Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:822

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
C/18/177110 / HA RK 17-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Verkeersongeval. Fietser is overreden door een tractorcombinatie met als gevolg een dwarslaesie. Hoogte smartengeld in vergelijking tot uitgekeerd smartengeld in het buitenland. Verzekeraar bood (uiteindelijk) € 150.000,00. Verzoek om een hoger bedrag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2018/58
VR 2018/135
NTHR 2018, afl. 3, p. 182
PS-Updates.nl 2018-0215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/177110 / HA RK 17-165

Beschikking in het kader van de deelgeschilprocedure ex artikel 1019w lid 1 Rv van 18 januari 2018

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. J.G. Keizer te Amersfoort,

tegen

naamloze vennootschap

UNIVÉ SCHADE N.V.,

gevestigd te Assen,

verweerster,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en Univé worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 30 november 2017, waarbij mr. Keizer het standpunt van [verzoekster] heeft toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1949, is op 17 mei 2012 als racefietsster betrokken geraakt bij een ernstig verkeersongeval op de Onderdendamsterweg te Warffum. Zij nam deel aan de Noorderrondrit en reed in een groep met fietsers. [verzoekster] moest uitwijken voor een tegemoetkomende tractorcombinatie (tractor met hooischudder), waardoor zij ten val is gekomen. Vervolgens is de tractorcombinatie over haar lichaam gereden. De bestuurder van de tractorcombinatie is doorgereden.

2.2.

[verzoekster] is ter plekke door het traumateam van het UMCG geïntubeerd en vervolgens is ze per ambulance naar het UMCG vervoerd. In het UMCG is - kortgezegd - het volgende letsel vastgesteld: gebroken wervels met een dwarslaesie ter hoogte van de vierde borstwervel (Th4), gebroken ribben, gebroken borstbeen, gebroken schouderblad (links), gebroken sleutelbeen (links), gebroken middenhandsbeentje (links) en een klaplong (links). [verzoekster] heeft de eerste dagen op de Intensive Care doorgebracht. Op 24 mei 2012 zijn haar halswervels door middel van een staaf aan elkaar gezet en is de breuk in haar linkerhand in de goede stand gezet.

2.3.

[verzoekster] is op 4 juni 2012 overgebracht naar het revalidatiecentrum Beatrixoord te [woonplaats]. Zij was in die periode bij het verrichten van de dagelijkse activiteiten volledig afhankelijk van hulp van derden. Op 30 november 2012 is ze uit Beatrixoord ontslagen. Tot eind januari 2013 maakte [verzoekster] gebruik van poliklinische revalidatie. Op 7 maart 2013 is het fixatiemateriaal uit de ruggenwervels van [verzoekster] verwijderd.

2.4.

Er is sprake van 91% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. [verzoekster] beweegt zich voort in een rolstoel. De woning van [verzoekster] is aangepast en gedeeltelijk rolstoelvriendelijk gemaakt. [verzoekster] heeft een aangepaste auto, waarmee zij zich zelfstandig kan verplaatsen. Met betrekking tot de situatie van [verzoekster] na het ongeval verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 3.5.

2.5.

Univé heeft als WAM-verzekeraar van de bezitter/houder van de tractorcombinatie de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De bestuurder van de tractorcombinatie is niet strafrechtelijk vervolgd.

2.6.

De afwikkeling van de materiële schade verloopt zonder problemen.

2.7.

Ter zake de immateriële schade heeft Univé een bedrag van € 135.000,- aan [verzoekster] uitgekeerd. Na indiening van het verzoekschrift door [verzoekster] in deze deelgeschilprocedure heeft Univé een aanvullende betaling op het smartengeld gedaan, in die zin dat aan smartengeld door Univé nu € 150.000,- is betaald, exclusief wettelijke rente.

3 Het standpunt van [verzoekster]

3.1.

