Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1093

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
C/18/190469 / FA RK 19-612
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is er grond om het gezag van de vader die, omdat hij de hand heeft gehad in het overlijden van de moeder, alleen het gezag uitoefent, te beëindigen? Is voorlopige hechtenis op zichzelf genomen een grond voor schorsing? Kan van de Raad onderzoek naar een mogelijke netwerkplaatsing worden verlangd, als op grond van de wet alleen een gecertificeerde instelling kan worden belast met de voorlopige voogdij of moet op het verzoek van de Raad terstond worden beslist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens: C/18/190469 / FA RK 19-612

datum uitspraak: 13 maart 2019

beschikking schorsing van het ouderlijk gezag en voorlopige voogdij


in de zaak van

[verzoeksters] ,

die zetelt in Utrecht,

en die hierna "de Raad" wordt genoemd,

die betrekking heeft op

[minderjarige 1] ,

die geboren is op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [minderjarige 1] " wordt genoemd,

en

[minderjarige 2] ,

die geboren is op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [minderjarige 2] " wordt genoemd,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] ,

die thans is gedetineerd in Leeuwarden,

en die hierna "de vader" wordt genoemd,

advocaat: mr. A. Atema, die kantoor houdt in Groningen,

de gecertificeerde instelling,

[belanghebbende 2] ,

die gevestigd is in Groningen,

en die hierna "de GI" wordt genoemd,

en

[belanghebbende 3]

die gevestigd is in Utrecht,

en die hierna ''Nidos'' wordt genoemd.

De procedure

Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat door de rechtbank op 28 februari 2019 is ontvangen. De Raad verzoekt daarin de kinderrechter, verkort weergegeven, het gezag van de vader over zijn kinderen te schorsen en de GI tot voogd te benoemen. De kinderrechter die dat verzoek heeft behandeld, heeft de Raad laten weten dat het verzoek moet worden aangevuld, omdat, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, er wel een netwerk zou zijn en de vader de kinderen graag bij zijn broer zou willen plaatsen. De Raad is een termijn gegeven om zijn verzoek aan te vullen. De Raad heeft zijn verzoek schriftelijk aangevuld. Die aanvulling heeft de rechtbank ontvangen op 1 maart 2019.

Op 1 maart 2019 heeft de kinderrechter een beschikking gegeven. Daarin is overwogen, voor zover hier van belang, dat het verhoor van de belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen. Tevens is in die beschikking overwogen dat de Raad en de belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven op een nader te bepalen zitting. De kinderrechter heeft beslist dat het gezag van de vader wordt geschorst met ingang van de dag van de beschikking tot maximaal 1 juni 2019 en de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter heeft vervolgens een datum en tijd bepaald waarop de zaak ter zitting zal worden behandeld.

Op 12 maart 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting achter gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn de heer [raadsvertegenwoordiger] en mevrouw [raadsvertegenwoordiger] , die de Raad vertegenwoordigen, de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, mevrouw [tolk] (taal: Tingrinya, tolknummer: 8520), mevrouw [vertegenwoordiger] die de GI vertegenwoordigt en mevrouw [vertegenwoordiger] en mevrouw [vertegenwoordiger] die Nidos vertegenwoordigen.

Om organisatorische redenen is de zaak ter zitting behandeld en wordt deze beschikking gegeven door een andere kinderrechter dan de kinderrechter die de zaak aanvankelijk heeft behandeld en die de beschikking van 1 maart 2019 heeft gegeven.

De feiten

De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken van de Raad uitgaan van de volgende feiten.

[minderjarige 1] die nu 4 jaar oud is en [minderjarige 2] die nu 1 jaar oud is, zijn kinderen die geboren zijn uit het huwelijk van de vader met [moeder] (hierna: "de moeder"). Het gezin is uit Eritrea gevlucht. Tot 28 februari 2019 woonde het gezin zelfstandig in [woonplaats].

Op 28 februari 2019 meldt de politie aan de Raad dat de moeder is overleden en dat in verband met dat overlijden, de vader is aangehouden. Er is ten tijde van de melding geen netwerk waarbinnen de kinderen opgevangen kunnen worden. De politie heeft de kinderen daarom geplaatst in een pleeggezin.

Tegen deze achtergrond acht de Raad het noodzakelijk dat de vader uit zijn gezag wordt geschorst en dat het gezag voorlopig wordt ingevuld door een voogd die de kinderen in een pleeggezin kan plaatsen, hen kan ondersteunen in de zaken die moeten worden geregeld in verband met het overlijden van de moeder en die bovendien het perspectief van de kinderen kan bepalen.

Bij beschikking van 1 maart 2019 heeft een kinderrechter van deze rechtbank de hierop gerichte verzoeken (alsnog) toegewezen.

De vader is na zijn aanhouding in verzekering gesteld en aansluitend daarop in voorlopige hechtenis genomen.

De kinderen zijn in een crisispleeggezin geplaatst.

De GI heeft vastgesteld dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is als niet zij, maar Nidos die gespecialiseerd is in de jeugdbescherming voor vluchtelingen, wordt belast met de voorlopige voogdij. De GI heeft de voorlopige voogdij inmiddels feitelijk aan Nidos overgedragen.

