Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1029

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
C/18/173775 / HA ZA 17-28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdelingszaak tussen 5 kinderen. Afwikkeling agrarische maatschap moeder en zoon/overname- en voortzettingsrecht. Voornemen deskundigenbericht; waarderingsgrondslag niet o.g.v. agrarische waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0084
Jurisprudentie Erfrecht 2019/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/173775 / HA ZA 17-28

Vonnis van 13 maart 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te Bleiswijk,

hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOMPAS ZUIDLAREN B.V.,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [eiser 2],

gevestigd te Zuidlaren,

hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 2],

3. [eiser 3],

wonende te Uithuizen,

hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 3],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. B.D. Bos te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te Uithuizermeeden,

hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1],

gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,

2. [gedaagde 2],

wonende te Groningen,

hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 2],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A.C. Winter te Groningen.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. enerzijds en [gedaagde 1] c.s. anderzijds genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

  • -

    de conclusie van repliek tevens wijziging van eis in conventie en van antwoord in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie;

  • -

    de akte uitlating producties van [gedaagde 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de kinderen van de heer [naam vader] (hierna te noemen: vader) en mevrouw [naam moeder] (hierna te noemen: moeder), die in gemeenschap van goederen waren gehuwd.

2.2.

Vader is overleden op [datum 1] . Vader heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Op grond hiervan zijn partijen ieder voor één/vijfde deel gerechtigd tot zijn nalatenschap; aan moeder is het vruchtgebruik van zijn nalatenschap gelegateerd.

2.3.

Moeder is overleden op [datum 2] . Partijen zijn ieder voor één/vijfde deel gerechtigd tot haar nalatenschap.

2.4.

Tot de nalatenschap van moeder behoren (onder meer) boerderij " [naam 2] " met landerijen te Uithuizermeeden - waaronder in de loop der tijd door moeder bijgekochte 04.05.25 hectare landbouwgrond - en boerderij " [naam 3] " met landerijen te Zijldijk (hierna te noemen: Uithuizermeeden en Zijldijk).

2.5.

Moeder en [gedaagde 1] hebben met ingang van [datum 3] een landbouwbedrijf uitgeoefend in maatschapsverband. In de schriftelijke maatschapsovereenkomst zijn zij onder meer het volgende overeengekomen:

Artikel 3 INBRENG

In de maatschap wordt ingebracht door de maat sub 1 [moeder, opm. rechtbank]:

(…)

- het gebruik en genot van de tot het bedrijf behorende onroerende goed bestaande uit gebouwen en landerijen gelegen te Uithuizermeeden ter grootte van 43.47.57 ha, gebouwen en landerijen gelegen te Zijldijk ter grootte van 58.42.05 ha en landerijen te Uithuizermeeden ter grootte van 4.52.95 ha;

(…)

Artikel 12 EINDE DER MAATSCHAP

De maatschap eindigt:

(…)

b. door overlijden (…) van een der maten (…);

(…)

Artikel 14 WAARDERING ROERENDE ACTIVA EN INVESTERINGEN

Bij beëindiging van de maatschap, zullen de roerende aktiva worden gewaardeerd overeenkomstig de regelen zoals deze zijn voorgeschreven bij boedelscheiding met minderjarige kinderen, tenzij (…). Ten aanzien van de gemeenschappelijke investeringen in onroerende aktiva en rechten zal bij beëindiging van de maatschap een verrekening moeten plaatsvinden op basis van de resterende boekwaarde van de investeringen, tenzij (…). Indien een maat vervolgens de bedrijfsexploitatie alleen continueert is hij/zij gerechtigd deze activa voor voornoemde waarde over te nemen of zich te doen toescheiden, onder verrekening van de over te nemen schulden.

Artikel 15 VOORTZETTING

Indien de maatschap eindigt door één van de gevallen als genoemd in artikel 12b, heeft de andere maat het recht het bedrijf der maatschap, alleen of met anderen, voort te zetten en zal het aandeel van de ene maat in alle in eigendom ingebrachte en tot het vermogen van de maatschap behorende activa en passiva door de andere maat kunnen worden overgenomen onder de verplichting om aan (…) de erfgenamen van de ene maat de waarde van dit aandeel uit te keren. De vaststelling van de waarde van dit aandeel zal geschieden conform de in artikel 14 genoemde waarderingsgrondslagen.

De overblijvende maat heeft tevens het recht op pacht of op overname van de onroerende goederen tegen de waarde in verpachte staat, waarvan door de andere maat het gebruik en genot in de maatschap waren ingebracht met uitzondering van de gebouwen en landerijken gelegen te Zijldijk ter grootte van 58.42.05 ha. (…)

2.6.

Moeder en [gedaagde 1] hebben bij overeenkomst van december 2008 enkele wijzigingen in de maatschapsovereenkomst van 1990 aangebracht. Hierin is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

In aanmerking nemende:

(…)

dat de maat sub 1 en de maat sub 2 besloten hebben dat de maat sub 1 de bij haar in eigendom en in vruchtgebruik zijnde onroerende zaken vanaf 1 november 2008 aan de maatschap zijn verpacht;

dat de maat sub 1 en de maat sub 2 van de verpachting van de onroerende zaken aan de maatschap een afzonderlijke pachtovereenkomst hebben opgesteld;

(…)

(…)

Partijen zijn voorts overeengekomen dat artikel 3, tweede gedachtestreepje van de maatschapsovereenkomst voortaan als volgt moet worden gelezen:

Aan de maatschap wordt verpacht door de maat sub 1:

De haar in eigendom en in vruchtgebruik toebehorende aan de onderneming dienstbare, onroerende zaken (gebouwen en landerijen) aan de maten zonder nadere omschrijving voldoende bekend.

(…)

De maat sub 1 en de maat sub 2 zijn overeengekomen dat artikel 15, derde zin van de maatschapsovereenkomst voortaan als volgt moet worden gelezen:

De overblijvende maat heeft het recht de activa die eigendom zijn van de defungerende maat en door haar aan de maatschap waren verpacht, van de defungerende maat of haar rechtsverkrijgende(n) over te nemen, met uitzondering van de gebouwen en landerijen gelegen te Zijldijk, ter grootte van 54.98.82 ha.

(…)

2.7.

Partijen en moeder hebben in december 2008 schriftelijke pachtovereenkomsten gesloten, die alle betrekking hebben op Uithuizermeeden.

2.8.

Na het overlijden van moeder heeft [gedaagde 1] het bedrijf van de maatschap feitelijk gecontinueerd.

