Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:803

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
18/730194-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Toen verdachte op 27 november 2015 als schipper met zijn motorvrachtschip over het IJsselmeer voer, vertelde een bemanningslid hem dat hij mensen hoorde schreeuwen en gillen en om hulp hoorde roepen. Verdachte heeft toen geconcludeerd dat er mensen in het water lagen. Daarop heeft hij de vaart uit zijn schip gehaald en de Centrale Meldpost IJsselmeer (CMIJ) en enkele tegemoetkomende schepen gewaarschuwd. Verdachte heeft ingeschat dat hij de drenkelingen geen reële hulp kon bieden, zonder zijn schip en bemanning in gevaar te brengen, omdat de weersomstandigheden slecht waren en zijn schip leeg en daardoor moeilijk te manoeuvreren was. Daarom is verdachte doorgevaren zonder te proberen hulp te verlenen aan de drenkelingen. De bemanningsleden van andere schepen hebben wel geprobeerd de drenkelingen te redden. Deze reddingspogingen zijn niet geslaagd en beide drenkelingen zijn verdronken.

Volgens de ter terechtzitting gehoorde deskundige had verdachte wel hulp kunnen verlenen aan de drenkelingen zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen. Verdachte had met zijn schip tweemaal om kunnen gaan, waardoor het schip 360 graden zou zijn gedraaid en verdachte had kunnen terugkeren in de buurt van de locatie van de drenkelingen, waarna hij en zijn bemanning naar de drenkelingen hadden kunnen zoeken, voor anker hadden kunnen gaan, reddingsboeien hadden kunnen uitgooien en de bijboot te water hadden kunnen laten. De rechtbank heeft deze conclusie overgenomen.

Het staat geenszins vast dat hulp die verdachte kon verlenen succesvol zou zijn geweest en dat de dood van de drenkelingen daarmee had kunnen worden voorkomen. De bewezenverklaring brengt dan ook niet met zich dat verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van de drenkelingen. Dit doet er echter niet aan af dat verdachte de situatie zeer verkeerd heeft ingeschat en dat hij verwijtbaar heeft gehandeld door verder te varen zonder te proberen hulp te verlenen. Verdachte had onder de gegeven omstandigheden alles in het werk moeten stellen om te proberen de drenkelingen te redden. Het waarschuwen van de CMIJ en enkele tegemoetkomende schepen was volstrekt onvoldoende.”

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 414
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730194-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.E. van Dam, advocaat te Rotterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 november 2015, in de gemeente De Fryske Marren, in elk geval in Nederland, op het IJsselmeer, als schipper van het motorvrachtschip [naam schip 1] , opzettelijk de krachtens artikel 785 van het Wetboek van Koophandel op hem rustende verplichting tot

hulpverlening niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, terwijl hij wist, dat er personen in het water lagen (in of in de nabijheid van een [deels] gezonken boot), die om hulp had(den) geroepen, in elk geval middels schreeuwen en/of gillen en/of roepen en/of met armen zwaaien de aandacht hadden getrokken, en welke personen hij op dat moment van dicht nabij

met dat motorvrachtschip passeerde, met dat motorvrachtschip doorgevaren en heeft hij, verdachte, die personen geen hulp geboden (waartoe hij toen aldaar bij machte was, zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen), waarna de

dood van die personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gevolgd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 27 november 2015, in de gemeente De Fryske Marren, in elk geval in Nederland, op het IJsselmeer, terwijl hij, verdachte, wist dat er personen in het water lagen (in of in de nabijheid van een [deels] gezonken boot), die om hulp hadden geroepen, in elk