[verzoekster] verzoekt:

I. Tussen partijen voor recht te verklaren dat Univé gehouden is om ter vergoeding

van de door [verzoekster] geleden en te lijden immateriële schade een bedrag van € 200.000,- aan

[verzoekster] te voldoen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

alsmede

II. De kosten van [verzoekster] van deze procedure te begroten op een bedrag van

€ 7.618,64 en Univé te veroordelen die begrote kosten aan [verzoekster] te vergoeden.

3.2.

Immateriële schade kent, aldus [verzoekster], twee functies: genoegdoening en compensatie van het onrecht en het geleden nadeel. [verzoekster] acht het rijgedrag van de bestuurder van de tractorcombinatie bijzonder gevaarzettend en kwalijk. Als hij zijn snelheid en positie aan de verkeersomstandigheden zou hebben aangepast, zou het ongeval nooit hebben plaatsgevonden. De vergoeding van smartengeld gaat gepaard met erkenning, verontschuldiging en genoegdoening die door het aangeboden bedrag tot uitdrukking komen. De genoegdoening ziet ook op het lijden van haar echtgenoot, haar kinderen en haar kleinkinderen. [verzoekster] meent dat die erkenning (nog) onvoldoende terugkomt in het bedrag dat door Univé is aangeboden.

3.3.

[verzoekster] is van mening dat de specifieke omstandigheden van haar zaak - de aard en de omvang van het letsel, de mate van verwijtbaarheid en de economische omstandigheden - rechtvaardigen dat de door haar geleden en te lijden immateriële schade op € 200.000,- wordt gewaardeerd. [verzoekster] voert daartoe aan dat de door Univé gehanteerde maatstaf geen recht doet aan haar situatie, dat de Nederlandse vergoedingen voor immateriële schade (ruim) achterblijven bij de Europese ontwikkelingen en geldontwaarding en dat het aangeboden bedrag geen geëigende compensatie biedt voor het haar aangedane leed.

3.4.

[verzoekster] schetst haar situatie vóór het ongeval - samengevat weergegeven - als volgt. Zij was ten tijde van het ongeval kerngezond. Ze was een zeer actieve vrouw die zich bezig hield met klussen in en rondom het huis, tuinieren, (berg)wandelen, fietsen, schaatsen, schilderen, koken, lezen en bridgen. Samen met haar echtgenoot ging ze graag op reis, zowel binnen als buiten Europa. [verzoekster] heeft scheikunde gestudeerd en was ten tijde van het ongeval al gepensioneerd. Zij gaf (op vrijwillige basis) bijlessen wis-, natuur- en scheikunde aan middelbare scholieren. De echtgenoot van [verzoekster] was ten tijde van het ongeval nog fulltime werkzaam als hoofddocent scheikunde, wiskunde en natuurkunde aan de RUG. [verzoekster] was voor het ongeval oma geworden en was minstens één keer per week bij haar kleindochter.

3.5.

Met betrekking tot de situatie na het ongeval heeft [verzoekster] - samengevat weergegeven - het volgende aangegeven. [verzoekster] is de regie over haar leven en haar zelfstandigheid kwijt. Zij zal de rest van haar leven in een rolstoel moeten doorbrengen. In de loop van de tijd zijn er toenemende problemen ontstaan voor wat betreft de mictie en defecatie en zijn de spasmen in benen en romp toegenomen. Tevens heeft [verzoekster] klachten aan beide schouders ontwikkeld. Op meerdere onderdelen van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) is - in wisselende mate - hulp noodzakelijk. Haar echtgenoot verleent haar bovengebruikelijk veel zorg en heeft vrijwel alle huishoudelijke taken van [verzoekster] overgenomen. Alleen al het dagelijkse ochtendritueel vergt meer dan twee uur. Daar komt bij het katheteriseren, dat vijfmaal per etmaal moet worden gedaan. Deze activiteiten leggen een bijzonder zware last op het leven van [verzoekster] en haar echtgenoot. [verzoekster] heeft last van terugkerende blaasontstekingen en -infecties. Door het noodgedwongen zittend bestaan is er zitproblematiek opgetreden in de vorm van toenemende verkromming ter hoogte van de bovenste borstwervel. Er is voortdurend sprake van tendomyogene pijn in de schouders en neuropatische pijn (zenuwpijn).