2.9.

Op 15 juli 2016 is namens [eiser 1] c.s. aangifte erfbelasting gedaan (productie 11 bij dagvaarding). Blijkens deze aangifte behoort tot de nalatenschap naast het ondernemingsvermogen, privévermogen bestaande uit onder meer een woning aan de [adres] te Uithuizen, banktegoeden en een effectenportefeuille.

2.10.

Het vermogen van [eiser 2] is op 22 augustus 1995 onder bewind gesteld; Kompas Zuidlaren B.V. (de formele procespartij) is thans haar bewindvoerder.

3 De vordering

in conventie

3.1.

[eiser 1] c.s. vordert - na wijziging van eis - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht:

a. dat Zijldijk niet is verpacht aan [gedaagde 1] en/of de (inmiddels) ontbonden maatschap; en

b. dat [gedaagde 1] niet het recht van voorzetting en overneming heeft van Zijldijk; en

c. dat Zijldijk in de verdeling van de nalatenschap van erflaatster mitsdien betrokken dient te worden tegen de waarde in onverpachte staat ten tijde van de verdeling;

2. te verklaren voor recht:

a. dat [gedaagde 1] is gehouden aan de nalatenschap uit te keren de waarde van alle in eigendom ingebrachte en tot het vermogen van de maatschap behorende activa en passiva, een en ander te bepalen op basis van de in artikel 14 maatschapsovereenkomst geformuleerde waarderingsgrondslagen per peildatum 17 september 2017, althans [datum 2] ;

b. dat [gedaagde 1] gerechtigd is tot Uithuizermeeden en de 04.05.25 hectare en gehouden aan de nalatenschap uit te keren de waarde van dit onroerend goed in verpachte staat per datum van de verdeling;

c. dat verdeling van de nalatenschap dient plaats te vinden met inachtname van de hiervoor sub a. en b. genoteerde uitgangspunten;

3. te verklaren voor recht:

a. dat [gedaagde 1] op 17 september 2017 heeft verklaard het bedrijf der maatschap voort te zetten;

4.1.

twee deskundigen te benoemen, die tezamen een derde deskundige benoemen, ter fine van bindende vaststelling voor partijen, voor zoveel nodig met inachtneming van het bepaalde in de maatschapsovereenkomst, van:

I. de waarde van Uithuizermeeden:

a. primair: in verpachte staat, voor het geval [gedaagde 1] zich uitspreekt voor voortzetting;

b. subsidiair: in onverpachte staat, voor het geval [gedaagde 1] zich niet uitspreekt voor voortzetting;

II. de waarde van Zijldijk:

a. primair: in onverpachte staat;

b. subsidiair de waarde in verpachte staat;

alles, sub I en II, steeds per datum van de verdeling, ten deze te stellen op de datum van het in deze te wijzen vonnis;

4.2.

op de voet van artikel 3:185 BW, de verdeling van de gemeenschap van nalatenschap tussen partijen te gelasten, aldus dat partijen de verdeling tot stand brengen ten overstaan van een door de rechtbank aan te wijzen notaris en waarbij wordt toebedeeld als volgt:

I. ingeval de rechtbank, conform petitum sub 1a, voor recht verklaart dat Zijldijk niet is verpacht én [gedaagde 1] zich staande onderhavige gerechtelijke procedure, alsnog uitspreekt voor voortzetting van het bedrijf van de ontbonden maatschap en overneming van Uithuizermeeden:

aan [gedaagde 1]: Uithuizermeeden (opstallen en landerijen) alsmede de vier hectare naar de waarde in verpachte staat, onder de last respectievelijk met het recht tot betaling of ontvangst van een bedrag in contanten, wegens overbedeling respectievelijk onderbedeling, alles zoals nader in de akte van verdeling door partijen zal worden overeengekomen of bij gebreke van overeenstemming door de notaris zal worden bepaald;

aan [gedaagde 1] c.s., [eiser 1] en [eiser 3]: ieder het een/vierde gedeelte onverdeeld van de landerijen en agrarische opstallen van Zijldijk, onverpacht en naar de waarde in onverpachte staat, onder de last respectievelijk met het recht tot betaling of ontvangst van een bedrag in contanten, wegens overbedeling respectievelijk onderbedeling, alles zoals nader in de akte van verdeling door partijen zal worden overeengekomen of bij gebreke van overeenstemming door de notaris zal worden bepaald;

aan [eiser 2]: ten laste van [gedaagde 1] c.s. en/of [eiser 1] en [eiser 3] : een bedrag in contanten, overeenkomend met haar een/vijfde aandeel in de waarde van Uithuizermeeden en Zijldijk;

II. ingeval de rechtbank oordeelt dat Zijldijk wel is verpacht én [gedaagde 1] zich staande onderhavige gerechtelijke procedure, alsnog uitspreekt voor voortzetting van het bedrijf van de ontbonden maatschap en overneming van Uithuizermeeden en Zijldijk:

aan [gedaagde 1]: Uithuizermeeden inclusief de vier hectare naar de waarde in verpachte staat en Zijldijk primair naar de waarde in onverpachte staat en subsidiair naar de waarde in verpachte staat, onder de last van uitkering aan ieder van de andere deelgenoten wegens overbedeling een bedrag in contanten, zoals nader in de akte van verdeling door partijen zal worden overeengekomen of bij gebreke van overeenstemming door de notaris zal worden bepaald;

aan ieder van de andere deelgenoten, te weten [gedaagde 2] en eisers: een uitkering in contanten overeenkomend met hun een/vijfde aandeel in de waarde van Uithuizermeeden en Zijldijk:

III. althans, [eiser 1] c.s. vordert dat ex artikel 3:185 lid 1 [BW, opm. rechtbank] de rechtbank in goede justitie de wijze van verdeling gelast, althans de verdeling vaststelt, een en ander met inachtname van al hetgeen [eiser 1] c.s. heeft gesteld;

