Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1099

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
108276 / HA ZA 14-260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voormalig bestuurder heeft onrechtmatig gehandeld door onverantwoord veel (gemeenschaps)geld uit te lenen voor rekening en risico van RENDO aan een startende onderneming in alternatieve energie, terwijl hijzelf en zijn medebestuursleden belangen hadden in deze onderneming. Het verwijt is des te ernstiger gelet op het feit dat de bestuurder zijn eigen belang in deze onderneming en dat van de andere bestuurders heeft getracht te maskeren, alsmede de (grote) omvang van de uitstaande leningen van RENDO in deze onderneming. De schade - die nog nader moet worden bepaald bij eindvonnis - zal moeten worden vergoed, met uitzondering van de investering van 4 a 5 miljoen, omdat aannemelijk is dat RENDO anders een dergelijk bedrag had geïnvesteerd in een vergelijkbaar project, met een hoog risicoprofiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: 108276 / HA ZA 14-260

Vonnis van 20 maart 2019

in de zaak van

1 de naamloze vennootschap N.V. RENDO HOLDING,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RENDO BEHEER B.V.,

3. de naamloze vennootschap N.V. RENDO (REGIONAAL NUTSBEDRIJF),

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RENDO DUURZAAM B.V.,

alle gevestigd te Meppel,

eiseresssen,

advocaten mrs. B.M.M. Weiffenbach en R.P.A. de Wit te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaten mrs. G. Schraa en M. van Mourik te Heerenveen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MARELLA B.V.,

gevestigd te Meppel,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiseressen 1, 3 en 4 zullen hierna gezamenlijk in enkelvoud worden aangeduid als Rendo c.s. Afzonderlijk zullen eiseressen worden aangeduid als respectievelijk Rendo Holding, Rendo Beheer, N.V. Rendo en Rendo Duurzaam. Gedaagden zullen [gedaagde] en Marella worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 t/m 95,

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens inhoudende incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid met producties 96 t/m 169,

  • -

    de conclusie van repliek, tevens inhoudende incidentele conclusie van antwoord met producties 170 t/m 261,

  • -

    incidentele conclusie inhoudende incidentele vordering tot het overleggen van bescheiden ex art. 843a Rv met producties 1 t/m 10,

  • -

    conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv,

  • -

    vonnis in het incident van 26 juli 2017, in welk vonnis de rechtbank Rendo Beheer niet-ontvankelijk in haar vordering heeft verklaard,

  • -

    de conclusie van dupliek met producties 262 t/m 293,

  • -

    akte uitlating producties van Rendo c.s., tevens akte overlegging producties, tevens akte houdende aanvulling van rechtsgronden,

  • -

    de beslissing van de rechtbank van 1 november 2017 waarin de rechtbank partijen heeft laten weten dat de akte van Rendo c.s. alleen wordt toegestaan voor zover dit een reactie is op de bij dupliek overgelegde producties,

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken (van Rendo c.s.: producties 261 t/m 299 en aanvulling rechtsgronden, van [gedaagde] : producties 300, 301 en 302 alsmede de pleitnota's van partijen),

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] ,

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooien,

  • -

    de reactie van [gedaagde] op het proces-verbaal van de pleidooien.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Rendo Holding is enig aandeelhoudster en bestuurder van Rendo Beheer. Rendo Beheer is enig aandeelhoudster en bestuurder van N.V. Rendo en van Rendo Duurzaam. Deze groep van vennootschappen (hierna gezamenlijk in enkelvoud ook wel aan te duiden als: Rendo) exploiteert infrastructuur waarlangs gas en elektriciteit aan eindgebruikers wordt geleverd. De aandelen in Rendo Holding worden gehouden door een negental gemeenten in Noord-Overijssel en Zuid-Drenthe. De Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van Rendo Holding wordt gevormd door leden vanuit het College van Burgemeester en Wethouders van de negen aandeelhoudende gemeenten. Iedere aandeelhoudende gemeente heeft verder een vertegenwoordiger in de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) van Rendo Holding.

2.2.

Op 12 maart 2001 is [gedaagde] , die een accountancy opleiding had genoten aan de HEAO, in dienst getreden bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rendo Netbeheer BV (hierna: Rendo Netbeheer) als bedrijfseconomisch beleidsadviseur.

2.3.

In de notulen van de vergadering van de RvC van Rendo Netbeheer van 28 november 2002 is vermeld, voor zover hier relevant:

"De heer Tausch wijst op de mogelijkheid kennis te maken met de beoogde kandidaat voor de functie van directeur RENDO Netbeheer B.V. (…) Er heeft zich een interne kandidaat gemeld. De heer [gedaagde] komt ter vergadering en stelt zich vervolgens kort voor aan de commissarissen. Na wederzijdse kennismaking vertrekt de heer [gedaagde] weer. De commissarissen zijn van mening dat hij een geschikte kandidaat is en wachten een benoemingsbesluit per 1 januari 2003 af."

2.4.

Per 1 januari 2003 is [gedaagde] directeur Rendo Netbeheer geworden bij Rendo Netbeheer. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) was toen zijn direct leidinggevende.

2.5.

De als gevolg van deze functie van [gedaagde] gewijzigde arbeidsovereenkomst is ondertekend door N.V. Rendo. Het inschrijfformulier waarbij [gedaagde] bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven als directeur van Rendo Netbeheer was op 19 december 2002 al ingediend. Op het inschrijfformulier zijn persoonsgegevens van [gedaagde] opgenomen, waaronder een handtekening van [gedaagde] . Op het inschrijfformulier is de vraag of de functionaris ook een statutaire titel heeft, beantwoord met "ja" namelijk "directeur".

2.6.

Artikel 8 lid 1 van de statuten van Rendo Netbeheer luidt, voor zover hier van belang:

"(…) De leden van het bestuur mogen direct noch indirect binding hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit, een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het leveren van elektriciteit, een rechtspersoon die de productie, aankoop of levering van gas verricht (…)"

en artikel 10 lid 3 van deze statuten luidt, voor zover hier van belang:

"In alle gevallen waarin de vennootschap een tegenstrijdig belang heeft met één of meer van de bestuurders wordt de vennootschap vertegenwoordigd door één of meer daartoe door de algemene vergadering van aandeelhouders aan te wijzen personen, waaronder uitdrukkelijk begrepen een bestuurder die een tegenstrijdig belang heeft."

2.7.

In 2007 was [naam 1] statutair bestuurder van (onder andere) Rendo Holding en Rendo Beheer en was [naam 2] (hierna: [naam 2] ) statutair bestuurder van

N.V. Rendo.

2.8.

Van 2007 tot februari 2010 was [naam 3] (hierna: [naam 3] ), destijds burgemeester van Steenwijkerland, voorzitter van de RvC en van de AvA van Rendo Holding. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) was in die tijd één van de commissarissen.

2.9.

In 2007 is [naam 1] in contact gekomen met de heren [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en [naam 6] (hierna: [naam 6] ), destijds bestuurders van een vennootschap handelend onder de naam Stramproy Groep. Deze vennootschap heeft zich beziggehouden met het zogeheten torrefactieproces waarbij houtsnippers (biomassa) in korte tijd worden omgezet in (een soort) steenkool die kan worden gebruikt als brandstof voor een elektriciteitscentrale. Stramproy Groep wilde vanuit de testfase een biomassacentrale op industrieel niveau in Steenwijk opzetten en zocht een geschikte partner. Er is gesproken over de mogelijkheid dat de Stramproy Groep in Steenwijk een torrefactiecentrale zou realiseren in combinatie met een warmtekrachtkoppeling en over de rol van Rendo hierin. Een warmtekrachtkoppeling is een elektriciteitscentrale die zowel stroom als warmte genereert. De opgewekte stroom zou dan kunnen dienen als noodstroomoplossing voor Steenwijk en de vrijgekomen warmte zou gebruikt kunnen worden om de biomassa voor de torrefactiecentrale voor te drogen. Op deze wijze zou Rendo zowel over een noodstroomvoorziening beschikken als een bijdrage leveren aan de verduurzaming van energieopwekking, een belangrijk element van het beleid van Rendo.

2.10.

Bij besluit van 25 mei 2007 is de door Rendo in 2006 voor de nieuw te bouwen warmtekrachtkoppeling aangevraagde MEP (Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie)-subsidie toegekend onder de voorwaarde dat de warmtekrachtkoppeling binnen drie jaar volledig operationeel diende te zijn.

2.11.

In de notulen van de AvA van 28 juni 2007 is opgenomen, voor zover hier van belang:

"Waar mogelijk wil RENDO zich verder ontwikkelen en profileren in projecten voor duurzame energievoorziening. In dit kader zal RENDO het stroomnet in Steenwijk verder versterken door een financiële deelname in een stroom opwekkingsproject met behulp van een biobrandstof. Voor RENDO is van groot belang dat hierdoor de kwetsbaarheid van het stroomnet wordt verminderd."

2.12.

Ten behoeve van de vergadering van de RvC van 13 september 2007 is begin september 2007 een agenda verstuurd met een door de directie van Rendo opgestelde notitie over agendapunten "standpuntbepaling over deelname aan het project ''van afval naar grondstof"" en "deelname in productie van stroom". Deze notitie luidt, voor zover hier van belang:

"Dit project behelst het opwekken van afvallen van biologische aard van bijvoorbeeld gemeentes, afvalverwerkingsbedrijven en of composteringbedrijven, tot een uitstekend bruikbare grondstof voor elektriciteitscentrales. (…) Op bovenstaande wijze wordt dus niet alleen afval opgeruimd, maar tevens wordt voorkomen dat duurzame voorraden fossiele brandstof worden gebruikt. Er kunnen dan ook CO2 emissie rechten worden geclaimd voor het eindproduct. (…)

Investering

Om deze nieuwe activiteit te realiseren is circa 4 a 5 miljoen euro risicodragend kapitaal van RENDO nodig.

(…)

Deelname in productie van stroom
Wij hebben u eerder gemeld dat wij studeren op de mogelijkheid om een kleinere elektriciteitscentrale in het net in Steenwijk te plaatsen. Op deze wijze wordt het elektriciteitsnet minder kwetsbaar. Gezien de historie is dat een zeer wenselijke zaak gebleken. Na intensieve gesprekken met juristen over de strekking van de Wet Onafhankelijk Netbeheer en de hieruit volgende consequenties voor RENDO zijn wij tot de conclusie gekomen dat het voor RENDO niet wenselijk is om aandeelhouder te zijn van een dergelijk project. De Wet Onafhankelijk Netbeheer beoogt immers een heldere opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds. Nu RENDO door de verkoop van haar energieleveringactiviteiten zich in de positie heeft gemanoeuvreerd van een Holding die voldoet aan de wet, lijkt het niet raadzaam weer de confrontatie met de op handen zijnde wetgeving op te zoeken.

De directie zal zich inspannen om een partij te vinden die deze voor RENDO wenselijke activiteit in haar netgebied wil uitvoeren. "

2.13.

Over de projecten is in de notulen van de vergadering van de RvC van 13 september 2007 opgenomen, voor zover hier van belang:

"7. Deelname in het project 'van afval naar grondstof'(grondstof verrijking)

De heer [naam 1] licht het project toe. (…) De businesscase is al geruime tijd door RENDO opgezet en van vele zijden grondig bekeken. (…)

De raad kan instemmen met het voorstel om deel te nemen in dit project.

8. Deelname in project stroomproductie

RENDO gaat deelnemen in de opwekking van (nood-)stroom in Steenwijk. Het belang voor de RENDO netbeheerder van het doorgaan van het project is duidelijk. RENDO wenst dit evenwel te doen binnen de kaders van de Wet Onafhankelijk Netbeheer. Met het voorstel van de directie om het project verder vorm te geven, door de activa van dit project door een derde partij te laten exploiteren, wordt dan ook door alle commissarissen ingestemd. De exploitant gaat dan voor eigen risico voor de exploitatie zorgdragen."

2.14.

Uit de notulen blijkt dat [gedaagde] en [naam 1] bij deze vergadering van de RvC van 13 september 2007 aanwezig zijn geweest.

2.15.

Bij e-mailbericht van 26 september 2007 heeft [naam 1] aan [gedaagde] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 6] bericht, voor zover hier van belang:

"heden ochtend was ik bij notaris van de Laan te Groningen.

Ik heb hem gevraagd voorbereidingen te treffen voor de oprichting van de 3 b.v.'s te weten:

Stramproy Green Investments B.V. = Holding

Stramproy Green Coal = 100% dochter 1

Stramproy Geen Electricity = 100% dochter 2

De notaris heb ik voorts geïnformeerd dat de aandelen van de holding gehouden worden door 5 andere b.v.'s (de exacte verdeling van de aandelenverhouding hoop ik binnenkort bekend te kunnen maken)

Een van die BV's is mijn persoonlijke BV Woldomus BV.

De BV's van [gedaagde] en [naam 2] moeten nog worden opgericht.
Ik verzoek aan [naam 5] en [naam 6] svp aan de notaris bekend te maken, hoe hun bv's heten en waar deze gevestigd zijn."

2.16.

Bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Woldomus BV (hierna: Woldomus) was [naam 7] . [naam 1] hield 99,5% van de aandelen in Woldomus.

2.17.

[naam 5] heeft op enig moment de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ntech Holding BV (hierna: Ntech Holding) opgericht. [naam 6] heeft op enig moment de vennootschap naar buitenlands recht Bio-Coal & Waste BVBA (hierna Bio-Coal) opgericht.

2.18.

De conceptversie van 25 oktober 2007 van de aandeelhoudersovereenkomst (productie 14 Rendo c.s.) gesloten tussen Ntech Holding, Bio-Coal, Woldomus, [naam 2] en [gedaagde] en SGI luidt, voor zover hier van belang:

"(…) Woldomus, [naam 2] en [gedaagde] wensen een belang in te nemen in Stramproy Green Technology BV (…)"

2.19.

Onder 'Mededelingen directie' is in de notulen van de AvA van 20 december 2007 (zie productie 104 [gedaagde] ) opgenomen, voor zover hier van belang:

"RENDO is promotor van een project bij de totstandkoming van een noodstroomvoorziening ter versteviging van het elektriciteitsnet in Steenwijk. Dit net is relatief zwak door de huidige invoeding vanuit één hoogspanningstraject, waardoor het risico van uitval in crisissituaties relatief groot is. De noodstroomvoorziening draagt tevens bij aan het voldoen aan de duurzaamheids verplichtingen van gemeenten en RENDO, doordat deze volledig 'groen' is en doordat de vrijkomende warmte wordt gebruikt voor het drogen van een vervolgproces. Als brandstof wordt kaphout en snoeihout gebruikt. RENDO heeft bij dit project de rol van financier met een aantrekkelijk rendement en vervult daarnaast een faciliterende rol. De exploitatie van het project (productie) geschiedt bewust door een derde partij. Indien RENDO zelf de productie ter hand zou nemen zou dit implicaties hebben inzake haar positie van de Wet Onafhankelijk Netbeheer. Dit wenst RENDO niet. De vervolgvraag of dit project aansluit bij de nieuwe activiteiten die RENDO wenst uit te voeren, wordt bevestigend beantwoord. Het rendement is goed, de activiteiten sluiten goed aan bij de belangen van de stakeholders, het risico is te overzien, het is een investering in infrastructuur gerelateerde activiteiten, die bovendien een positief energieduurzaam karakter heeft. De heer [naam 3] meldt dat dit project uitgebreid in de Raad van Commissarissen is bediscussieerd en daar een groen licht heeft gekregen. Daar was de conclusie dat het project uitstekend past bij RENDO gezien de combinatie van noodstroomvoorziening en het voldoen aan de duurzaamheidverplichting."

2.20.

Op 20 december 2007 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stramproy Green Investments BV (hierna: SGI) opgericht. Oprichters van SGI waren Woldomus, Ntech Holding, Bio-Coal en mevrouw [naam 8] (hierna: [naam 8] ), echtgenote van [naam 2] . De afspraken tussen enerzijds deze oprichters tevens aandeelhouders en mevrouw [naam 9] (hierna [naam 9] ), toenmalig echtgenote van [gedaagde] en anderzijds SGI zijn vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst van

20 december 2007. Vervolgens zijn ook de besloten vennootschappen SG Coal B.V. (hierna: SGC), SG Electricity B.V. (hierna: SGE) en SG Technology B.V. (hierna: SGT) opgericht. SGI is enig aandeelhouder van SGC, SGE en SGT. De torrefactiecentrale was ondergebracht in SGC, de warmtekrachtcentrale was ondergebracht in SGE en de knowhow was ondergebracht in SGT. In de akte van oprichting van SGI van 20 december 2007 is tot bestuurder (algemeen directeur) benoemd [naam 10] .

2.21.

Woldomus hield 40% van de aandelen in SGI. Woldomus hield ook 20% van de aandelen voor [naam 9] . Woldomus en [naam 9] hebben op 20 december 2007 een overeenkomst gesloten met een koopoptie voor [naam 9] op aandelen in SGI die door Woldomus werden gehouden. Ntech Holding en Bio-Coal hielden ieder 20% van de aandelen in SGI.

2.22.

Op 21 december 2007 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van € 3 miljoen (hierna: lening 1) en heeft Rendo Holding aan SGE een achtergestelde lening verstrekt van € 3 miljoen (hierna: lening 2). De beide overeenkomsten zijn namens Rendo Holding getekend door [naam 1] .

2.23.

Op 27 december 2007 is door Rendo c.s. € 1 miljoen betaald aan SGC en is € 1,5 miljoen betaald aan SGE. [naam 1] heeft als procuratiehouder voor deze betalingen getekend.

2.24.

Op bladzijde 6 van het jaarverslag van 2007 van Rendo Netbeheer is de samenstelling van de RvC en de directie vermeld. Onder directie is alleen de naam van [gedaagde] vermeld.

2.25.