Na het ongeval is de echtgenoot van [verzoekster] minder gaan werken om voor [verzoekster] te kunnen zorgen. Hij heeft na het ongeval zijn werktijden aan moeten passen en hij gebruikt zijn seniorenverlofdagen voor de mantelzorg. Intiem contact tussen beiden is niet meer mogelijk. [verzoekster] en haar echtgenoot hebben de camper verkocht omdat deze niet kon worden aangepast aan het rolstoelgebruik. Ze hebben een aangepaste camper aangeschaft, maar dit betekent niet dat zij daardoor een vergelijkbare vrijheid heeft teruggekregen. Zij blijft beperkt in haar bewegingsvrijheid.

Na het ongeval heeft [verzoekster] nog drie kleinkinderen gekregen. De omgang met haar vier kleinkinderen is anders dan [verzoekster] zich altijd had voorgesteld. Stoeien met, tillen van, verzorgen van en oppassen op de kleinkinderen is zeer beperkt mogelijk. Ook dit grijpt in op de levensvreugde van [verzoekster].

3.6.

Het door de Hoge Raad ontwikkelde systeem (in Hoge Raad 8 juli 1992, NJ 1992/ 714 en Hoge Raad 17 november 2000, ECLI:NL:HR:AA8538) heeft er toe geleid, aldus [verzoekster], dat de in Nederland toegewezen smartengeldvergoedingen sinds 1992 niet meer gestegen zijn. Feitelijk is er door de geldontwaarding sprake van een achteruitgang. Het gevolg van gevalsvergelijking is dat er voornamelijk moet worden teruggegrepen op bedragen die in een (soms ver) verleden door rechters billijk werden gevonden. Daarnaast wordt niet, althans beperkt, rekening gehouden met eventueel maatschappelijk gewijzigde inzichten ten aanzien van de waardering van geld en vergoeding van leed. Het wordt tijd, aldus [verzoekster], dat bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld met de maatschappelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden. [verzoekster] verwijst ter onderbouwing van die stelling naar juridische literatuur. Op deze literatuur zal in de beoordeling hierna worden ingegaan.

3.7.

[verzoekster] gaat in haar verzoekschrift in op de gehanteerde systematiek bij de waardering van smartengeldvergoedingen in Duitsland en Engeland. Zowel de levensstandaard als de sociale voorzieningen zijn in Duitsland en Engeland vergelijkbaar met Nederland en in beide landen staat, net als in Nederland, de systematiek van gevalsvergelijking voorop bij het bepalen van de omvang van de smartengeldvergoedingen. Net als in Duitsland heeft de rechter in Engeland de opdracht om maatschappelijke ontwikkelingen in het smartengeld te verdisconteren, zodat de hoogte van de vergoeding eerlijk, rechtvaardig en redelijk blijft.

In Duitsland liggen de hoogste bedragen voor zeer ernstig letsel zoals een dwarslaesie rond € 350.000,-. In de afgelopen decennia is het maximale smartengeldbedrag in Duitsland gestaag gestegen en het einde van deze ontwikkeling is niet in zicht. [verzoekster] stelt dat zij met haar vordering voldoende rekening houdt met de (rechts)verschillen tussen Nederland en Duitsland, aangezien haar vordering lager is dan het bedrag dat haar naar alle waarschijnlijkheid naar Duits recht zou toekomen.

In Engeland worden voor een hoge dwarslaesie bedragen tussen de £ 271,430 en £ 337,000 toegewezen (€ 350.000,- tot € 450.000,-). Ook in Engeland zijn de smartengeldbedragen in de afgelopen decennia sterker gestegen dan de correctie voor de geldontwaarding.