5. [gedaagde 1] te veroordelen, om binnen 4 weken na het in deze te wijzen vonnis, onder overlegging van justificatoire bescheiden, rekening en verantwoording af te leggen over de bedrijfsvoering van eerder bedoeld landbouwbedrijf en het vermogen van de maatschap, dit vanaf [datum 2] tot de dag van de rekening en verantwoording, en daarbij meer specifiek, over te leggen:

a. jaarrekeningen en exploitatieoverzichten over de jaren 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en over alle volgende jaren tot de dag van verdeling;

b. zijn aangiften en de aan hem opgelegde aanslagen Inkomstenbelasting over de jaren 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en over alle volgende jaren tot de dag van verdeling;

c. bankafschriften van bankrekeningen ten name van de maatschap en/of ten name van [gedaagde 1] over de jaren 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en over alle volgende jaren tot de dag van verdeling;

met veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van een dwangsom ad € 35.000,--, dit voor elke overtreding en elke dag dat hij na betekening van het in deze te wijzen vonnis, nalatig blijft om tijdig, binnen voornoemde termijnen, te voldoen aan het hiervoor onder 5a tot en met c gevorderde en;

voor het geval [gedaagde 1] binnen 30 dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis niet voldaan heeft aan het hiervoor onder 5.a tot en met c gevorderde, een deskundige te benoemen ter bepaling van de resultaten van de bedrijfsvoering van het landbouwbedrijf en het vermogen van de maatschap, dit vanaf [datum 2] tot de dag van de verdeling met bepaling dat de kosten van de werkzaamheden van deze deskundige zullen worden geleden ten laste van [gedaagde 1] ;

6. een deskundige te benoemen die de opdracht krijgt om aan de hand van de onder 5. gevorderde stukken alsmede de onder 5. gevorderde rekening en verantwoording vast te stellen:

a. het aan de nalatenschap van erflaatster toekomende winstdeel over de periode vanaf [datum 2] tot aan 17 september 2017;

b. de pachtvergoeding die nog aan de nalatenschap van erflaatster is verschuldigd krachtens de pachtovereenkomsten Uithuizermeeden en de 04.05.25 hectare;

een en ander met bepaling dat de aldus aan de nalatenschap verschuldigde bedragen dienen te worden betrokken in de verdeling van de nalatenschap;

7. subsidiair, indien en voor zover de rechtbank oordeelt dat Zijldijk is verpacht, vordert [eiser 1] c.s.:

a. een verklaring voor recht dat terzake Zijldijk door het bedrijf der maatschap aan de nalatenschap een pachtvergoeding is verschuldigd ingaande per 22 december 2008 tot aan het moment van verdeling;

b. met bepaling van deze pachtvergoeding op € 815,63 per hectare per jaar, derhalve in totaal € 47.661 ,-- op jaarbasis, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag per jaar en;

c. met bepaling dat de aldus aan de nalatenschap van moeder verschuldigde bedragen dienen te worden betrokken in de verdeling van de nalatenschap;

8. [gedaagde 2] te veroordelen om te gehengen en te gedogen én alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan al het voorgaande;

met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde 1] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde 1] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair:

de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen, in die zin dat aan [gedaagde 1] Uithuizermeeden en Zijldijk wordt toegedeeld tegen de waarde waarbij verdere exploitatie van het bedrijf nog juist lonend is en aan ieder van de andere deelgenoten een uitkering in contanten overeenkomend met hun een/vijfde aandeel in de waarde van Uithuizermeeden en Zijldijk;

subsidiair:

de verdeling van de nalatenschap van moeder vast te stellen, in die zin dat aan [gedaagde 1] Uithuizermeeden en Zijldijk wordt toegedeeld tegen de waarde in verpachte staat, aan ieder van de andere deelgenoten een uitkering in contanten overeenkomend met hun een/vijfde aandeel in de waarde van Uithuizermeeden en Zijldijk en te bepalen dat [gedaagde 1] de overwaarde geheel of ten delen in termijnen mag voldoen;

2. met veroordeling van [eiser 1] c.s. om aan de door de rechtbank vastgestelde verdeling uitvoering te geven binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, zulks met benoeming van een onzijdig persoon voor diegene die mocht weigeren medewerking te verlenen aan de verdeling, teneinde hen bij die verdeling te vertegenwoordigen en daarbij hun belangen naar beste inzicht te behartigen;

3. veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure.

3.5.

[eiser 1] c.s. voeren verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De standpunten van partijen

Het standpunt van [eiser 1] c.s. (samengevat)

4.1.

[eiser 1] c.s. wenst tot verdeling van de nalatenschap van moeder te komen. Die verdeling dient aldus plaats te vinden dat Uithuizermeeden tegen de waarde in verpachte staat aan [gedaagde 1] zal worden toebedeeld en dat Zijldijk tegen de waarde in vrije staat aan [eiser 1] , [eiser 3] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - ieder voor een/vierde deel - zal worden toebedeeld, en dat tot slot een bedrag in contanten aan [eiser 2] zal worden toegedeeld overeenkomend met haar aandeel in Uithuizermeeden en Zijldijk. De waardebepaling dient volgens [eiser 1] c.s. door in totaal drie deskundigen te worden uitgevoerd. De hiermee gepaard gaande kosten wegen op tegen het belang bij een zorgvuldige wijze van waardevaststelling en de acceptatiegraad.

4.2.

[gedaagde 1] heeft, zowel in de kwaliteit van pachter als op grond van de maatschapsovereenkomst, een overnamerecht ter zake van Uithuizermeeden tegen de waarde in verpachte staat. Ook heeft [gedaagde 1] op grond van de maatschapsovereenkomst een voortzettingsrecht van het bedrijf van de maatschap. Over de voortzetting en de overname had hij voorafgaande aan deze procedure geen (uitdrukkelijke) verklaring afgelegd, maar inmiddels wel.

4.3.

Zijldijk is daarentegen niet aan [gedaagde 1] verpacht en uitgezonderd van voormeld overnamerecht. Er is consequent een verschil gemaakt tussen Uithuizermeeden en Zijldijk. Dat laat zich verklaren doordat Zijldijk niet behoort tot het familiebedrijf dat [gedaagde 1] in de jaren '80 heeft voortgezet maar tot het bedrijf van moeders familie (haar vader en na diens overlijden haar broer). Moeder heeft Zijldijk pas na het overlijden van haar broer in gebruik gegeven aan de maatschap, maar nooit op basis van een pachtovereenkomst. De overeenkomst van december 2008 kan niet anders dan op Uithuizermeeden betrekking hebben, aangezien de aanduiding overeenkomt met de omschrijving in de oorspronkelijke maatschapsakte. Moeder heeft ook nooit de wil gehad om Zijldijk (alsnog) te gaan verpachten, wat onder meer blijkt uit het feit dat voor Zijldijk geen schriftelijke pachtovereenkomst is opgesteld. Bovendien is geen tegenprestatie overeengekomen, noch voldaan. Blijkens de jaarrekening van de maatschap is namelijk alleen pacht voor Uithuizermeeden, dus niet voor Zijldijk betaald. Aan de voorwaarden voor een pachtovereenkomst is dan ook niet voldaan.