De verzoeken en het verweer

De Raad verzoekt de rechtbank het gezag van de vader te schorsen en de GI tot voogd te benoemen.

De GI heeft haar benoeming tot voogd aanvaard, maar verzoekt de kinderrechter om in haar plaats Nidos met de voorlopige voogdij te belasten.

Door en namens de vader is ter zitting naar voren gebracht, samengevat weergegeven, dat hij de hand heeft gehad in het overlijden van de moeder en dat dit fout is geweest. De vader meent dat niet de GI maar zijn broer met de voorlopige voogdij moet worden belast. De vader wil, als dat niet mogelijk is, dat Nidos in plaats van de GI met de voorlopige voogdij wordt belast. De vader heeft naar voren gebracht dat hij wil dat hij zijn kinderen weer kan zien, in het bijzonder zijn zoon.

De beoordeling

De kinderrechter stelt bij de beoordeling van de verzoeken voorop dat de Raad tot wettelijke taak heeft ervoor te zorgen dat in het gezag over een minderjarige wordt voorzien als blijkt dat dit gezag ontbreekt of wanneer het gezag niet wordt uitgeoefend (art. 1:241 lid 1 BW).

Uit de MvT bij het wetsvoorstel herziening kindermaatregelen (32 015) blijkt meer concreet voor welke situaties art. 1:241 lid 1 BW is bedoeld (Kamerstukken II 2008/09, 32015, 3, p. 19). Daar staat, voor zover hier van belang:

“hieronder vallen zeer diverse situaties. Zo kan het gaan om een minderjarige moeder die geen personen in haar omgeving heeft om de voogdij over haar kind op zich te nemen, of om een ouder die wegens het begaan van een strafbaar feit in voorlopige hechtenis is genomen.(…) De raad dient in deze zaken een verzoek bij de rechter in teneinde in het gezag te voorzien.”

De feitelijke situatie op 28 februari 2019 was zodanig dat de Raad zijn hiervoor bedoelde taak moest uitoefenen. De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] was overleden, het gezag over hen berustte daardoor alleen bij de vader. De vader was aangehouden, omdat tegen hem de verdenking bestond dat hij de hand heeft gehad in het overlijden van de moeder. Uit de voor de Raad beschikbaar gekomen informatie kon worden afgeleid dat de vader na zijn aanhouding en inverzekeringstelling, in voorlopige hechtenis zou worden genomen. De jonge kinderen moesten worden ondergebracht in een pleeggezin en de bevoegdheid om dit te regelen kon niet door de vader worden uitgeoefend.

Onder zodanige omstandigheden was het dringend en onverwijld noodzakelijk om in de uitoefening van het gezag te voorzien door het gezag van de vader te schorsen en het daarheen te leiden dat een gecertificeerde instelling als bedoeld in art. 1.1 van de Jeugdwet zou worden belast met de voorlopige voogdij. Er was immers sprake van een crisissituatie waarin onverwijld handelen nodig is. Zonder deze beslissingen was plaatsing in een pleeggezin onmogelijk.

Geheel in lijn met art. 1:241 BW en gegrond op feiten die dat verzoek volledig kunnen dragen, heeft de Raad daarom op 28 februari 2019 de kinderrechter verzocht het gezag van de vader te schorsen en een gecertificeerde instelling met de voogdij te belasten. Dat verzoek had op 28 februari 2019 direct moeten worden toegewezen, wat niet is gebeurd.

Hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek aan de orde is gekomen, kan niet tot andere inzichten leiden. De vader is in voorlopige hechtenis genomen en wordt ervan verdacht dat hij de hand heeft gehad in het overlijden van de moeder. Ieder van deze omstandigheden op zich, maar zeker beschouwd in hun onderlinge verband, geven grond het gezag van de vader te schorsen.

Die schorsing leidt ertoe dat er geen gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend en dat hierin zal moeten worden voorzien door een gecertificeerde instelling als bedoeld in art. 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij.

Voor zover de vader wil dat zijn broer wordt belast met de voorlopige voogdij, kan dit niet tot een andere beslissing leiden. Daarvoor biedt de wet geen ruimte. De toepassing van art. 1:241 lid 2 BW biedt de kinderrechter alleen de mogelijkheid om een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij.

De kinderrechter acht het met de Raad en de GI in het belang van de kinderen, gelet op hun (culturele) achtergrond en de verblijfstatus, geboden dat Nidos wordt belast met de voorlopige voogdij. Nidos heeft zich ook bereid verklaard de voorlopige voogdij over de minderjarigen te aanvaarden. De vader en zijn advocaat hebben uitdrukkelijk aangegeven daarmee in te stemmen. Het hierop gerichte verzoek van de GI zal daarom (ambtshalve) worden toegewezen.

Een en ander betekent dat moet worden beslist als hierna als hierna wordt vermeld.

De beslissing


De kinderrechter

bepaalt dat de vader, [naam] , in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geschorst,

verstaat dat de schorsing in de uitoefening van het gezag van de vader op 1 juni 2019 vervalt, tenzij de Raad voor het einde van deze termijn om beëindiging van het gezag van de vader verzoekt,

belast de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht, met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden