Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:890

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
18/830118-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het plegen van ontucht met een persoon beneden de 16 jaar en het voorhanden hebben van wapens.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 245
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830118-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 mei 2016 te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis en/of

vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] ;

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, (een) wapen(s) van:

- categorie I, onder 3, te weten een (aantal) geluiddemper(s) en/of een ploertendoder en/of

- categorie I, onder 4, te weten een geheim blank wapen voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 28 februari 2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, (een) wapen(s) van categorie III, onder 1, te weten een (aantal) start- en/of alarmpisto(o)l(en) en/of munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid (knal)patronen, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gevorderd. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ‘geheime blanke wapen’ heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit pagina 20 tot en met 22 van het dossier beslag, proces-verbaalnummer 2016136273, voldoende blijkt dat het wapen een geheim blank wapen betreft.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat dit feit deels kan worden bewezen. De raadsvrouw is van mening dat ten aanzien van de wapens die op de pagina’s 21 e.v. en 25 e.v. van het dossier beslag worden beschreven, onvoldoende blijkt dat dit een geheim blank wapen en een ploertendoder betreffen.

De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een geheim blank wapen niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de foto, met daarop het wapen, op pagina 20 en de daarbij behorende uitdraai uit het kennissysteem Wet Wapens en Munitie van Politie Noord-Nederland op pagina 21 e.v., opgenomen in het dossier beslag, uit het proces-verbaal met nummer 2016136273 d.d. 21 maart 2017, onvoldoende duidelijk blijkt dat dit wapen een geheim blank wapen is, zoals vermeld in artikel 2, lid 1, aanhef en onder 4e van de Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank past ten aanzien van het overige onder 2 tenlastegelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 februari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik had geluidsdempers voor die gaspistolen. Ik had een klein verzamelingetje wapens;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 februari 2017, opgenomen op pagina 243 e.v. van het dossier met nummer 2016136273 d.d. 21 maart 2017, inhoudende de verklaring van [verdachte] :

Ik heb een uitschuifbare knuppel liggen. Deze schuif je in en uit. Ik weet dat de politie ze ook gebruikt. Het is van ijzer materiaal en de kleur zwart;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 maart 2017, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier beslag, behorend bij het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016136273 d.d. 21 maart 2017, inhoudende de rapportage van verbalisant:

Op 28 februari 2017 is onder [verdachte] , vanuit zijn woning aan de [straatnaam] te [pleegplaats] , een zwarte ploertendoder en geluidsdempers in beslag genomen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsvrouw heeft bepleit dat uit de bewijsmiddelen omtrent het beslag niet duidelijk blijkt dat zich een ploertendoder bevond onder de wapens die bij verdachte zijn aangetroffen. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat op basis van de kennisgeving van inbeslagneming op pagina 8 e.v. van het dossier beslag, behorend bij het proces-verbaal met nummer 2016136273, waarin de verbalisant het wapen onder volgnummer 5 categoriseert als ‘ploertendoder’ en de bijbehorende foto van dit wapen op pagina 23 en 24, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een ploertendoder voorhanden heeft gehad.

Daarnaast acht de rechtbank op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geluiddempers voorhanden had.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2016, opgenomen op pagina 111 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016136273 d.d. 21 maart 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 maart 2017, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier beslag, behorend bij het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016136273 d.d. 21 maart 2017, inhoudende de rapportage van verbalisant.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek vuurwapen en munitie d.d. 21 augustus 2017, proces-verbaalnummer PL0100-2016136273-32, behorend bij voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde acht de rechtbank op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van verregaande ontucht met het slachtoffer die op dat moment jonger dan 16 jaar was. Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte een pistool met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 mei 2016 te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis en vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] ;

2.

hij op 28 februari 2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, wapens van

categorie I, onder 3, te weten geluiddempers en een ploertendoder voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 28 februari 2017 te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, een wapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool en munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid (knal)patronen, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand die de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

2. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft aangevoerd geen taakstraf te eisen nu sprake is geweest van schending van de lichamelijke integriteit van een jong meisje en de reclassering blijkens haar rapportage van 30 januari 2018 moeilijkheden voorziet bij oplegging van een taakstraf. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte niet wilde meewerken aan een PJ-rapportage. Tot slot is in de strafeis meegenomen dat verdachte niet het slachtoffer heeft benaderd, maar dat het initiatief om in verdachtes gezelschap te verblijven van de zijde van het slachtoffer kwam.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest en een taakstraf. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het opleggen van een gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest bepleit dat dit, gelet op de persoon van verdachte, dramatische gevolgen zou hebben.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met een slachtoffer dat nog niet de leeftijd van 16 jaar had bereikt. Verdachtes intenties waren goed. De meisjes [slachtoffer] en [naam 1] belden ’s nachts bij verdachte aan en vroegen om hulp. Zij waren weggelopen vanuit een zorginstelling en hadden een slaapplaats nodig. Verdachte heeft hen willen helpen en hen – hoewel hij daarvoor aanvankelijk niet voelde en eerst nadat alle andere mogelijke oplossingen beproefd waren – een slaapplaats aangeboden. Hierover is overleg geweest tussen verdachte en de zus van [naam 1] , mevrouw [naam 2] , die de meisjes niet eerder dan de volgende ochtend kon halen. Het was op dat moment dus niet mogelijk dat beide meisjes elders werden opgevangen. Omdat verdachte hen niet op straat wilde zetten mochten ze in zijn woning overnachten. Op enig moment vond er een – niet door verdachte gezocht – treffen plaats tussen verdachte en het slachtoffer. Zij waren beiden in ondergoed gekleed. Op dat moment had verdachte zijn impulsen op seksueel gebied – gezien de jonge leeftijd van het slachtoffer en het grote leeftijdsverschil – onder controle moeten houden. Dit heeft verdachte niet gedaan. Verdachte heeft hiermee de lichamelijke integriteit van dit – gezien de persoonlijke problematiek en de jonge leeftijd – kwetsbare slachtoffer geschonden. Dergelijke feiten doorkruisen een normale seksuele ontwikkeling en kunnen voor minderjarigen ernstige gevolgen hebben die zij nog lange tijd met zich meedragen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie, geluidsdempers en een ploertendoder. Verdachte heeft met het aanwezig hebben van deze voorwerpen in zijn woning een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen – dat het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie met zich brengt – veroorzaakt.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de parlementaire geschiedenis van dit artikel bij haar beoordeling betrokken, nu de onderhavige zaak een misdrijf betreft waarop een gevangenisstraf van 6 jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bij de toepassing van dit artikel en het daarin neergelegde taakstrafverbod uitdrukkelijk over de ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit. De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval van een ernstige inbreuk kan worden gesproken, nu sprake is geweest van geslachtsgemeenschap met een kwetsbaar en jong slachtoffer. Om die reden acht de rechtbank artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is geëist, geen langdurige gevangenisstraf aan verdachte opleggen. De persoonlijke omstandigheden van verdachte en hetgeen door de zus van verdachte, [naam 3], ter terechtzitting van 23 februari 2018 over de verdachte naar voren is gebracht, maken dat dit geen passende straf is. Gezien de bijzondere omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden, en de persoon van verdachte, ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, evenmin aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank legt, gelet op de toepasselijkheid van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op die gelijk is aan de duur van het voorarrest, te weten 1 dag. Om de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking te brengen zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een forse taakstraf van 240 uren opleggen. Hoewel de reclassering van VNN in haar reclasseringsrapport van 30 januari 2018 heeft aangegeven dat er gezien de problematiek van verdachte mogelijk moeilijkheden zullen ontstaan bij het uitvoeren van een taakstraf, is de rechtbank, mede gelet op het ontstane beeld van verdachte ter terechtzitting van 23 februari 2018, van oordeel dat verdachte de taakstraf naar behoren zou kunnen uitvoeren in een op hem afgestemde setting.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering benadeelde partij toe te wijzen, maar wel te matigen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 7 april 2015 die als bijlage 2 bij de vordering is opgenomen – en op basis waarvan de immateriële schade is bepaald – onvoldoende gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen eventuele psychische schade bij het slachtoffer en het incident. Naar aanleiding van het incident is er geen rapport over de psychische gesteldheid van het slachtoffer en de gevolgen van het incident voor haar opgesteld, terwijl uit de vele – tot het dossier behorende – rapportages blijkt dat er bij het slachtoffer al langer sprake is van persoonlijke problematiek, ook op seksueel gebied.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de problematiek van het slachtoffer te gecompliceerd om te kunnen vaststellen of er een causaal verband bestaat tussen de psychische gesteldheid van het slachtoffer en het bewezenverklaarde. Het zou een te zware belasting voor het strafgeding vormen om dit nader uit te zoeken. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen en 22b, 22c, 22d, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. A. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2018.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.