4.4.

Zijldijk dient in het kader van de verdeling te worden opgesplitst. [eiser 3] heeft belang bij verkrijging van landbouwgrond, vanwege het boerenbedrijf van haar echtgenoot. Ook voor de andere partijen is dit de meest gunstige wijze van verdeling.

4.5.

Moeder heeft nooit bedoeld dat [gedaagde 1] het bedrijf van de maatschap koste wat kost zou kunnen voortzetten. Er is daarom geen grond om de toedeling van Uithuizermeeden en Zijldijk tegen een lagere (agrarische) waarde te laten plaatsvinden. Bovendien betwist [eiser 1] c.s. de juistheid van het door [gedaagde 1] overgelegde rapport van Accon AVM. Hiertoe verwijst hij naar een rapport d.d. 11 juli 2018 van [naam 1] c.s. Belastingadviseurs B.V., waarin wordt geconcludeerd dat de gevorderde wijze van verdeling wel degelijk financierbaar is voor [gedaagde 1] (op basis van agrarische grondfinanciering via ASR).

4.6.

Tot de nalatenschap behoort een aandeel in het ontbonden maatschapsvermogen. Op [gedaagde 1] als resterende maat rust onder meer op grond van de artikelen 3:15i en 3:15j sub a BW en artikel 3:173 BW de verplichting om rekening en verantwoording over het door hem na het overlijden van moeder over het bedrijf van de maatschap gevoerde beheer af te leggen. Pas op 17 september 2017 (in de conclusie van antwoord) heeft [gedaagde 1] duidelijk en onvoorwaardelijk kenbaar gemaakt dat hij het bedrijf van de maatschap overneemt en voortzet. Deze datum dient daarom als peildatum te worden genomen; tot die datum is het bedrijf voortgezet voor rekening en risico van de ontbonden maatschap en heeft de nalatenschap aanspraak op het aan moeder toekomende winstdeel. Subsidiair gaat [eiser 1] c.s. uit van [datum 2] , de datum waarop de maatschap als gevolg van het overlijden van moeder is geëindigd. De waardering van tot het vermogen van de maatschap behorende activa en passiva zal in beide gevallen moeten plaatsvonden conform de in artikel 14 van de maatschapsovereenkomst genoemde waarderingsgrondeslagen. Dit dient bij de verdeling te worden betrokken. [eiser 1] c.s. erkent dat onderhoudskosten die voor de helft voor rekening van [gedaagde 1] zouden zijn gekomen, bij het vaststellen van het resultaat en de winstdeling over de periode van [datum 2] tot aan 17 september 2017 moeten worden meegenomen.

4.7.

Daarnaast is de pachtvergoeding voor Uithuizermeeden vanaf [datum 2] (de datum waarop er voor het laatst betaald is) tot aan het moment van verdeling van de nalatenschap verschuldigd. Deze pachtvergoeding dient bij de verdeling te worden betrokken. Dat geldt ook voor de pachtvergoeding voor Zijldijk, indien en voor zover in deze procedure vastgesteld zou worden dat er van pacht sprake is. In dat geval dient uit te worden gegaan van de tarieven per hectare zoals die gelden voor Uithuizermeeden.

4.8.

[eiser 1] c.s. maakt tot slot bezwaar tegen de gevraagde betaling in termijnen. De afwikkeling van de nalatenschap laat al lang op zich wachten en het is maar de vraag of de bedrijfsvoering door [gedaagde 1] , die in alle geschetste scenario's negatief lijkt uit te pakken, betaling in de toekomst mogelijk maakt.

Het standpunt van [gedaagde 1] (samengevat)

4.9.

Ook [gedaagde 1] wenst tot verdeling van de nalatenschap van moeder te komen, maar hij staat een andere wijze van verdeling voor. Daartoe heeft hij een eis in reconventie ingesteld.

4.10.

[gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat hij in december 2008 met moeder is overeengekomen dat álle bij moeder in eigendom en in vruchtgebruik zijnde onroerende zaken aan de maatschap zijn verpacht, dus ook Zijldijk. Daaraan is uitvoering gegeven onder meer doordat de maatschap sindsdien een tegenprestatie (in de grootboekkaarten 4281 en 9193 geadministreerd als "geldvergoeding") aan moeder en de nalatenschap heeft voldaan. Het recht tot voortzetting omvat dus zowel Uithuizermeeden als Zijldijk, maar ook los daarvan wenst [gedaagde 1] Uithuizermeeden en Zijldijk toebedeeld te krijgen. Van partijen heeft hij als meeste het belang als diegene die het bedrijf jarenlang vanuit beide locaties heeft geëxploiteerd en de onderhoudskosten voor zijn rekening heeft genomen.

4.11.

Bij de waardebepaling dient de agrarische waarde, dat wil zeggen de waarde waarbij verdere exploitatie van het bedrijf nog juist lonend is, tot uitgangspunt te worden genomen. [gedaagde 1] verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004, NJ 2004/653; ook hier gaat het volgens [gedaagde 1] c.s. om de verdeling van een in het kader van een in familieverband uitgeoefend landbouwbedrijf. Het was de wil van moeder dat [gedaagde 1] het bedrijf van de maatschap zou kunnen voortzetten, en Zijldijk is voor de bedrijfsvoering cruciaal. Onder verwijzing naar een rapport van Accon AVM d.d. 5 april 2017 (productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) stelt [gedaagde 1] dat van de doorgerekende scenario's alleen bij versie 3 sprake is van een sluitende exploitatie, namelijk daar waar de "overnamesom te betalen aan familie incl. ruilverkavelingsschuld" € 874.078,00 bedraagt. Het betreft een rapport van de accountant van de maatschap, die voldoende kennis en achtergrondinformatie heeft om tot reële begroting te kunnen komen. De investeringen vloeien voort uit een wettelijke saneringsplicht en zijn voor het overige noodzakelijk om tot een lonende exploitatie te komen. De te vervangen machines zijn al oud en er is meer opslagcapaciteit noodzakelijk.

4.12.

Subsidiair stelt [gedaagde 1] dat voor Zijldijk, net als Uithuizermeeden, van de waarde in verpachte staat moet worden uitgegaan. Zijldijk is namelijk vanaf december 2008 tot op heden verpacht. Voor de waardebepaling zal de benoeming van één deskundige volstaan.

