Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1095

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
18/850064-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden voor het in vereniging plegen van een reeks van diefstallen van motoren, aanhangwagens, fietsen en kentekenplaten en aan opzetheling van motoronderdelen. Daarnaast heeft verdachte de opbrengsten van zijn (criminele) werkzaamheden niet doorgegeven aan zijn uitkerende instantie en zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 227b
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/850064-17

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830411-17

ad informandum gevoegd parketnummer 18/850064-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/031164-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 december 2017, 11 oktober 2018, 20 december 2018 en 5 maart 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2017 tot en met 24 juni 2017 te

Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de Rochussenstraat geparkeerde motor van het merk BMW (kenteken

[kenteken] ) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die/dat weg te nemen motor onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2017 tot en met 24 juni 2017 te Rotterdam, een goed, te weten een motor van het merk BMW (kenteken [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2017 tot en met 24 juni 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aldaar aan de Breitnerstaat geparkeerde bakfiets van het merk Babboe, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2017 tot en met 28 juni 2017 te Rotterdam, althans in Groningen, in ieder geval in Nederland, een goed, te weten een bakfiets van het merk Babboe heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij in of omstreeks de periode van 8 juli 2017 tot en met 9 juli 2017 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een parkeergarage aan de Verlengde Lodewijkstraat heeft weggenomen een motor van het merk Aprilia (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die/dat weg te nemen motor onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2017 tot en met 20 augustus 2017 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de Florakade geparkeerde aanhangwagen (met daarin ondermeer gereedschapskarren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die/dat weg te nemen aanhangwagen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

5.

hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2017 tot en met 20 augustus 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan IJsselstraat geparkeerde aanhangwagen (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die/dat weg te nemen aanhangwagen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

6.

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2017 tot en met 31 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee kentekenplaten ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2017 tot en met 1 september

2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een goed, te weten twee kentekenplaten ( [kenteken] ), heeft verworven, voorhanden

gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7.

hij op of omstreeks 31 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de Frederikdwarsstraat geparkeerde aanhangwagen (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen aanhangwagen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

8.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2017 tot en met 31 januari 2017te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de van Vredenburchweg (in een parkeergarage) geparkeerde motor van het merk Suzuki (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen motor onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks 30 januari 2017 tot en met 20 september te Rijswijk en/of Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten delen van een motorframe en/of een motorblok, althans motoronderdelen heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/die goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

9.

hij in of omstreeks de periode van 8 juli 2017 tot en met 10 juli 2017 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aldaar aan de Aquamarijnstraat geparkeerde personenauto (van het merk Mazda) heeft weggenomen een radio en/of een oplaadkabel en/of een aansteker en/of geld en/of een krik en/of 8 cd's en/of een opbergbox met daarin lampen en/of veiligheidshesjes en/of blaastesten en/of een onderhoudsboekje en/of een zaklamp, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

Parketnummer 18/830411-17

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 september 2017 te Groningen,

althans in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde

verplichting, te weten krachtens artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft hij verdachte niet medegedeeld dat hij werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten;

Beoordeling van het bewijs

Feit 1 en 2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op het moment van verkrijging niet wist dat de motor gestolen was. Verdachte moest de motor voor iemand ophalen en heeft de motor weggezet.

Ten aanzien van feit 2. heeft de raadsman aangevoerd dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu verdachte heeft geholpen bij het overladen van de bakfiets.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 05 maart 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik de man ben op de foto die is gemaakt door getuige [getuige 1] . Ik wist dat de bakfiets gestolen was en heb geholpen de fiets in de bus te laden. Ik heb de bakfiets mee naar Groningen genomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juni 2017, opgenomen op pagina 530 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 november 2017, inhoudend als verklaring van [naam 1] :

Ik doe namens mijn man [slachtoffer 1] aangifte van diefstal van een motor, merk BMW, met kenteken [kenteken] . Op 23 juni 2017 omstreeks 19.30 uur heeft mijn man de motor geparkeerd aan de Rochussenstraat in Rotterdam en afgesloten d.m.v. een stuurslot en een kettingslot. Op 24 juni 2017 omstreeks 07.10 uur bleek dat de motor was weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juni 2017, opgenomen op pagina 577 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Tussen 23 juni 2017 om 18.00 uur en 24 juni 2017 om 9.00 uur is onze bakfiets, merk Babboe gestolen. De bakfiets stond geparkeerd aan de Breitnerstraat te Rotterdam.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 juni 2017, opgenomen op pagina 580 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op 24 juni 2017 omstreeks 3.30 uur zag ik vanuit mijn woning aan de Breitnerstraat in Rotterdam vier mannen uitstappen uit een grijze VW Transporter. Ze liepen de straat in en kwamen even later terug met een bakfiets, die zij vervolgens via de zijdeur in de VW Transporter zetten, waarna zij wegreden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor (met fotobijlage) d.d. 24 juni 2017, opgenomen op pagina 524 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Op 24 juni 2017 om 13.30 uur zagen mijn vrouw en ik dat uit een VW Transporter een Babboe bakfiets werd gehaald en in de aanhanger achter deze VW werd gezet. Voornoemde motor werd in de VW Transporter gezet. Van de chauffeur van de VW Transporter heb ik een foto (pagina 540) gemaakt.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