geval door te schreeuwen en/of gillen en/of roepen en/of met armen zwaaien de aandacht hadden getrokken, en welke personen hij (als schipper van het motorvrachtschip [naam schip 1] ) op dat moment van dicht nabij met dat motorvrachtschip passeerde, zonder hulp te verlenen is voorbij gevaren, en aldus als getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin die personen verkeerden, heeft nagelaten die personen die hulp te verlenen of te verschaffen, die hij hen, zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, kon verlenen of verschaffen, waarna de dood van die hulpbehoevenden, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gevolgd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk de op hem rustende verplichting tot hulpverlening niet is nagekomen. Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte niet zelf heeft waargenomen dat er personen in het water lagen en om hulp hebben geroepen. In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte hetgeen zijn bemanningslid hem heeft verteld, heeft doorgegeven aan de Centrale Meldpost IJsselmeergebied (hierna: CMIJ) en de schippers van de hem tegemoetkomende schepen, [naam schip 2] en [naam schip 3] . Volgens de raadsman heeft verdachte op die manier hulp verschaft en kon, onder de gegeven omstandigheden, niet meer van hem worden verwacht. Verdachte heeft geconcludeerd dat hij zelf geen hulp kon verlenen, zonder zijn schip en zijn bemanning (ernstig) in gevaar te brengen. Verdachtes schip was leeg, waardoor hij amper kon manoeuvreren. Gelet op de vrij krachtige tot harde wind, de zeer korte golfslag en de duisternis, was het te gevaarlijk om tweemaal rond te gaan. Bovendien had deze manoeuvre ten minste 10 minuten geduurd. In die tijd had men de drenkelingen niet in het zicht kunnen houden en zou [naam schip 2] ook reeds op de vermoedelijke locatie van de drenkelingen zijn aangekomen. De verdediging heeft erop gewezen dat de deskundige H. Bergsma (hierna: Bergsma) er ten onrechte vanuit is gegaan dat de diepgang van verdachtes schip ongeveer 1,40 m was, terwijl die diepgang als het schip stil ligt slechts ongeveer 0,75 m is. Dat betekent dat het schip veel meer wind zou hebben gevangen naarmate het vaart minderde om rond te gaan en ook zodra het stil lag. Daarbij komt dat, ook nadat verdachte tweemaal met zijn schip was rondgegaan, de bijboot had moeten worden ingezet om werkelijk hulp te kunnen verlenen. De door de verdediging geraadpleegde deskundige L.M. de Jong (hierna: De Jong) heeft het gereed maken en overboord zetten van de bijboot gekwalificeerd als een moeilijke opgave, die niet zonder gevaar is. Als dit al zou zijn gelukt, zou het navigeren en naar de drenkelingen roeien volgens De Jong ondoenlijk zijn geweest door de harde wind en de hoge golven. Bovendien was er volgens De Jong een groot gevaar voor omslaan geweest, wanneer men had geprobeerd een drenkeling in de bijboot te helpen. Dit zou ertoe hebben geleid dat verdachte zijn bemanningsleden aan ernstig gevaar had blootgesteld, wat niet van hem mocht worden gevergd. Door het uitvoeren van andere manoeuvres, zoals voor anker gaan, in de richting van de drenkelingen schijnen en reddingsboeien of lijnen uitwerpen, had volgens de raadsman geen reële hulp kunnen worden geboden, aangezien verdachtes schip daarvoor te ver van de drenkelingen was verwijderd.

Oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting van 23 februari 2018 is Bergsma gehoord als deskundige. Bergsma is niet opgenomen in het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen. De rechtbank is van oordeel dat Bergsma kan worden aangemerkt als deskundige op het gebied van de binnenvaart op grond van hetgeen hij in zijn schriftelijke verslag van 2 oktober 2017 heeft vermeld over zijn ervaring in de binnenvaart, zijn opleiding voor de waterpolitie, zijn werkzaamheden (als instructeur) bij de waterpolitie, als docent binnenvaartkunde en als examinator bij het CBR voor de binnenvaart en de omstandigheid dat hij voor de SDU drie boeken heeft geschreven over binnenvaartwetgeving. De rechtbank heeft gekozen voor het horen van Bergsma in plaats van een geregistreerde deskundige op het gebied van de binnenvaart, omdat Bergsma reeds bekend was met het dossier. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de verdediging de deskundigheid van Bergsma niet heeft betwist en evenmin heeft verzocht om in zijn plaats een geregistreerde deskundige te horen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door Bergsma ter terechtzitting van 23 februari 2018 afgelegde verklaring, als deskundigenverklaring voor het bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 februari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik voer op 27 november 2015 als schipper met mijn motorvrachtschip [naam schip 1] over het IJsselmeer. Op een gegeven moment kwam mijn bemanningslid [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) bij mij in de stuurhut. Hij zei dat hij geschreeuw en gegil had gehoord en dat er om hulp werd geroepen. Ik heb van [getuige 1] vernomen dat hij dicht bij het schip mensenstemmen had gehoord. Ik had toen wel het idee dat er iets aan de hand was, aangezien we op dat moment 1.800 meter van de kust waren. Ik realiseerde me dat het geroep van het water moest komen. Ik heb toen de conclusie getrokken dat er mensen in het water lagen. Ik ben degene die vanaf [naam schip 1] het marifooncontact heeft onderhouden met de Centrale Meldpost IJsselmeer. Later zei [getuige 1] dat hij een klein wit lampje zag drijven en dat heb ik doorgegeven. Het kan best dat ik heb gezegd dat ik er net langs was gevaren. Ik ben niet rondgegaan, ik heb het schip niet helemaal stil gelegd en ik heb niet het anker uitgeworpen. Misschien had ik wel kunnen rondgaan. Er waren drie reddingsboeien aan boord en ik had de bemanning opdracht kunnen geven om die uit te werpen. [naam schip 1] had op dat moment geen werkende schijnwerpers.

2. De door de deskundige H. Bergsma op de terechtzitting van 23 februari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben van mening dat verdachte hulp had kunnen verlenen zonder dat dit ernstig gevaar had opgeleverd voor zijn bemanning. Een schip met de lengte en de breedte van [naam schip 1] had onder de omstandigheden, zoals die op 27 november 2015 op het relevante deel van het IJsselmeer waren, tweemaal kunnen omgaan over bakboord en had daarmee in het totaal een draai van 360 graden kunnen maken. Het is te verwachten dat het schip bij het omgaan zou hebben geslingerd, omdat daarbij vaart zou zijn geminderd. Dit slingeren zou niet zo erg zijn geweest dat het schip en de bemanning daardoor gevaar zouden hebben gelopen. Ieder schip dat beschikt over een certificaat voor het IJsselmeer moet daartoe in staat zijn, want anders zou het dat certificaat niet hebben gekregen. Wanneer de diepgang van het schip minder was dan de 1.40 m, waar ik in mijn rapport vanuit ben gegaan, zou het draaipunt van het schip meer naar voren hebben gelegen en zou de draaicirkel anders zijn geweest. Voor het slingeren zou dat echter niet veel hebben uitgemaakt. Het schip zou misschien zijn gaan stampen als het met de kop tegen de wind was stilgelegd, maar ook dat zou niet zo erg zijn geweest dat het schip en de bemanning daardoor gevaar zouden hebben gelopen. Of het schip vaart heeft of stil ligt met de kop tegen de wind maakt voor het slingeren weinig verschil. Nadat het schip tweemaal was omgegaan, had een zoekslag gemaakt kunnen worden met één van de bemanningsleden op het voordek om te kijken of hij iets kon zien. Daarbij had dat bemanningslid een spreekverbinding kunnen onderhouden met de stuurhut. De bemanningsleden hadden reddingsboeien in het water kunnen gooien. Het is verplicht om een schijnwerper op het schip te hebben. Elk schip heeft verplicht een bijboot aan boord die dient als reddingsboot. Indien die bijboot aan de eisen voldoet, zou hij het aan moeten kunnen om overboord te worden gezet. Onder de gegeven omstandigheden had de bemanning van [naam schip 1] de bijboot overboord moeten kunnen zetten. Ook indien er na het overboord zetten geen bemanningsleden in de bijboot stappen om naar de drenkelingen toe te roeien, kan de bijboot dienen om het aan boord halen van de drenkelingen te vergemakkelijken. In plaats van tweemaal om te gaan, had verdachte het schip ook stil kunnen leggen. Het schip zou dan een eind bij de drenkelingen vandaan hebben gelegen. In dat geval had de bemanning voorwerpen, zoals de reddingsboeien, in het water kunnen werpen. Doordat de drenkelingen benedenwinds van het schip lagen, bestond de kans dat die voorwerpen naar hen toe zouden zijn gedreven. Ook had via die voorwerpen de weg terug naar de drenkelingen kunnen worden gevonden.

3.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 november 2015, opgenomen op de pagina's 24 en 25 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL2600-2015069012 d.d. 18 juni 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Op 27 november 2015 voer ik als deksman aan boord van [naam schip 1] op het IJsselmeer. Ik liep de deur aan de stuurboordzijde van de woning uit om naar [verdachte] in de stuurhut te gaan. Toen ik op de roef liep, hoorde ik geschreeuw. Ik hoorde meerdere personen uit twee verschillende richtingen schreeuwen. Ik wilde zo snel mogelijk van de roef af omdat ik me daar onveilig voelde vanwege de harde wind en de deining. Ik hoorde twee schreeuwen na elkaar uit twee verschillende richtingen. Ik stond met mijn gezicht naar bakboord en van daaruit hoorde ik een schreeuw van links en van rechts. Vervolgens liep ik naar de schipper [verdachte] in de stuurhut en vertelde ik dat ik mensen had horen schreeuwen.

3.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 juli 2016, opgenomen op pagina 144 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik vaar mijn eigen schip, [naam schip 2] . [verdachte] , de schipper van [naam schip 1] , zei via de marifoon: "Er liggen mensen in het water. Ik ben leeg. Ik kan niets voor die mensen betekenen." [naam schip 1] was het enige schip op dat moment na het ongeval. Dus in de onmiddellijke omgeving direct na de melding van [naam schip 1] was geen schip te zien in die positie. [naam schip 4] was toen al lang voorbij. De weersomstandigheden lieten hulpverlening toe.

3.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2016, opgenomen op pagina 10 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 6 juli 2016 ontving ik een USB-stick. Op deze ISB-stick stonden de geluidsgegevens van de marifoongesprekken van vrijdag 27 november 2015 van 15.00 uur tot 21.00 uur. De op dit onderzoek van toepassing zijnde gesprekken zijn uitgewerkt.

17.56.11

uur

[naam schip 1] Post IJsselmeergebied, [naam schip 1]

17.56.19

uur

[naam schip 1] We zijn net Lemmer uitgevaren. We zitten nu net in die nieuwe geul

17.56.58

uur

CMIJ Ja, net de Rotterdamse hoek voorbij

[naam schip 1] Ja, d'r legt hier een bootje gezonken en een bende geschreeuw en een bende gegil. Ik weet niet of u nou ziet waar of ik zit?

CMIJ U ziet een bootje gezonken zei u?

[naam schip 1] Ja, hoogst waarschijnlijk wel. Mijn matroos kwam in een keer naar boven en die zegt dat ze om hulp roepen en er paniek is.

CMIJ oké, bootje gezonken, met mensen aan boord dus.

[naam schip 1] Jawel

17.58.03

uur

[naam schip 1] [getuige 2]

[naam schip 2] ja

[naam schip 1] Achter mij moet ergens een bootje gezonken leggen. Er drijven mensen in het water. Ik kan met een leeg schip niks doen.

[naam schip 2] O, ….

[naam schip 1] Ja, een heel klein wit lampje drijft er boven het water uit, wat ik zo zie.

[naam schip 2] Hoe ver is het weg dan, want ik zie helemaal niks.

[naam schip 1] Achter mij, ja recht achter mij zo'n beetje

[naam schip 2] Buiten de geul

[naam schip 1] Ja, want je komt mij nou tegen. Ja dus ik weet het ook niet. Een bende geschreeuw en een bende gegil.

17.58.46

uur

[naam schip 2] Net achter je zei je?