In dat geval verzoekt [gedaagde 1] dat de rechtbank bepaalt dat de overwaarde (rekening houdend met de ten laste van [gedaagde 1] gekomen onderhoudskosten) in termijnen mag worden betaald.

4.13.

[gedaagde 1] betwist gehouden te zijn tot het afleggen van rekening en verantwoording, nu hij het bedrijf van de maatschap heeft voortgezet. Niettemin kan inzage in de jaarrekeningen en bankafschriften worden verschaft, indien dat noodzakelijk is. De artikelen 3:15i en 3:15j BW zijn ondeugdelijke grondslagen, omdat deze zien op openlegging van administratie. Het beroep op artikel 3:317 BW strandt op de voortzetting van bedrijf vanaf overlijdensdatum. Na het overlijden heeft [gedaagde 1] in alle contacten met zijn broer en zussen steeds kenbaar gemaakt dat hij het bedrijf van de maatschap wilde voortzetten. Weliswaar is er in eerste instantie ook gesproken over voortzetting in een maatschap tussen alle partijen, maar daar zijn partijen het niet over eens worden. Vervolgens bleef het lange tijd stil. [gedaagde 1] heeft al die tijd het bedrijf draaiende gehouden. [gedaagde 1] moet daarom worden geacht al die tijd voor eigen rekening te hebben geëxploiteerd, en niet ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen. De vanaf de overlijdensdatum gemaakte winst komt daarom geheel aan [gedaagde 1] toe.

Het standpunt van [gedaagde 2] (samengevat)

4.14.

[gedaagde 2] onderschrijft de stellingen van [gedaagde 1] , maar stelt zich nooit te hebben verzet tegen de door [eiser 1] c.s. voorgestane wijze van verdeling. Zij is daarom nodeloos in deze procedure betrokken, zodat [eiser 1] c.s. in zijn vorderingen jegens haar niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5 De beoordeling

in conventie en reconventie

5.1.

Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over de verdeling van de nalatenschap van moeder en vorderen daarom over en weer verdeling door de rechter. De in conventie en reconventie door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

5.2.

De rechtbank constateert dat de vorderingen van partijen enkel gericht zijn op verdeling van de nalatenschap van moeder. Uit de stellingen van partijen valt niet op te maken of de huwelijksgemeenschap tussen de ouders van partijen en/of de nalatenschap van vader zijn afgewikkeld. Omdat partijen (als de gezamenlijke erfgenamen van hun beide ouders) gelijkelijk gerechtigd zijn tot al deze boedels, gaat de rechtbank ervan uit dat met deze verdelingsprocedure het geheel zal worden afgewikkeld. Hierna zal steeds over "de nalatenschap" gesproken worden.

De ontvankelijkheid ten opzichte van [gedaagde 2]

5.3.

De door [eiser 1] c.s. ingestelde vordering tot verdeling van de nalatenschap betreft rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhoudingen betrokkenen, in dit geval partijen als gezamenlijke erfgenamen van moeder. [eiser 1] c.s. kan dan ook worden ontvangen in zijn vordering voor zover deze zich mede tegen [gedaagde 2] richt.

De afwikkeling van de ontbonden maatschap

5.4.

De maatschap is als gevolg van het overlijden van moeder ontbonden. Het aandeel van moeder in deze bijzondere gemeenschap maakt deel uit van de nalatenschap. In het kader van de verdeling van de nalatenschap zal daarom acht worden geslagen op de wijze waarop de ontbonden maatschap moet worden afgewikkeld. Daarbij is van belang dat [gedaagde 1] heeft verklaard de hem in artikel 15 van de maatschapsovereenkomst toegekende overname- en voortzettingsrechten te (hebben) willen uitoefenen.

Het overnamerecht

5.5.

De eerste vraag die in dit verband beantwoord moet worden is of het overnamerecht van [gedaagde 1] tevens Zijldijk omvat. Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank voorop dat zowel de oorspronkelijke maatschapsovereenkomst als de overeenkomst van december 2008 zijn neergelegd in onderhandse akten. Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv leveren beide akten ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van deze verklaring.

5.6.

In artikel 15, derde zin van de oorspronkelijke maatschapsovereenkomst is Zijldijk uitdrukkelijk van het overnamerecht uitgezonderd:

"De overblijvende maat heeft tevens het recht op pacht of op overname van de onroerende goederen tegen de waarde in verpachte staat, waarvan door de andere maat het gebruik en genot in de maatschap waren ingebracht met uitzondering van de gebouwen en landerijken gelegen te Zijldijk ter grootte van 58.42.05 ha. (…)"

De tekst van deze bepaling is bij overeenkomst van december 2008 als volgt gewijzigd:

"De overblijvende maat heeft het recht de activa die eigendom zijn van de defungerende maat en door haar aan de maatschap waren verpacht, van de defungerende maat of haar rechtsverkrijgende(n) over te nemen, met uitzondering van de gebouwen en landerijen gelegen te Zijldijk, ter grootte van 54.98.82 ha."

De rechtbank constateert dat Zijldijk nog steeds uitdrukkelijk van het overnamerecht is uitgezonderd. Daarom zal er bij de verdere beoordeling vanuit dienen te worden gegaan dat het overnamerecht van [gedaagde 1] niet tevens Zijldijk omvat, behoudens door [gedaagde 1] c.s. te leveren tegenbewijs. [gedaagde 1] c.s. heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de tekst van de gewijzigde bepaling niet strookt met de werkelijke bedoeling van moeder en [gedaagde 1] , geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen. Met deze enkele blote stelling, die bovendien door [eiser 1] c.s. weersproken is, kon [gedaagde 1] c.s. niet volstaan. Aan het leveren van (tegen)bewijs wordt daarom niet toegekomen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat [gedaagde 1] op grond van het overnamerecht alleen gerechtigd is tot overname van Uithuizermeeden.

5.7.

