Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:869

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
6591108 AR VERZ 18-4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ: ontbinding ogv art. 7:66 a lid 3 e BW, ernstig verwijtbaar handelen werknemer wegens schending reïntergratieverplichtingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer.: 6591108 AR VERZ 18-4

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 14 maart 2018

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. F.M. Westra,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerder] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan, ingekomen ter griffie op 18 januari 2018, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.

1.2.

De rechtbank heeft [verweerder] bij brief van 19 januari 2018 meegedeeld dat het verzoekschrift zal worden behandeld ter zitting op 15 februari 2018 om 09:15 uur. De gemachtigde van [verzoeker] heeft een afschrift van deze oproepingsbrief alsmede een afschrift van het verzoekschrift op 25 januari 2018 per deurwaardersexploot betekend aan [verweerder] .

1.3.

Op 21 juni 2017 heeft de zitting plaatsgevonden. [verweerder] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen [verzoeker] ter toelichting van zijn standpunt naar voren heeft gebracht.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren 23 oktober 1968, is op 1 september 2006 in dienst getreden bij [verzoeker] . De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van 1e monteur/autotechnicus en APK Keurmeester, met een salaris van € 2.125,47 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

2.2.

[verweerder] is op 11 oktober 2017 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk.

2.3.

Op 3 november 2017 is [verweerder] door de bedrijfsarts gezien. In zijn hiervan opgemaakte verslag heeft de bedrijfsarts aangegeven dat [verweerder] beperkingen heeft aan zijn linkerbeen waarvoor hij adequaat wordt behandeld. Ten aanzien van dit medische probleem heeft de bedrijfsarts de verwachting uitgesproken dat [verweerder] zijn werk over drie à vier weken zal kunnen hervatten. Daarnaast heeft de bedrijfsarts aangegeven dat sprake is van een arbeidsconflict. Hij adviseert ter zake dat [verzoeker] en [verweerder] (opnieuw) met elkaar in gesprek gaan, al dan niet in het bijzijn van een derde die het vertrouwen van beide partijen geniet of een mediator.

2.4.

In een brief aan [verweerder] van 6 december 2017 heeft [verzoeker] laten weten dat hij graag conform het advies van de bedrijfsarts met [verweerder] in gesprek wil in het bijzijn van een mediator, maar dat [verweerder] (telefonisch) onbereikbaar is en ook niet reageert op

voicemailberichten, e-mailberichten en een brief van de Arbodienst. [verzoeker] heeft [verweerder] verzocht vóór 8 december 2017 contact op te nemen met de Arbodienst in de persoon van casemanager I. Pipping (hierna: Pipping) en hem gewaarschuwd dat zijn loon zal worden opgeschort als hij aan dit verzoek geen gehoor geeft. [verweerder] heeft geen contact opgenomen met Pipping.

2.5.

Bij brief van 12 december 2017 heeft [verzoeker] het loon van [verweerder] met ingang van 9 december 2017 opgeschort. Daarnaast is [verweerder] onder meer (opnieuw) verzocht contact op te nemen met de Arbodienst voor het inplannen van een gesprek met de mediator. In die brief heeft [verzoeker] tevens aangekondigd dat, wanneer [verweerder] hieraan geen gehoor geeft, zijn loonbetaling wordt stopgezet en de kantonrechter zal worden verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [verweerder] heeft geen contact opgenomen.

2.6.

Op 14 december 2017 heeft arbeidsdeskundige F. de Roo een verslag bemiddelings/adviesgesprek opgesteld. Daarin staat, voor zover hier van belang:

Op 7 december 2017 heb ik telefonisch een afspraak met de werkgever gemaakt voor een bemiddelings/adviesgesprek (gesprek in bijzijn van een derde). Dit gesprek zou op 13-12-2107 plaatsvinden.

Ik heb verschillende keren betrokkene proberen te bellen om deze afspraak ook met hem te kunnen maken. Omdat dit telefonisch niet lukte, ook na het inspreken van een voicemail niet, heb ik op 9 en 11-12-2017 een mail naar betrokkene verstuurd [Mailadres] met het verzoek om mij te bellen.

Op 11-12-2017 kreeg ik de hierna gekopieerde mail van betrokkene terug:

(…)

beste frans, ik heb geen behoefte aan een gesprek en neem de gevolgen voor lief…ga zoizo niet meer werken bij [verzoeker] , groet [verweerder]

2.7.

Bij brief van 20 december 2017 heeft [verzoeker] het loon van [verweerder] met ingang van 18 december 2017 stopgezet.

2.8.

Op 21 december 2017 is [verweerder] zonder afmelding niet verschenen op het spreekuur bij de bedrijfsarts.

2.9.

Op 27 december 2017 heeft [verzoeker] een deskundigenoordeel bij UWV aangevraagd over de re-integratie-inspanningen van [verweerder] . In zijn rapport van 10 januari 2018 heeft de arbeidsdeskundige van UWV aangegeven dat hij geen deskundigenoordeel kan geven, omdat hij geen contact heeft kunnen krijgen met [verweerder] .

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer), subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW (een verstoorde arbeidsverhouding) en daarbij geen rekening te houden met de opzegtermijn. Tevens verzoekt [verzoeker] een verklaring voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op de transitievergoeding en veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

3.2.

