale and leasebacktransacties aan SGI en haar dochters heeft betaald. Dat bedrag is als schade in beginsel ook toewijsbaar. Tegenover dit vermogensverlies staat echter:

- dat Rendo Holding een perceel industrieterrein in eigendom heeft verkregen met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale (sale and leasebacktransactie 1),

- dat Rendo Duurzaam als gevolg van de sale and leasebacktransactie 2 roerende zaken heeft verkregen,

- de in de biomassacentrale gedane investeringen waarvoor Rendo Duurzaam heeft moeten betalen (sale and leasebacktransactie 3).

Gelet op haar vordering, stelt Rendo c.s. zich kennelijk op het standpunt dat deze goederen geen waarde vertegenwoordigen. [gedaagde] betwist dat en heeft tot zijn verweer aangevoerd dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale verhuurt aan IJsbeer Energie Steenwijk.

Rendo zal - gelet op dit gemotiveerde verweer - in de gelegenheid worden gesteld haar schade op dit punt nader te onderbouwen, dat wil zeggen dat zij gemotiveerd aangeeft wat de werkelijke waarde was van voormelde goederen en zaken op het moment waarop zij verkregen zijn door Rendo c.s., alsmede de huidige waarde ervan .

4.61.

Rendo c.s. vordert verder een bedrag van EUR 831.304,00 aan deskundigenkosten en kosten juridische bijstand. Deze post is als volgt opgebouwd:

- een bedrag van EUR 182.400,00 aan kosten juridische bijstand ontslagprocedures;

- een bedrag van EUR 373.659,00 aan kosten juridische bijstand overige procedures;

- een bedrag van EUR 275.245,00 aan kosten extern fraudeonderzoek.

Bij dagvaarding heeft Rendo c.s. een specificatie van twee bladzijden overgelegd die uitkomt op het gevorderde bedrag.

4.62.

De rechtbank begrijpt uit deze omschrijving van Rendo c.s. dat Rendo c.s. vergoeding vordert van de door haar werkelijk gemaakte proceskosten in de tussen partijen gevoerde procedures. Voor toekenning daarvan geldt dat, hoewel een dergelijke veroordeling niet onmogelijk is (de rechter is immers niet gehouden om het liquidatietarief toe te passen), een vordering daartoe slechts voor toewijzing in aanmerking komt in geval de aangesproken partij misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te (laten) vangen. Bij het aannemen daarvan past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI: NL:HR:2012:BV7828). Rendo c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld, volstaat daartoe niet. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand zal worden afgewezen.

4.63.

Voor de post extern fraudeonderzoek geldt, dat op de voet van art. 6:96 lid 2 sub b BW redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde] voor toewijzing in aanmerking komen. Het is naar het oordeel van de rechtbank redelijk in verband met een onderzoek naar (mogelijk onrechtmatige) gedragingen van [naam 1] en [gedaagde] en de gevolgen daarvan voor Rendo c.s. deskundige bijstand in te roepen. De rechtbank is van oordeel dat de tot dit bedrag gemaakte kosten als redelijk kunnen worden beschouwd. Het ging om een omvangrijk onderzoek naar fraude, waarbij geldt dat [gedaagde] daarin de hoofdrol vertolkte.

4.64.

[gedaagde] heeft wat betreft de hoogte van de schade nog tot zijn verweer aangevoerd dat een deel van de schade door [naam 20] is vergoed. Rendo c.s. heeft niet betwist dat zij met [naam 20] een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan [naam 20] aan Rendo c.s. een schadebedrag heeft betaald. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat [naam 1] niet gehouden is tot betaling van de schade voor zover die schade aan Rendo c.s. al is vergoed. Rendo c.s. dient toe te lichten bij akte toe welk bedrag [naam 20] heeft betaald en voor welke schadepost.

4.65.

In afwachting van de aktewisseling, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2019 voor een akte aan de zijde van Rendo c.s. waarin Rendo c.s.:

 ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag op de geldleningen (behoudens voor een bedrag van € 5 miljoen) aan rente is betaald,

 ( (feitelijk en zo veel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welke waarde de als gevolg van de sale and leasebacktransacties 1, 2 en 3 verkregen goederen - zowel op het moment waarop zij verkregen zijn als thans - vertegenwoordigen,

 ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag [naam 20] heeft betaald en voor welke schadepost,

op welke akte [naam 1] desgewenst bij antwoordakte kan reageren;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen, mr. L. Groefsema en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019. 1

1 fn 100