De tweede vraag die in dit verband opkomt, is of deze overname van Uithuizermeeden dient te geschieden tegen de waarde in verpachte staat, dan wel tegen de waarde waarbij verdere exploitatie van het bedrijf nog juist lonend is (door partijen ook wel aangeduid als "de agrarische waarde"). Hiertoe is in de eerste plaats van belang wat daarover in de maatschapsovereenkomst is overeengekomen. De rechtbank constateert dat het gewijzigde artikel 15, derde zin van de maatschapsovereenkomst niet langer vermeldt tegen welke waarde de overname plaatsvindt. Partijen verschillen van mening over de vraag of de maten bedoeld hebben een andere waarderingsgrondslag overeen te komen, dan voorheen het geval was. Dat is een kwestie van uitleg, waarbij het aankomt op de zin die de contractspartijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de gewijzigde bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit geval neemt de rechtbank in aanmerking dat moeder en [gedaagde 1] in december 2008 schriftelijke pachtovereenkomsten met betrekking tot Uithuizermeeden hebben gesloten, zodat het niet langer noodzakelijk was om "de waarde in verpachte staat" als waarderingsgrondslag te vermelden. Daarnaast is (zoals [eiser 1] c.s. onweersproken heeft gesteld) de overeenkomst van december 2008 onder begeleiding van het accountantskantoor Accon AVM totstandgekomen en door dit kantoor opgesteld, zodat redelijkerwijs verwacht mag worden dat - als het daadwerkelijk de bedoeling van moeder en [gedaagde 1] zou zijn geweest om een andere waarderingsgrondslag overeen te komen dan voorheen - deze bedoeling duidelijk(er) zou zijn vastgelegd. Dat is hier niet gebeurd. De rechtbank oordeelt daarom dat de (gewijzigde) maatschapsovereenkomst zo moet worden uitgelegd, dat de overname van Uithuizermeeden dient te geschieden tegen de waarde in verpachte staat.

5.8.

Vervolgens staat ter beoordeling of de voortzettingsjurisprudentie van de Hoge Raad (HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8172) met zich brengt dat toch moet worden uitgegaan van de agrarische waarde. Blijkens deze jurisprudentie dient mede in aanmerking te worden genomen (a) dat de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staat aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt en (b) het steeds de bedoeling van de beide vennoten was geweest dat een van hen het bedrijf na de ontbinding van de vennootschap zou kunnen voortzetten tegen voldoening van een vergoeding waarbij exploitatie van het bedrijf nog juist lonend was. Daarnaast moet de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten te worden meegewogen, aldus de Hoge Raad.

5.9.

In het onderhavige geval gaat het om de samenwerking in het kader van een in familieverband uitgeoefend agrarisch bedrijf, waarin moeder en [gedaagde 1] in maatschapsverband jarenlang activiteiten hebben ontplooid nadat vader overleden was. Daarbij heeft moeder aanvankelijk het gebruik en genot van Uithuizermeeden (en de later door haar verworven vier hectare landbouwgrond) ingebracht. Dit buitenvennootschappelijk vermogen van moeder is vervolgens vanaf december 2008 aan de maatschap verpacht. [gedaagde 1] heeft dus, bezien vanaf het moment waarop de maatschap is aangegaan, in wezen steeds een overnamerecht tegen de waarde in verpachte staat gehad. Hiermee is, naar het oordeel van de rechtbank, voorzien in het belang om voortzetting van het bedrijf mogelijk te maken. Tussen partijen is in geschil of het de bedoeling van moeder en [gedaagde 1] is geweest dat daarbij of daarnaast voortzetting mogelijk moest zijn tegen voldoening van een vergoeding waarbij exploitatie van het bedrijf nog juist lonend is (dus waarmee het belang van de erfgenamen nog verder ondergeschikt zou zijn aan het belang van de voortzettingsmogelijkheid). De stellingen van [gedaagde 1] c.s. op dit punt zijn uitdrukkelijk door [eiser 1] c.s. weersproken, en zijn vervolgens niet nader onderbouwd aan de hand van concrete feiten en omstandigheden waaruit de juistheid van zijn stellingen zou kunnen volgen. Aan het leveren van bewijs wordt daarom niet toegekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de overname van Uithuizermeeden dient te geschieden tegen de waarde in verpachte staat.

5.10.

In het licht van het voorgaande is niet doorslaggevend welke overnamesom bij een nog juist rendabele exploitatie van het bedrijf door [gedaagde 1] kan worden opgebracht. Het feit dat de op basis van een andere, waarschijnlijk hogere waarderingsgrondslag te berekenen overnamesom voor [gedaagde 1] niet financierbaar zou zijn (wat op basis van de voorliggende gegevens nog niet zeker is), is onvoldoende om van een andere waarderingsgrondslag uit te gaan. De door partijen over en weer ingebrachte rapporten ter zake van de financieringsmogelijkheden van het bedrijf van de maatschap, en de noodzakelijke investeringen in de toekomst, behoeven daarom geen bespreking.

5.11.

De slotsom is dat de rechtbank - in het kader van de verdeling van de nalatenschap - zal bepalen dat Uithuizermeeden tegen de waarde in verpachte staat aan [gedaagde 1] wordt toegedeeld. Voor de bepaling van deze waarde acht de rechtbank, net als partijen, een deskundigenbericht noodzakelijk. Hiertoe zal de zaak naar de rol worden verwezen. Over het aantal te benoemen deskundigen zijn partijen het op voorhand niet eens geworden. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de kosten van een dergelijk onderzoek, vooralsnog met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. De rechtbank is bovendien voornemens te bepalen dat de kosten door partijen gelijkelijk moeten worden gedragen, dat wil zeggen [eiser 1] c.s. drie/vijfde deel en [gedaagde 1] c.s. twee/vijfde deel daarvan.

5.12.

Voor de peildatum van de waarde geldt de datum van de verdeling tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hier tegen verzet of partijen anders met elkaar zijn overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat zich hier zo'n uitzondering voordoet.

Het voortzettingsrecht

5.13.

De vraag die in dit verband beantwoord moet worden, is welke overnamesom [gedaagde 1] aan de nalatenschap verschuldigd is ter zake van de voortzetting van het bedrijf van de ontbonden maatschap. In de artikelen 14 en 15 van de maatschapsovereenkomst is voorzien in de waarderingsgrondslag voor de roerende zaken en investeringen. [gedaagde 1] c.s. heeft niet weersproken dat vanwege het voortzetten van het bedrijf van de maatschap overeenkomstig deze bepalingen moet worden afgerekend. Dat betekent dat bij de rechtbank in het kader van de verdeling van de nalatenschap zal bepalen dat het maatschapsvermogen, bestaande uit de activa en de schulden zoals genoemd in de balans per [datum 2] (onderdeel van productie 10 bij de dagvaarding), aan [gedaagde 1] zal worden toegedeeld. Voor de waardebepaling hiervan acht de rechtbank een deskundigenbericht noodzakelijk. De rechtbank is ook hier van oordeel dat, mede gelet op de kosten van een dergelijk onderzoek, vooralsnog met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. De rechtbank is bovendien voornemens te bepalen dat de kosten door partijen gelijkelijk moeten worden gedragen, dat wil zeggen [eiser 1] c.s. drie/vijfde deel en [gedaagde 1] c.s. twee/vijfde deel daarvan.

