Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1079

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
18/930171-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Ernstig eenzijdig verkeersongeval. Slachtoffers om het leven gekomen. Zwaar lichamelijk letsel. Zeer onvoorzichtig rijden. Rijden onder invloed van alcohol. Beginnende bestuurder. Toepassen van jeugdstrafrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77r
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930171-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 05 maart 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op de voet van artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering, laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 september 2018, te Assen, althans in de gemeente Assen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk: Mazda, daarmede rijdende over de Lonerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank -

- genoemde weg te berijden met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of gelet op de belading van genoemde personenauto en de in het wegdek aanwezige verkeersremmer(s)/verhoging(en) en kruisingen verantwoord en/of geboden was en/of

- ( vervolgens) op of ter hoogte van een verhoging in het wegdek de/een voor

hem, verdachte rijdende auto in te halen en/of te passeren, tengevolge waarvan de door hem, verdachte personenauto in een slip is geraakt, althans van de rijbaan is geraakt en/of tegen een (in de (linker)berm staande) lantaarnpaal en/of een boom is gebotst, in elk geval waardoor een aanrijding is ontstaan met een lantaarnpaal en/of een boom, waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , inzittende(n) van de door hem, verdachte bestuurde auto, werden gedood en/of aan [slachtoffer 3] , inzittende van de door hem, verdachte bestuurde auto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele kaakbreuk en/of een hersenbloeding, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste, tweede, derde of vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien ter zake van het voren staande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 september 2018, te Assen, althans in de gemeente Assen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg Lonerstraat,

genoemde weg heeft bereden met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of gelet op de belading van genoemde personenauto en de in het wegdek aanwezige verkeersremmer(s)/verhoging(en) verantwoord en/of geboden was en/of

(vervolgens) op of ter hoogte van een verhoging in het wegdek de/een voor hem,

verdachte rijdende auto heeft ingehaald/gepasseerd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 19 september 2018, te Assen, althans in de gemeente Assen, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,49 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn,

terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.

Beoordeling van het bewijs

Standpunten van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gestelde (in de mate: zeer onvoorzichtig rijden) kan worden bewezen.

Daarnaast heeft de officier van justitie gerequireerd tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft - na enkele opmerkingen over het bloedonderzoek - zich met betrekking tot feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2019;

  2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 oktober 2018, opgenomen op pagina 107 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018248111, d.d. 8 januari 2019, inhoudende de verklaring van verdachte;

  3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal (in)vordering rijbewijs d.d. 9 oktober 2018, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier;

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een aanvraagformulier ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed d.d. 20 september 2018, opgenomen op pagina 116 van voornoemd dossier;

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.09. 25.033, d.d. 15 oktober 2018, opgenomen op pagina 117 e.v. van voornoemd dossier;

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 6 december 2018 (met bijlagen), proces-verbaalnummer 19092018.2330.2393;

7. Een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag d.d. 20 september 2018 met kenmerk Formatus 534998;

8. Een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag d.d. 20 september 2018 met kenmerk Formatus 534996;

9. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 12 februari 2019 met bijlagen, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 3] ;

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2019, proces-verbaalnummer 2018248111-55;

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2019, proces-verbaalnummer 2018248111-57.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt allereerst als volgt.

Uitgangspunt is dat, om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, moet komen vast te staan dat de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Bij de beoordeling van de schuld gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersongeval worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank stelt op grond van de stukken in het dossier het volgende vast.

Op 19 september 2018 reed verdachte als bestuurder van een personenauto (Mazda, type Demio) op de Lonerstraat te Assen. In deze auto zat [slachtoffer 4] op de plaats van de bijrijder. Op de achterbank zaten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . De vijf inzittenden behoorden tot een van de voetbalteams van de Asser Boys en hadden net getraind en daarna, tijdens de zogenoemde nazit, allen bier gedronken.

De toegestane snelheid op de Lonerstraat te Assen bedroeg daar 30 km/u.

Verdachte had tijdens de nazit in ieder geval drie flesjes bier gedronken en was dus onder invloed van alcohol, in een mate die boven de voor een beginnend bestuurder (zoals verdachte) wettelijk toegestane grens ligt. Bovendien heeft hij in die toestand met veel te hoge snelheid gereden (de indicatieve botssnelheid van de Mazda tegen de boom is berekend rond de 60 km/u). Vlak voor of op het kruispunt Lonerstraat/Houtlaan/Amelterhout heeft verdachte de voor hem rijdende personenauto (waarin een andere teamgenoot reed) links ingehaald. Op dit kruispunt is een ronde verkeersdrempel gesitueerd. Tijdens of kort na de inhaalmanoeuvre is de auto van verdachte in een slip geraakt, doordat verdachte met hoge snelheid over de verkeersdrempel is gereden. De auto van verdachte is hierna enigszins dwars in de linker berm terechtgekomen. De linker achterzijde van de auto heeft daar een lantaarnpaal geraakt. Vervolgens is de linker achterzijde van de auto tegen een boom gebotst, waarna de auto circa 360 graden om zijn verticale as is geroteerd en op enkele meters van de boom tot stilstand is gekomen. Tijdens deze draai is [slachtoffer 2] uit de auto geslingerd en op het wegdek beland waarbij hij zodanig gewond is geraakt dat hij ter plaatse is overleden. Ten gevolge van dit ongeval overleed ook [slachtoffer 1] ; hij is overleden aangetroffen op de achterbank van de auto. [slachtoffer 3] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. [slachtoffer 4] was licht gewond. Verdachte zelf heeft ook zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de rechtbank - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden, terwijl hij onder invloed was van alcohol. De verdachte valt daarom schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te verwijten.