3.8.

Tot slot heeft [verzoekster] gewezen op recente ontwikkelingen in de Nederlands rechtspraak, waaruit blijkt dat de feitenrechters bereid zijn om de smartengeldbedragen te verhogen. Zij verwijst naar de volgende vonnissen en arresten:

gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:181);

rechtbank Oost-Brabant 14 juli 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:4093);

gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 augustus 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6223); rechtbank Noord-Holland 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:9243);

rechtbank Overijssel 14 december 2014 (ECLI:NL:RBOVE:2014:7070);

rechtbank Overijssel 23 februari 2015 (ECLI:NL:RBOVE:2015:944);

gerechtshof Den Haag 4 maart 2014 (ECLI:GHDHA:2014:621) en

rechtbank Gelderland 11 november 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:6968).

Voorts heeft [verzoekster] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gewezen op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:2139). Tot slot wijst [verzoekster] op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 september 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:5346), waarbij de rechtbank de mate van activiteit van het betreffende slachtoffer veel sterker mee woog dan haar betrekkelijk hoge leeftijd (76). Ook [verzoekster] was op alle fronten van het maatschappelijk en sociale leven nog volop actief en erg sportief.

3.9.

Met betrekking tot de door Univé gemaakte vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:9243) merkt [verzoekster] op dat in die zaak het gevorderde bedrag € 130.000,- betrof, welk bedrag door de rechtbank is toegewezen. Het is volgens [verzoekster] niet uit te sluiten dat de rechter een hoger bedrag zou hebben toegewezen indien dit gevorderd was. De overige door Univé aangehaalde uitspraken zijn vijftien tot twintig jaar oud en geven dus geen goed referentiekader voor de waardering van smartengeld anno 2017. Bij de geïndexeerde bedragen wordt geen rekening gehouden met de gewijzigde maatschappelijke opvattingen over de waarde van geld.

4 Het standpunt van Univé

4.1.

Univé heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] en de door

haar geleden en te lijden immateriële schade te begroten op het reeds door Univé betaalde

bedrag van € 150.000,-, kosten rechtens.

4.2.

Omdat het smartengeld naar billijkheid wordt bepaald, heeft de (feiten)rechter een behoorlijke vrijheid bij het bepalen van de omvang van het smartengeld en kan met alle omstandigheden van het geval rekening worden gehouden, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard, duur en intensiteit van het letsel, het verdriet en de gederfde levensvreugde die het gevolg zijn van de betrokken gebeurtenis. Wel heeft de Hoge Raad een aantal belangrijke stelregels geformuleerd. Een rechter dient te letten op bedragen (daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen) die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, overigens met inachtneming van de sinds deze uitspraken opgetreden geldontwaarding (Hoge Raad 8 juli 1992, NJ 1992/74, Hoge Raad 17 november 2000, NJ 2001/215 en Hoge Raad 20 september 2002, NJ 2004/112).

4.3.

Volgens Univé is de Smartengeldgids 2017 relevant omdat daarin vergelijkbare zaken zijn opgenomen die aldus inzicht geven in de bepaling van de omvang van het smartengeld in rechte. Prof mr. S.D. Lindenbergh geeft in zijn inleiding op de Smartengeldgids 2017 ook aan dat in de praktijk de Smartengeldgids een onmisbare rol bij de vaststelling van het smartengeld vervult, omdat de gids inzicht biedt in de keuzes die door rechters in eerdere gevallen zijn gemaakt. Er zijn niet veel vergelijkbare gevallen gepubliceerd. Univé verwijst (daarom) naar een aantal (oudere) uitspraken uit de Smartengeldgids 2017 (nrs. 373, 377, 380 en 383) waarbij sprake was van een hoge dwarslaesie met vergelijkbare beperkingen als waarvan sprake is bij [verzoekster]. Daarbij zijn (geïndexeerd) bedragen toegewezen van € 92.956,- tot € 133.049,-. Wel ging het daarbij om slachtoffers in de leeftijd van 18 tot 35 jaar.

4.4.

Met betrekking tot de omstandigheden van [verzoekster] voert Univé aan dat de beperkingen van [verzoekster] vergelijkbaar zijn met beperkingen die andere personen hebben die te kampen hebben met een dwarslaesie. Toen [verzoekster] het ongeval overkwam was zij 62 jaar oud. De duur van het leed is daarmee relatief beperkt in die zin dat [verzoekster] met de gevolgen van de dwarslaesie korter behoeft te leven dan indien haar het ongeval zou zijn overkomen op een veel jongere leeftijd. [verzoekster] werkte niet meer ten tijde van het ongeval en is dus niet haar arbeidzaam leven kwijt geraakt.

Ter vergelijking wijst Univé op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:9243) waarbij de rechtbank oordeelde dat een immateriële schadevergoeding van € 130.000,- aan een slachtoffer met een hoge dwarslaesie als gevolg van schot- en steekverwondingen billijk was. Dit slachtoffer was aanzienlijk jonger dan [verzoekster] op het moment dat hem het letsel werd toegebracht (in het algemeen is het toegekende smartengeld hoger naarmate de leeftijd van de benadeelde lager is) en hij moest zijn werkzaamheden als zelfstandige in het stukadoorsbedrijf staken. Voor het overige kan aan de wijze waarop het betrokken slachtoffer zijn leven inrichtte in vergelijking met de wijze waarop [verzoekster] dat voor het ongeval deed, geen hogere of lagere waarde worden toegekend, aldus Univé. Het betrokken slachtoffer had met duidelijk meer letsel te maken dan [verzoekster]. Daar komt bij dat de aard van de aansprakelijkheid in de zaak van [verzoekster] (verkeersongeval) niet een verhoging van smartengeld rechtvaardigt indien deze wordt afgezet tegen de aard van de aansprakelijkheid in voornoemde zaak (schot- en steekverwondingen).

4.5.

De bespreking van [verzoekster] van het smartengeldniveau in Duitsland en Engeland heeft voor de beoordeling van de omvang van het smartengeld waarop zij recht heeft volgens Univé slechts zeer beperkte waarde. De rechter mag volgens de Hoge Raad op zich zelf inspiratie opdoen uit ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot toegewezen bedragen, maar de Hoge Raad heeft ook bepaald dat die ontwikkelingen niet beslissend kunnen zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen (Hoge Raad 17 november 2000, NJ 2001/215).

4.6.

Volgens Univé vraagt [verzoekster] om een buitenproportionele smartengeldvergoeding die niet past in het huidige stelsel en die niet past bij de huidige stand van zaken in de jurisprudentie. Leed is (uiteindelijk) niet te compenseren met geld. Univé is van mening dat zij met de betaling van het bedrag van € 150.000,- aan smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente, ruimhartig is geweest en [verzoekster] ruimschoots heeft gecompenseerd, ook indien rekening wordt gehouden met een verhoging van het smartengeldniveau in verband met de maatschappelijke ontwikkelingen.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek van [verzoekster] over de hoogte van de smartengeldvergoeding zich leent voor de deelgeschilprocedure.

5.2.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het in deze procedure gaat om de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek). Bij deze begroting houdt de rechtbank rekening met alle omstandigheden, waaronder enerzijds de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds de aard en de ernst van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde. Zij houdt bij deze begroting ook rekening met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde, de aard van de aan de aansprakelijke partij verweten gedraging (mate van verwijtbaarheid) en de economische omstandigheden van beide partijen en let daarbij tevens op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.

5.3.