8 augustus 2017, opgenomen op pagina 544 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Op 24 juni 2017 omstreeks 3.30 uur zag ik dat twee mannen een motor met kenteken [kenteken] uit een zilverkleurige VW Transporter haalden. Op 24 juni 2017 om 13.30 uur zagen mijn man en ik dat uit de VW Transporter een Babboe bakfiets werd gehaald en in de aanhanger werd gezet. Voornoemde motor werd in de VW Transporter gezet. De dikke man, waarvan mijn man een foto heeft gemaakt, was hierbij zowel 's nachts als in de middag aanwezig en was de bestuurder van de VW Transporter.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2017, opgenomen op pagina 207 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Tussen 23 juni 2017 19.30 uur en 24 juni 2017 14.00 uur maakt het toestel van verdachte [verdachte] gebruik van meerdere masten in Rotterdam. De plaatsen waar de diefstal van de motor en de bakfiets hebben plaats gevonden en waar de motor en de bakfiets zijn opgehaald passen in de bovenste helft van de kaart met mastgegevens.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2017, opgenomen op pagina 581 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Op 28 juni

De rechtbank overweegt als volgt. In de nacht van 23 op 24 juni 2017 worden in Rotterdam een motor en een bakfiets weggenomen. Een getuige ziet 's nachts vier mannen een bakfiets inladen in een VW Transporter. Deze bakfiets wordt later bij verdachte aangetroffen en verdachte erkent dat hij wist dat de bakfiets gestolen was en dat hij heeft geholpen bij het overladen van de bakfiets. Diezelfde nacht ziet een andere getuige een aantal mannen een motor uit een VW Transporter halen en later op de dag ziet deze getuige opnieuw deze VW Transporter, terwijl de inzittenden een Babboe bakfiets aan het overladen zijn. De getuige maakte een foto van een man met een fors postuur. De getuige herkent deze man als de bestuurder van de VW Transporter, die zowel 's nachts als overdag aanwezig was. Verdachte herkent zichzelf als de persoon op de foto die door de getuige is gemaakt.

Voorts blijkt uit de telefoongegevens van verdachte dat zijn telefoon rond het tijdstip van de diefstallen in de omgeving was van de plaats waar deze diefstallen zijn gepleegd.

Gelet op alle hierboven genoemde omstandigheden, in samenhang bezien met de overige inhoud van het dossier en bij het uitblijven van enige (aannemelijke) alternatieve verklaring van verdachte omtrent de gang van zaken, acht de rechtbank bewezen dat verdachte, samen met de andere in de bestelbus aanwezige personen, de motor en de bakfiets heeft gestolen.

Feit 3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 3. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft staan bluffen op het filmpje, aangetroffen op zijn telefoon, waarin hij zegt een Aprilia te hebben gestolen. Verdachte is bij de garage geweest, maar de wegnemingshandeling van de motor is niet aan verdachte te linken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 05 maart 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

U houdt mij de foto voor die is opgenomen op pagina 641 van het proces-verbaal van politie. Ik herken mijzelf als de persoon op de foto.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 20 september 2017, opgenomen op pagina 461 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 november 2017, inhoudend als verklaring van verdachte

Ik was op 8 juli 2017 samen met [naam 2] in de parkeergarage aan de Verlengde Lodewijkstraat in Groningen. Ik heb gezien dat die motor werd weggepakt. De motor stond bij mij in de schuur. Ik moest die motor voor [naam 2] uit elkaar halen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 juli 2017, opgenomen op pagina 618 e.v. van het dossier van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Mijn motor van het merk Aprilia met kenteken [kenteken] is tussen zaterdag 8 juli 2017 omstreeks 23.00 uur en zondag 9 juli omstreeks 11.00 uur weggenomen uit de parkeergarage aan de Verlengde Lodewijkstraat te Groningen. De motorfiets was afgesloten middels drie sloten.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.13 juli 2017, opgenomen op pagina 628 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[getuige 5] .