Bij de toelichting op de achtergestelde geldleningen luidt het jaarverslag 2007 van Rendo Holding, dat de AvA en de RvC hebben ontvangen, voor zover hier van belang:

"De achtergestelde geldleningen aan bedrijven, met ondernemingsactiviteiten die een versterkende invloed hebben op het energienetwerk van RENDO, hebben een looptijd van 10 jaar en een rentepercentage van 8% per jaar"

2.26.

In mei 2008 hebben Rendo Netbeheer (verdwijnende rechtspersoon) en N.V. Rendo (verkrijgende rechtspersoon) een voorstel tot fusie opgemaakt. Dit voorstel is door het bestuur van de fuserende vennootschappen ondertekend. [naam 1] heeft voor N.V. Rendo getekend en [gedaagde] heeft voor Rendo Netbeheer getekend. Daarnaast is het voorstel tot fusie ook door de commissarissen van Rendo Netbeheer ondertekend.

2.27.

Op 2 juni 2008 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van € 3 miljoen (hierna: lening 3) en heeft Rendo Holding aan SGE een achtergestelde lening verstrekt van € 3 miljoen (hierna: lening 4). De beide overeenkomsten zijn namens Rendo Holding getekend door [naam 1] .

2.28.

Op 11 juni 2008 is door Rendo c.s. € 2 miljoen betaald aan SGC. [naam 1] heeft als procuratiehouder getekend.

2.29.

In de notulen van de AvA van 19 juni 2008 (zie productie 89 Rendo c.s. en productie 135 [gedaagde] ), waar [gedaagde] bij aanwezig was, is opgenomen, voor zover hier van belang:

"Ook is er extra financiering nodig voor meerdere projecten waarmee RENDO annex is. RENDO zal in het kader van duurzaamheid en innovatie zich meer gaan richten op het ondersteunen bij de totstandkoming van duurzame projecten in haar netgebied. Te noemen zijn projecten te:

Steenwijk, Noodstroom elektriciteit opwek en productie biobrandstoffen

Hoogeveen, Onderzoek naar grootschalige mestvergisting o.a. met LTO

Coevorden, Toepassing WKO systemen in delen van de nieuwbouwwijk Ossehaar en een WKO project in de gemeente Haren"

2.30.

Op 26 juni 2008 is tussen Ntech Holding, Bio-Coal, Woldomus, [naam 9] en [naam 8] een aandeelhoudersovereenkomst SGI gesloten, die voor zover hier van belang inhoudt dat [naam 8] haar aandelen (omvattende een belang van 20%) in SGI verkoopt en overdraagt aan Woldomus en dat Woldomus haar aandelen in SGI (inmiddels 60% inclusief de voor [naam 9] gehouden aandelen) met een terugkoopoptie verkoopt en levert aan de heer [naam 11] , een kennis van [naam 1] . Deze afgesproken gang van zaken is dezelfde dag uitgevoerd. Daartoe is een nadere aandeelhoudersovereenkomst opgesteld die op 26 juni 2008 is ondertekend door de aandeelhouders. In de overeenkomst stemmen de aandeelhouders in met de aandelenoverdracht aan [naam 11] en laten zij in het kader van de blokkeringsregeling weten geen gebruik te maken van hun aanbiedingsrecht. Deze overeenkomst was [gedaagde] tevoren, op 24 juni 2008, toegestuurd. Op 25 juni 2008 heeft [naam 6] over de overeenkomst aan [naam 5] bericht, voor zover hier van belang:

"(...) De site letter waarin staat dat we niets met deze nieuwe man te maken zullen hebben, dat hij geen stemrecht heeft tijdens de RvB, dat hij geen rol zal spelen bij klanten/banken, geen rol met andere aandeelhouders, geen beslissingsrecht heeft, e.d. zie ik nergens terugkomen. (...) "

2.31.

Op 4 augustus 2008 is Rendo Netbeheer, als verdwijnende rechtspersoon, gefuseerd met N.V. Rendo. In een uittreksel van de KvK van 7 augustus 2008 is vermeld dat de registratie van Rendo Netbeheer BV op 6 augustus 2008 is beëindigd ten gevolge van fusie/splitsing met ingang van 5 augustus 2008 en dat laatstelijk [gedaagde] stond ingeschreven als bestuurder van Rendo Netbeheer BV. Na de fusie is [gedaagde] directeur strategie en regulering van N.V. Rendo geworden, waarbij [gedaagde] verantwoordelijk was voor de taken van N.V. Rendo als netbeheerder. Na de fusie is [naam 2] directeur operations van

N.V. Rendo geworden.

2.32.

Op 11 september 2008 is door Rendo c.s. € 3 miljoen betaald aan SGC en is € 3 miljoen betaald aan SGE. [gedaagde] heeft als procuratiehouder voor deze betalingen getekend.

2.33.

Op 3 oktober 2008 heeft Rendo Holding aan SGE een achtergestelde lening verstrekt van € 2 miljoen (hierna: lening 5). De overeenkomst is namens Rendo Holding getekend door [naam 1] .

2.34.

Bij de echtscheiding tussen [gedaagde] en [naam 9] in december 2008 is de koopoptie op de aandelen in SGI aan [gedaagde] toebedeeld.

2.35.

Op 26 maart 2009 heeft [gedaagde] samen met zijn broer [naam 12] de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Marella BV (hierna: Marella) opgericht.

[naam 12] was statutair bestuurder van Marella. Op de dag van de oprichting heeft [naam 12] 99% van de aandelen in Marella aan [gedaagde] verkocht en geleverd. [naam 12] hield 1% van de aandelen in Marella. Op 31 maart 2009 heeft [naam 9] haar koopoptie op aandelen in SGI voor nul euro verkocht aan Marella. Marella bezat vanaf 31 maart 2009 dan ook de koopoptie op het aandelenbelang van 20% dat voorheen voor

[naam 9] werd gehouden door Woldomus en dat ten tijde van de overname van de koopoptie van [naam 11] was.

2.36.

Vanaf 1 juli 2009 is [gedaagde] directeur Rendo Netwerken binnen N.V. Rendo geworden.

2.37.

Op 30 oktober 2009 is door Rendo c.s. € 2 miljoen betaald aan SGE. [gedaagde] heeft als procuratiehouder voor deze betaling getekend.

2.38.

In oktober 2009 is binnen SGI gesproken over de inbreng van de (op 23 juli 2009 door [naam 5] en [naam 6] opgerichte) besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EPC International BV (hierna: EPC) in SGI. Veel van de correspondentie hierover is gevoerd met [naam 1] en [gedaagde] , dat wil zeggen buiten de meerderheidsaandeelhouder [naam 11] om. Zo luidt een bijlage van een e-mailbericht van [naam 1] van 26 oktober 2009 over deze inbreng aan [naam 5] en [gedaagde] , voor zover hier van belang:

"positieve aspecten oude voorstel
1. het eigen vermogen van SGI wordt (voor de buitenwereld) opgekrikt.

2. hierdoor worden er vervroegde uitkeringen aan aandeelhouders mogelijk"

2.39.

Bij e-mailbericht van 6 november 2009 heeft [naam 1] aan [naam 5] en [gedaagde] laten weten, voor zover hier van belang:

"Ik denk dat je goed hebt aangevoeld dat het betalen van een bedrag op 22/12 voor ons zeer belangrijk is. Van deze gedachte wensen wij dan ook geen afstand te doen. (…) Voorts hoort wat ons betreft er bij dit soort transacties ook een stukje aanbetaling. Ergo boter bij de vis. (…) Gezien de zeer korte termijn die wij nog hebben om tot een gedragen voorstel te komen, stellen wij voor dat SGI de bedragen die zij dan nog ontbeert voorzover die niet uit het zuiden kunnen komen leent van de suikeroom."

2.40.

Op enig moment voorafgaand aan de op 22 december 2009 vastgestelde nadere aandeelhoudersovereenkomst is een zogeheten stappenplan inkoop aandelen opgesteld. In dit stappenplan wordt beschreven welke handelingen ondernomen moeten worden om de inkoop van de aandelen van Woldomus en Marella en de betaling daarvan mogelijk te maken. Het stappenplan bevat afspraken over de uitbetaling van de inkoop van de aandelen van Woldomus en Marella, over een tussen SGI en Rendo te sluiten sale and lease back transactie en over het omzetten van de huidige lening van € 14 miljoen naar een lening van € 8 miljoen aan SGE en een lening van € 7,8 miljoen aan SGC.

2.41.

Op 25 november 2009 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van € 1,8 miljoen (hierna: lening 6). De overeenkomst is namens Rendo Holding getekend door [naam 1] . Met leningen 1 tot en met 6 is een totaalbedrag van € 15,8 miljoen gemoeid (€ 8 miljoen aan SGE en € 7,8 miljoen aan SGC).

2.42.

Op 27 november 2009 heeft SGI een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale voor € 7 miljoen (exclusief € 1.330.000,00 aan omzetbelasting) verkocht en geleverd aan Rendo Holding, waarna SGI het perceel met de biomassacentrale van Rendo Holding heeft gehuurd (sale and leasebacktransactie 1).

2.43.

Op 29 november 2009 heeft (de AvA van) Marella besloten over te gaan tot uitoefening van de koopoptie op de aandelen in SGI. Op 2 december 2009 heeft Woldomus de (60%) aandelen in SGI van [naam 11] gekocht en (bij notariële akte) verkregen voor € 15.000,00. Op 2 december 2009 heeft Woldomus 20% van de aandelen SGI aan Marella verkocht en (bij notariële akte) geleverd voor een bedrag van € 5.000,00 of € 6.000,00.

2.44.

In de notulen van de vergadering van de RvC van 17 december 2009 (zie productie 89 Rendo c.s.), waar [gedaagde] bij aanwezig was, is vastgelegd, voor zover hier van belang:

"Er wordt melding van gemaakt dat het project biomassacentrale in Steenwijk qua realisatie achter loopt op de planning. Deze achterstand hield verband met een revisieaanvraag van de vergunning. Het project blijft rendabel. Waarschijnlijk start de levering van stroom nu echter pas in het tweede kwartaal van 2010. Om de RENDO belangen veilig te stellen en in de ontstane extra liquiditeitsbehoefte van de exploitant te voorzien, zal RENDO een aankoop gaan doen van de desbetreffende grond en opstallen. De exploitant huurt deze activa vervolgens van RENDO terug, tegen een rendement van 8%. "

2.45.

Op 22 december 2009 is EPC ingebracht in SGI om het eigen vermogen van SGI boekhoudkundig te verhogen teneinde de inkoop van aandelen mogelijk te maken. Op 22 december 2009 is een nadere aandeelhoudersovereenkomst SGI gesloten tussen Ntech Holding, Bio-Coal, Woldomus en Marella. In deze overeenkomst is onder meer vastgelegd dat SGI de aandelen van Woldomus (40%) en Marella (20%) inkoopt voor een bedrag van (in totaal) € 8,1 miljoen, waarvan € 5,4 miljoen voor Woldomus en € 2,7 miljoen voor Marella. Tussen partijen is afgesproken dat de betaling in gedeelten zal plaatsvinden, dat de aandelen bij de laatste betaling zullen worden geleverd en dat het deel van de koopsom dat niet direct wordt voldaan zal worden omgezet in een rentedragende lening van Marella aan SGI waarop op gezette tijden moet worden afbetaald.

2.46.

Op 23 december 2009 is door Rendo c.s. € 1,8 miljoen betaald aan SGC.

2.47.

Op 23 december 2009 heeft Marella een bedrag van € 0,5 miljoen ontvangen van SGI (betaling Marella 1). Op 23 december 2009 heeft Woldomus een bedrag van € 1 miljoen ontvangen van SGI.

2.48.

In februari 2010 is [naam 3] als voorzitter van de RvC van Rendo Holding opgevolgd door [naam 4] , toen burgemeester van Meppel. [naam 4] is tot 2014 voorzitter van de RvC geweest.

2.49.

Bij e-mailbericht van 8 maart 2010 heeft [naam 1] aan [naam 5] en [gedaagde] een e-mailbericht gestuurd met, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

"Hallo IJsbrand,

(…)

Zou de accountant svp in elke jaarrekening (intern en extern per vennootschap) de volgende omschrijvingen/verwijzingen willen schrappen:

a. Marella

b. Woldomus

c. NV RENDO Holding

d. RENDO NV (…)

e. RENDO

f. etcetera alle soortgelijke verwijzingen naar deze externe partijen. (met wie een geheimhoudingsovereenkomst bestaat.)

Dit zeeeeer zorgvuldig per pagina willen doorvoeren, waarvoor dank.

Dit verzoek svp niet 1 op 1 doormailen. (…)"

2.50.

Een bijlage bij een e-mailbericht van [naam 1] aan [naam 5] en [gedaagde] van 27 mei 2010 luidt, voor zover hier van belang:

"Eerste contouren aangaande vereisten voor verdere leningverstrekking aan SGC

(…)

RENDO geeft een extra lening van 4,5 miljoen; deze wordt gebruikt voor:

a. 3,0 miljoen tbv SGC investeringen en exploitatie

b. 1,5 miljoen tbv dividenduitkeringen per 1/7 (…)"

2.51.

Bij e-mailbericht van 7 juni 2010 heeft [gedaagde] de accountant van Marella verzocht om in de jaarrekening van Marella alle verwijzingen naar onder meer aandeelhouders weg te laten. Het e-mailbericht luidt, voor zover hier van belang:

"Zou je voor ons ook nog een eenvoudige publicatiejaarrekening willen opstellen, waarin de voor de KvK minimaal benodigde gegevens zijn opgesteld? In deze jaarrekening graag geen specificaties weergeven van deelnamebelangen, aan wie leningen zijn verstrekt, aandeelhouders, etc."

2.52.

In de notulen van de AvA van 17 juni 2010 (zie productie 89 Rendo c.s. en productie 140 [gedaagde] ) is vastgelegd, voor zover hier van belang:

"Het project biomassa energie aan de Dolderweg te Steenwijk loopt qua realisatie achter op de planning. Door verdere continuering van de support zullen echter de beoogde resultaten alsnog worden behaald"

2.53.

Bij brief van 17 juni 2010 heeft Mazars Berenschot Corporate Finance BV (hierna: MBCF) aan N.V. Rendo t.a.v. [naam 1] een positief advies gegeven voor het verstrekken van een aanvullende tijdelijke lening van € 4,5 miljoen teneinde SGI in staat te stellen om de bouw van de biomassacentrale te voltooien en aan haar financiële verplichtingen te voldoen.

2.54.

Op 18 juni 2010 heeft Rendo Holding aan SGC een achtergestelde lening verstrekt van € 4,5 miljoen (hierna: lening 7). De overeenkomst is namens Rendo Holding getekend door [naam 1] . Al met al heeft Rendo Holding alsdan uit hoofde van geldleningen aan SGE € 8 miljoen betaald en aan SGC € 12,3 miljoen betaald (in totaal € 20,3 miljoen).

2.55.

Op 25 juni 2010 is van lening 7 € 3.010.845,37 betaald door Rendo c.s. aan SGC. Het restant van lening 7 is verrekend met facturen van Rendo.

2.56.

Op 29 juni 2010 heeft Marella een bedrag van € 0,5 miljoen ontvangen van SGC (betaling Marella 2) en heeft Woldomus van SGC een bedrag van € 1 miljoen ontvangen.

2.57.

Op 14 juli 2010 is door Rendo c.s. € 4,5 miljoen betaald aan SGC.

2.58.

Bij e-mailbericht van 26 oktober 2010 heeft [naam 1] aan [naam 5] en [naam 6] laten weten, voor zover hier van belang:

"Ik constateer dat onze gedachten over een korte termijn financiering ver uiteen lopen. RENDO niet betalen qua rente of aflossing is geen optie meer voor mij. We komen uit dit probleem zo via de mail absoluut niet uit. Donderdag 28 oktober dienen er wat mij betreft knopen gehakt te worden over de rentebetaling en aflossing aan RENDO. De geloofwaardigheid van SGI in de RENDO gelederen staat op het spel! Indien er dan geen besluiten worden genomen dan wordt de situatie onvoorspelbaar en oncontroleerbaar voor mij."

2.59.

Bij schriftelijke overeenkomst van 1 november 2010 heeft Woldomus een bedrag van € 1 miljoen geleend aan SGC. In deze overeenkomst is bepaald dat het geen achtergestelde lening betrof en dat de lening uiterlijk op 1 juli 2011 volledig afgelost moest zijn.

2.60.

Bij brief van 27 december 2010 heeft MBCF aan Rendo Holding t.a.v. [naam 1] een prognose verstrekt voor SGI met daarin verwerkt de voorgenomen sale and leasebacktransactie om activa van SGI te kopen voor € 2,25 miljoen. De brief luidt verder, voor zover hier van belang:

"Deze transactie verhoogt de zekerheidspositie van N.V. Rendo, omdat zij hiermee de volledige infrastructuur van de Biocoal-fabriek in Steenwijk in haar bezit heeft.

(…)

De verwachte financiële lease/lening van Torrefactie 1 ad € 6.000.000 start in januari 2011, waarmee de tijdelijke lening ad € 4.500.000 van Rendo wordt afgelost.

(…)

Zoals u ziet in Bijlage 1 wordt in het eerste operationele jaar 2011 een winst van € 1.300.000 geprognosticeerd. Dat is lager dan eerder aan u werd gemeld. De reden hiervoor is grotendeels gelegen in het ontbreken van omzet door de gemelde opstartproblemen. Het management van SGI heeft verzekerd dat deze problemen in de loop van de komende maanden opgelost worden."

2.61.

Op 30 december 2010 heeft SGI roerende zaken (duurzame systemen danwel bedrijfsmiddelen) voor (afgerond) € 2,25 miljoen verkocht aan Rendo Duurzaam, waarna SGI deze roerende zaken van Rendo Duurzaam heeft gehuurd (sale and leasebacktransactie 2).

2.62.

Eind 2010 is op de leningen van Rendo Holding aan SGI en haar dochtervennootschappen € 1 miljoen afgelost, door het te verrekenen met een koopsom met betrekking tot de sale and leasebacktransactie als gevolg waarvan aan leningen een bedrag van € 19,3 miljoen resteerde.