5.14.

Voor de peildatum van de waarde geldt de datum van de verdeling tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hier tegen verzet of partijen anders met elkaar zijn overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat zich hier zo'n uitzondering voordoet.

5.15.

Een ander geschilpunt betreft de vraag naar de winstgerechtigdheid over de periode na het overlijden van moeder, waarin [gedaagde 1] het bedrijf van de maatschap feitelijk heeft gecontinueerd. Het staat niet ter discussie dat [gedaagde 1] heeft verklaard gebruik te maken van het hem toegekende voortzettingsrecht. Op grond van artikel 15 van de maatschapsovereenkomst komt aan hem het recht toe om het bedrijf van de maatschap "alleen of met anderen" voort te zetten. Partijen hebben enige tijd onderhandeld over een gezamenlijke voortzetting, maar daarover zijn zij niet tot overeenstemming gekomen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde 1] achteraf bezien geacht moet worden het bedrijf van de maatschap vanaf de overlijdensdatum voor eigen rekening en risico te hebben voortgezet, en niet namens de boedel zoals [eiser 1] c.s. heeft betoogd. Er hoeft dus geen (winst)afrekening plaats te vinden over de periode na [datum 2] . Het enkele feit dat [gedaagde 1] mogelijk voor het eerst in deze procedure ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft verklaard van zijn overname- en voortzettingsrecht gebruik te hebben gemaakt, is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen.

5.16.

In voorgaand oordeel ligt besloten dat [gedaagde 1] geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen over het beheer dat hij vanaf de overlijdensdatum heeft gevoerd. Daarmee ligt het onder 5 gevorderde voor afwijzing gereed. De overige door partijen ingenomen stellingen over dit geschilpunt kunnen verder onbesproken blijven.

5.17.

Ook de onder 3 gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen, omdat daaraan kennelijk ten grondslag ligt dat [gedaagde 1] pas vanaf de daarin genoemde datum als voortzetter heeft te gelden. De verklaring is op zichzelf bezien weliswaar juist, maar bij een toewijzing bestaat geen op zichzelf staand belang.

De verdere verdeling van de nalatenschap

Zijldijk

5.18.

Hiervoor is overwogen en beslist dat Zijldijk buiten de afwikkeling van de ontbonden maatschap valt, maar deze onroerende zaken dienen uiteraard wel bij de verdeling van de nalatenschap betrokken te worden. Daarbij ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld - wanneer inderdaad tot toedeling zal worden overgegaan (zie hiervoor de kanttekening in r.o. 5.29) - aan wie dat moet plaatsvinden. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] in beginsel als meest geëigende persoon daarvoor in aanmerking komt. Zijn eigen belang om het bedrijf van de maatschap te continueren met gebruikmaking van hetzelfde areaal als voorheen, weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het niet nader geconcretiseerde belang dat [eiser 3] , althans haar echtgenoot, heeft bij uitbreiding van diens agrarisch bedrijf. Bovendien noopt ook het algemeen belang tot het zoveel mogelijk bijeenhouden van een boerderij met landerijen. De overige partijen hebben slechts een financieel belang voorop gesteld, wat naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf van onvoldoende gewicht is om tot een andere vorm van toedeling te komen.

5.19.

Vervolgens rijst de vraag tegen welke waarde de toedeling van Zijldijk dient plaats te vinden. Hetgeen hiervoor onder r.o. 5.9 ter zake van Uithuizermeeden is overwogen, namelijk dat de agrarische waarde in het onderhavige geval niet tot uitgangspunt kan worden genomen, gaat naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor Zijldijk op. Met het in de maatschapsovereenkomst opgenomen voortzettings- en overnamebeding is reeds voorzien in het belang van de voortzetting van het bedrijf van de maatschap, en niet is komen vast te staan dat moeder en [gedaagde 1] daarbij of daarnaast de bedoeling hebben gehad om Zijldijk tegen gunstigere voorwaarden aan [gedaagde 1] te doen toekomen.

5.20.

Wat betreft de vraag of Zijldijk moet worden gewaardeerd in verpachte dan wel onverpachte staat, dient duidelijkheid verkregen te worden over de vraag of Zijldijk met ingang van december 2008 verpacht is aan de maatschap. De beantwoording van deze laatste vraag is in beginsel voorbehouden aan de pachtrechter (artikel 1019j Rv), maar het voorlopige oordeel van de aangezochte rechter over het onderwerp van het geschil is beslissend voor de vraag of tot verwijzing moet worden overgegaan (artikel 71 lid 3 Rv). De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige verdelingsprocedure niet strekt tot het geldend maken van een uit een pachtovereenkomst voorvloeiende aanspraak, althans geen vordering ter zake van een pachtovereenkomst zelf betreft. Het partijdebat over het al dan niet verpacht zijn van Zijldijk en in elk geval de in conventie specifiek daarop gerichte vordering onder 1 sub a, zijn uitsluitend en alleen gericht op het bepalen van de in het kader van de verdeling te hanteren waarderingsgrondslag. Partijen hebben geen ander, op zichzelf staand belang gesteld bij een beslissing op voornoemde vordering. De rechtbank zal dan ook niet tot verwijzing overgaan, maar de zaak aan zichzelf houden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bevoegdheid van de gewone burgerlijke rechter op geen enkele wijze onderwerp in het partijdebat is geweest. Kennelijk zijn partijen ook van mening dat de rechtbank in het kader van deze verdelingsprocedure op alle vorderingen en geschilpunten kan beslissen.

5.21.