Op zondag 8 juli 2017 omstreeks 23.40 uur zag ik twee mannen bij de openstaande toegangsdeur naar de parkeergarage bij mijn woning. Eén van de twee mannen was een gezette man met een donkere huidskleur. De mannen liepen weg naar een zilverkleurige Volkswagen bus.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met fotobijlage) d.d. 20 september 2017, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

In de berging van de woning aan de [straatnaam] te Groningen, in gebruik bij verdachte [verdachte] , werd een aantal goederen aangetroffen waaronder een gedemonteerde motorfiets van het merk Aprillia.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. , opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Ik verbalisant heb de telefoon van verdachte [verdachte] onderzocht. Op de telefoon staan de volgende berichten van verdachte aan het nummer in gebruik bij medeverdachte [naam 3] : ‘ “En wat ik je wil zeggen, het contact slot van de Aprilla toen ik het had gebroken, heb ik toen de contact slot gebroken” en “Het is de Aprilla die ik samen met [naam 2] heb gepakt”.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte is voorafgaand aan de diefstal gezien in de parkeergarage waar de motor is weggenomen. Hij erkent zelf ook dat hij, samen met [naam 2] , in de parkeergarage is geweest en dat hij heeft gezien dat de motor is gestolen. Verdachte moest de motor voor [naam 2] uit elkaar halen en onderdelen van de gestolen motor zijn aangetroffen in de berging die bij verdachte in gebruik was. De rechtbank is van oordeel dat, ook als verdachte niet de persoon zou zijn geweest die de motor feitelijk heeft weggenomen, er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij de diefstal van die motorfiets. Er was een vooropgezet plan om de motor te stelen en de onderdelen te versturen. De rechtbank acht diefstal in vereniging door middel van verbreking wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 4. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven dat verdachte het onder 4. ten laste gelegde erkent en bewezen kan worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 4. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 05 maart 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 augustus 2017, opgenomen op pagina 748 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 november 2017, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] .

Feit 5

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 5. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de verklaring van [naam 3] onjuist acht, bovendien is verdachte niet gezien bij de wegnemingshandeling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 augustus 2017, opgenomen op pagina 756 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 november 2017, inhoudend als verklaring van [naam 4] :

Ik doe aangifte van diefstal van een aanhanger voorzien van kenteken [kenteken] , eigendom van [slachtoffer 5] . Het betreft een dichte aanhanger, kleur wit. Ik heb de aanhanger op

19 augustus 2017 geparkeerd in de IJsselstraat in Groningen. Op 20 augustus 2017 omstreeks 10.00 uur zag ik dat de aanhanger was weggenomen. De elektriciteitskabel waarmee de aanhanger aan de auto was verbonden bleek doorgeknipt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

11 september 2017, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Op dinsdag 15 augustus 2017 is er op bevel observatie een baken geplaatst onder het voertuig, een Opel Astra met het kenteken [kenteken] , op naam van verdachte [naam 3] . Uit onderzoek is gebleken dat zowel verdachte [naam 3] als verdachte [verdachte] zich verplaatsen in dit voertuig. Uit bakengegeven van dit voertuig blijkt dat het voertuig op 20 augustus 2017 op de IJsselstraat ter hoogte van de IJsselstraat kruisend met de Rijnstraat stil stond van omstreeks 04:52 uur tot omstreeks 04:56 uur.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 10 april 2017, opgenomen op pagina 1016 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte [naam 3] :

In de nacht van 19 op 20 augustus 2017 heb ik samen met [verdachte] een dichte aanhanger gestolen vanaf de IJsselstraat in Groningen.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte was in de bewuste nacht op pad met [naam 3] . Verdachte erkent de diefstal van een aanhangwagen in diezelfde nacht vanaf de Florakade. De rechtbank acht de verklaring van de mededader dat hij samen met verdachte een dichte aanhanger vanaf de IJsselstraat heeft gestolen dan ook geloofwaardig. Verdachte heeft geen enkele (aannemelijke) alternatieve verklaring gegeven omtrent de gang van zaken.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank diefstal in vereniging door middel van verbreking van de aanhanger aan de IJsselkade wettig en overtuigend bewezen

Feit 6

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak voor het onder 6. ten laste gelegde gevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat beide verdachten zijn aangetroffen in het voertuig waar de kentekenplaten onder de motorkap zijn aangetroffen. Hoewel de feiten en omstandigheden aan alle kanten verdacht zijn, kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist, of redelijkerwijs kon vermoeden dat de kentekenplaten van diefstal afkomstig waren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 6. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is dat verdachte aan de kentekenplaten heeft gezeten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 augustus 2017, opgenomen op pagina 792 e.v. van het dossier van Politie Rotterdam met nummer PL1700-2017282561 d.d. 6 september 2017, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :

Tussen 30 augustus 2017 en 31 augustus 2017 zijn de kentekenplaten, met kenteken [kenteken] van mijn auto weggenomen. Mijn auto stond geparkeerd aan de Mathenesserlaan te Rotterdam.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met fotobijlage) d.d.1 september 2017, opgenomen op pagina 807 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 7] , [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :

Op vrijdag 1 september 2017, omstreeks 01:55 uur, zagen wij, verbalisanten, te Rotterdam een Opel Astra rijden met een aanhangwagen met kenteken [kenteken] . Wij hebben de Opel Astra doorzocht en troffen onder de motorkap twee kentekenplaten aan voorzien van kenteken [kenteken] . De bestuurder van deze auto was [verdachte] en de bijrijder was [naam 3] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

11 september 2017, opgenomen op pagina 84 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 november 2017, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Op dinsdag 15 augustus 2017 is er op bevel observatie een baken geplaatst onder het voertuig, een Opel Astra met het kenteken [kenteken] , op naam van verdachte [naam 3] . Uit onderzoek is gebleken dat zowel verdachte [naam 3] als verdachte [verdachte] zich verplaatsen in dit voertuig. Uit de bakengegevens blijkt dat het genoemde voertuig op 31 augustus 2017 omstreeks 02:01 uur aan komt op de Mathenesserlaan te Rotterdam en ter hoogte van perceelnummer [nummer] stil staat van omstreeks 02:01 uur tot omstreeks 02:06 uur. Dit is slechts vier woningen verwijderd van het perceelnummer [nummer] , alwaar het voertuig waarvan de kentekenplaten gestolen zijn, geparkeerd stond. Omstreeks 02:08 uur gaat het voertuig weer rijden vanaf de Mathenesserlaan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d.

10 april 2018, opgenomen op pagina 1016 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 mei 2018, inhoudende als verklaring van [naam 3] :

In de nacht van 30 op 31 augustus 2017 was ik met [verdachte] .

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de bakengegevens blijkt dat de auto waarin verdachte reed ter plaatse is geweest. Verdachte was die nacht samen met medeverdachte [naam 3] . Kort na de diefstal zijn de kentekenplaten bij verdachte en [naam 3] aangetroffen.

Gelet op de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met de overige inhoud van het dossier en het uitblijven van een (aannemelijke) verklaring van verdachte omtrent de gang van zaken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, samen met zijn mededader(s) de kentekenplaten heeft gestolen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 7

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts veroordeling voor het onder 7. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 7. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet voldoet aan het signalement, omdat hij niet van Marokkaanse afkomst is. Er is alleen diefstal ten laste gelegd en dit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2017, opgenomen op pagina 798 e.v. van het dossier van Politie Rotterdam met nummer PL1700-2017282561 d.d. 6 september 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 7] :

Ik doe aangifte van diefstal van mijn aanhangwagen, met kenteken [kenteken] , op

31 augustus 2017. Mijn aanhangwagen stond geparkeerd aan de Frederikdwarsstraat in Rotterdam en was door middel van een kettingslot aan een paal vastgemaakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige d.d. 1 september 2017, opgenomen op pagina 805 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 6] :

Op donderdag 31 augustus 2017 omstreeks 22.15 uur stond ik op de Frederikdwarsstraat in Rotterdam. Ik zag dat een grijze Opel Astra, ter hoogte van de Frederikdwarsstraat [nummer] , stopte bij een aanhangwagen. De aanhangwagen was met een slot bevestigd aan een lantaarnpaal. Er stapte één persoon uit de auto. Dit was een allochtoon met een fors postuur. Ik zag dat het slot was doorgeknipt.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

1 september 2017, opgenomen op pagina 807 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 7] , [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :

Op 1 september 2017 zagen wij een Opel Astra met kenteken [kenteken] rijden. Na controle bleek de bestuurder te zijn [verdachte] en de bijrijder [naam 3] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

14 september 2017, opgenomen op pagina 91 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 november 2017, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Op dinsdag 15 augustus 2017 is er op bevel observatie een baken geplaatst onder het voertuig, een Opel Astra met het kenteken [kenteken] , op naam van verdachte [naam 3] . Uit onderzoek is gebleken dat zowel verdachte [naam 3] als verdachte [verdachte] zich verplaatsen in dit voertuig. Uit de bakengegevens blijkt dat het genoemde voertuig op 31 augustus 2017 omstreeks 22.17 uur de Frederikdwarsstraat bereikt en even stil staat ter hoogte van