[naam schip 1] Ja, ik ben er net langsheen gevaren, net mis gevaren.

18.09.39

uur

Kustwacht [naam schip 2] , Nederlandse Kustwacht

[naam schip 2] Ja, hier is [naam schip 2]

Kustwacht Ja meneer, wat is uw positie?

[naam schip 2] Dicht bij de NM12. Ik zie daar bakboord van mij, buiten de geul, een lampje knipperen en dat hoort daar normaal niet. Dus ik heb het idee dat daar wat is.

Kustwacht Oké, kunt u hulp verlenen?

[naam schip 2] Ja, ik zit even te kijken hoe diep het hier naast de geul is. Ik lig 3.10 meter diep. Dus ik kan niet zomaar buiten de geul. Ik ga even kijken en proberen.

[naam schip 1] meldt zich op 27 november 2015 om 17.56.11 uur bij de Centrale Meldpost

IJsselmeer. [naam schip 1] voer met een snelheid van 14,26 kilometer per uur en bevond zich

in een positie circa 80 meter voorbij de vindplaats van het wrak van de [naam schip 5] . Om 17.56.58 uur was de snelheid van [naam schip 1] 9,82 kilometer per uur. De afstand van [naam schip 1] naar [naam schip 2] was 1.27 kilometer. Het wrak lag circa 214 meter achter [naam schip 1] . Om 17.58.03 uur voer [naam schip 1] met een snelheid van 9.07 kilometer per uur. [naam schip 2] bevond zich circa 840 meter voor [naam schip 1] . Het wrak lag circa 400 meter achter [naam schip 1] . Om 17.58.46 uur voer [naam schip 1] met een snelheid van 10 kilometer per uur. [naam schip 2] was tot op 560 meter genaderd. Om 18.01.19 uur voer [naam schip 1] met een snelheid van 16.67 kilometer per uur. [naam schip 1] was circa 440 meter voorbij de zojuist gepasseerde [naam schip 2] en circa 1080 meter voorbij het wrak. [naam schip 2] bevond zich circa 675 meter vanaf de positie van de vindplaats van het wrak. Om 18.03.09 uur voer [naam schip 1] met een snelheid van 17.04 kilometer per uur. [naam schip 2] lag circa 1.15 kilometer achter [naam schip 1] . [naam schip 2] was de positie van het wrak genaderd op circa 480 meter. Om 18.06.39 uur was [naam schip 2] circa 405 meter en [naam schip 1] circa 2600 meter van het wrak verwijderd.

3.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 april 2016, opgenomen op pagina 61 en verder van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Het gezonken motorjacht werd aangetroffen. De plaats van het incident is gelegen binnen de gemeente De Fryske Marren. Ten tijde van het incident was het donker. Volgens opgave van de Centrale Meldpost IJsselmeer (hierna: de CMIJ) was de windverwachting voor het IJsselmeer op 27 november 2015 van 13.00 uur tot 01.00 uur windkracht 5 tot 6 en mogelijk 7 Beaufort uit Zuid tot Zuidwestelijke richting. Volgens de CMIJ was de golfhoogte in de nabijheid van het omschreven incident gemiddeld 60 cm met een maximale golfhoogte van 1.15 m. Op 28 november 2015 is het motorjacht [naam schip 5] geborgen en overgebracht naar het terrein van Rijkswaterstaat te Lelystad. Op 30 november 2015 werden de data afkomstig van het navigatiesysteem van [naam schip 2] gekopieerd. Aan de hand van de uitgewerkte data kon worden vastgesteld dat het motorjacht [naam schip 5] ruim voor [naam schip 2] uit heeft gevaren. Het motortankschip [naam schip 4] passeert omstreeks 17.41 uur de [naam schip 5] . Omstreeks 17.55 uur voer [naam schip 1] over de geografische positie van de vindplaats van het wrak van de [naam schip 5] .

3.5.