Het toekennen van smartengeld heeft een compensatiefunctie. Vergoeding van smartengeld is de enige manier om het slachtoffer, aan wie men niet rechtstreeks verloren vreugde kan verschaffen, compensatie te bieden voor het leed dat het slachtoffer (dagelijks) ondervindt. Als gevolg van het ongeval heeft [verzoekster] een lang en ingrijpend herstelproces moeten doormaken en kampt zij met de ernstige beperkingen die de dwarslaesie met zich brengt. De gevolgen van het ongeval hebben grote impact op de wijze waarop zij haar dagelijks leven invulde en invult. Zij haalde veel levensgeluk uit haar sociale en sportieve activiteiten. Nu wordt haar dagelijks leven beheerst door haar beperkingen en is zij de regie over haar leven kwijt. [verzoekster] heeft deze gevolgen, zoals hiervoor samengevat weergegeven, uitvoerig beschreven. De gevolgen zijn blijvend en zeer ingrijpend. Hiervoor moet [verzoekster] worden gecompenseerd.

5.4.

Daarnaast heeft het smartengeld de functie van genoegdoening. De aard van de aansprakelijkheid betreft de aansprakelijkheid van de bestuurder van de tractorcombinatie voor de gevolgen van een verkeersongeval. [verzoekster] heeft betoogd dat het rijgedrag van de bestuurder van de tractorcombinatie bijzonder gevaarzettend en kwalijk was - mede gelet op de voor de bestuurder zichtbare aanwezigheid van de fietsers die deelnamen aan de Noorderrondrit - maar concrete informatie over de wijze waarop het ongeval heeft plaatsgevonden ontbreekt. Wel heeft [verzoekster] onweersproken aangevoerd dat de tractorcombinatie hen met (te) hoge snelheid naderde. Daar staat tegenover dat de tractorbestuurder niet strafrechtelijk is vervolgd en dat er - anders dan in andere door [verzoekster] aangehaalde zaken waarin rechters een uitspraak hebben gedaan over het smartengeld - geen opzet in het spel is geweest. De tractorbestuurder is volgens Univé doorgereden omdat hij het ongeval niet had bemerkt. De genoegdoeningsfunctie van het smartengeld is hier naar het oordeel van de rechtbank als gevolg daarvan minder pregnant aanwezig dan de compensatiefunctie.

5.5.

Univé heeft als vergelijkbare gevallen verwezen naar de nummers 373, 377, 380 en 383 van de Smartengeldgids 2017, waarbij sprake was van een hoge dwarslaesie met vergelijkbare beperkingen als die waarmee [verzoekster] kampt. Daarbij zijn (geïndexeerd) bedragen toegewezen van € 92.956,- tot € 133.049,-. Nu de rechtbank volgens de Hoge Raad dient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend zal de rechtbank deze bedragen tot uitgangspunt nemen. Voorts acht de rechtbank vergelijkbaar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:9243), waarbij de rechtbank bepaalde dat een vergoeding voor immateriële schade van € 130.000,- aan een slachtoffer met een hoge dwarslaesie billijk was. In die zaak betrof het een stukadoor met als gevolg van schot- en steekverwondingen een gebroken rib en heiligbeen, een verbrijzeld been, verschillende verbrijzelde wervels, een dwarslaesie motorisch op het niveau C6, een dwarslaesie sensorisch op het niveau C8, een gescheurde lever, een verwijderde galblaas, een verwijderde rechternier, een verwijdering van de twaalfvingerige darm, een stoma, en de aanwezigheid van een pacemaker. Dit slachtoffer was aanzienlijk jonger dan [verzoekster] op het moment dat hem het letsel werd toegebracht en hij moest zijn werkzaamheden als zelfstandige in het stukadoorsbedrijf staken. De oorzaak van het letsel waren opzettelijk en van dichtbij toegebrachte schot- en steekwonden. Voor het overige kan aan de wijze waarop het betrokken slachtoffer zijn leven inrichtte, zo heeft Univé onweersproken aangevoerd, in vergelijking met de wijze waarop [verzoekster] dat voor het ongeval deed, geen hogere of lagere waarde worden toegekend. [verzoekster] moet worden nagegeven dat in die zaak geen hoger bedrag aan smartengeld was gevorderd, maar zulks laat onverlet dat het bedrag van € 130.000,- door de rechtbank Noord-Holland billijk werd gevonden.