2.63.

In juli 2011 heeft Rendo Duurzaam van Rendo Holding verkregen de onroerende zaken die Rendo Holding op 27 november 2009 voor € 7 miljoen van SGI had verkregen door middel van de eerste sale and leasebacktransactie (zijnde een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale).

2.64.

Bij brief van 2 mei 2011 heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horizon BioEnergy Netherlands BV (hierna: Horizon) aan [naam 1] het volgende geschreven, voor zover hier van belang:

"In that spirit, I met with you, with [naam 13] and with you CFO, [gedaagde] , on Friday, April 29th to discuss an initial proposal to restructure the Rendo obligations and lease arrangements as between SGI and its subsidiaries Stramproy Green Electricity, B.V. and Stramproy Green Coals, B.V. "

2.65.

SGI en Rendo Duurzaam hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten - en op 22 september 2011 notarieel vast laten leggen - ingevolge welke Rendo Duurzaam aan SGI een vergoeding moet betalen van € 3,7 miljoen voor in de biomassacentrale gedane investeringen, waarvoor SGI aan Rendo Duurzaam jaarlijks een huurbedrag moet voldoen (sale and leasebacktransactie 3). Van het bedrag van € 3,7 miljoen wordt € 1,7 miljoen verrekend met vorderingen die Rendo c.s. op SGI heeft en wordt het restant overgemaakt aan SGI en EPC.

2.66.

Op 22 september 2011 hebben Rendo Duurzaam en SGI een huurovereenkomst gesloten betreffende de verhuur van alle roerende zaken die Rendo van SGI heeft verworven waarbij zij zijn overeengekomen dat Rendo over de jaren 2011 en 2012 geen huur in rekening zal brengen bij SGI.

2.67.

Als gevolg van de (drie) en sale and leasebacktransacties heeft SGI (van N.V. Rendo en Rendo Duurzaam) in totaal een bedrag van € 12,95 miljoen ontvangen.

2.68.

Bij notariële akte van 22 september 2011 heeft Rendo Duurzaam (onder meer) de door Rendo Holding met SGE en SGC gesloten overeenkomsten van geldlening overgenomen als bedoeld in artikel 6:159 BW. In de notariële akte is vermeld dat SGC en SGE medewerking wensen te verlenen aan de overdracht van de leningen van Rendo Holding op Rendo Duurzaam.

2.69.

Op 22 september 2011 heeft Horizon de aandelen van Marella in SGI overgenomen, waarbij de vordering van Marella op SGI met € 450.000,00 is afgewaardeerd. Horizon heeft aan Marella op 22 september 2011 een bedrag van € 0,5 miljoen betaald (betaling Marella 3).

2.70.

Na ontslag van [naam 1] medio 2012 wegens verdenking van fraude, heeft bij brief van 6 juli 2012 (de advocaat van) de RvC van Rendo Holding aan [gedaagde] bericht, voor zover hier van belang:

"De Raad van Commissarissen heeft u verzocht om als tijdelijk bestuurder van (…) Rendo Holding te willen fungeren, totdat een nieuwe bestuurder wordt benoemd. (…) Voor alle volledigheid vermeld ik nog dat met een ontslag als tijdelijk bestuurder niet uw arbeidsovereenkomst eindigt. Uw arbeidsovereenkomst heeft u immers met een andere rechtspersoon, namelijk N.V. Rendo.

Als tijdelijke bestuurder heeft u uiteraard geen enkele verantwoordelijkheid te dragen voor de daden van uw voorganger. Als tijdelijk bestuurder heeft u wel de verantwoordelijkheden voor uw eigen optreden, zoals de wet die formuleert. In verband met eventuele aansprakelijkheden kan ik u mededelen dat die bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering ook voor u als tijdelijk bestuurder zal gelden. (…)"

2.71.

Op 10 juli 2012 heeft Horizon aan Marella een bedrag van € 0,75 miljoen betaald (betaling Marella 4: de laatste betaling). Marella heeft alsdan voor haar aandelen in SGI een bedrag van € 2,25 miljoen ontvangen.

2.72.

[gedaagde] heeft de benoeming tot tijdelijk bestuurder van Rendo Holding per 12 juli 2012 geaccepteerd.

2.73.

Naar aanleiding van een verzoek van de RvC van Rendo Holding om bij het bestuur van SGI te informeren naar de relatie tussen het bestuur van Rendo en SGI heeft [gedaagde] op 18 oktober 2012 naar de directie van SGI een brief gestuurd met de volgende inhoud, voor zover hier van belang:

"Zoals u ongetwijfeld zult hebben vernomen, is onze voormalig bestuurder, de heer [naam 1] , door het Openbaar Ministerie aangehouden op verdenking van het aannemen van steekpenningen bij de verkoop van RENDO Energielevering aan Electrabel in 2006. Deze steekpenningen zouden zijn betaald aan Woldomus B.V.

De Raad van Commissarissen van N.V. RENDO Holding wil zich er van vergewissen dat de door haar voormalige bestuurder gedane transacties namens RENDO op louter zakelijke gronden heeft plaatsgevonden. In het belang van RENDO. Als belangrijke relatie van RENDO willen we u daarom verzoeken of u dit kunt bevestigen door middel van beantwoording van een aantal vragen. Deze vragen zijn:

(…)

3. Heeft de heer [naam 1] in privé dan wel via Woldomus B.V. aandelen of opties in zijn bezit van uw bedrijf of van een aan uw bedrijf gelieerde onderneming?

(…)

Wij verzoeken u uw reactie binnen 10 dagen te verzenden naar onze externe accountant:

AcconAVM

t.a.v. de heer [naam 14] RA(…)"

2.74.

Bij brief van 15 november 2012 heeft de accountant van SGI aan Rendo Holding laten weten, voor zover hier van belang:

"3. Voor zover ons bekend heeft noch de heer [naam 1] noch Woldomus BV aandelen of opties in bezit van Stramproy Green Investments BV danwel van haar dochtervennootschappen Stramproy Green Technology BV, Stramproy Green Coal BV, Stramproy Green Electricity BV en EPC International BV, van welke vennootschappen wij eveneens de accountant zijn."

2.75.

Notulen van de vergadering van de RvC van Rendo Holding van 23 november 2012 luiden, voor zover hier van belang:

"De heer [naam 15] geeft aan geschrokken te zijn over de situatie waarin we verzeild zijn geraakt. Hoe heeft dit kunnen ontstaan dat er ruim 30 miljoen naar een onzeker project is gestopt?

De heer [gedaagde] geeft aan dat er binnen RENDO alleen onze voormalig directeur met dit project bezig is geweest en dat er verder niemand iets vanaf wist. Vanaf juli 2012 is de heer [gedaagde] hier actief ingedoken samen met de heer [naam 16] en [naam 17] ."

2.76.

Vanaf enig moment in 2012 heeft het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek tegen (onder meer) [gedaagde] en [naam 1] ingesteld.

2.77.

Op 4 december 2012 is [gedaagde] met [naam 1] door de FIOD gearresteerd op verdenking van fraude. Bij brief van 31 december 2012 is [gedaagde] op staande voet uit zijn dienstverband bij N.V. Rendo ontslagen.

2.78.

[naam 4] is op 4 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Was de Raad van Commissarissen van Rendo en/of u destijds als commissaris op de hoogte van de 60% (middellijke) deelneming door de drie directeuren van Rendo (via echtgenotes dan wel een vennootschap) in SGI?

Antwoord: Nee, voor mij zelf sprekend nee en als commissaris sprekend ook nee.

Vraag: Hebben de directieleden van Rendo, de heren [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] de Raad van Commissarissen, of aan u als President Commissaris om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit?

Antwoord: Wat denkt u dat het antwoord is? Nee dus.

(…)

Antwoord: (…)

Ik wil nog wel verder opmerken dat als de Raad van Commissarissen dit allemaal had geweten in 2007 dan was dit hele project niet doorgegaan en had Rendo niet geïnvesteerd in dit project"

2.79.

[gedaagde] is op 4 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"(Was partij [naam 9] nu wel of geen aandeelhouder vanaf de oprichting van SGI (…)

Antwoord: "De bedoeling van mij was om deel te nemen aan SGI. Omdat het nog niet helemaal helder was of het mocht en ik dat wilde uitzoeken en ik niet de kans wilde mislopen wanneer het wel mocht, is voor deze overeenkomst gekozen. Ik zie het als zo dat Woldomus de aandeelhouder is van alle in deze overeenkomst genoemde aandelen, dat was de intentie in elk geval. De optie was dat mevrouw [naam 9] , wanneer ik mocht deelnemen aan SGI, de aandelen weer kon overnemen. Volgens mij heb ik een aanzet gegeven om deze overeenkomst op te stellen" (…)

(In wiens opdracht heeft mevrouw [naam 9] (via Woldomus BV) een belang in SGI BV genomen.)

Antwoord: "Dit heeft zij op verzoek van mij gedaan. Ze heeft zich ook spontaan weer terug getrokken toen ze ging scheiden van mij.""

2.80.

[naam 6] is op 4 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Hoe was de liquiditeitspositie van SGC BV en SGI BV voorafgaand aan het verkrijgen van de leningen van totaal 4,5 miljoen euro van Rendo in juni 2010?

Antwoord: Die liquiditeitspositie is nooit goed geweest, we hadden nog geen inkomsten enkel uitgaven. "

2.81.

[naam 9] is op 5 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Op 20 december 2007 is bij notariële akte de besloten vennootschap Stramproy Green Investments opgericht. Wat is uw relatie met Stramproy Green Investments BV (nader te noemen SGI)?

Antwoord : Ik heb daar helemaal niets mee te maken gehad. Ik weet daar gewoon ook helemaal niks van af. Ik heb dat voor mijn man gedaan toen hij mij dat vroeg. Het zou makkelijker zijn volgens mijn man maar precies weet ik daar niets van af. Ik ben nooit bij het financiële geweest. De naam SGI zei mij ook niets. Ik zag alleen de naam van SGI staan toen ik moest tekenen. Ik wist niet wat ik tekende. Alleen dat het nodig was om een bedrijfje in elektriciteit te starten. Tenminste dat vertelde [gedaagde] mij. "

2.82.

[naam 5] is op 5 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Heeft u met [gedaagde] gesproken over de financiële situatie van EPC en SGI ten tijde van de aandelenoverdracht van Woldomus BV en Marella BV naar SGI?

Antwoord: (…) Op het moment dat met [naam 1] , in hoedanigheid van directeur van Rendo, een afspraak werd gemaakt over een door Rendo aan SGC of SGE verstrekte lening, zorgde [gedaagde] voor de uitvoering daarvan. [gedaagde] was dus (…) de financiële man. De geldstroom van Rendo naar SGI of dochtermaatschappijen is dus uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid"

2.83.

[naam 3] is op 10 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Was de Raad van Commissarissen van Rendo en/of u als toenmalig President Commissaris op de hoogte van de 60% (middellijke) deelneming door de drie directeuren van Rendo (via echtgenotes dan wel een vennootschap) in SGI?

Antwoord: Neen, de Raad van Commissarissen en ook ik was niet op de hoogte van de deelneming door de directie van Rendo in SGI.

Vraag: Hebben de directieleden van Rendo, de heren [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] de Raad van Commissarissen, of aan u als President Commissaris om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit?

Antwoord: Nee, zij hebben niet om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit.

(…)

Opmerking: De gehoorde wordt geconfronteerd met een passage uit de verklaring van [naam 6] van 4 december 2012, op de vraag had de raad van commissarissen van NV Rendo Holding toestemming gegeven aan de directie van NV Rendo Holding om een belang (middellijk dan wel onmiddellijk) te hebben in een bedrijf die stroom produceert:

" [naam 5] heeft dat tegen mij gezegd dat hij dat heeft gevraagd aan [naam 1] en dat [naam 1] heeft gezegd dat de Raad van Commissarissen hier positief over hebben gestemd. Wij hebben nooit een document hierover gezien."

Vraag: Wat is uw reactie hierop?

Antwoord: (…) Als hij bedoelt te zeggen dat RvC toestemming heeft gegeven aan de directieleden van Rendo om op persoonlijke titel aandelen te verkrijgen in Stramproy dan is dat volstrekt onjuist. Wij hebben dit als Raad van Commissarissen nooit geweten en wij zouden daar ook nooit toestemming voor hebben verleend.

(…)

Vraag: Als de Raad van Commissarissen had geweten dat de directieleden van Rendo ( [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] ) tevens meerderheidsaandeelhouders waren van SGI, zou de Raad van Commissarissen dan toestemming hebben verleend voor verstrekking van bovenstaande leningen ad € 20.300.000 door Rendo?

Antwoord: Als de Raad van Commissarissen had geweten van de doorbetalingen aan rechtspersonen van [naam 1] en [gedaagde] had de Raad van Commissarissen absoluut geen toestemming verleend voor deze leningen.

Vraag: Als u als toenmalig President-Commissaris had geweten dat de directieleden van Rendo ( [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] ) tevens meerderheidsaandeelhouders waren van SGI, zou u dan toestemming hebben verleend voor verstrekking van bovenstaande leningen ad € 20.300.000 door Rendo?

Antwoord: Absoluut niet.

Opmerking: De gehoorde wordt geconfronteerd met een passage uit de verklaring van de huidige President Commissaris [naam 4] van 4 december 2012:

"Ik wil nog wel verder opmerken dat als de Raad van Commissarissen dit allemaal had geweten in 2007 dan was dit hele project niet doorgegaan en had Rendo niet geïnvesteerd in dit project."

Vraag: Wat is uw reactie hierop?

Antwoord: Het zijn zijn woorden, maar ik ben het er volledig mee eens."

2.84.

[naam 14] is op 10 januari 2013 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Opmerking verbalisanten:

Wij tonen gehoorde een email van 29 oktober 2012 van de heer [gedaagde] van Rendo aan Freek Kroon met als onderwerp "Onderzoek transacties" waaraan de volgende bijlagen zijn gehecht:

- Brief van [gedaagde] MBE, waarnemend directeur van NV Rendo Holding aan Stramproy Green Investments BV (hierna SGI) van 18 oktober 2012 met als onderwerp "Onderzoek transacties". In deze brief worden een aantal vragen gesteld over activiteiten van de heer [naam 1] , voormalig bestuurder van NV Rendo Holding.

(…)

Vraag verbalisanten: Wat kunt u verklaren over uw betrokkenheid bij het in deze stukken genoemde onderzoek naar transacties van [naam 1] , voormalig bestuurder van NV Rendo Holding?

Antwoord gehoorde: Deze brieven zijn vanuit de commissarissen geïnitieerd en vervolgens opgesteld door de heer [gedaagde] .

(…)

Opmerking verbalisanten:

In de brief van [gedaagde] MBE, waarnemend directeur van NV Rendo Holding aan SGI van 18 oktober 2012 met als onderwerp "Onderzoek transacties" staat onder punt 3.:

"Heeft de heer [naam 1] in privé dan wel via Woldomus BV aandelen of opties in zijn bezit van uw bedrijf of van een aan uw bedrijf gelieerde onderneming?"

Vraag verbalisanten: Waarom is gevraagd naar het huidige aandelenbezit en niet naar dat bezit in eerdere jaren?

Antwoord gehoorde: De vraag is gesteld door de heer [gedaagde] .(…) "

2.85.

[naam 6] is op 11 september 2013 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Wat kunt u verklaren over de rol van [naam 2] en [gedaagde] in het hele traject?

Antwoord: (…) [gedaagde] en [naam 1] waren wel 'aanwezig'. [naam 1] was de grote regelaar, de strateeg. Bij bepaalde momenten kwam [gedaagde] sterk naar voren. Dit was met name op het financiële vlak. [naam 1] bezocht altijd met [gedaagde] de site. Op de lening van € 4,5 miljoen heeft [gedaagde] een zeer sterke stempel gedrukt. Dat is aan te tonen met de mail. [gedaagde] was goed op de hoogte van de financiële positie van SGI"

2.86.

[gedaagde] is op 13 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Waarom heeft u uw toenmalige vrouw naar voren geschoven?

Antwoord: Ik wil de dingen die ik privé doe voor de buitenwereld afschermen. Ik was van plan, op advies van [naam 1] , om een bv op te richten en mijn vrouw later bestuurder zou worden. Ze werd daar later onzeker over en hebben we het niet gedaan. Maar intussen liep de zaak verder en heeft [naam 1] aandelen op naam gekregen omdat ik wel de zakelijke kansen zag in het vermarkten van de torrefactietechnologie, en ik die niet wilde mislopen, had ik een terugkoopoptie van de aandelen bedongen. Ik ben vervolgens Marella BV gaan oprichten waarvan mijn broer vervolgens directeur is geworden (…)"

2.87.

C.V. [gedaagde] is op 17 december 2012 als verdachte gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Vraag: Waarom is de constructie van Marella BV tussen u en uw broer [gedaagde] zo opgezet?

Antwoord : Een goede vraag. [gedaagde] wilde uit zicht blijven en hij wilde niet in de schijnwerpers komen. [gedaagde] wilde niet dat hij aan Marella BV gelinkt zou worden. [gedaagde] wilde dat zijn naam niet voor zou komen in het handelsregister van de kamer van Koophandel.(…) Om die reden ben ik als bestuurder van Marella BV aangesteld. (…) Deze voornoemde constructie is op initiatief van [gedaagde] bedacht. "

2.88.

Op 4 februari 2013 is [gedaagde] door de RvC ontslagen als tijdelijk bestuurder van Rendo Holding.

2.89.

In kort geding heeft [gedaagde] (onder meer) gevorderd dat N.V. Rendo wordt veroordeeld het hem verleende ontslag ongedaan te maken. Bij vonnis van 2 april 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank deze vordering van [gedaagde] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft, zakelijk weergegeven, geoordeeld voorshands van oordeel te zijn dat [gedaagde] zijn plichten tegenover NV Rendo ernstig heeft verzaakt en dat NV Rendo, toen zij van zijn aandelenbelang in SGI en de inkoop daarvan op de hoogte raakte, een voldoende dringende reden had om hem te ontslaan.

2.90.

Aan SGI is op 2 mei 2013 op verzoek van haar bestuurder Horizon voorlopig surseance van betaling verleend. Op diezelfde dag is het faillissement uitgesproken van SGC en SGE. Op 8 mei 2013 is de surseance van SGI omgezet in een faillissement.

2.91.

In opdracht van Rendo Holding heeft Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EY) een accountantsonderzoek gedaan gericht op het in kaart brengen van de feiten en omstandigheden met betrekking tot de besluitvorming, de totstandkoming van en de uitvoering aan de overeenkomsten met SGI en daartoe behorende groepsmaatschappijen in relatie tot de energiecentrale Steenwijk alsmede de financiering van de energiecentrale. EY heeft dat onderzoek verricht en daarover op 25 september 2013 gerapporteerd. Het rapport luidt, voor zover hier van belang:

"Als onderdeel van de jaarrekening 2009 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2009

(bedragen * € 1.000)

Boekwaarde 1 januari 2009 12.000

Aankopen, verstrekte leningen 3.800

(…)

15.800

(…)

Als onderdeel van de jaarrekening 2010 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2010

(bedragen *€ 1.000)

Boekwaarde 1 januari 2010 15.800

Aankopen, verstrekte leningen 4.500

(…)

20.300

(…)

Als onderdeel van de jaarrekening 2010 is onder de toelichtingen het volgende weergegeven:

Noot 3) Financiële vaste activa 2011

(bedragen *€ 1.000)

Boekwaarde 1 januari 2011 20.300

(…)

Verkopen, aflossingen, onttrekkingen (1.000)

(…)

19.300"

Over de aan SGI danwel haar dochters verstrekte leningen is in het rapport van EY vermeld, voor zover hier van belang:

"In de kwartaal rapportage van NV Rendo Holding van het 4e kwartaal 2008 is onder ''Treasury' het navolgende over de liquiditeit en solvabiliteitspositie van NV Rendo Holding opgenomen:

"De leningen aan Stramproy Green Coal betreffen twee achtergestelde leningen van 6 miljoen elk. Het rentepercentage over deze leningen bedraag 8%. Gezien de liquiditeit en het langdurige karakter van de lening u/g Stramproy valt te overwegen om deze lening lang te financieren i.p.v. kort. De komende maanden wordt een verdere daling van de lange rente verwacht, voorlopig is het dan ook aan te raden om de korte financiering voor te zetten maar op een later tijdstip om te zetten in lange financiering"

In de notulen van de bespreking (toevoeging rechtbank: met verwijzing naar een voetnoot waarin voor zover hier van belang is vermeld "Volgens de notulen waren de heren [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] bij de bespreking aanwezig (…)") van de kwartaalrapportage 4e kwartaal 2008 is het volgende vermeld:

"Voor wat betreft de keuze van omzetting lening/reeds aangaan van nieuwe lening met betrekking tot de langlopende financiering zal een aanvullend gesprek plaatsvinden tussen [naam 1] , [gedaagde] en [naam 16] . (…)"

In de kwartaal rapportage van NV Rendo Holding van het 1e kwartaal 2010 is onder ''Treasury' het navolgende over de liquiditeit en solvabiliteitspositie van NV Rendo Holding opgenomen:

"De leningen aan Stramproy Green Coals betreffen twee achtergestelde leningen van respectievelijk 8 miljoen en 7,8 miljoen. (…)

In de notulen (toevoeging rechtbank: met verwijzing naar een voetnoot waarin voor zover hier van belang is vermeld "Volgens de vermelding in de notulen waren hierbij de heren [naam 1] en [gedaagde] aanwezig.") van de bespreking van het 1e kwartaalrapport 2010 is het navolgende vermeld:

"Stramproy. [naam 1] geeft aan dat er een nieuwe leningsovereenkomst van 4,5 miljoen is afgesproken. [naam 16] vraagt zich af of er niet teveel risico wordt genomen? [naam 1] geeft aan dat de nieuwe lening gedekt is door meer dan 8 miljoen aan activa. Verder is op juridisch gebied advies gevraagd door een separate notaris. Op economisch gebied heeft Mazars Berenschot een positief advies rapport geschreven. Met de nieuwe lening worden ook alle facturen die per 1 juli die zouden komen open te staan richting Rendo naar Stramproy verrekend (per saldo wordt dus minder dan 3,6 miljoen uitbetaald). De voortgang richting dit project gaat in afstemming met de RvC. De directie houdt hier natuurlijk een eigen bevoegdheid in. (…) ""

2.92.

[naam 16] , manager financiën bij Rendo c.s., is op 9 december 2013 als getuige gehoord door de rechter-commissaris belast met strafzaken in deze rechtbank. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"Opmerking:

Getoond wordt pagina 11 van de Jaarrekening 2007 (…) van NV Rendo Holding:

"Noot 3) Financiële vaste activa", waar vermeld staat dat in het totaal van de Financiële vaste activa per 31 december 2007 van € 23.873.000 een bedrag van € 2.500.000 is opgenomen aan Achtergestelde geldleningen.

Als toelichting hierop is het volgende vermeld: "(…) In totaal is voor € 6 miljoen aan leningen overeengekomen waarvan € 2,5 miljoen in 2007 beschikbaar is gesteld. (…)

Vraag: Weet u wie bij NV Rendo Holding verantwoordelijk was voor deze tekst en het opnemen daarvan in de jaarrekening.

Antwoord gehoorde: [naam 1] heeft deze tekst geformuleerd. Ik weet dat omdat wij met hem discussie hebben gehad over hoe de tekst geformuleerd moest worden. Aanvankelijk stond Stramproygroep of SGI in de tekst genoemd, zodat zichtbaar was aan wie de leningen verstrekt waren. Dat is vervolgens op een andere manier geformuleerd. In plaats van de namen van de bedrijven is vermeld: "Bedrijven met ondernemingsactiviteiten die een versterkende invloed hebben op het energienetwerk van Rendo" (…)".

2.93.

Op 18 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Rendo Holding verlof verleend tot het ten laste van [gedaagde] (doen) leggen van conservatoir beslag op onroerende zaken, aandelen en onder derden. Bij beschikking van 1 april 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Rendo Holding verlof verleend tot het ten laste van [gedaagde] (doen) leggen van conservatoir beslag onder het ABP op gelden die het ABP aan [gedaagde] verschuldigd is of zal worden, waaronder - maar niet daartoe beperkt - de pensioenuitkering.

2.94.

Bij brief van 30 oktober 2017 heeft N.V. Rendo aan Rendo Holding en Rendo Duurzaam laten weten aansprakelijkheid voor het handelen van haar werknemer [gedaagde] te accepteren, voor zover zij die schade niet rechtstreeks kunnen verhalen op [gedaagde] en tot een maximum van hetgeen door N.V. Rendo verhaald kan worden op [gedaagde] .

2.95.

Bij brief van 30 oktober 2017 heeft Rendo Holding gereageerd op een brief van 3 juli 2015 waarin Rendo Duurzaam Rendo Holding aansprakelijk heeft gesteld voor de cessie van haar vorderingen op SGI. In die brief van 30 oktober 2017 heeft Rendo Holding aan Rendo Duurzaam laten weten aansprakelijkheid te accepteren, voor zover Rendo Duurzaam die schade niet rechtstreeks kan verhalen op [gedaagde] en tot een maximum van hetgeen door Rendo Holding verhaald kan worden op [gedaagde] .

2.96.

Op 6 februari 2018 heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [gedaagde] vonnis gewezen. Deze rechtbank heeft bij strafvonnis van 6 februari 2018 geoordeeld dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan:

- het medeplegen van de voortgezette handeling van oplichting;

- valsheid in geschrift en medeplegen van valsheid in geschrift;

- medeplegen van witwassen.

2.97.

De Noordelijke Fraudekamer heeft [gedaagde] veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf. Bij de motivering van de opgelegde straf heeft de rechtbank onder meer overwogen:

"Tussen 2007 en 2011 is het energiebedrijf Rendo, eigendom van een negental gemeentes in Drenthe en Overijssel, het slachtoffer geworden van een buitengewoon ernstige vorm van fraude, gepleegd door twee voormalige directeuren, [naam 1] en S.A. [gedaagde] . Zij hebben het vanuit hun positie mogelijk gemaakt dat Rendo vanaf 20 december 2007 ruim € 30 miljoen aan gemeenschapsgeld heeft geïnvesteerd in SGI BV, opgericht voor de bouw en exploitatie van een warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk, terwijl zij al die jaren voor Rendo verborgen hebben gehouden dat zij zelf een (financieel) belang bij deze onderneming hadden. Beiden wisten dat Rendo dat geld nooit zou hebben verstrekt als zij van deze vorm van belangenverstrengeling had afgeweten.

Vervolgens hebben [naam 1] en [gedaagde] - samen met de verdachten [naam 5] en [naam 6] - er in 2009 en 2010 op geraffineerde wijze, onder meer door het plegen van valsheid in geschrift, voor gezorgd dat een deel van het geld dat Rendo in SGI investeerde, door SGI gebruikt kon worden voor de inkoop van hun aandelen, waarmee zij enkele miljoenen hebben verdiend. Op deze manier hebben zij, naast SGI, ook zichzelf persoonlijk, ten koste van gemeenschapsgeld, verrijkt. Zij hebben zodoende hun werkgever jarenlang en met grote gevolgen opgelicht, vanuit een positie van macht en vertrouwen. De rechtbank tilt daar zeer zwaar aan."

2.98.

Bij haar oordeel dat sprake is van oplichting heeft de Noordelijke Fraudekamer onderscheid gemaakt tussen de volgende vier fases:

 eerste fase: de oprichting van SGI (op 20 december 2007);

 tweede fase: de overdracht van de aandelen aan [naam 11] ;

 derde fase: de inkoop door SGI van haar eigen aandelen (met onderverdeling in 1) eerste uitbetaling op 23 december 2009 en 2) tweede uitbetaling op 29 juni 2010);

 vierde fase: de overname van SGI door Horizon BioEnergy Netherlands BV.

2.99.

Ten aanzien van de eerste fase is de Noordelijke Fraudekamer tot de volgende conclusie gekomen:

"De conclusie is dan ook dat [naam 1] en [gedaagde] zich vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan de oplichting van Rendo, in die zin dat de RvC en de AvA van Rendo (die voor wat betreft de beoordeling van dit strafbare feit en onder de gegeven omstandigheden als 'Rendo' aangemerkt kunnen worden) omtrent hun (feitelijke) deelname aan SGI zijn misleid, in het noodzakelijk bewustzijn dat Rendo geen geld aan SGI zou hebben verstrekt als deze van de werkelijke situatie op de hoogte was geweest."

2.100. Over de tweede fase heeft de Noordelijke Fraudekamer, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de overdracht van de aandelen aan [naam 11] niet verder heeft bijgedragen aan de oplichting van Rendo. De rechtbank heeft daar aan toegevoegd dat deze gebeurtenis niets afdoet aan de eerdere conclusie dat [naam 1] en S.A. [gedaagde] Rendo vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 hebben misleid.

2.101. Over de rol van [naam 1] en [gedaagde] in de derde fase is de Noordelijke Fraudekamer tot de volgende conclusie gekomen:

"Uit het voorgaande volgt dat Rendo door [naam 1] en [gedaagde] niet alleen doelbewust is misleid omtrent hun (feitelijke) belang in SGI, maar in deze fase ook omtrent het doel en de besteding van de financiering die Rendo (in alle gevallen vertegenwoordigd door diezelfde [naam 1] ) aan SGI en haar dochter SGC heeft verstrekt. Op deze wijze hebben [naam 1] en [gedaagde] bewerkstelligd dat geld, dat in de valselijk gewerkte voorstelling van zaken zoals die aan Rendo werd voorgespiegeld voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk was bestemd, in de zakken van haar eigen directeuren is gevloeid, nota bene terwijl dat project nog geen moment rendabel was geweest en het voortbestaan daarvan bovendien, ten tijde van de tweede uitbetaling op 29 juni 2010, door het vasthouden aan de betalingen aan Woldomus en Marella rechtstreeks in gevaar werd gebracht. Daarmee staat vast dat ook rond de beide uitbetalingen sprake is geweest van (een andere vorm van) oplichting van Rendo, waaraan zowel [naam 1] als [gedaagde] hebben deelgenomen.

Ten aanzien van dat laatste merkt de rechtbank op dat zij heeft kennisgenomen van het verweer van [gedaagde] , dat er in het kort op neer komt dat hij niet wist dat er geld van Rendo gebruikt werd om Marella uit te betalen. Dat verweer faalt in het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, in het bijzonder het feit dat [gedaagde] op de hoogte was van het stappenplan, van de e-mail van 5 november 2009 (over het lenen van de "suikeroom" en van het "spoorboekje" waarin een koppeling wordt gelegd tussen de lening van € 4,5 miljoen aan SGC en de tweede uitbetaling aan Marella. Uit de hele gang van zaken blijkt zonder meer dat [gedaagde] mede betrokken was bij de besluitvorming rond de inkoop door SGI van haar eigen aandelen, de koopprijs en de wijze waarop deze betalingen uitgevoerd en gefinancierd zouden moeten worden."

2.102. Over de rol van [naam 1] en [gedaagde] in de vierde fase is de Noordelijke Fraudekamer tot de volgende conclusie gekomen:

"De rechtbank kan echter uiteindelijk niet met de vereiste zekerheid vaststellen of, zoals dat voorafgaand aan de uitbetalingen in 2009 en 2010 wel het geval was, de uitbetalingen op 22 september 2011 gedaan zijn vanuit het geld dat Rendo (in dit geval door de sale and leasebacktransactie van die datum) aan SGI heeft verstrekt en dus ook niet of Rendo doelbewust omtrent het doel van het met die transactie gegenereerde geld is misleid.

Voor de vaststelling of het geld dat met deze sale and leasebacktransactie is gemoeid geweest de vrucht is van oplichting maakt deze conclusie overigens niet uit, gezien de eerder overweging van de rechtbank dat al het geld dat Rendo vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan deze onderneming of haar dochters heeft verstrekt, als zodanig moet worden aangemerkt."

2.103. Op 20 februari 2018 is [gedaagde] van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen.

2.104. Op 6 februari 2018 heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte Marella vonnis gewezen. Deze rechtbank heeft bij strafvonnis van 6 februari 2018 geoordeeld dat Marella zich schuldig heeft gemaakt aan:

- medeplegen van de voortgezette handeling van oplichting, begaan door een rechtspersoon

- medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon.

2.105. De Noordelijke Fraudekamer heeft Marella veroordeeld tot een geldboete van € 500.000,00. Bij de motivering van de opgelegde straf heeft de rechtbank onder meer overwogen:

"Tussen 2007 en 201 is het energiebedrijf Rendo, eigendom van een negental gemeentes in Drenthe en Overijssel, het slachtoffer geworden van een buitengewoon ernstige vorm van fraude, gepleegd door twee voormalige directeuren, [naam 1] en [gedaagde] . Zij hebben het vanuit hun positie mogelijk gemaakt dat Rendo vanaf 20 december 2007 ruim € 30 miljoen aan gemeenschapsgeld heeft geïnvesteerd in SGI BV, opgericht voor de bouw en exploitatie van een warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk, terwijl zij al die jaren voor Rendo verborgen hebben gehouden dat zij zelf een (financieel) belang bij deze onderneming hadden. Beiden wisten dat Rendo dat geld nooit zou hebben verstrekt als zij van deze vorm van belangenverstrengeling had afgeweten.

Marella is door [gedaagde] voor geen ander doel opgericht dan om de aandelen in SGI op naam te nemen en om het uit oplichting verkregen geld te incasseren. daarmee heeft zij helpen verhullen dat [gedaagde] de feitelijke aandeelhouder was. Tevens heeft Marella zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een deel van de opbrengst. Zodoende heeft Marella bijgedragen aan de fraude waarvan Rendo het slachtoffer is geworden."

3 Het geschil

3.1.

Rendo c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair [gedaagde] en Marella hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Rendo Holding van de door haar geleden schade ter grootte van € 29.831.304 te vermeerderen met wettelijke rente, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

subsidiair

  1. [gedaagde] en Marella hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan N.V. Rendo van de door haar geleden schade ter grootte van € 29.831.304 te vermeerderen met de wettelijke rente, althans € 2.766.052 te vermeerderen met de wettelijke rente, althans ter grootte van € 182.400 te vermeerderen met wettelijke rente, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

  2. [gedaagde] en Marella hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Rendo Duurzaam van de door haar geleden schade ter grootte van € 29.000.000 te vermeerderen met de wettelijke rente, althans € 23.766.052 te vermeerderen met wettelijke rente, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

  3. [gedaagde] en Marella hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Rendo Holding van de door haar geleden schade ter grootte van € 2.766.0562 te vermeerderen met de wettelijke rente, althans ter grootte van € 648.904 te vermeerderen met wettelijke rente, althans een bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen,

primair en subsidiair met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en Marella in de proceskosten, de beslagkosten inbegrepen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer primair met conclusie tot afwijzing van de vorderingen, subsidiair met conclusie tot toewijzing tot een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, primair en subsidiair met veroordeling van Rendo c.s. in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij brief van 25 mei 2018 heeft [gedaagde] opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal en heeft [gedaagde] aanvullingen op het proces-verbaal geformuleerd met het verzoek deze aanvullingen onderdeel te laten uitmaken van het proces-verbaal.