De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van de waarderingsgrondslag ervan uitgegaan moet worden dat Zijldijk niet verpacht is. Hiertoe is het volgende redengevend. In de considerans van de overeenkomst van december 2008 is overwogen dat de maten "een afzonderlijke pachtovereenkomst" hebben opgesteld. Vast staat dat moeder en [gedaagde 1] vervolgens, met medewerking van de overige partijen, schriftelijke pachtovereenkomsten ter zake van Uithuizermeeden zijn aangegaan. Voor Zijldijk ontbreekt een dergelijke akte. De overige bepalingen van de overeenkomst van december 2008 - waarop [gedaagde 1] zijn stellingen baseert - zijn niet eenduidig over de vraag of moeder, anders dan voorheen, is overgegaan tot verpachting. Ook hier geldt dat, nu deze overeenkomst onder begeleiding van het accountantskantoor Accon AVM totstandgekomen en door dit kantoor opgesteld, redelijkerwijs verwacht mag worden dat - als het daadwerkelijk de bedoeling van moeder en [gedaagde 1] zou zijn geweest om Zijldijk bij de verpachting te betrekking, anders dan voorheen - deze bedoeling duidelijk(er) zou zijn vastgelegd. Ook is niet gebleken dat de maatschap vanaf december 2008 is overgegaan tot betaling van pachtsommen ter zake van Zijldijk. De door [gedaagde 1] overgelegde grootboekkaarten zijn te onbepaald om tot die conclusie te komen; een specifieke omschrijving waarop de door [gedaagde 1] bedoelde posten betrekking hebben ontbreekt namelijk, zodat zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet aangenomen kan worden dat deze op Zijldijk betrekking hebben.

5.22.

De slotsom is dat Zijldijk bij de verdeling van de nalatenschap tegen de waarde in onverpachte staat zal worden betrokken. Voor de bepaling van deze waarde acht de rechtbank, net als partijen, een deskundigenbericht noodzakelijk. Hiertoe zal de zaak naar de rol worden verwezen. Over het aantal te benoemen deskundigen zijn partijen het op voorhand niet eens geworden. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de kosten van een dergelijk onderzoek, vooralsnog met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. De rechtbank is bovendien voornemens te bepalen dat de kosten door partijen gelijkelijk moeten worden gedragen, dat wil zeggen [eiser 1] c.s. drie/vijfde deel en [gedaagde 1] c.s. twee/vijfde deel daarvan.

5.23.

Voor de peildatum van de waarde geldt de datum van de verdeling tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hier tegen verzet of partijen anders met elkaar zijn overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat zich hier zo'n uitzondering voordoet.

5.24.

Ook ten aanzien van de eventuele pachtvergoedingen vanaf december 2008, die [eiser 1] c. s . bij de verdeling wenst te betrekken, is het de vraag in hoeverre de gewone burgerlijke rechter in het kader van een verdelingsprocedure daarover kan oordelen. De Hoge Raad heeft ten aanzien van de vraag of de verdeling van aan de nalatenschap toekomende pachtsommen tot de bevoegdheid van de gewone rechter behoort geoordeeld dat, nu in dat geval de geldigheid van de pachtovereenkomst en de daaruit voortvloeiende verschuldigdheid van de pachtsommen tussen partijen vaststond, die vordering tot de competentie van de gewone rechter behoorde (Hoge Raad 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516). Daaruit kan worden afgeleid dat de verdelingsrechter alleen bevoegd is zich over de verdeling van pachtsommen uit te laten indien de verschuldigdheid van de pachtsommen op zichzelf vast staat. In het onderhavige geval zijn partijen het, voor zover het Uithuizermeeden betreft, er op zich over eens dat de precieze omvang van de pachtvergoedingen uit overgelegde schriftelijke pachtovereenkomsten kan worden opgemaakt. Voor de verdeling van de nalatenschap is het derhalve niet noodzakelijk dat de exacte omvang van deze pachtvergoedingen wordt vastgesteld.

5.25.

[eiser 1] c.s. heeft onder 7 een subsidiaire vordering ingesteld met het oog op eventuele pachtvergoedingen ter zake van Zijldijk. De rechtbank vat deze vordering op als een voorwaardelijke vordering aan de beoordeling waarvan niet wordt toegekomen, omdat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat Zijldijk is verpacht.

De overige bestanddelen van de nalatenschap

5.26.

In de overgelegde aangifte voor de erfbelasting is de samenstelling van de nalatenschap beschreven. De door partijen naar voren gebrachte geschilpunten betreffen uitsluitend het maatschapsvermogen. De rechtbank maakt hieruit op dat partijen kennelijk niet tevens het privévermogen van moeder bij deze verdelingsprocedure hebben willen betrekken, en dat zij de verdeling hiervan zelf ter hand zullen nemen.

Instructie van de zaak

5.27.

Hiervoor is overwogen dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich uit te laten over de voorgenomen deskundigenberichten. Het betreft resumerend:

a. de persoon van te benoemen deskundige voor de waardering van Uithuizermeeden (zie r.o. 5.11);

b. de persoon van de te benoemen deskundige voor de waardering van het vennootschappelijk vermogen (zie r.o. 5.13)

c. de persoon van te benoemen deskundige voor de waardering van Zijldijk (zie r.o. 5.22).

5.28.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon van de deskundige, zoals bedoeld in r.o. 5.27 sub a tot en met c. Dit kunnen verschillende personen zijn. Voor zover partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de persoon van de deskundige - en zij om die reden ieder een deskundige voorstellen - dienen partijen gemotiveerd aan te geven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking zou moeten komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid ten opzichte van één of meer van de partijen. Dergelijke zwaarwegende redenen dienen onderbouwd te worden gesteld, bij gebreke waarvan de rechtbank aan bezwaren voorbij zal kunnen gaan. Na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, zal de rechtbank vervolgens een door partijen aangedragen deskundige of een zelf gekozen deskundige benoemen.

5.29.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. In het bijzonder zal de rechtbank thans nog niet beslissen op het beroep van [gedaagde 1] op uitgestelde betaling ex artikel 4:5 BW, nu een en ander mede afhangt van de uitkomst van de deskundigenberichten. De rechtbank zal om diezelfde reden ook nog niet een (bindende) beslissing nemen over de wijze van verdeling van Zijldijk. Indien toedeling van zowel Uithuizermeeden als Zijldijk aan [gedaagde 1] niet of moeilijk financierbaar zal blijken te zijn, zoals uit zijn stellingen mogelijk valt op te maken, zullen wellicht andere wijzen van verdeling ter zake van Zijldijk in ogenschouw moeten worden genomen. Hierbij valt niet alleen te denken aan de door [eiser 1] c.s. gewenste opsplitsing en toedeling van Zijldijk, maar ook aan de (niet door partijen genoemde) mogelijkheid om Zijldijk als geheel aan derden te verkopen. Partijen zullen in de gelegenheid zijn om zich na afloop van de deskundigenberichten nader uit te laten, onder meer hierover.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

6.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 april 2019 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder r.o. 5.27, waarna partijen desgewenst op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kunnen nemen;

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.1

1 type: 750 coll: