Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:804

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
C/18/182578 / KG ZA 18-48
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Opheffing eigen beslag. Maatstaf? Berust het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag, of doet de executie een noodtoestand ontstaan op grond van na het geven van de beschikking voorgevallen of gebleken feiten? Niet voldaan aan stelplicht. Voorzieningenrechter heft het beslag op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/182578 / KG ZA 18-48

Vonnis in kort geding van 6 maart 2018

in de zaak van

[naam] ,

die woont in [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.F.H. Terpstra, die kantoor houdt in Groningen,

tegen

[naam] ,

die woont in [woonplaats] ,

gedaagde,

die is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. R. J. Skala als rechtshelper,

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding 26 februari 2018;

  • -

    de mondelinge behandeling van 6 maart 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De voorzieningenrechten kan bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.2.

[eiser] is op 1 september 2008 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] als automonteur.

2.3.

Bij beschikking van 24 maart 2016 heeft de kantonrechter in deze rechtbank voor zover hier van belang, de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 mei 2016 onder toekenning van een transitievergoeding van € 6.407,10 en een billijke vergoeding van € 5.000,00 bruto. De beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.

2.4.

[gedaagde] heeft de door de kantonrechter vergoedingen niet aan [eiser] betaald. [eiser] heeft vervolgens executiemaatregelen genomen om tot incasso van zijn vorderingen te komen.

2.5.

Bij beschikking van 3 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter aan [gedaagde] verlof verleend om ter verzekering van verhaal van zijn vorderingen op [eiser] , conservatoir beslag te leggen onder zichzelf op de vordering die [eiser] op grond van de beschikking van 24 maart 2016 op [gedaagde] heeft.

2.6.

Op 18 januari 2018 heeft [eiser] executoriaal beslag doen leggen op uiteenlopende roerende zaken van [gedaagde] en is aan [gedaagde] de executoriale verkoop daarvan aangezegd.

2.7.

Op 19 februari 2018 heeft [gedaagde] op grond van het op 3 juni 2016 gegeven verlof, beslag onder zichzelf gelegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter het door [gedaagde] onder zichzelf gelegde beslag opheft, dan wel een met dwangsommen versterkte veroordeling geeft van [gedaagde] om dat beslag op te heffen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] , om verrekening van zijn vordering op [eiser] zeker te stellen, beslag onder zichzelf mocht leggen op de vordering die [eiser] op hem heeft.

4.2.

De voorzieningenrechter acht toepasselijk en toepasbaar, de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld voor het beantwoorden van de vraag of de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard veroordelend vonnis dient te worden geschorst.

4.3.

Het is daarom de vraag of de beschikking van de kantonrechter van 24 maart 2016 klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel of de ten uitvoerlegging op grond van na dat vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, een noodtoestand aan de zijde van [gedaagde] is ontstaan.

4.4.

Als geen van beide het geval is, moet in dit kort geding worden aangenomen dat [gedaagde] misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt door beslag onder zichzelf te leggen en de executie van de beschikking van de kantonrechter te frustreren.

4.5.

[gedaagde] heeft tot zijn verweer geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat van vorenbedoelde misslag of noodtoestand sprake is. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn de voorzieningenrechter ook overigens niet gebleken.

4.6.

Er is aldus sprake van misbruik van recht, zodat de voorzieningenrechter het beslag dat [gedaagde] onder zichzelf heeft gelegd, zal opheffen. Deze beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd, zodat het beslag met het doen van deze uitspraak is opgeheven (HR 20 januari 1995, NJ 1995/413). Dit brengt met zich dat [eiser] geen belang heeft bij de behandeling van zijn overigens ingestelde vorderingen.

4.7.

Voor zover [gedaagde] een vordering in reconventie in heeft willen stellen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [gedaagde] is als gedaagde in persoon verschenen, bijgestaan door een rechtshelper - mr. Skala - als bedoeld in HR 28 april 1995, NJ 1995/729. Gelet op art. 7.1 van het toepasselijke procesreglement, kan [gedaagde] geen eis in reconventie instellen, omdat hij niet bij advocaat is verschenen.

4.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 79,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 993,01

4.9.

De gevorderde en niet weersproken nakosten zullen worden toegewezen tot het gevorderde bedrag ter grootte van € 100,00.

4.10.

De meegevorderde vergoeding van wettelijke rente over de proces- en nakosten is op de wet gegrond en niet weersproken en zal eveneens worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

1. heft op het beslag dat [gedaagde] onder zichzelf heeft gelegd op,

2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 993,01 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5. wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.1

1 type: coll:633