Rendo heeft daarop, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd. Terecht heeft [gedaagde] opgemerkt dat, anders dan in het proces-verbaal is vermeld, randnummer 113 van de pleitnota van [gedaagde] wel is voorgedragen. Randnummer 113 maakt dan ook onderdeel uit van de processtukken. Terecht heeft [gedaagde] verder opgemerkt dat randnummers 41-43, 44-48, 50-51, 57, 59-67, 71-75 van de pleitnota van Rendo c.s. niet zijn voorgedragen, terwijl dit niet in het proces-verbaal is vermeld. Deze randnummers van de pleitnota van Rendo c.s. maken dan ook geen onderdeel uit van de processtukken. Terecht heeft [gedaagde] tot slot opgemerkt dat "Rendo" in de zin "Als Rendo al wel bestuurder was, was het dat tot 2008 en vanaf 2012 nadat [naam 1] was ontslagen.'', "[gedaagde]" moet zijn. Voor het overige wijst de rechtbank het verzoek af. Het proces-verbaal is geen letterlijke weergave van hetgeen ter gelegenheid van de pleidooien is verklaard, maar vormt een zakelijke weergave daarvan. Van andere kennelijke fouten of misslagen in het proces-verbaal is niet gebleken. De inhoud van de brief van [gedaagde] maakt voor het overige dan ook geen onderdeel uit van de processtukken.

4.2.

Het door Rendo c.s. primair gevorderde, aan Rendo Holding te betalen bedrag

van in hoofdsom € 29.831.304 betreft schadevergoeding. Dit schadebedrag is opgebouwd uit (1) een bedrag van € 29 miljoen aan schade zijnde (i) het aan leningen verstrekte bedrag (€ 19,3 miljoen) en (ii) de op basis van de sale and leasebacktransacties verstrekte bedragen (€ 9,7 miljoen) en (2) een bedrag van € 831.304,00 aan deskundigenkosten en kosten juridische bijstand.

4.3.

Onder verwijzing naar de tegen [gedaagde] en Marella gewezen strafvonnissen van

6 februari 2018 heeft Rendo c.s. (onder meer) aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] en Marella onrechtmatig jegens Rendo c.s. hebben gehandeld omdat zij Rendo c.s. ieder voor zich, tezamen en in vereniging met anderen (waaronder [naam 1] ) hebben opgelicht en dat al het geld dat Rendo c.s. vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan SGI of haar dochters heeft verstrekt (€ 29 miljoen) als vrucht van deze oplichting en als door Rendo c.s. geleden schade heeft te gelden, die Rendo c.s. in deze procedure terugvordert. Verder vordert Rendo c.s. integrale vergoeding van door haar ten aanzien van deze oplichting gemaakte deskundigenkosten en proceskosten. Naast voormeld onrechtmatig handelen van [gedaagde] en Marella legt Rendo c.s. aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] van Rendo Holding, van wanprestatie van [gedaagde] onder zijn arbeidsovereenkomst met N.V. Rendo en/of van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten koste van Rendo c.s.

4.4.

Bij de beoordeling van de vorderingen stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde] een dag voor de in de onderhavige zaak gehouden pleidooien van het strafvonnis in hoger beroep is gekomen zodat nog niet op dat hoger beroep is beslist. Een niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Nederlandse strafrechter, waarbij bewezen is verklaard dat een feit is begaan, heeft op grond van artikel 161 Rv vrije bewijskracht (HR 20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7682).

4.5.

Mede op basis van het strafvonnis zal de tegen Marella (die niet in deze procedure is verschenen) ingestelde primaire vordering bij eindvonnis als zijnde niet ongegrond of onrechtmatig worden toegewezen.

4.6.

[gedaagde] heeft in deze procedure gemotiveerd betwist onrechtmatig jegens Rendo c.s. te hebben gehandeld. Volgens [gedaagde] is van door hem gepleegde oplichting in vereniging of van anderszins onrechtmatig handelen geen sprake. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking. Gelet op deze betwisting ligt ter beoordeling voor of de door Rendo c.s. gestelde feiten en omstandigheden tot (één van) de door Rendo c.s. ingeroepen rechtgevolgen kunnen leiden en of die feiten in deze procedure zijn komen vast te staan (waarbij het strafvonnis vrije bewijskracht heeft).

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure is komen vast te staan dat;

 [gedaagde] vanaf het moment van oprichting van SGI zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen, een (indirect) belang in SGI heeft genomen voor eigen gewin, welk privébelang hij niet heeft gemeld aan de AvA en RvC van Rendo Netbeheer en evenmin aan die van Rendo Holding, welk belang [gedaagde] heeft gemaskeerd, wetende dat Rendo c.s. voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale vanwege de op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd en Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon zijn, wetende dat het hem daarom ook niet was toegestaan dit (indirecte) belang in SGI te hebben;

 [gedaagde] niet alleen wetenschap heeft gehad van de zeven achtergestelde leningen van € 20,3 miljoen die door Rendo Holding aan de dochters van SGI zijn verstrekt en van de drie sale and leasebacktransacties op grond waarvan Rendo Holding aan SGI een bedrag van € 7 miljoen heeft betaald en Rendo Duurzaam aan SGI bedragen van € 2,25 en € 3,7 miljoen heeft betaald, maar [gedaagde] ook actief betrokken is geweest bij de nakoming (betaling) van een deel van de geldleningen, dit alles voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale, wetende dat daardoor het risico voor Rendo c.s. te groot werd en wetende dat een deel van die leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om zijn (via Marella) aandelen in SGI in te kopen voor € 2,7 miljoen , waarvoor hij (dan wel Marella) een maand eerder slechts een bedrag van € 5.000,00/€ 6.000,00 had betaald, en:

 [gedaagde] (ook) na het ontslag van [naam 1] wegens verdenking van fraude, terwijl adviseurs waren ingehuurd om het SGI-project nader te onderzoeken als waarnemend statutair bestuurder van Rendo Holding niet alleen zijn eerdere betrokkenheid bij SGI heeft verzwegen, maar ook dat onderzoek heeft gefrustreerd.

4.8.

De rechtbank zal in het navolgende toelichten op grond waarvan naar haar oordeel de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan.

a. [gedaagde] heeft vanaf het moment van oprichting SGI, zonder substantieel eigen vermogen in te brengen, een (indirect) aandelenbelang in SGI genomen voor eigen gewin

4.9.

Hoewel [gedaagde] ten tijde van de oprichting van SGI niet één van de aandeelhouders was, had [gedaagde] op dat moment al recht op aandelen in SGI. Ten tijde van de oprichting van SGI hield Woldomus immers aandelen in SGI voor [naam 9] en had [naam 9] het recht om die aandelen van Woldomus te kopen. Uit de verklaringen van zowel [gedaagde] als [naam 9] blijkt dat [naam 9] een stroman voor [gedaagde] is geweest (zie het door de belastingdienst/FIOD van de verklaringen van [gedaagde] en [naam 9] opgemaakte proces-verbaal van 4 respectievelijk 5 december 2012), hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat [gedaagde] , via zijn (toenmalige) echtgenote die een koopoptie op aandelen had, vanaf de oprichting van SGI (recht op) een aandelenbelang in SGI had. Dit was vanaf het begin van de oprichting van SGI de bedoeling van [gedaagde] . Uit de brief van [naam 1] van 26 september 2007 blijkt dat [gedaagde] een besloten vennootschap zou oprichten om deel te nemen in het aandelenkapitaal van SGI. Ook uit de conceptversie van 25 oktober 2007 van de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat [gedaagde] van meet af aan een aandelenbelang in SGI voor ogen stond. [gedaagde] heeft verklaard dat hij de aandelen in SGI wilde, omdat hij zakelijke kansen zag die hij niet wilde mislopen (zie het door de belastingdienst/FIOD van de verklaring van [gedaagde] opgemaakte proces-verbaal van 13 december 2012). Vaststaat dat Marella een bedrag van € 5.000,00/€ 6.000,00 voor de aandelen SGI heeft betaald.

b. [gedaagde] heeft zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI niet gemeld aan de AvA en RvC van Rendo Netbeheer en evenmin aan die van Rendo Holding; [gedaagde] heeft dat (indirecte) belang gemaskeerd

4.10.

[gedaagde] betwist niet dat hij zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI niet zelf heeft gemeld aan de AvA en/of de RvC van Rendo Netbeheer en die van Rendo Holding. Uit de wijze waarop [gedaagde] zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI hield blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] moeite heeft gedaan om zijn financiële belang in SGI voor derden te maskeren. Eerst hield zijn toenmalige vrouw (via Woldomus) aandelen in SGI. Uit de verklaringen die [gedaagde] en [naam 9] ten overstaan van de politie hebben afgelegd volgt dat dit een constructie was die [gedaagde] had bedacht omdat hij op dat moment nog niet wist of hij zelf aandelen in SGI zou mogen houden en hij niet de kans wilde mislopen om te participeren. Zijn toenmalige vrouw werkte mee op verzoek van [gedaagde] maar wist verder nergens van. Toen [gedaagde] in een echtscheidingssituatie terecht kwam heeft [naam 9] de koopoptie aan Marella overgedragen. Van deze vennootschap hield [gedaagde] 99% van de aandelen. Zijn broer hield 1% procent en werd tot bestuurder benoemd. Hierdoor was in de openbare registers niet (zonder nader onderzoek) te zien dat [gedaagde] betrokken was bij Marella. Slechts de naam van de bestuurder en de naam van een 100%-aandeelhouder worden vermeld. Als reden voor het optuigen van deze constructie in plaats van het zelf rechtstreeks nemen van aandelen SGI bij de oprichting, heeft [gedaagde] (op 13 december 2012 als verdachte gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat hij de dingen die hij doet voor de buitenwereld wil afschermen. De broer van [gedaagde] heeft (op 17 december 2012 als verdachte gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat de constructie van Marella met hem zo is opgezet, omdat [gedaagde] niet wilde dat hij geassocieerd zou kunnen worden met Marella. Ook het e-mailbericht van 8 maart 2010 van [naam 1] aan [naam 5] en [gedaagde] duidt op het willen maskeren door [gedaagde] van zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI. In dat e-mailbericht heeft [naam 1] [naam 5] gevraagd de verwijzing naar Marella in elke jaarrekening van SGI en haar dochters te schrappen. [naam 1] mag het e-mailbericht hebben geschreven, [gedaagde] heeft het e-mailbericht ontvangen, wist derhalve van de activiteiten van [naam 1] , heeft daarop geen actie ondernomen, waar de rechtbank uit opmaakt dat [gedaagde] het met deze gang van zaken eens was. [gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 7 juni 2010 de accountant van Marella verzocht om in de jaarrekening van Marella alle verwijzingen naar onder meer aandeelhouders (lees [gedaagde] , die 99% van de aandelen in Marella hield) weg te laten. Zo zijn ook, door [naam 1] , de namen van SGI en haar dochters vanaf 2007 bewust uit de jaarrekening van Rendo c.s. gehaald, zie de getuigenverklaring van [naam 16] , manager financiën bij Rendo ten overstaan van de rechter-commissaris van 9 december 2013. Uit die verklaring blijkt dat waar bij de verstrekking van achtergestelde leningen aanvankelijk de Stramproygroep of SGI in de tekst was vermeld, dit door [naam 1] is veranderd in de verhullende toelichting "bedrijven met ondernemingsactiviteiten die een versterkende invloed hebben op het energienetwerk van Rendo", zoals dat ook in de toelichting op de jaarrekening 2007 is vermeld die aan de AvA en RvC is gestuurd. [gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat de AvA en RvC hierover nooit vragen hebben gesteld. [gedaagde] miskent in zijn verweer dat het aan hem - eerst als statutair bestuurder van Rendo Netbeheer en later als directielid verantwoordelijk voor de financiële zaken- was om duidelijkheid te verschaffen. In de jaarverslagen daarna zijn de namen van SGI en haar dochters evenmin vermeld. Voor het eerst in het jaarverslag 2012 wordt uit de jaarrekening duidelijk dat en voor welk bedrag Rendo Holding geld aan SGI danwel haar dochters had geleend.

[gedaagde] voert nog het verweer dat hij dacht dat hij toestemming had van de RvC, op basis van mededelingen van [naam 1] . De RvC zou [naam 1] hebben verzekerd dat zij akkoord was met deelneming van [gedaagde] (en [naam 1] ) in SGI. De rechtbank verwerpt dat verweer. Allereerst heeft [gedaagde] zijn stelling niet onderbouwd. Verder geldt dat al ware het juist, dit de eigen verantwoordelijkheid van [gedaagde] niet ontneemt.

c. [gedaagde] wist dat Rendo c.s. het project alleen wilde financieren als dit zou worden geëxploiteerd door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon zijn van dit project

4.11.

Vaststaat dat Rendo c.s. het project (de torrefactiecentrale in combinatie met de warmtekrachtcentrale) slechts wilde financieren als het door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd. In de notulen van de vergadering van de RvC van 13 september 2007 is vastgelegd dat het project stroomproductie binnen de kaders van de Wet Onafhankelijk Netbeheer door een derde partij moet worden geëxploiteerd. Uit de voorafgaand ten behoeve van deze vergadering toegestuurde notitie blijkt dat duidelijk was dat de Wet Onafhankelijk Netbeheer een heldere opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds beoogt en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kan zijn van een dergelijk project. Ook in de notulen van de AvA van

20 december 2007 is vastgelegd dat de exploitatie van het project stroomproductie bewust door een derde partij geschiedt; dat indien Rendo c.s. de productie zelf ter hand zou nemen dit implicaties zou hebben vanwege de Wet Onafhankelijk Netbeheer. [gedaagde] wist dit. [gedaagde] is in ieder geval bij de vergadering van de RvC aanwezig geweest. [gedaagde] wist kortom, althans had moeten begrijpen, dat Rendo c.s. slechts wilde financieren wanneer het project door een niet aan Rendo c.s. verbonden partij zou worden geëxploiteerd. Voor zover het geen wettelijke plicht was op dat moment, wilde Rendo hoe dan ook geen verwevenheid.

d. [gedaagde] wist dat het hem daarom ook niet was toegestaan een (indirect) belang in SGI te hebben omdat SGI dan niet als een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde kon worden aangemerkt

4.12.

Waar voor [gedaagde] op grond van de voorafgaand aan de vergadering van de RvC van 13 september 2007 toegestuurde notitie duidelijk was dat Rendo c.s. gelet op de vereisten van de Wet Onafhankelijk Netbeheer geen aandeelhouder kon zijn van de derde partij die werd gezocht, moest voor [gedaagde] duidelijk zijn dat dit eveneens zou gelden voor (besloten vennootschappen van) [gedaagde] en [naam 1] . Gelet op hun positie binnen Rendo c.s. konden zij, noch hun vennootschappen, als onafhankelijke derde worden aangemerkt. In dat verband verdient vermelding dat [gedaagde] zelf stelt dat (onder meer) tot de constructie van (indirecte) deelname in SGI van hemzelf en [naam 1] is gekozen omdat zij op die manier "voor Rendo c.s." de gang van zaken in SGI in de gaten konden houden. Daargelaten of dit juist is, onderstreept dit dat [gedaagde] en [naam 1] zich onmogelijk als onafhankelijke derde van Rendo c.s. hebben kunnen beschouwen.

4.13.

Daar komt bij dat [gedaagde] ten tijde van het verkrijgen van het (indirecte) belang in SGI statutair bestuurder van Rendo Netbeheer was en het [gedaagde] op grond van artikel 8 lid 1 van de statuten van Rendo Netbeheer verboden was om (in)direct binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat SGI niet kan worden aangemerkt als een producent, leverancier of handelaar van elektriciteit of gas. SGE kan dat evenwel wel. SGI is enig aandeelhouder van SGE. [gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat een aandelenbelang via een privévennootschap volgens Houthoff Buruma en Energiened wel was toegestaan. De rechtbank gaat aan deze niet onderbouwde stelling voorbij. Het advies is niet overgelegd en [gedaagde] licht evenmin toe op grond waarvan hij ondanks het bepaalde in artikel 8 lid 1 van de statuten toch gerechtigd zou zijn een (indirect) belang in SGI te hebben. De rechtbank is verder van oordeel dat [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo Netbeheer een eigen verantwoordelijkheid had tot naleving van de op hem als statutair bestuurder toepasselijke wettelijke en statutaire bepalingen. Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat [naam 1] hem op het hart zou hebben gedrukt om discretie te betrachten in verband met politieke belangen, ontslaat [gedaagde] niet van die wettelijke en statutaire bepalingen, nog daargelaten dat er geen begin van bewijs is aangebracht van deze stelling.

e. [gedaagde] had wetenschap van de achtergestelde leningen en sale and leasebacktransacties ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale en was deels actief betrokken bij de nakoming (betalingen) van de leningen

4.14.