perceel [nummer] . Omstreeks 22.21 uur gaat het voertuig weer rijden.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank gaat op basis van de bewijsmiddelen en de inhoud van het dossier uit van het volgende. Verdachte is in de avond van 31 augustus 2017 met [naam 3] op pad in Rotterdam. Ze rijden in de grijze Opel Astra van [naam 3] . Een getuige ziet een grijze Opel Astra stoppen ter hoogte van de Frederikdwarsstraat [nummer] . Er stapt een man uit de Opel Astra die voldoet aan het signalement van verdachte en vervolgens wordt de aanhangwagen weggenomen. Uit het peilbaken dat onder de Opel Astra van [naam 3] is geplaatst blijkt dat het voertuig, op het tijdstip dat de getuige een Opel Astra heeft zien stoppen, stilstaat in de Frederikdwarsstraat ter hoogte van perceel nummer [nummer] . Later die nacht wordt de Opel Astra staande gehouden met een (andere) gestolen aanhanger. Verdachte is dan de bestuurder van de Opel Astra.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in samenhang bezien met de overige inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, samen met zijn mededader(s) ook de aanhanger in de Frederikdwarsstraat heeft weggenomen. De rechtbank acht diefstal in vereniging door middel van verbreking dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 8

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 8. subsidiair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 8. ten laste gelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij 600 euro heeft ontvangen om voor iemand een motor te kopen. Verdachte had geen wetenschap dat het om goederen ging die van misdrijf afkomstig waren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2017, opgenomen op pagina 865 e.v. van het dossier van Politie Rotterdam met nummer

PL1700-2017282561 d.d. 6 september 2017, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 8] :

Ik doe aangifte van diefstal van mijn motor, merk Suzuki, met kenteken [kenteken] tussen 30 januari 2017 en 31 januari 2017 te Rijswijk.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met fotobijlage) d.d. 10 juli 2017, opgenomen op pagina 868 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] :

Op 5 juli 2017 troffen wij in een tuin aan de [straatnaam] te Groningen delen van een motorframe aan. Wij zagen dat het framenummer, alsmede het typeplaatje van dit frame was verwijderd. Uit onderzoek is gebleken dat het frame afkomstig was van een motorfiets met kenteken [kenteken] , welke motorfiets op 30 januari 2017 in Rijswijk was gestolen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met foto's) d.d. 21 september 2017, opgenomen op pagina 104 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 15 november 2017, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Ik onderzocht een op 20 september 2017 op Schiphol in beslag genomen krat. In het krat trof ik diverse motoronderdelen aan. Ik zag in elk geval een motorblok behorende bij kenteken [kenteken] . Ik zag tevens een voorwiel met band, een witte velg waarop Suzuki staat vermeld, alsmede een achterbrug met ketting.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met fotobijlage) d.d. 25 september 2017, opgenomen op pagina 113 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van [verbalisant 5] :

Om te onderzoeken wie de vracht bij de verscheper hebben gebracht zijn camerabeelden van de brengers gevorderd. Ik heb de beelden bekeken en zag twee mensen achterelkaar naar boven lopen. De eerste voldoet aan het signalement van [naam 3] . De tweede persoon voldoet aan het signalement van [verdachte] .

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de Suzuki motor. De rechtbank zal verdachte om die reden vrij spreken van het onder 8. primair ten laste gelegde.

De rechtbank gaat op basis van de bewijsmiddelen en de inhoud van het dossier uit van het volgende. Op 5 juli 2017 wordt in de tuin van de woning van verdachte het frame van de gestolen motor met een weggeschuurd framenummer aangetroffen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat dit frame niet van hem is, omdat er meer mensen toegang tot deze tuin hebben ongeloofwaardig. Immers heeft verdachte, samen met [naam 3] , andere onderdelen van de gestolen motor aangeboden voor verzending naar Aruba.

Gelet op de omstandigheden dat verdachte een motorframe met weggeschuurd framenummer in zijn tuin heeft, in samenhang bezien met de overige inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de motor en de onderdelen van diefstal afkomstig waren. De rechtbank acht dan ook opzetheling in vereniging, gepleegd in Nederland, wettig en overtuigend bewezen.

Feit 9

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 9. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven dat verdachte de diefstal van de autokrik erkent. Hij heeft daartoe aangevoerd dat alleen diefstal van een autokrik kan worden bewezen en dat verdachte van de diefstal van de andere goederen dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 05 maart 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik in de periode van 8 juli 2017 tot en met 10 juli 2017 te Groningen uit een geparkeerde auto een krik heb gestolen. Ik heb mij in mijn hand gesneden toen ik de deur openmaakte.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.16 juli 2017, opgenomen op pagina 902 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 9] :

Tussen 8 juli 2017 en 10 juli 2017 is er ingebroken in onze auto, merk Mazda, welke geparkeerd stond aan de Aquamarijnstraat te Groningen. Het kleine raampje van het linkerachterportier was ingeslagen. De volgende goederen zijn weggenomen: een autoradio, oplaadkabel, aansteker, muntgeld, krik, 8 CD's en een opbergbox met daarin reservelampen, onderhoudsboekje, gele veiligheidshesjes, twee blaastesten en een zaklamp.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 27 juli 2017 opgenomen op pagina 913 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] :

Op 10 juli 2017 werd door mij als forensisch onderzoeker op verzoek van de politie, Eenheid Noord-Nederland een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een diefstal uit/vanaf een personenauto, gepleegd tussen 8 juli 2017 te 22.00 uur en maandag 10 juli 2017 te 08.15 uur. In het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek werd veiliggesteld:

Goednummer PL0100-2017180978-34523

Sin: AAKC2412NL

Spooromschrijving: bloed

Goednummer PL0100-2017180978-34522

Sin: AAKC2413NL

Spooromschrijving: bloed

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt NFI rapport DNA onderzoek d.d. 25 juli 2017, opgenomen op pagina 917 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van rapporteur [naam 5]:

Omschrijving: interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

Tabel 1 Resultaten

SIN AAKC2412NL#01

omschrijving: bloed.

Celmateriaal kan afkomstig zijn van [verdachte] (zie DNA-databank)

Matchkans: kleiner dan één op één miljard;

Omschrijving: interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

Tabel 1 Resultaten

SIN AAKC2413NL#01

omschrijving: bloed.

Celmateriaal kan afkomstig zijn van [verdachte]

Matchkans: kleiner dan één op één miljard;

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte erkent in de auto te zijn geweest, om een krik te stelen. Hoewel verdachte ontkent de overige goederen gestolen te hebben, heeft de rechtbank geen enkele informatie waaruit blijkt dat de verklaring van de aangever niet juist zou zijn. Dit in tegenstelling tot de verklaring van verdachte die weinig consistent is. Het bloed van verdachte is voor in de auto aangetroffen en dat gegeven past bij de aangifte dat ook uit de cabine goederen zijn weggenomen. De verklaring van verdachte dat hij de achterklep met een knopje in de auto zou hebben geopend blijkt niet te kloppen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de door aangever opgegeven goederen heeft gestolen. De rechtbank acht diefstal door middel van braak wettig en overtuigend bewezen.

Parketnummer 18/830411-17

Feit 1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven er sprake is geweest van het niet melden van inkomsten. Verdachte wordt verweten dat hij geen recht op een uitkering heeft, omdat hij strafbare feiten heeft gepleegd. Op die manier wordt verdachte dubbel gestraft.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 05 maart 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik had een bijstandsuitkering van de gemeente Groningen. Het klopt dat ik in de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 september 2017 de inkomsten uit het verkopen van motoronderdelen niet heb opgegeven.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 november 2017, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van de Sociale recherche Groningen met nummer COMPAS.OI.2076/225956 d.d. 27 november 2017, inhoudend als verklaring van [getuige 7] :

Ik ben hoofd van de afdeling Handhaving van de gemeente Groningen en doe namens de gemeente Groningen aangifte van uitkeringsfraude over de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 september 2017 door [verdachte] .

Om in aanmerking te komen en te blijven voor een uitkering krachtens de Participatiewet , verbindt de wet aan deze uitkering de verplichting alle wijzigingen in de persoonlijke-, gezins- en financiële situatie door te geven middels een mutatieformulier. Hier heeft [verdachte] niet aan voldaan. De gemeente Groningen was tijdens de uitkeringsperiode niet op de hoogte van de (criminele) werkzaamheden en/of inkomsten vanaf 1 mei 2017

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte had een uitkering krachtens de Participatiewet van de gemeente Groningen. Hij heeft de inkomsten die hij verdiende met (criminele) werkzaamheden niet opgegeven bij de gemeente. Volgens verdachte wist hij niet dat dit moest. Nu vast staat dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachte zijn uitkering acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2. primair, 3., 4., 5., 6. primair, 7., 8. subsidiair, 9 en onder parketnummer 18/830411-17 onder 1. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

Primair

hij in de periode van 23 juni 2017 tot en met 24 juni 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de Rochussenstraat geparkeerde motor van het merk BMW (kenteken [kenteken] ) toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen motor hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

2.