Wat betreft het onder 2 ten laste gelegde stelt de rechtbank vast dat het alcoholgehalte in het bloed van verdachte ten tijde van het bloedonderzoek 0,49 milligram alcohol per milliliter bloed (mg/ml) bedroeg, hetgeen hoger is dan de wettelijk toegestane hoeveelheid van 0,2 mg/ml voor een beginnend bestuurder.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 19 september 2018 te Assen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk: Mazda, daarmede rijdende over de Lonerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig, terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank, genoemde weg te berijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en gelet op de belading van genoemde personenauto en de in het wegdek aanwezige verkeersremmers en kruisingen verantwoord en geboden was en vervolgens op of ter hoogte van een verhoging in het wegdek een voor hem, verdachte, rijdende auto in te halen en te passeren, ten gevolge waarvan de door hem, verdachte, bestuurde personenauto van de rijbaan is geraakt en tegen een in de linkerberm staande lantaarnpaal en een boom is gebotst, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , inzittenden van de door hem, verdachte, bestuurde auto, werden gedood en aan [slachtoffer 3] , inzittende van de door hem, verdachte, bestuurde auto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele kaakbreuk en een hersenbloeding, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 19 september 2018 te Assen, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,49 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van deze wet;

2. Overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd voor de duur van drie jaar met aftrek van de periode dat het rijbewijs is ingevorderd/ingehouden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Voorts heeft hij de rechtbank verzocht aan verdachte een taakstraf voor de maximale duur, een voorwaardelijke jeugddetentie en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een jonge man is die weliswaar ten tijde van het ongeval te veel had gedronken maar niet zoveel dat hij als dronken kon worden aangemerkt. Verdachte heeft van begin af aan de volledige verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Daarnaast heeft het incident een grote impact gehad op verdachte waardoor hij diepe schuldgevoelens en groot verdriet ervaart. Hij ondervindt hiervan nog altijd psychische en emotionele gevolgen. Hij heeft hiervoor professionele hulp gezocht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies d.d. 22 februari 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 19 september 2018 een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft, na de training van het voetbalteam, volgens zijn verklaring drie flesjes bier gedronken, verkeerde daarom onder invloed van alcohol en heeft zeer onvoorzichtig gereden. De gevolgen van het gedrag van verdachte waren voor twee inzittenden in de auto - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] - fataal. Verdachte heeft de nabestaanden van deze slachtoffers daardoor groot en onherstelbaar leed berokkend. Dat blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van de vader van [slachtoffer 2] , namens hemzelf, zijn echtgenote en de ouders van [slachtoffer 1] en uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen en zal mogelijk zijn hele leven last blijven ondervinden van het door hem opgelopen (hersen)letsel. Ook voor hem en zijn familie zijn de gevolgen van het ongeval traumatisch.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de reclassering. Uit het rapport blijkt dat het alcoholgebruik van alle inzittenden van de auto, de sfeer in de auto voorafgaand aan het incident, en de opgewondenheid van hen allemaal in de auto, eraan hebben bijgedragen dat verdachte uiteindelijk verkeerde keuzes heeft gemaakt: rijden onder invloed en een auto inhalen met hoge snelheid op een plek waar dat niet kon. De groepsdynamiek heeft verdachtes keuze en gedrag beïnvloed. Het niet kunnen overzien van consequenties van zijn handelen is passend bij zijn leeftijd, aldus de reclassering.

De reclassering adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit advies is gebaseerd op de omstandigheden dat verdachte 19 jaar oud was ten tijde van het bewezenverklaarde, hij geen eerdere justitiecontacten heeft gehad, er geen sprake is van een pro-criminele houding en hij gevoelig is voor pedagogische beïnvloeding van buitenaf. Ook is verdachte kwetsbaar voor groepsdruk.

Gelet op hetgeen is gerapporteerd over de persoon van verdachte en gezien de indruk die verdachte heeft gemaakt ter terechtzitting, ziet de rechtbank aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat zowel uit het verhandelde ter terechtzitting als het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte zelf zwaar gebukt gaat onder de gevolgen van zijn rijgedrag en de daaraan voorafgaande keuzes. Hij draagt zijn verdere leven de last mee van de wetenschap dat hij verantwoordelijk is voor de dood van zijn vrienden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3] .

De ernst van het verkeersongeval rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank zal daarvan echter afzien gelet op de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden van verdachte. In plaats daarvan zal de rechtbank de maximale (totale) taakstraf van 240 uren opleggen in combinatie met een voorwaardelijke jeugddetentie van tien maanden. De bescherming van de verkeersveiligheid vormt daarnaast aanleiding voor de rechtbank om een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar op te leggen. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie en wel omdat de rechtbank de overtuiging heeft bekomen dat verdachte volledig van het belang van de verkeersveiligheid is doordrongen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een personenauto, merk Mazda Demio, kenteken [kenteken] , vatbaar voor verbeurdverklaring nu het onder 1 primair bewezen verklaarde hiermee is begaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 77c, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 240 uren. De werkstraf moet binnen 12 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

een jeugddetentie voor de duur van tien maanden.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van feit 1 primair voorts:

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de tijd van twee jaar, met aftrek van de periode dat het rijbewijs reeds ingevorderd/ingehouden is geweest.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen personenauto, merk Mazda Demio, kenteken [kenteken] .

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. R. Depping en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2019.