Dat niet [gedaagde] maar [naam 1] de overeenkomsten namens Rendo c.s. is aangegaan, betekent niet dat [gedaagde] geen wetenschap had van de leningen en sale ande leasebacktransacties. [gedaagde] had wetenschap van de jaarstukken van Rendo Holding: de jaarstukken waren immers geconsolideerd. Uit dien hoofde moet [gedaagde] wetenschap van de achtergestelde leningen hebben gehad. De rechtbank betrekt daarbij dat uit het door [gedaagde] in de conclusie van antwoord onder randnummer 105 opgenomen schema blijkt dat [gedaagde] (samen met een derde) de bankprocuratie heeft verstrekt voor de betalingen van 11 september 2008: € 3 miljoen aan SGC en € 3 miljoen aan SGE. Ook heeft [gedaagde] (samen met een derde) een bankprocuratie versterkt voor de betaling van 30 oktober 2009: € 2 miljoen aan SGE. Dat [gedaagde] vanuit Rendo c.s. actief betrokken was bij (de nakoming van) de achtergestelde geldleningen en sale and leasebacktransacties blijkt verder uit de in het rapport van EY van 25 september 2013 opgenomen citaten uit de kwartaalrapportage van Rendo Holding van het vierde kwartaal 2008. In die kwartaalrapportage wordt melding wordt gemaakt van de twee achtergestelde leningen van € 6 miljoen elk aan SGC. Uit de rapportage van EY blijkt dat [gedaagde] bij de bespreking van die kwartaalrapportage aanwezig is geweest en dat in de notulen van die bespreking is opgenomen dat voor de keuze van omzetting lening/aangaan van nieuwe lening een aanvullend gesprek zal plaatsvinden tussen [naam 1] , [gedaagde] en [naam 16] . Uit de in het rapport van EY van 25 september 2013 opgenomen citaten van de bespreking van de eerste kwartaalrapportage 2010 blijkt dat ook toen de geldleningen aan de dochters van SGI zijn besproken en dat [gedaagde] bij die bespreking aanwezig was. Dat [gedaagde] vanuit Rendo c.s. actief betrokken was bij de achtergestelde geldleningen en sale and leasebacktransacties vindt voorts steun in de verklaringen van [naam 5] en [naam 6] . [naam 5] heeft (op 5 december 2012 als verdachte gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat [gedaagde] de financiële man was en dat [gedaagde] zorgde voor de uitvoering van de met [naam 1] namens Rendo afgesproken geldleningen. [naam 6] heeft (op 11 september 2013 als verdachte gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat [gedaagde] met name op het financiële vlak sterk naar voren kwam, dat [gedaagde] zijn stempel heeft gedrukt op de geldlening van € 4,5 miljoen (van 18 juni 2010 aan SGC) en dat [gedaagde] goed op de hoogte was van de financiële positie van SGI. Uit de brief van 2 mei 2011 van Horizon aan [naam 1] blijkt dat [gedaagde] naar Horizon toe als financieel directeur (CFO) van Rendo Holding werd gepresenteerd.

f. [gedaagde] wist dat door de leningen en transacties het risico voor Rendo c.s. te groot werd

4.15.

[gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de risico's te groot werden voor Rendo c.s. verbonden aan de verstrekte leningen. Om te beginnen waren de aan SGI verstrekte leningen achtergesteld, hetgeen een extra risico in geval van insolventie met zich brengt. Bovendien was SGI een startende onderneming met een slechte liquiditeitspositie (zie hiervoor 2.80), op basis van een mogelijk in potentie veelbelovende (nieuwe) techniek, echter die techniek was op het moment van de investeringen niet, althans volstrekt onvoldoende, bewezen. Daar komt bij dat SGI over onvoldoende eigen vermogen beschikte, hetgeen volgens [gedaagde] zelf ook de reden is geweest waarom gezocht werd naar externe investeerders. Uiteindelijk is Rendo c.s. - tot de overname van de aandelen SGI door Horizon - de enige private investeerder geweest die SGI met leningen van een onverantwoorde omvang heeft gefinancierd. Uit de (geconsolideerde) jaarstukken blijkt dat waar de verstrekking van leningen en sale and leasebacktransacties in 2008 nog een aandeel in het eigen vermogen van Rendo Holding en N.V. Rendo hadden van 8,2% respectievelijk 18,8%, deze percentages in 2011 waren opgelopen tot 42,5% respectievelijk 56,9%. Rendo c.s. heeft op grote schaal (voor tientallen miljoenen euro's) gemeenschapsgelden aangewend voor financieringen die onverantwoord waren vanwege de omvang en de risico's. [gedaagde] heeft daarvan geweten, heeft er samen met [naam 1] aan meegewerkt en heeft er in privé ten detrimente van Rendo c.s. van geprofiteerd. Een en ander terwijl [gedaagde] wist, dan wel behoorde te weten, dat Rendo c.s. slechts bereid was voor 4 à 5 miljoen euro in een dergelijk project te willen deelnemen (zie 2.12 en 2.14). Tijdens de pleidooien heeft [gedaagde] erkend dat hij de exposure ook wel zag en dat hij dit aan [naam 1] heeft gemeld. Die stelling is echter niet onderbouwd, maar zelfs als juist zou zijn wat [gedaagde] beweert, ontslaat hem dat niet van zijn eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de onverantwoord hoge leningen.

g. [gedaagde] wist dat een deel van die leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om hem (danwel Marella) een (deel van het) bedrag van € 2,7 miljoen te betalen voor het inkopen van zijn aandelen, waarvoor hij (danwel Marella) een maand eerder slechts € 5.000,00/€.6.000,00 had betaald

4.16.

De rechtbank leidt dit af uit de volgende vaststaande feiten en omstandigheden waar [gedaagde] bij betrokken was, in onderling verband en samenhang bezien:

 dat [naam 1] in zijn e-mailbericht van 26 oktober 2009 aan [naam 5] en [gedaagde] als positieve aspecten over het voorstel tot inbreng van EPC in SGI heeft laten weten dat (1) het eigen vermogen van SGI daardoor voor de buitenwereld wordt opgekrikt en (2) daardoor vervroegde uitkeringen aan de aandeelhouders (Woldomus en Marella) mogelijk wordt;

 dat [naam 1] in zijn e-mailbericht van 6 november 2009 aan [naam 5] en aan [gedaagde] heeft laten weten betaald te willen worden waarbij [naam 1] heeft voorgesteld dat SGI het daarvoor benodigde bedrag leent van "de suikeroom", waarmee geen ander dan Rendo Holding kan zijn bedoeld omdat niet gebleken is dat er andere (rechts)personen zijn die noemenswaardige investeringen hebben gedaan/leningen hebben verstrekt aan SGI;

 dat Rendo Holding op 25 november 2009 aan SGI een achtergestelde lening heeft verstrekt voor een bedrag van € 1,8 miljoen (lening 6) en dat Rendo Holding op 27 november 2009 van SGI een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale heeft gekocht voor € 7 miljoen (sale and leasebacktransactie 1) waarmee gevolg wordt gegeven aan het zogeheten stappenplan inkoop aandelen zoals dat op enig moment voorafgaand aan de op 22 december 2009 gehouden nadere aandeelhoudersvergadering SGI is opgesteld,

 dat Marella op 29 november 2009 besloten heeft over te gaan tot uitoefening van de koopoptie op de aandelen in SGI en dat zij de aandelen toen geleverd heeft gekregen voor € 5.000,00 of € 6.000,00,

 dat SGI de aandelen die Marella in SGI hield nog geen maand later, op 22 december 2009, heeft ingekocht voor € 2,7 miljoen,

 dat Rendo Holding op 18 juni 2010 aan SGC een achterstallige lening heeft verstrekt voor een bedrag van € 4,5 miljoen (lening 7),

 dat Rendo Duurzaam op 30 december 2010 roerende zaken van SGI heeft gekocht voor € 2,25 miljoen (sale and leasebacktransactie 2),

 dat Rendo Duurzaam op 22 september 2011 aan SGI een vergoeding van € 3,7 miljoen heeft betaald voor in de biomassa gedane investeringen (sale and leasebacktransactie 3),

 dat Marella voor de verkoop van haar aandelen van SGI de volgende betalingen heeft ontvangen: op 23 december 2009 € 0,5 miljoen, op 29 juni 2010 € 0,5 miljoen, op 22 september 2011 € 0,5 miljoen en op 10 juli 2012 € 0,75 miljoen.

4.17.

Gelet op de inhoud van het e-mailbericht van 26 oktober 2009 van [naam 1] aan [naam 5] en [gedaagde] , valt [gedaagde] niet te volgen in zijn verweer dat hij niet kon overzien wat de motieven waren voor inbreng van EPC. In die e-mail worden immers als "positieve aspecten" van het voorstel tot inbreng van EPC in SGI benoemd dat (1) het eigen vermogen van SGI daardoor voor de buitenwereld wordt opgekrikt en (2) daardoor vervroegde uitkeringen aan de aandeelhouders mogelijk wordt.

4.18.

[gedaagde] heeft verder tot zijn verweer aangevoerd dat hij voor de aandelen een marktconforme prijs heeft gekregen. Afgezien dat Rendo c.s. dit betwist kan dit, geheel veronderstellenderwijs aannemende dat de stelling van [gedaagde] juist is, niet afdoen aan bovenstaande vaststelling dat [gedaagde] wist dat een deel van de leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om hem (danwel Marella) voor de aandelen te betalen, terwijl het geld bedoeld was voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale en er zonder deze inbreng geen liquide middelen in SGI aanwezig waren om betalingen aan [gedaagde] danwel Marella te doen. Hier komt bij dat [gedaagde] (danwel Marella) vrijwel geen vermogen heeft ingebracht in SGI en dus ook geen noemenswaardig risico heeft gelopen. Ook overigens is niet gebleken wat hij heeft toegevoegd aan SGI (qua kapitaalspositie of anderszins), zodat niet valt in te zien waarom [gedaagde] recht zou hebben op een bedrag van € 2,7 miljoen mede in aanmerking nemende dat de koopprijs niet door SGI kon worden gefinancierd maar die feitelijk betaald werd door Rendo c.s. middels door haar verstrekte gelden aan SGI.

h. [gedaagde] heeft (ook) na het ontslag van [naam 1] wegens verdenking van fraude, terwijl adviseurs waren ingehuurd om het SGI-project nader te onderzoeken, als statutair bestuurder van Rendo Holding niet alleen zijn eerdere betrokkenheid bij SGI verzwegen, maar ook dat onderzoek gefrustreerd

4.19.

Als door [gedaagde] niet betwist staat vast dat [gedaagde] ook nadat [naam 1] wegens verdenking van fraude was ontslagen zijn eerdere betrokkenheid bij SGI heeft verzwegen, terwijl een onderzoek naar de betrokkenheid van [naam 1] bij het SGI-project gaande was.

4.20.

Dat [gedaagde] als waarnemend statutair bestuurder van Rendo Holding het onderzoek naar de fraude heeft gefrustreerd leidt de rechtbank af uit de omstandigheden dat [gedaagde] tijdens de vergadering van de RvC van 23 november 2012 de leugenachtige verklaring heeft afgelegd dat binnen Rendo c.s. alleen [naam 1] met dit project bezig is geweest en dat verder niemand er iets van afwist. Verder leidt de rechtbank het frustreren van het onderzoek door [gedaagde] af uit het feit dat [gedaagde] bij brief van 18 oktober 2012 SGI alleen heeft gevraagd naar het aandelenbezit van [naam 1] in SGI op dat moment, terwijl [gedaagde] wist dat [naam 1] , net als [gedaagde] , (indirect) aandelen in SGI had gehad en deze aandelen inmiddels had verkocht. [naam 14] , de externe accountant aan wie SGI de informatie die in de brief van 18 oktober 2012 werd gevraagd diende te verstrekken, heeft (op 10 januari 2013 als getuige gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat de betreffende vraag was opgesteld door [gedaagde] .

voorts

4.21.

Bij de beoordeling van de vorderingen van Rendo c.s. is naar het oordeel van de rechtbank verder van belang vast te stellen in welke verhouding [gedaagde] tot ieder van de vennootschappen van Rendo c.s. staat. Vaststaat dat [gedaagde] vanaf maart 2001 een dienstverband bij N.V. Rendo had. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] per 1 januari 2003 statutair bestuurder van Rendo Netbeheer (later: N.V. Rendo) is geworden, op welk standpunt Rendo c.s. zich stelt. De rechtbank verwerpt het hiertegen door [gedaagde] gevoerde verweer dat hij alleen titulair bestuurder van Rendo Netbeheer was. Uit de notulen van de RvC van Rendo Netbeheer van 28 november 2002 blijkt dat hij zich bij de RvC heeft gemeld, dat de RvC hem een geschikte kandidaat vond en dat de RvC een benoemingsbesluit afwachtte. Alleen een statutair bestuurder wordt benoemd (door de AvA). Niet anders bedoeld kan dan ook zijn dan dat [gedaagde] statutair bestuurder zou worden. Daar komt bij dat het voorstel tot fusie (met Rendo Netbeheer als verdwijnende rechtspersoon) voor Rendo Netbeheer door [gedaagde] en de RvC van Rendo Netbeheer is ondertekend en voor N.V. Rendo door [naam 1] . Ook dit duidt op statutair bestuurderschap van [gedaagde] . Verder is in het handelsregister opgenomen dat [gedaagde] statutair bestuurder van Rendo Netbeheer was en is in het door [gedaagde] ondertekende formulier (op grond waarvan de inschrijving heeft plaatsgevonden) de vraag of de functionaris ook een statutaire titel heeft, beantwoord met 'ja'. Door [gedaagde] is nog wel aangevoerd dat het zo maar zo kan zijn geweest dat het formulier na zijn ondertekening is ingevuld, maar de rechtbank oordeelt dit gevoerde verweer in het licht van de hiervoor vermelde stukken onvoldoende. Bovendien heeft [gedaagde] in het midden gelaten wie in de periode van 1 januari 2003 tot de fusie met NV Rendo op 4 augustus 2008 dan wel statutair bestuurder van Rendo Netbeheer zou zijn geweest. Alleen de naam van [gedaagde] wordt vermeld onder directie in het jaarverslag van 2007 van Rendo Netbeheer. Ook dit duidt er op dat er niemand anders dan [gedaagde] statutair bestuurder was. Nu N.V. Rendo als gevolg van fusie onder algemene titel Rendo Netbeheer is opgevolgd, heeft te gelden dat [gedaagde] van 1 januari 2003 tot 4 augustus 2008 statutair bestuurder van N.V. Rendo is geweest.

4.22.

Tussen partijen is verder in geschil welke positie [gedaagde] in de periode van augustus 2008 tot 12 juli 2012 bij N.V. Rendo bekleedde. De rechtbank volgt Rendo c.s. niet in haar betoog dat [gedaagde] (ook) in die periode als statutair bestuurder van N.V. Rendo moet worden aangemerkt. Vaststaat dat [naam 1] middellijk statutair bestuurder was van N.V. Rendo via de beide directe bestuurders (Rendo Holding en Rendo Beheer). Dat ook [gedaagde] in die periode statutair bestuurder zou zijn, blijkt uit niets. De door Rendo c.s. aangedragen feiten en omstandigheden dat [gedaagde] actief betrokken was bij de besluitvorming aangaande de investeringen in SGI, dat [gedaagde] bij de vergaderingen van de AvA en RvC aanwezig was, dat [gedaagde] bemoeienis had met de inhoud van de kwartaalverslagen en jaarverslagen, dat in de jaarverslagen van 2006 tot en met 2010 is vermeld dat [gedaagde] , naast [naam 1] en [naam 2] , onderdeel uitmaakt van de driekoppige directie, dat [gedaagde] aanwezig was bij de periodieke directie-bijeenkomsten en dat [gedaagde] bankprocuratiehouder was, leiden naar het oordeel van de rechtbank in onderling verband en samenhang bezien wel tot de conclusie dat [gedaagde] van augustus 2008 tot 12 juli 2012 als (titulair) directeur van N.V. Rendo heeft te gelden. Dit is van belang, omdat naar het oordeel van de rechtbank ook van een (titulair) directeur mag worden verwacht dat hij handelt in de geest van relevante wetgeving en statuten van N.V. Rendo. Rendo c.s. verbindt aan voorgaande door haar aangedragen feiten en omstandigheden de conclusie dat [gedaagde] op grond van art. 2:151 BW heeft te gelden als statutair bestuurder van Rendo Holding, maar artikel 2:151 BW vereist (ook) een daartoe strekkend beluit van de AvA of een daartoe strekkende statutaire bepaling. Geen van beide doet zich voor. Dat is anders vanaf 12 juli 2012, wanneer [gedaagde] als waarnemend statutair bestuurder van Rendo Holding wordt benoemd. Vanaf dat moment is [gedaagde] statutair bestuurder van Rendo Holding, tot zijn ontslag op staande voet eind december 2012.

4.23.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] van 1 januari 2003 tot 4 augustus 2008 statutair bestuurder van (de rechtsvoorganger onder algemene titel van) N.V. Rendo was, dat [gedaagde] van 4 augustus 2008 tot 12 juli 2012 werknemer/directeur van N.V. Rendo was en dat [gedaagde] van 12 juli 2012 tot eind december 2012 statutair bestuurder van Rendo Holding was. De rechtbank zal gelet daarop in het navolgende de vordering van Rendo c.s. uitsplitsen in drie periodes. De periode 2003 tot 4 augustus 2008, de periode 4 augustus 2008 tot 12 juli 2012 en de periode van 12 juli 2012 tot eind december 2012. De artikelen 6:162 BW en 2:9 BW vormen daarbij het relevante beoordelingskader. Ingevolge art. 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voor aansprakelijkheid op de voet van deze bepaling is noodzakelijk dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn gedragingen bij zijn taakvervulling als bestuurder van een vennootschap. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.

4.24.

De rechtbank zal in het navolgende per periode beoordelen of de aldus vastgestelde feiten en omstandigheden tot (één van) de door Rendo c.s. ingeroepen rechtgevolgen leiden.

de periode 2003 tot 4 augustus 2008

4.25.

In deze periode heeft Rendo Holding aan SGC tot een bedrag van € 6 miljoen aan achtergestelde leningen verstrekt (lening 1 van 21 december 2007 en lening 3 van 2 juni 2008) en heeft Rendo Holding aan SGE tot een bedrag van € 6 miljoen aan achtergestelde leningen verstrekt (lening 2 van 21 december 2007 en lening 4 van 2 juni 2008).

4.26.

De omstandigheden dat [gedaagde] in deze periode zonder inbreng van enig substantieel eigen vermogen voor eigen gewin een (indirect) belang in SGI heeft genomen en dat belang heeft gemaskeerd terwijl hij wist:

 dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale vanwege de op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd,

 dat het Rendo c.s. daarom niet was toegestaan aandeelhouder van SGI te worden en dat hem daarom ook niet was toegestaan een (indirect) belang in SGI te hebben,

kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank als onrechtmatige, Rendo c.s. benadelende misleiding van Rendo c.s. door [gedaagde] . [gedaagde] heeft zijn eigen (financiële) belang vooropgesteld ten koste van de hem kenbare belangen van Rendo c.s. alleen in zee te willen gaan met een onafhankelijke derde als vereist in op handen zijnde wetgeving. [gedaagde] heeft aldus voorzienbare schade toegebracht aan Rendo c.s. waarmee is voldaan aan zowel de maatstaf van 6:162 BW (ten opzichte van Rendo Holding en Rendo Duurzaam) als 2:9 BW (ten opzichte van N.V. Rendo). [gedaagde] heeft aldus jegens Rendo Holding en Rendo Duurzaam in strijd gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid, hetgeen hem valt te verwijten. [gedaagde] heeft met zijn handelwijze voorts jegens N.V. Rendo blijk gegeven van een onbehoorlijke taakvervulling, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank oordeelt daartoe voorts als volgt.