5.6.

Een hoger bedrag aan smartengeld is onder meer toegekend door de rechtbank Gelderland (11 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6968). In deze zaak werd een bedrag van € 200.000,- toegekend aan een slachtoffer dat zeer ernstige brandwonden opliep na een aanval op zijn woning met een molotovcocktail. In deze zaak ging het om een opzetdelict waarbij er, aldus de rechtbank Gelderland, (strafrechtelijk gezien) sprake was van voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer. In die zin is deze uitspraak minder goed vergelijkbaar met het ongeval van [verzoekster], omdat geen sprake is van opzet door de tractorbestuurder.
De rechtbank Rotterdam wees op 21 maart 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:2139) € 200.000,- aan smartengeld toe aan een vrouw van 50 jaar. Daarbij ging het om ernstig verwijtbaar medisch handelen waardoor de aanvankelijke reële kans op overleving van het slachtoffer verloren was gegaan. Het medisch handelen had geresulteerd in een lijdensweg van dertien maanden waarin het slachtoffer werd geconfronteerd met veel pijn en angst, vermindering van haar waardigheid, zorgen om haar kinderen en verdriet om het afscheid dat zij van haar kinderen moest nemen totdat zij uiteindelijk op de relatief jonge leeftijd van 50 jaar overleed. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid en het letsel in deze zaak ziet de rechtbank geen aanleiding om voor wat betreft de hoogte van het smartengeld bij deze uitspraken aan te sluiten.

5.7.

In de praktijk en in de literatuur zijn bedenkingen geuit over de hoogte van het smartengeld in Nederland. De bedenkingen komen er, in het kort, op neer dat de in rechte toegekende smartengeldbedragen in Nederland aanmerkelijk lager zijn dan in de ons omringende landen, dat de toegekende smartengeldbedragen niet zijn meegestegen met de inflatie en geen recht doen aan de - onder meer door de invoering van de euro - veranderde gevoelswaarde van geld. Zo 'voelt' fl. 2.200,- meer dan € 1.000,-. Loterijprijzen (als maatstaf voor geluk) zijn fors gestegen maar de smartengeldbedragen (als maatstaf voor leed) zijn gelijk gebleken. Al met al is de kritiek breed gedragen dat de toegekende smartengeldbedragen geen recht meer doen aan de - gewijzigde - maatschappelijke opvattingen van leed. Naar het oordeel van de rechtbank zou ook in Nederland tot een - zij het geleidelijke - verhoging van smartengeldbedragen moeten worden gekomen waar de omstandigheden een dergelijke verhoging zouden indiceren. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in het arrest van 14 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:181) overwogen dat de smartengeldbedragen, gelet op de in de literatuur gevoerde discussie over de hoogte van het smartengeld, met 10% verhoogd kunnen worden. Hetzelfde gerechtshof heeft in het arrest van 5 augustus 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6223) overwogen dat het in de rede ligt dat in de toekomst veelal hogere smartengeldbedragen zullen worden vastgesteld dan in het verleden het geval was.

5.8.