Aan haar primaire verzoek heeft [verzoeker] - samengevat - ten grondslag gelegd dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoeker] naar voren gebracht dat [verweerder] zijn re-integratieverplichtingen zonder deugdelijke grond en ondanks diverse schriftelijke aanmaningen en loonmaatregelen, niet is nagekomen. Gelet op dit (ernstige) verwijtbare gedrag kan volgens [verzoeker] niet van hem gevergd worden om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten.

3.3.

[verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend en is, ondanks daartoe onder meer bij exploot te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Er is dus geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] .

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld per welke datum er een einde komt aan de arbeidsovereenkomst. Daarnaast moet worden beoordeeld of [verweerder] aanspraak kan maken op een transitievergoeding. De kantonrechter overweegt als volgt.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:671b lid 2 BW, gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 1 BW, volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is, herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt en er geen opzegverboden gelden. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek om ontbinding primair is gegrond op artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW. [verzoeker] verwijt [verweerder] - kort gezegd - dat hij zonder deugdelijke grond zijn re-integratieverplichtingen niet heeft nageleefd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 5 BW wijst de kantonrechter een verzoek op die grondslag af als (a.) de werkgever niet eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van zijn re-integratieverplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt en daarnaast als de werkgever (b.) niet beschikt over een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW, tenzij het overleggen van deze verklaring in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. Het betreft hier cumulatieve vereisten.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is aan deze voorwaarden voldaan. Uit het hiervoor weergegeven feitenrelaas volgt dat [verzoeker] [verweerder] meerdere malen heeft gemaand tot nakoming van zijn re-integratieverplichtingen en tot twee maal toe een loonsanctie heeft toegepast (eerst: opschorting, vervolgens: stopzetting). Voorts beschikt [verweerder] weliswaar niet over een deskundigenverklaring, maar de oorzaak hiervan is gelegen in de omstandigheid dat de deskundige er, ondanks diverse pogingen daartoe, niet in is geslaagd contact te krijgen met [verweerder] en [verweerder] evenmin heeft gereageerd op verzoeken van UWV om contact op te nemen. [verzoeker] is dus door toedoen van [verweerder] niet in staat een deskundigenverklaring te overleggen. Gelet hierop kan in dit geval in redelijkheid niet van [verzoeker] gevergd worden een dergelijke verklaring te overleggen.

4.5.

De kantonrechter stelt voorts vast dat uit het hiervoor weergegeven feitenrelaas in voldoende mate valt af te leiden dat [verweerder] zijn - uit de wet voortvloeiende -

re-integratieverplichtingen bij herhaling niet is nagekomen. Meer in het bijzonder is [verweerder] vanaf zijn ziekmelding onbereikbaar geweest voor [verzoeker] en vanaf 3 november 2017 ook voor de Arbodienst. Hij heeft veelvuldig geen opvolging gegeven aan oproepen om contact op te nemen. [verzoeker] heeft [verweerder] daar meerdere waarschuwingen voor gegeven en loonmaatregelen genomen, maar dat heeft echter geen bijstelling in het gedrag van [verweerder] bewerkstelligd. Ook het dreigen met ontslag heeft geen effect gehad. Voorts is de kantonrechter niet gebleken dat [verweerder] een deugdelijke reden had om niet mee te werken aan zijn re-integratie. Gelet hierop acht de kantonrechter zijn gedrag zodanig laakbaar dat dit te kwalificeren is als ernstig verwijtbaar.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW. Daaruit vloeit ingevolge het slot van lid 1 van dat artikel voort dat herplaatsing van [verweerder] niet in de rede ligt.

4.7.

Ook volgt uit het voorgaande dat het opzegverbod tijdens ziekte niet in de weg staat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit opzegverbod is ingevolge artikel 7:670a lid 1 BW niet van toepassing indien de werknemer zonder deugdelijke grond de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW, weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt. Zoals hiervoor is overwogen, doet deze situatie zich hier voor.

4.8.

[verzoeker] heeft verzocht om bij ontbinding geen rekening te houden met de opzegtermijn. Hiervoor is geoordeeld dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Dat betekent dat ingevolge artikel 7:671b lid 8, onderdeel b, BW een eerdere datum voor de ontbinding bepaald kan worden dan in onderdeel a van dat artikellid is voorgeschreven. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om van die mogelijkheid gebruik te maken en bepaalt de datum van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen op heden.

4.9.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang 14 maart 2018.

4.10.

Omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] is op grond van artikel 7:673 lid 7, sub c BW geen transitievergoeding verschuldigd. De door [verzoeker] gevraagde verklaring voor recht dat hij geen transitievergoeding aan [verweerder] is verschuldigd, zal dan ook worden verleend.

4.11.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft [verzoeker] geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

4.12.

[verweerder] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden vastgesteld op € 79,00 aan griffierecht en € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 14 maart 2018;

5.2.

verklaart voor recht dat [verzoeker] aan [verweerder] in het kader van voornoemde ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen transitievergoeding op grond van

artikel 7:673 lid 1 BW verschuldigd is;

5.3.

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de [verzoeker] vastgesteld op € 679,00;

5.4.

verklaart deze beschikking voor wat betreft het onder 5.3. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018 door

mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 413