Primair

hij in de periode van 23 juni 2017 tot en met 24 juni 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aldaar aan de Breitnerstaat geparkeerde bakfiets van het merk Babboe, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

3.

hij in de periode van 8 juli 2017 tot en met 9 juli 2017 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een parkeergarage aan de Verlengde Lodewijkstraat heeft weggenomen een motor van het merk Aprilia (kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen motor onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4.

hij in de periode van 19 augustus 2017 tot en met 20 augustus 2017 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de Florakade geparkeerde aanhangwagen (met daarin ondermeer gereedschapskarren), toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen aanhangwagen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

5.

hij in de periode van 19 augustus 2017 tot en met 20 augustus 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan IJsselstraat geparkeerde aanhangwagen (kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 5] , waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen aanhangwagen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

6.

hij in de periode van 30 augustus 2017 tot en met 31 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee kentekenplaten ( [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 6] ;

7.

hij op 31 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de Frederikdwarsstraat geparkeerde aanhangwagen (kenteken [kenteken] ), toebehorende aan

[slachtoffer 7] , waarbij verdachte die weg te nemen aanhangwagen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

8. subsidiair

hij in de periode van 30 januari 2017 tot en met 20 september in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, goederen, te weten delen van een motorframe en een motorblok, althans motoronderdelen heeft verworven, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving van die goederen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

9.

hij in de periode van 8 juli 2017 tot en met 10 juli 2017 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aldaar aan de Aquamarijnstraat geparkeerde personenauto van het merk Mazda heeft weggenomen een radio en een oplaadkabel en een aansteker en geld en een krik en 8 cd's en een opbergbox met daarin lampen en veiligheidshesjes en blaastesten en een onderhoudsboekje en een zaklamp, toebehorende aan [slachtoffer 9] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Parketnummer 18/830411-17

1. primair

hij in de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 september 2017 te Groningen, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten krachtens artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft hij verdachte niet medegedeeld dat hij werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair : Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het

weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

verbreking;

2. primair : Diefstal door twee of meer verenigde personen;

3. : Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige

het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

verbreking;

4. : Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het

weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

verbreking;

5. : Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het

weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

verbreking;

6. primair : Diefstal door twee of meer verenigde personen;

7. : Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het

weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

verbreking;

8. subsidiair : Medeplegen van opzetheling

9. : Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak;

Parketnummer 18/830411-17

1. In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als algemene voorwaarde toezicht van de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke straf, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk zal zijn aan de duur van de tijd die verdachte voor deze strafzaak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de drie door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding (de eerste drie feiten) zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van een reeks van diefstallen van motoren, aanhangwagens, fietsen en kentekenplaten en daarnaast aan opzetheling van motoronderdelen. Diefstal, en ook heling, nu dat diefstallen bevordert, zijn laakbare feiten, aangezien zij enkel gepleegd worden uit oogpunt van persoonlijk gewin en voor de slachtoffers financieel nadeel en overlast met zich meebrengen. Daarnaast heeft verdachte, door de opbrengsten van zijn (criminele) werkzaamheden niet door te geven aan zijn uitkerende instantie, zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude. Een uitkering is bedoeld voor mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt het sociale stelsel. Hiervan worden uiteindelijk de mensen die op dit stelsel zijn aangewezen de dupe.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verdachte heeft er ter zitting blijk van gegeven nauwelijks enige verantwoordelijkheid te willen nemen voor de door hem gepleegde feiten. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd liep.

De rechtbank ziet ten aanzien van de bewezenverklaring geen ruimte voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht, gelet op de ernst en de hoeveelheid bewezenverklaarde feiten.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding voor het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 7.999,00 ter vergoeding van materiële schade. Ter terechtzitting van 5 maart 2019 heeft de benadeelde partij zijn vordering verhoogd met

€ 500,00 immateriële schade. De totale schade van € 8.499,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

2. [slachtoffer 7] , tot een bedrag van € 770,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

3. [slachtoffer 8] , tot een bedrag van € 5.150,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 10] , tot een bedrag van € 1.699,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

5. [slachtoffer 11] , tot een bedrag van € 1.016,96 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
6. [slachtoffer 12] , tot een bedrag van € 153,55 ter vergoeding van materiële schade en

€ 1000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

7. [slachtoffer 13] , tot een bedrag van € 10.150, ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

8. [slachtoffer 14] , tot een bedrag van 507,49, ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

1. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] kan hoofdelijk worden toegewezen. De materiële schade is onderbouwd met facturen. De ter zitting mondeling gevorderde immateriële schade is te hoog. Een bedrag van € 200,00 is redelijk en dat kan hoofdelijk worden toegewezen.

2. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] is niet voldoende onderbouwd, zodat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 8] is niet onderbouwd, zodat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 10] kan voor een deel worden toegewezen. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat de fiets drie jaar geleden is gekocht, zodat de waarde momenteel € 500,- zal zijn. Voor dit bedrag kan de vordering hoofdelijk worden toegewezen en voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk.

5. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 11] kan hoofdelijk worden toegewezen. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat de fiets net nieuw was, zodat geen matiging hoeft te worden toegepast.

6. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 12] is voor het materiële deel niet onderbouwd, zodat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De gevorderde immateriële schade is buitensporig hoog. Een bedrag van € 200,- is redelijk en dat kan hoofdelijk worden toegewezen.

7. De vordering van [slachtoffer 13] moet niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze vordering betrekking heeft op een strafbaar feit dat niet aan verdachte ten laste is gelegd en er geen causaal verband is.

8. De vordering van [slachtoffer 14] kan worden toegewezen. Uit de onderbouwing blijkt dat de gevorderde schade het bedrag is wat niet door de verzekering is vergoed.

Standpunt van de verdediging

1. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] kan niet-ontvankelijk worden verklaard nu de raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak.

2. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] kan niet-ontvankelijk te worden verklaard nu deze niet is onderbouwd.

3. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] kan niet-ontvankelijk worden verklaard nu de raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak.

4. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] kan hoofdelijk worden toegewezen voor hetzelfde bedrag als in de zaak van de medeverdachte [naam 3]

5. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] merkt de raadsman op dat er destijds twee fietsen zijn gekocht. Er is nu één fiets gestolen, zodat de korting niet van toepassing is. De raadsman refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.

6. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] kan ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze niet is onderbouwd.

7. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] kan niet-ontvankelijk worden verklaard nu het feit waardoor de schade zou zijn ontstaat niet aan verdachte ten laste is gelegd.

8. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] kan worden deels worden toegewezen tot een bedrag van € 322,44. Ten aanzien van het gevorderde verschil tussen de dagwaarde en de nieuwwaarde dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[slachtoffer 3] de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van

€ 7.999,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 juli 2017. Voor het overige bedrag van de gestelde immateriële schade acht de rechtbank de onderbouwing onvoldoende en zal zij de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft zijn vordering onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de schade niet kan vaststellen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

3. De benadeelde partij [slachtoffer 8] heeft zijn vordering onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de schade niet kan vaststellen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 10] de schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat de fiets drie jaar geleden is gekocht, zodat de rechtbank rekening zal houden met een matiging van de waarde van 50%. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 850,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 augustus 2017. Voor het overige bedrag van de gestelde materiële schade zal zij de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 11] de schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 1.016,96, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 augustus 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 12] de schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 75,98, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 augustus 2017. Voor het overige bedrag van de gestelde materiële en de immateriële schade acht de rechtbank de onderbouwing onvoldoende en zal zij de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 13] heeft betrekking op een strafbaar feit dat niet voorkomt op de tenlastelegging. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 14] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 322,44, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 juli 2017. Voor het overige bedrag van de gestelde materiële schade acht de rechtbank de onderbouwing onvoldoende en zal zij de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 12 oktober 2016 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 10 december 2016. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 september 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis vastgestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel alsnog tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet evenwel op de langdurige gevangenisstraf die verdachte zal moeten ondergaan is het niet opportuun om de tenuitvoerlegging van deze taakstraf te gelasten. De rechtbank zal daarom de vordering na voorwaardelijke veroordeling afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 227b, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 8. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair, 2. primair, 3., 4., 5., 6., 7., 8. subsidiair, 9 en parketnummer 18/830411-17 onder 1. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

1 Ten aanzien van feit 3.:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] hoofdelijk toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

7.999,00 (zegge: zevenduizend negenhonderdnegenennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2017, in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 7.999,00 (zegge: zevenduizend negenhonderdnegenennegentig euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 74 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

2 Ten aanzien van feit 7:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

3 Ten aanzien van feit 8:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 8] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

4 Ten aanzien van het ad-info gevoegde feit:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 850,- (zegge: achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 10] , te betalen een bedrag van € 850,- (zegge: achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

5 Ten aanzien van het ad-info gevoegde feit:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] hoofdelijk toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

1.016,96 (zegge: duizendzestien euro en zesennegentig eurocent), te rente vanaf

9 augustus 2017, in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 11] te betalen een bedrag van € 1.016,96 (zegge: duizendzestien euro en zesennegentig eurocent, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

6 Ten aanzien van het ad-info gevoegde feit

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] hoofdelijk toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 75,98 (zegge: vijfenzeventig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2017, in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 12] voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12] te betalen een bedrag van € 75,98 (zegge: vijfenzeventig euro en achtennegentig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

7. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 13] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

8 Ten aanzien van het ad-info gevoegde feit:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] hoofdelijk toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 322,44 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro en vierenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2017, in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 14] voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 14] te betalen een bedrag van € 322,44 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro en vierenveertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 14] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/031164-16:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van 12 oktober 2016 van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2019.

Mr. Jansen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.