4.27.

[gedaagde] vermengde voor eigen gewin via SGI privébelangen met de belangen van Rendo c.s., terwijl [gedaagde] de daarmee ontstane situatie van tegenstrijdig belang voor Rendo Netbeheer (en de andere ondernemingen van Rendo) maskeerde door deel te nemen in SGI via eerst zijn (voormalig) echtgenote en later zijn vennootschap (Marella). [gedaagde] had zich als bestuurder van de werkmaatschappij van Rendo Holding van die handelwijze dienen te onthouden, nu [gedaagde] wist dat Rendo c.s. als financier van SGI zou optreden en te meer nu het [gedaagde] op grond van artikel 8 van de statuten van Rendo Netbeheer niet toegestaan was om indirect binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit. Artikel 10 lid 3 van de statuten van Rendo Netbeheer bepalen dat [gedaagde] bij een tegenstrijdig belang de vennootschap ook niet mag vertegenwoordigen.

4.28.

[gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat hij mocht afgaan op de mondelinge verklaring van [naam 1] dat [naam 3] en de RvC van Rendo Holding op de hoogte zouden zijn en zouden goedkeuren dat ( [naam 1] en) [gedaagde] een (indirect) belang in SGI hebben. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] aanvoert dat die toestemming zou betekenen dat het onrechtmatig karakter aan zijn gedragingen is komen te ontvallen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Van de stelling dat [naam 1] tegen [gedaagde] zou hebben verklaard in vorenstaande zin, is nog geen begin van bewijs geleverd, zodat om die reden het verweer reeds faalt. Ook op andere wijze is niet gebleken van enige toestemming of instemming van de zijde van Rendo c.s. [naam 3] heeft (op 10 december 2012 als getuige gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat hij en de RvC niet op de hoogte waren van de 60% (middellijke) deelneming door [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] (via echtgenotes dan wel een vennootschap) in SGI en dat zij geen toestemming hebben gevraagd voor deze deelname. [naam 4] heeft (op 4 december 2012 als getuige gehoord door de Belastingdienst/FIOD) een verklaring van dezelfde strekking gegeven.

Overigens mocht [gedaagde] aan een verklaring van [naam 1] -zelfs als die gedaan zou zijn, hetgeen dus niet is gebleken - geen waarde hechten. Van [gedaagde] mocht om te beginnen als statutair bestuurder worden verwacht dat hij op de hoogte was van de statutaire bepalingen en dat hij zich aan artikel 8 van de statutaire bepalingen zou houden. [gedaagde] mocht niet afgaan op de enkele - gestelde - verklaring van Woldering, te minder omdat zowel de RvC (vergadering van 13 september 2007) als de AvA (van 20 december 2007) zich op het standpunt stelden dat het noodstroomproject vanwege de wettelijke vereisten door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde moest worden geëxploiteerd. Dit was [gedaagde] duidelijk omdat hij bij de vergaderingen aanwezig was en omdat de standpunten in de notulen duidelijk zijn verwoord. Verder was het [gedaagde] op grond van de voorafgaand aan de vergadering van de RvC van 13 september 2007 toegestuurde notitie duidelijk dat Rendo c.s. gelet op de vereisten van de Wet Onafhankelijk Netbeheer geen aandeelhouder kon zijn van de derde partij die werd gezocht. Tot slot geldt nog dat zelfs al zou(den) [naam 3] en/of (anderen van) de RvC toestemming voor de mede door [gedaagde] opgezette constructie hebben gegeven, hetgeen op geen enkele wijze is gebleken, dan nog had [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo Netbeheer (tot 2008), een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen zich te houden aan de statutaire bepalingen van Rendo Netbeheer.

4.29.

Door zijn (indirecte) belang in SGI niet te melden bij de RvC van Rendo Netbeheer heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met art. 2:251 lid 1 BW. Op grond van art. 2:251 lid 1 BW is het bestuur verplicht de RvC tijdig de voor diens taakuitoefening noodzakelijke gegevens te verschaffen. Voor [gedaagde] moest ook gelet op het bepaalde in artikel 10 lid 3 van de statuten van Rendo Netbeheer duidelijk zijn dat hij zijn (indirecte) belang in SGI aan de RvC moest melden voor de goede uitoefening van de taak van de RvC. De RvC heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. [gedaagde] had de RvC op de hoogte moeten stellen van zijn inbreuk op artikel 8 lid 1 van de statuten, van het daaruit voortvloeiende tegenstrijdig belang en van de gevolgen voor zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid.

4.30.

Door in strijd te handelen met deze statutaire en wettelijke bepalingen die de vennootschap beogen te beschermen heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank op evidente wijze het vennootschappelijke belang van NV Rendo geschaad, waarmee (eveneens) is voldaan aan het ernstig verwijt-vereiste als bedoeld in art. 2:9 BW. [gedaagde] heeft blijk gegeven van een onbehoorlijke taakvervulling, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

de periode van 4 augustus 2008 tot 12 juli 2012

4.31.

In deze periode heeft Rendo Holding aan SGE een achtergestelde lening verstrekt van € 2 miljoen (lening 5 van 3 oktober 2008) en heeft Rendo Holding tot een bedrag van

€ 6,3 aan achtergestelde leningen verstrekt aan SGC (lening 6 van 25 november 2009 en lening 7 van 18 juni 2010). In deze periode heeft Rendo Holding op basis van sale and leasebacktransactie 1 een bedrag van € 7 miljoen verstrekt aan SGI en heeft Rendo Duurzaam op basis van sale and leasebacktransacties 2 en 3 bedragen van respectievelijk € 2,25 en € 3,7 miljoen verstrekt aan SGI. De bedragen zijn verstrekt ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale. Ook ten aanzien van deze geldleningen en transacties geldt dat wanneer Rendo c.s. wetenschap had gehad van de (indirecte) belangen van haar directieleden in SGI, de rechtbank van oordeel is dat deze leningen niet waren verstrekt en de sale and leasebacktransacties niet waren aangegaan.

4.32.

Vaststaat dat [gedaagde] wetenschap had van en in ieder geval deels actief betrokken was bij de nakoming/betaling van de achtergestelde leningen en totstandkoming van de drie sale and leasebacktransacties, terwijl hij wist dat daardoor het risico voor Rendo c.s. te groot werd en wetende dat de leningen waren verstrekt en de transacties waren aangegaan ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale terwijl een deel van aldus verstrekte bedragen door SGI zouden worden aangewend om hem danwel Marella een bedrag van

€ 2,25 miljoen te betalen voor verkrijging van de aandelen in SGI, waarvan Rendo c.s. niet op de hoogte was. Ook deze handelwijze van [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden als een dermate jegens Rendo c.s. evident misleidende handelwijze, waardoor Rendo c.s. opzettelijk is benadeeld, dat daarmee is voldaan aan zowel de (zorgvuldigheids)maatstaf van artikel 6:162 BW (ten opzichte van Rendo Holding en Rendo Duurzaam) als die van artikel 7:661 BW (ten opzichte van N.V. Rendo).

4.33.

[gedaagde] en [naam 1] hebben gemaskeerd in welke vennootschappen voor hoeveel werd deelgenomen. Zelfs al was (de RvC van) Rendo c.s. uit hoofde van de jaarstukken/kwartaal-rapportages wel op de hoogte van de leningen aan SGI danwel haar dochters, hetgeen niet is gebleken, betekent dat nog niet dat Rendo c.s. wist of moest weten dat die financiering deels zou worden gebruikt zodat SGI de aandelen van [gedaagde] (Marella) en [naam 1] (Woldomus) kon inkopen. Door daarover geen duidelijkheid te verschaffen heeft [gedaagde] Rendo c.s. benadeeld voor eigen gewin. Rendo c.s. verkeerde immers in de veronderstelling dat de gelden zouden worden besteed aan de warmtekracht- en torrefactiecentrale. Zelfs al vertegenwoordigden de aandelen de waarde die [gedaagde] als koopsom ervoor heeft gekregen, is dat het gevolg van de investeringen van Rendo c.s., die zij niet zou hebben gedaan - ook niet in deze periode - als zij had geweten van het (indirecte) belang van [gedaagde] en het feit dat [naam 1] en [gedaagde] deze gelden hebben uitgeleend met het oogmerk om de inkoop van aandelen SGI mogelijk te maken voor hun eigen financiële gewin.

4.34.

Bij akte heeft [gedaagde] nog tot zijn verweer aangevoerd dat Marella haar aandelen in SGI heeft verkocht omdat [naam 5] en [naam 6] anders uit het project zouden stappen. Die stelling valt om te beginnen niet te rijmen met de verklaring van [gedaagde] dat hij de aandelen in SGI vanwege zijn eigen zakelijke belangen heeft genomen. Dan ligt in de rede dat [gedaagde] met deze inkoop zijn eigen zakelijke belangen heeft behartigd. Bovendien neemt die stelling, waarvan de juistheid dus reeds niet is gebleken, niet weg dat [gedaagde] , samen met [naam 1] , heeft bewerkstelligd dat geld door Rendo c.s. verstrekt, bestemd voor de ontwikkeling van de warmtekracht- en torrefactiecentrale, bij hem en [naam 1] terecht is gekomen zonder dat Rendo c.s. dat wist. Niet valt in te zien hoe dit verzwijgen van de werkelijke bestemming van de door Rendo c.s. aan SGI en haar dochters verstrekte gelden (ook) in het belang van Rendo c.s. is geweest, zoals [gedaagde] stelt. Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde] dat Marella een bedrag van € 500.000,00 heeft prijsgegeven op de koopprijs van de aandelen die zij voor 2,7 miljoen heeft verkocht en voor € 5.000,00/

€ 6.000,00 had gekocht.

4.35.

Verder geldt dat voor [gedaagde] duidelijk was (zie r.o. 4.15 e.v.), of moest zijn, dat de kern van het eigen vermogen van Rendo c.s., en dus ook van Rendo Holding, in werkmaatschappij N.V. Rendo zat. [gedaagde] moet dus hebben geweten dat N.V. Rendo materieel het risico droeg van de miljoenenleningen en -verstrekkingen van Rendo Holding (de zeven geldleningen en sale and leasebacktransactie 1) en Rendo Duurzaam (sale and leasebacktransacties 2 en 3) aan SGI en haar dochters. Als directeur strategie en regulering van N.V. Rendo was [gedaagde] verantwoordelijk voor de taken van N.V. Rendo als netbeheerder. [gedaagde] had naar het oordeel van de rechtbank dan ook een eigen verantwoordelijkheid voor de stabiliteit van deze vennootschap, gelet op de functie van de vennootschap als netbeheerder. In die zin zijn de in SGI en haar dochters gedane investeringen wel degelijk afgewenteld op de netbeheerder. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] deze zeer risicovolle leningen - gelet op zijn functie van directeur van Rendo Netbeheer en bijbehorende verantwoordelijkheid - in deze omvang niet mogen toestaan/eraan mee mogen werken.

de periode van 12 juli 2012 tot eind december 2012

4.36.

Door zijn eerdere (indirecte) belang in SGI en dat van [naam 1] niet te melden bij de RvC van Rendo Holding heeft [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo Holding naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met art. 2:251 lid 1 BW, welk artikel het bestuur verplicht de raad van commissarissen tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens te verschaffen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan, terwijl op dat moment onderzoek gaande was naar het verstrekken van achtergestelde miljoenenleningen aan SGI en de betrokkenheid van [naam 1] daarbij. In dat licht is het door [gedaagde] gevoerde verweer dat hij geen (indirect) belang meer had in SGI en dus daarover niet meer uit zichzelf zou hoeven te verklaren, onbegrijpelijk. Gelet op de in artikel 2:251 BW neergelegde wettelijke verplichting kon [gedaagde] zich, als statutair bestuurder van Rendo Holding niet verschuilen achter mogelijke aanwijzingen van [naam 1] , al dan niet op instigatie van [naam 3] , dat discreet zou moeten worden omgegaan met de belangen in SGI. [gedaagde] heeft niet alleen gezwegen, waar hij op grond van art. 2:251 lid 1 BW moest spreken, [gedaagde] heeft dat onderzoek ook nog eens tegengewerkt door tijdens de vergadering van de RvC van 23 november 2012 de leugenachtige verklaring af te leggen dat binnen Rendo c.s. alleen [naam 1] met dit project bezig is geweest en dat verder niemand er iets van afwist, terwijl [gedaagde] twee dagen vóór zijn benoeming tot statutair bestuurder van Rendo Holding nog een slotbetaling van € 0,75 miljoen voor zijn aandelen SGI had ontvangen. Hij heeft daarvan geen melding gemaakt terwijl hem op dat duidelijk was dat Rendo c.s. [naam 1] verdacht van frauduleus handelen zodat hij op zijn minst genomen moet hebben vermoed dat ook zijn handelwijze met betrekking tot de deelneming in SGI als laakbaar zou worden beschouwd. [gedaagde] heeft het onderzoek vervolgens verder tegengewerkt door SGI welbewust alleen te vragen naar het bestaande (indirecte) aandelenbezit van [naam 1] , wetende dat [naam 1] zijn aandelen, net als [gedaagde] , had vervreemd. [gedaagde] heeft daarmee jegens Rendo Holding eveneens blijk gegeven van een onbehoorlijke taakvervulling, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

causaal verband

4.37.

[gedaagde] betwist dat er causaal verband is tussen zijn handelen en het door Rendo c.s. aan schadevergoeding gevorderde bedrag bestaande uit (1) een bedrag van € 29 miljoen aan schade zijnde (i) het aan leningen verstrekte bedrag (€ 19,3 miljoen) en (ii) de op basis van de sale and leasebacktransacties verstrekte bedragen (€ 9,7 miljoen) en (2) een bedrag van € 831.304,00 aan deskundigenkosten en kosten juridische bijstand.

4.38.

De rechtbank is van oordeel dat met redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat wanneer Rendo c.s. wetenschap had gehad van de (indirecte) belangen van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] in SGI, de leningen niet aan SGI waren verstrekt en de sale and leasebacktransacties niet met SGI waren aangegaan. Vaststaat immers dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon worden van die derde. [naam 4] , destijds commissaris van Rendo Holding, heeft, op 4 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, verklaard dat wanneer de RvC dit had geweten Rendo c.s. niet had geïnvesteerd in het project van SGI. [naam 3] , destijds voorzitter van de RvC heeft op 10 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, verklaard dat wanneer hij had geweten dat de directieleden van Rendo ( [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] ) tevens (indirect) meerderheidsaandeelhouders waren van SGI, hij geen toestemming zou hebben verleend voor de verstrekking van deze (en de andere) leningen. Nu Rendo Holding en Rendo Duurzaam een bedrag van € 29 miljoen in SGI en haar dochters hebben geïnvesteerd, wat zij niet zouden hebben gedaan als zij weet zouden hebben gehad van het (indirecte) belang van [gedaagde] (en [naam 1] ) in SGI, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank reeds aan het vereiste condicio sine qua non verband voldaan. De rechtbank is, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de onverantwoorde omvang en risico's van de leningen (mede) het directe gevolg zijn geweest van handelingen [gedaagde] .

4.39.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de schade veroorzaakt door [gedaagde] als gevolg van zijn door de rechtbank zelfstandig onrechtmatig geoordeelde handelwijze, zijn handelen in groepsverband met [naam 1] , het kennelijk onbehoorlijk bestuur en zijn wanprestatie, hem redelijkerwijs kan worden toegerekend, met uitzondering van leningen verstrekt ter hoogte van een bedrag van € 5 miljoen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

- de mate van verwijtbaarheid
De mate van verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. [gedaagde] heeft in zijn functie als bestuurder/directeur meegewerkt aan het verstrekken van onverantwoord hoge leningen van Rendo c.s. aan SGI, waarbij - met wetenschap van [gedaagde] - gemaskeerd is dat grote sommen gelden aan SGI werden geleend door Rendo c.s., terwijl onder andere [gedaagde] een privébelang had in SGI. Bovendien ging het daarbij om gemeenschapsgelden die Rendo c.s. uitleende, waaruit [gedaagde] in privé op onrechtmatige wijze substantiële voordelen heeft genoten. De ernst van deze verwijten maakt dat de schade sneller kan worden toegerekend (vgl. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310, NJ 2011/139).

- de voorzienbaarheid

De rechtbank heeft hiervoor in r.o. 4.14 en 4.15. overwogen dat [gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de risico's voor Rendo c.s. veel te groot werden. Bovendien wist hij, althans had hij moeten weten, dat de gelden waarmee zijn aandelenbelang in SGI werd overgenomen en waarmee hij een onrechtmatig voordeel verkreeg, rechtstreeks afkomstig waren van Rendo c.s. [gedaagde] heeft ter gelegenheid van de pleidooien erkend dat de opbrengsten voor zijn aandelenbelang in SGI eigenlijk aan Rendo c.s. hadden moeten toekomen en dat hij ook vond dat de exposure te groot werd. In zoverre was de schade voorzienbaar.

- de aard van de overtreden norm

Een bestuurder/directeur behoort in het belang van de vennootschap te handelen en dat geldt temeer voor een vennootschap met een publiekrechtelijke taak met gemeenschapsgelden. Een bestuurder/directeur behoort niet voor eigen gewin te handelen en behoort - wetende dat Rendo c.s. niet in gelieerde ondernemingen wenste te investeren, dat niet toch te doen, in strijd met het belang van de vennootschap en de statuten.

- de aard van de schade

Het betreft verloren gegaan gemeenschapsgeld, waarmee juist behoudend moet worden omgegaan. Door op voormelde wijze te handelen heeft [gedaagde] het risico in het leven geroepen dat de primaire taak van de Netbeheerder vanwege de grote omvang van de leningen en het voor eigen gewin onttrekken van gelden, in gevaar zou komen. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt door het faillissement van SGI en haar dochters met als voorzienbaar gevolg dat de leningen niet aan Rendo c.s. zouden kunnen worden terugbetaald.

4.40.

Toerekening van de gehele door Rendo c.s. gestelde schade acht de rechtbank echter niet redelijk. Duidelijk is - zie 2.12 en 2.13 hiervoor - dat Rendo c.s. bereid was een bedrag van € 4 a 5 miljoen te investeren als risicodragend kapitaal in het project 'van afval naar grondstof'. De rechtbank acht het daarbij aannemelijk dat Rendo c.s. - had zij niet in SGI geïnvesteerd onder meer vanwege de privébelangen van [gedaagde] en [naam 1] - in een vergelijkbaar project had geïnvesteerd met vergelijkbare risico's. Rendo c.s. heeft willens en wetens willen investeren met risicodragend kapitaal in een innovatief nieuw project, daarmee het risico aanvaardend dat indien het project niet zou slagen, zij daarmee verlies kon lijden voor een bedrag van € 4 a 5 miljoen. Daarmee is toerekening van deze schade niet langer redelijk, aangezien Rendo c.s. bewust was, of behoorde te zijn, van de risico's behorende bij een dergelijk investering.

4.41.

[gedaagde] voert tot zijn verweer nog aan dat er geen causaal verband is omdat de fabriek nog zou hebben gedraaid als er nog enkele investeringen zouden zijn gepleegd in SGI. Dit verweer strandt reeds omdat die stelling onvoldoende is onderbouwd. Overigens geldt dat de onderneming is gekocht uit faillissement voor een relatief geringe koopprijs en als waar zou zijn wat [gedaagde] stelt, dan valt die koopprijs daarmee niet te rijmen. Bovendien staat vast dat bij wetenschap van het (indirecte) belang van [naam 1] (en [gedaagde] ) in SGC, door Rendo c.s. van meet af aan niet zou zijn geïnvesteerd in SGI en haar dochters. Ook als het verweer van [gedaagde] zo moet worden opgevat dat Rendo c.s. vanwege een op hen haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn tot verdere investeringen, verwerpt de rechtbank dat verweer. Kennelijk wil [naam 1] aanvoeren dat als Rendo c.s. nog meer geld in de warmtekracht- en torrefactiecentrale had geïnvesteerd, SGI en haar dochters aan hun betalingsverplichtingen jegens Rendo c.s. hadden kunnen voldoen. Uit niets blijkt dat, en waarom, Rendo c.s. op grond van een op hen haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn nog verdere investeringen in SGI en haar dochters te doen.

4.42.

[gedaagde] voert verder tot zijn verweer aan dat de RvC heeft ingestemd met de beide projecten (warmtekracht- en torrefactiecentrale), terwijl de RvC op de hoogte was van de financieringsbehoefte. Volgens [gedaagde] zou Rendo c.s. hoe dan ook geld hebben geïnvesteerd in SGI, naar de rechtbank begrijpt ongeacht de handelwijze van [gedaagde] , zodat causaal verband ontbreekt. Volgens [gedaagde] zouden de investeringen als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [naam 1] immers ook zijn gepleegd en zou de schade eveneens zijn ontstaan als hij geen (indirect) belang in SGI had gehad.

4.43.

Behoudens hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de toerekening van de schade van € 4 a 5 miljoen, kan [gedaagde] zich naar het oordeel van de rechtbank niet aan aansprakelijkheid onttrekken met een beroep op het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatig/onbehoorlijk handelen jegens Rendo c.s. en de door dat handelen veroorzaakte schade. De verwijzing naar de gedragingen van [naam 1] in het bijzonder kunnen [gedaagde] daarbij niet baten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld en is er - behoudens hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen - causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW. Voorts miskent [gedaagde] dat het civiele recht de mogelijkheid kent van individuele aansprakelijkheid van groepsleden voor de gedragingen van (andere leden van) de groep. Die aansprakelijkheid is neergelegd in art. 6:166 BW en wordt gevestigd indien door een persoon of rechtspersoon wordt deelgenomen aan gedragingen in groepsverband en de kans op het aldus toebrengen van schade die deelnemer daarvan had behoren te weerhouden. De bepaling stelt buiten twijfel dat een deelnemer aan het onrechtmatig handelen van een groep zich niet aan mede-aansprakelijkheid kan onttrekken met een beroep op het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatige bijdrage aan het groepshandelen en de door dat handelen veroorzaakte schade.

4.44.

Voor toepassing van de bepaling moet sprake zijn van een situatie waarin de kans op het toebrengen van de schade zoals die in concreto is geleden de leden van de groep had behoren te weerhouden van hun optreden in groepsverband. Dit impliceert dat aansprakelijkheid op deze grond alleen kan worden aangenomen, indien de aangesprokene wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor het ontstaan van de schade zoals die in concreto is geleden. Een geslaagd beroep op de bepaling heeft tot gevolg dat de aangesprokene (ook) aansprakelijk wordt gehouden voor schade die niet (direct of in voldoende mate) kan worden beschouwd als een gevolg van eigen gedragingen.

4.45.

Anders dan [gedaagde] betoogt blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het ook aan [gedaagde] gerichte e-mailbericht van [naam 1] van 26 september 2007 en uit de conceptversie van 25 oktober 2007 van de aandeelhoudersovereenkomst voor de oprichting van SGT duidelijk dat [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] gezamenlijk hebben besloten een (indirect) belang in SGT te nemen. Aan dit besluit hebben zij ook uitvoering gegeven, terwijl voor hen in ieder geval op grond van de besprekingen in de vergadering van de RvC van 13 september 2007 duidelijk was dat Rendo c.s. wilden dat de warmtekracht- en torrefactiecentrale door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd. Bovendien was het [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo Netbeheer op grond van artikel 8 lid 1 van de statuten verboden was om (in)direct binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit. Door mee te doen met [naam 1] en [naam 2] en net als [naam 1] en [naam 2] daarover geen duidelijkheid te verschaffen aan Rendo c.s., heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank de kans op het ontstaan van de uiteindelijke schade (door het aangaan van de leningen in hun uiteindelijke omvang en door zich deels op basis van die leningen en de sale and leasebacktransacties door SGI te laten betalen voor de inkoop van de aandelen Marella) vergroot. Ook het inkopen van eigen aandelen door SGI is een actie van [naam 1] en [gedaagde] gezamenlijk geweest. In zijn e-mailbericht van 6 november 2009 aan [naam 5] , die ook aan [gedaagde] is gestuurd, heeft [naam 1] laten weten dat het "voor ons" zeer belangrijk is dat tijdens de overdracht van de aandelen betaald wordt. Niet anders bedoeld kan zijn dan dat "voor ons" terugsloeg op [naam 1] en [gedaagde] . [gedaagde] en [naam 1] zijn ook gezamenlijk betrokken geweest bij het opgestelde zogeheten stappenplan inkoop aandelen. Daarin is beschreven welke handelingen ondernomen moesten worden om de inkoop van de aandelen van Woldomus en Marella in SGI en de betaling daarvan mogelijk te maken. Tevens zijn daarin afspraken gemaakt over de uitbetaling van de verkoopprijs aan Woldomus en Marella. Het mag zo zijn, zoals [gedaagde] stelt, dat de rol van [naam 1] groter was, de handelwijze van [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank de kans op het ontstaan van de uiteindelijke schade tenminste bijgedragen, zoniet vergroot.

De door [gedaagde] tot zijn verweer aangevoerde omstandigheid dat ook [naam 1] jegens Rendo c.s. onrechtmatig zou hebben gehandeld als hijzelf niet had geparticipeerd, leidt hooguit tot het oordeel dat zij gezamenlijk/in groepsverband onrechtmatig jegens Rendo c.s. hebben gehandeld hetgeen betekent dat zij ieder voor zich (hoofdelijk) voor de schade van Rendo c.s. aansprakelijk zijn. De interne verhouding tussen [gedaagde] en [naam 1] regardeert Rendo c.s. echter niet.

omvang schade

4.46.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] jegens Rendo c.s. aansprakelijk is voor de schade die Rendo c.s. heeft geleden als gevolg van:

 in de periode 2003 tot 4 augustus 2008: het onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Rendo Holding en Rendo Duurzaam en het kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] jegens N.V. Rendo;

 in de periode 4 augustus 2008 tot 12 juli 2012: het onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Rendo Holding en Rendo Duurzaam en de aansprakelijkheid van [gedaagde] ex art. 7:661 BW jegens N.V. Rendo;

 in de periode van 12 juli 2012 tot eind december 2012: het kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] jegens Rendo Holding.

4.47.

Primair wordt gevorderd [gedaagde] te veroordelen om de gevorderde schade aan Rendo Holding te betalen. Aangevoerd wordt dat Rendo Holding op grond van door Rendo Duurzaam en N.V. Rendo verstrekte lastgeving ter incasso als lasthebber op eigen naam kan ageren en bevoegdelijk de vorderingen van de lastgevers kan innen. Dit is door [gedaagde] niet betwist, zodat aan Rendo Holding kan worden betaald. Thans ligt de vraag voor wat de hoogte van dit bedrag moet zijn.

4.48.

Om de schade van Rendo c.s. te bepalen moet een vermogensvergelijking worden gemaakt tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. De toestand zoals die in werkelijkheid is, is dat Rendo c.s. achterstelde leningen heeft verstrekt aan SGI en haar dochters. Nu SGI en haar dochters zijn gefailleerd en niet gebleken is dat er uitkeringen uit de faillissementen aan Rendo c.s. te verwachten vallen, kan worden aangenomen dat de leningen door SGI en haar dochters niet zullen worden terugbetaald. De vraag ligt voor wat de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen van [gedaagde] (en [naam 1] ) zou zijn geweest.

4.49.

Rendo c.s. vordert aan schade (onder meer) het door Rendo Holding aan SGI en haar dochters aan leningen verstrekte bedrag van € 19,3 miljoen dat SGI en haar dochters Rendo Holding niet hebben terugbetaald. Die schade acht de rechtbank in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat € 5 miljoen niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze schade redelijkerwijs niet kan worden toegerekend (zie 4.40 e.v.), alsmede met inachtneming van het navolgende.

4.50.

Vaststaat dat uit hoofde van de geldleningen door (de dochters van) SGI rentebetalingen aan Rendo c.s. zijn gedaan. Dit opgekomen voordeel dient met de schade te worden verrekend. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van dagvaarding, nu niet meer of anders is gevorderd. De rechtbank zal Rendo c.s. in de gelegenheid stellen om bij akte (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken) te onderbouwen welk bedrag op de geldleningen aan rente is betaald, waarop [gedaagde] bij antwoordakte zal mogen reageren. Daarbij geldt dat uitgezonderd mag worden de ontvangen rente over een lening van € 5 miljoen, nu de rechtbank ervan uit is gegaan dat Rendo c.s. een dergelijk bedrag hoe dan ook had willen investeren in een vergelijkbaar project, zodat er redelijkerwijs ook vanuit kan worden gegaan dat zij een vergelijkbare rentevergoeding had gekregen.

4.51.

Rendo c.s. vordert ook als schade het bedrag dat zij uit hoofde van de sale and leasebacktransacties aan SGI en haar dochters heeft betaald. Dat bedrag is als schade in beginsel ook toewijsbaar. Tegenover dit vermogensverlies staat echter:

 dat Rendo Holding een perceel industrieterrein in eigendom heeft verkregen met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale (sale and leasebacktransactie 1),

 dat Rendo Duurzaam als gevolg van de sale and leasebacktransactie 2 roerende zaken heeft verkregen,

 de in de biomassacentrale gedane investeringen waarvoor Rendo Duurzaam heeft moeten betalen (sale and leasebacktransactie 3).

Gelet op haar vordering, stelt Rendo c.s. zich kennelijk op het standpunt dat deze goederen geen waarde vertegenwoordigen. [gedaagde] betwist dat en heeft tot zijn verweer aangevoerd dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale verhuurt aan IJsbeer Energie Steenwijk.

Rendo zal - gelet op dit gemotiveerde verweer - in de gelegenheid worden gesteld haar schade op dit punt nader te onderbouwen, dat wil zeggen dat zij gemotiveerd aangeeft wat de werkelijke waarde was van voormelde goederen en zaken op het moment waarop zij verkregen zijn door Rendo c.s., alsmede de huidige waarde ervan.

4.52.

Rendo c.s. vordert verder een bedrag van € 831.304,00 aan deskundigenkosten en kosten juridische bijstand. Deze post is als volgt opgebouwd:

 een bedrag van € 182.400,00 aan kosten juridische bijstand ontslagprocedures;

 een bedrag van € 373.659,00 aan kosten juridische bijstand overige procedures;

 een bedrag van € 275.245,00 aan kosten extern fraudeonderzoek.

Bij dagvaarding heeft Rendo c.s. een specificatie van twee bladzijden overgelegd die uitkomt op het gevorderde bedrag.

4.53.

De rechtbank begrijpt uit deze omschrijving van Rendo c.s. dat Rendo c.s. vergoeding vordert van de door haar werkelijk gemaakte proceskosten in de tussen partijen gevoerde procedures. Voor toekenning daarvan geldt dat, hoewel een dergelijke veroordeling niet onmogelijk is (de rechter is immers niet gehouden om het liquidatietarief toe te passen), een vordering daartoe slechts voor toewijzing in aanmerking komt in geval de aangesproken partij misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te (laten) vangen. Bij het aannemen daarvan past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI: NL:HR:2012:BV7828). Rendo c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld, volstaat daartoe niet. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand zal worden afgewezen.

4.54.

Voor de post extern fraudeonderzoek geldt, dat op de voet van art. 6:96 lid 2 sub b BW redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde] voor toewijzing in aanmerking komen. Ten aanzien van het in dat verband door Rendo c.s. gevorderde bedrag van € 275.245,00 heeft [gedaagde] bij antwoord tot zijn verweer aangevoerd, dat uit de in de specificatie verstrekte omschrijvingen blijkt dat slechts twee van de genoemde onderzoeken op hem betrekking hebben, te weten het onderzoek van RIMA Recherche [naam 1] / [gedaagde] van 1 februari 2014 van € 3.430,00 en het onderzoek van Holland van Grijzen jan/feb 14 verhaal Marella/ [gedaagde] van € 21.503,69. Rendo c.s. gaat bij repliek niet in op dit door [gedaagde] gevoerde verweer anders dan een enkele verwijzing naar een stapel door hem (als productie 261) in het geding gebrachte facturen. De rechtbank houdt het er daarom voor dat alleen de door [gedaagde] genoemde onderzoeken op hem betrekking hebben en de overige onderzoeken niet. Het enkel in het geding brengen van stukken volstaat niet, een advocaat zal duidelijk moeten maken op welk in die stukken genoemd feit een partij zich ter ondersteuning van haar standpunt beroept (vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404). Ter gelegenheid van de pleidooien voert Rendo c.s. aan dat de kosten die betrekking hebben op [naam 1] en [naam 2] ook op [gedaagde] kunnen worden verhaald omdat zij ook het gevolg zijn van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] . Rendo licht toe dat als [gedaagde] niet aan de fraude had meegewerkt, maar de RvC had geïnformeerd, de fraude door [naam 1] en [naam 2] niet had plaatsgevonden en deze kosten niet hadden hoeven te worden gemaakt. Hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] met [naam 1] een onrechtmatige daad in groepsverband heeft gepleegd. [gedaagde] is dus hoofdelijk naast [naam 1] aansprakelijk voor de gehele schade met inbegrip van de bijkomende schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW, waarbij het aan [naam 1] en [gedaagde] is om onderling uit te (laten) zoeken wie welk deel aangaat. Het is naar het oordeel van de rechtbank redelijk in verband met een onderzoek naar (mogelijk onrechtmatige) gedragingen van [gedaagde] en [naam 1] en de gevolgen daarvan voor Rendo c.s. deskundige bijstand in te roepen. Gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid, zal de op artikel 6:96 lid 2 sub b BW gebaseerde vordering van € 275.245,00 bij eindvonnis worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de tot dit bedrag gemaakte kosten als redelijk kunnen worden beschouwd. Het ging om een omvangrijk onderzoek naar fraude, waarbij geldt dat [gedaagde] daarin een belangrijke rol vertolkte en [gedaagde] - hoewel op de hoogte van een belangrijk deel van de feiten waarnaar onderzoek is gedaan - als net benoemde statutair directeur gezwegen heeft over zijn eigen rol in het geheel totdat zijn rol alsnog ontdekt is.

4.55.

[gedaagde] heeft wat betreft de hoogte van de schade nog tot zijn verweer aangevoerd dat een deel van de schade door [naam 2] is vergoed. Rendo c.s. heeft niet betwist dat zij met [naam 2] een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan [naam 2] aan Rendo c.s. een schadebedrag heeft betaald. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat [gedaagde] niet gehouden is tot betaling van de schade voor zover die schade aan Rendo c.s. al is vergoed. Rendo c.s. dient toe te lichten bij akte toe welk bedrag [naam 2] heeft betaald en voor welke schadepost.

4.56.

In afwachting van de aktewisseling, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2019 voor een akte aan de zijde van Rendo c.s. waarin Rendo c.s.:

 ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag op de geldleningen (behoudens voor een bedrag van € 5 miljoen) aan rente is betaald,

 ( (feitelijk en zo veel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welke waarde de als gevolg van de sale and leasebacktransacties 1, 2 en 3 verkregen goederen - zowel op het moment waarop zij verkregen zijn als thans - vertegenwoordigen,

 ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag [naam 2] heeft betaald en voor welke schadepost,

op welke akte [gedaagde] desgewenst bij antwoordakte kan reageren;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen, mr. L. Groefsema en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.1

1 fn 100