Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:807

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
C/17/159268/ KG RK 18/31
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking wegens processuele beslissing.

Verzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige kamer

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C/17/159268/ KG RK 18/31

beslissing van de wrakingskamer van 22 februari 2018

op het verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van

[naam],

verzoeker tot wraking,

hierna te noemen: [verzoeker],

procederende in persoon,

dat strekt tot wraking van mr. E.Th.M. Zwart-Sneek (hierna te noemen mr. Zwart-Sneek), rechter van deze rechtbank.

1 De feiten, het procesverloop en de standpunten van partijen

1.1

[verzoeker] is gedaagde in een kantonprocedure die aanhangig is bij de rechtbank Noord-Nederland, bekend onder registratienummer 6399983 CV EXPL 17-9994.

1.2.

[verzoeker] heeft in die procedure de gelegenheid gekregen om zich op de zitting van

31 oktober 2017 mondeling dan wel schriftelijk te verweren tegen de door de eisende partij ingestelde vordering. Zijn verzoek om uitstel van deze zitting (op medische gronden) is ingewilligd en de procedure is aangehouden tot 28 november 2017.

1.3.

Vervolgens is aan [verzoeker] op zijn verzoek een nader uitstel verleend voor het indienen van zijn verweer tot de zitting van 2 januari 2018.

1.4.

Bij e-mailbericht van 1 januari 2018 heeft [verzoeker] nogmaals om uitstel verzocht. In deze brief verwijst [verzoeker] naar een 'begeleidende brief' en 'verweerstukken', die hij aan de rechtbank zou hebben toegezonden. Bij brief van 2 januari 2018 is door een griffiemedewerkster van de rechtbank hierop als volgt - voor zover van belang - gereageerd:

"Naar aanleiding van uw verzoek om (nader) uitstel voor de zitting van dinsdag 2 januari 2018 te 11.00 uur krijgt u nog een korte termijn om uw processtuk in te dienen. Tevens geeft u aan dat u verweerstukken heeft verstuurd. Deze heeft de Rechtbank niet ontvangen.

Uw processtuk moet thans uiterlijk 1 dag voor de terechtzitting van dinsdag 16 januari 2018 te 11.00 uur in tweevoud ter griffie aanwezig zijn. (…)

Er zal geen verder uitstel worden verleend"

1.5.

Op dinsdag 16 januari 2018 heeft vroeg in de ochtend een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de griffiemedewerkster die de brief van 2 januari 2018 heeft geschreven. [verzoeker] heeft in zijn e-mail (verzonden om 5.55 uur) aangegeven dat hij nog geen reactie op zijn bericht van 1 januari 2018 heeft ontvangen. Hij informeert daarom naar de stand van zaken in de procedure en naar de mogelijkheid om aanvullende stukken in te dienen. In reactie hierop (bij e-mail verzonden om 8:08 uur) heeft de griffiemedewerkster een afschrift van de brief van 2 januari 2018 aan [verzoeker] gestuurd en heeft zij benadrukt dat het verweer uiterlijk diezelfde dag om 11.00 moet worden ingediend. Tevens is in deze brief aangegeven dat wanneer de stukken niet tijdig zijn ontvangen er in de zaak vonnis gewezen zal worden. Vervolgens heeft op diezelfde dinsdag 16 januari 2018 nog telefonisch contact plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de betreffende griffiemedewerker over het indienen van (verweer)stukken.

1.6.

Bij brief van 19 januari 2018 is aan [verzoeker] meegedeeld dat geen stukken meer ingediend kunnen worden en dat op 30 januari 2018 vonnis zal worden gewezen.

1.7.

Bij e-mailbericht van 21 januari 2018 heeft [verzoeker] een verweerschrift met bijlagen aan de rechtbank gestuurd. Deze stukken zijn aan hem geretourneerd met de mededeling dat de zaak al voor vonnis staat en er geen stukken meer kunnen worden ingediend.

1.8.

Op 24 januari 2018 heeft vervolgens nog een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [verzoeker] en een griffiemedewerker over de geweigerde stukken. In zijn e-mailbericht van 9:17 uur heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking van de rechter gedaan. Als wrakingsgrond heeft [verzoeker] aangevoerd - samengevat weergegeven - dat geen sprake is van een eerlijke rechtsgang, nu er stukken zijn zoekgemaakt door de griffie en er stukken gewoon zijn teruggezonden terwijl er toestemming was om de stukken opnieuw in te sturen. [verzoeker] vindt het niet rechtvaardig dat de rechter uitspraak doet zonder beide partijen te horen, waardoor de zaak slechts van één kant wordt bekeken.

1.9.