De rechter mag bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld ook kijken naar bedragen die rechters in het buitenland toekennen, maar de ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen kunnen volgens vaste rechtspraak niet beslissend zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen. De verwijzing van [verzoekster] naar Engeland en Duitsland is met name gebaseerd op de artikelen van prof. mr. C.C. van Dam: 'Begroting van smartengeld in Engeland' (VR 2012, no.1) en 'Begroting en verhoging van het smartengeld; Wat Nederland kan leren van Engelse Guidelines en Duitse Grondrechten' (VR 2013, no. 7/8). De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te komen tot het toekennen van bedragen in de orde van grootte als in Engeland en Duitsland het geval is, te meer nu [verzoekster] andere Europese landen niet in haar vergelijking heeft betrokken en dus niet kan worden beoordeeld of Duitsland en Engeland in vergelijking tot andere landen niet aanzienlijk hogere smartengeldbedragen toekennen. Overigens kan uit de hierboven aangehaalde literatuur (paragraaf 4.3. van laatstgenoemd artikel van Van Dam) worden afgeleid dat in Europa Duitsland de hoogste smartengeldbedragen kent. In Engeland - waarbij de hoogte van het smartengeld oorspronkelijk werd bepaald door de jury, welke (vermoedelijk) geneigd was om hogere smartengeldbedragen toe te kennen dan rechters - is het rapport van de Law Commission - die constateerde dat er een discrepantie bestond tussen wat rechter en 'the man in the street' als een redelijke vergoeding beschouwden - de aanzet geweest voor de verhoging van het smartengeld. Het Court of Appeal heeft vervolgens in 2001 voor een kleine doorbraak gezorgd door de smartengeldbedragen in de hoogste categorieën van de Guidelines - richtlijnen die volgens Van Dam in de praktijk maar beperkt houvast bieden voor het vaststellen van de hoogte van het smartengeld - te verhogen. De verhoging van 10% die het Court of Appeal tien jaar later heeft doorgevoerd werkt alleen in het voordeel van de benadeelde als hij geen 'success fee' is overeengekomen met zijn advocaat; het overeenkomen van een 'success fee' is iets wat als gevolg van bezuinigingen op de rechtshulp in de praktijk meer regel dan uitzondering is. De 10% verhoging is daarom een sigaar uit eigen doos (zie prof. mr. C.C. van Dam; Begroting en verhoging van het smartengeld; VR 2013, no 7/8).

5.9.

[verzoekster] heeft voorts aangegeven dat het smartengeld ook betrekking dient te hebben op het lijden van haar echtgenoot, haar kinderen en haar kleinkinderen. De rechtbank onderkent dat voor de naasten van [verzoekster] de gevolgen van het ongeval ook groot zijn en dat zij daarom ook meelijden, echter bij het begroten van het smartengeld kan met deze omstandigheid geen rekening worden gehouden nu ons recht (vooralsnog) geen grondslag kent voor een vergoeding van zogenoemde affectieschade.

5.10.

De rechtbank komt tot de slotsom dat gelet op alle omstandigheden van het geval, de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en de maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland die een verhoging van het smartengeld rechtvaardigen, in het onderhavige geval een smartengeldvergoeding van € 150.000,- billijk en passend is. De rechtbank neemt daarbij de bedragen, toegekend in vergelijkbare gevallen, vermeld in de Smartengeldgids 2017, tot uitgangspunt en sluit voorts aan bij het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:181), inhoudende dat smartengeldbedragen met 10% verhoogd kunnen worden. Die verhoging moet worden geacht te zijn begrepen in het door Univé betaalde bedrag, gezien de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en die, zoals hiervoor vermeld, liggen tussen de € 92.956,- en € 133.049,-.

5.11.

Een en ander leidt tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] om de smartengeldvergoeding op € 200.000,-, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag hoger dan € 150.000,- te begroten.

5.12.

Ook als een verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, dient de rechtbank de kosten van deze deelgeschilprocedure in beginsel te begroten op grond van artikel 1019aa Rv, tenzij de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat van dat laatste geen sprake is. Van de zijde van [verzoekster] zijn de kosten gespecificeerd en begroot op € 7.618,64, te vermeerderen met het betaalde griffierecht van € 1.545,-. Nu Univé heeft aangegeven ter zake geen verweer te voeren, zullen de kosten dienovereenkomstig worden begroot.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst het verzoek van [verzoekster] af;

6.2.

begroot de kosten aan de zijde van [verzoekster] op een bedrag van € 9.163,64.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Griffioen, mr. J. Wichers en mr. M. van den Steenhoven en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2018.1

1 c: 110