Mr. Zwart-Sneek, de rolrechter die de beslissing heeft genomen om de zaak voor vonnis te zetten, heeft niet in de wraking berust. Zij heeft op 29 januari 2018 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de leden van de wrakingskamer gezonden. Daarin heeft zij het volgende - kort samengevat - aangevoerd. [verzoeker] heeft tweemaal de gebruikelijke aanhouding van vier weken gekregen voor verweer en vervolgens is aan hem, wegens klemmende redenen, nog een laatste uitstel gegeven tot 16 januari 2018. Uit de

e-mailwisseling op 16 januari 2018 blijkt dat [verzoeker] te kennen is gegeven dat hij uiterlijk die dag nog stukken zou kunnen indienen. Vervolgens heeft er nog een telefonisch contact plaatsgevonden en uit een aantekening van de griffiemedewerkster die [verzoeker] via de telefoon heeft gesproken volgt dat toen bij hoge uitzondering een uiterste mogelijkheid is toegestaan om het verweerschrift op woensdag 17 januari 2018 langs te brengen of op de post te doen. Toen later die week bleek dat er niets was ontvangen is de zaak voor vonnis gezet. De nadien (en volgens het dossier van de rechtbank voor het eerst) op 21 januari 2018 ontvangen stukken zijn geretourneerd omdat de zaak reeds voor vonnis stond. Bij de geschetste behandelwijze voor wat betreft het verlenen van uitstel is het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton gevolgd. Daarnaast is [verzoeker] nog clementie verleend om tot kort na de uiterste datum alsnog zijn verweer in te dienen, hetgeen hij heeft nagelaten. Het wrakingsverzoek is daarom ongegrond, aldus mr. Zwart-Sneek.

1.10.

[verzoeker] heeft bij brief van 5 februari 2018 in aanvulling op zijn wrakingsverzoek opgemerkt dat hij het verweerschrift medio december naar de rechtbank heeft verstuurd en dat tijdens het telefoongesprek op 16 januari 2018 tegen hem gezegd is dat hij de stukken nogmaals moest aanleveren en dat hij rond 13 februari 2018 maar contact op moest nemen.

1.11.

Het wrakingsverzoek is aan de orde gesteld ter zitting van de meervoudige wrakingskamer van 8 februari 2018. [verzoeker] en mr. Zwart-Sneek zijn - zoals tevoren door hen was aangekondigd - niet ter zitting verschenen.

2 De beoordeling

2.1.

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (artikel 6 lid 1 EVRM).

2.2.

Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden (artikel 36 Rv).

2.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Tevens geldt dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel dient te zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, beslissingen te nemen over (onder meer) de procedurele aspecten. Dit kunnen voor partijen nadelige beslissingen zijn. Dergelijke processuele beslissingen kunnen eventueel door het instellen van een rechtsmiddel ter toetsing worden voorgelegd.

Grond voor wraking bestaat alleen als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

2.4.

De wrakingskamer overweegt het volgende. Allereerst kan niet worden vastgesteld dat [verzoeker] al in december 2017 stukken en/of een verweerschrift heeft ingediend bij de rechtbank, welke stukken vervolgens zouden zijn zoekgeraakt. Wat hier verder ook van zij, dit doet er niet aan af dat het bij [verzoeker] bekend was (uit de brief van 2 januari 2018, nogmaals verstuurd op 16 januari 2018) dat hij zijn verweer alsnog/opnieuw moest indienen. De wrakingskamer heeft voorts vast kunnen stellen dat [verzoeker] ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om een verweerschrift in te dienen en dat daarbij rekening is gehouden met zijn (medische) omstandigheden. Aan hem is namelijk tweemaal een regulier uitstel verleend (eerst tot 28 november 2018 en vervolgens tot 2 januari 2018) en daarna is nog eens een extra uitstel verleend (tot 16 januari 2018) uit coulanceoverwegingen. Het is voor de wrakingskamer niet helemaal duidelijk geworden wat er precies is besproken tussen [verzoeker] en de griffiemedewerkster op 16 januari 2018, omdat de betrokken medewerkster en [verzoeker] daarover allebei een andere lezing hebben. Dat zij in dit gesprek aan [verzoeker] opnieuw een ruime uitsteltermijn zou hebben gegeven, zoals door [verzoeker] is gesteld, acht de wrakingskamer echter niet aannemelijk. Dat past niet in de lijn van de eerder aan [verzoeker] verstuurde brieven en e-mails. De lezing van de griffiemedewerkster dat bij wijze van hoge uitzondering aan [verzoeker] nog een allerlaatste gelegenheid is gegeven om de stukken op 17 januari 2017 op te sturen, komt de wrakingskamer dan ook waarschijnlijker voor. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissing van mr. Zwart-Sneek (als rolrechter) van 19 januari 2018 om de zaak voor vonnis te verwijzen kan worden aangemerkt als een goed te rechtvaardigen rolbeslissing, waaruit geen vooringenomenheid kan worden afgeleid.

2.5.

Nu er geen gronden zijn om te concluderen dat mr. Zwart-Sneek jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is en ook anderszins niet is gebleken dat het optreden van

mr. Zwart-Sneek in enig opzicht niet voldeed aan de vereisten die aan een eerlijk proces dienen te worden gesteld of dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden door haar optreden, zal het wrakingsverzoek tegen mr. Zwart-Sneek worden afgewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Deze uitspraak is gewezen door mr. R. Giltay, mr. M. Brinksma en mr. J. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.