Een verslag betreffende een niet natuurlijke dood d.d. 29 november 2015, inhoudende als verklaring van P. van der Tas, arts GGD Fryslân:

Verklaart het lijk van [slachtoffer 1] persoonlijk te hebben geschouwd. Verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Bijzonderheden: Opvarende van een motorjacht dat op 27 november 2015 is overvaren. Betrokkene is verdronken.

3.6.

Een schouwverslag d.d. 5 januari 2016, inhoudende als verklaring van B.A.A.L. Roescher, forensische arts KNMG:

Cliënt: [slachtoffer 2]

Overleden: gemeente De Friese Meren

Toelichting: Dhr. werd vermist sinds een scheepsongeval voor de haven bij Lemmer op 27 november 2015, waarbij de boot waarop hij zich bevond, werd overvaren en is gezonken. Dhr. werd overleden en drijvend in het IJsselmeer aangetroffen op 5 januari 2016, waarna zijn stoffelijk overschot uit het IJsselmeer is gevist en geborgen.

Conclusie: Dhr. is verdronken.

Naar aanleiding van het verweer van de raadsman dat verdachte niet zelf heeft waargenomen dat er personen in het water lagen en om hulp hebben geroepen en dat verdachte - kort gezegd - geen reële hulp kon bieden zonder zijn schip of zijn bemanning (ernstig) in gevaar te brengen, overweegt de rechtbank het volgende.

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij opzettelijk de krachtens artikel 785, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) op hem rustende verplichting tot hulpverlening niet is nagekomen, doordat hij, terwijl hij wist dat er personen in het water lagen, die om hulp hadden geroepen, dan wel door schreeuwen, gillen en/of roepen de aandacht hadden getrokken, deze personen, die hij op dat moment van dichtbij passeerde, geen hulp heeft geboden.

Op grond van artikel 785, eerste lid, WvK is de schipper verplicht aan personen, die in gevaar verkeren, de hulp te verlenen, waartoe hij bij machte is zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat er personen in het water lagen en dat zij om hulp hadden geroepen en door middel van schreeuwen en gillen de aandacht hadden getrokken. Verdachte heeft dit weliswaar niet zelf waargenomen, maar zijn bemanningslid [getuige 1] heeft hem verteld dat hij mensen heeft horen schreeuwen, gillen en roepen. Verdachte heeft - naar eigen zeggen - op grond van het verhaal van [getuige 1] en de omstandigheid dat zij zich op dat moment ongeveer 1.800 m van de kust bevonden, geconcludeerd dat er mensen in het water lagen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wist dat deze personen (hierna: de drenkelingen) in gevaar verkeerden.

Voorts leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat verdachtes schip deze personen op zeer korte afstand is gepasseerd en dat verdachte zich daarvan - blijkens zijn uitlatingen tijdens de marifoongesprekken - ook bewust was.

Verdachte was op grond van artikel 785, eerste lid, WvK verplicht om te proberen de drenkelingen te redden, voor zover dit mogelijk was zonder zijn eigen schip of bemanning in gevaar te brengen. De mate waarin kon worden bijgedragen aan een reddingspoging en de kans van slagen daarvan waren daarbij naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet van belang. Dit zou slechts anders zijn geweest wanneer bij voorbaat duidelijk was dat een reddingspoging geen enkele kans van slagen had of dat geen enkele reële bijdrage kon worden geleverd aan een reddingspoging. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn geweest wanneer verdachtes schip zich op zeer grote afstand van de drenkelingen bevond of als verdachte er redelijkerwijs van uit had mogen gaan dat er al voldoende effectieve maatregelen waren getroffen. Van een dergelijke situatie was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Uit de deskundigenverklaring van Bergsma leidt de rechtbank af dat verdachte de drenkelingen hulp had kunnen bieden door met zijn schip tweemaal om te gaan. Daardoor zou het schip 360 graden zijn gedraaid en had verdachte kunnen terugkeren in de buurt van de locatie waar [getuige 1] de drenkelingen heeft gehoord, waarna hij en zijn bemanning naar de drenkelingen hadden kunnen zoeken, voor anker hadden kunnen gaan, reddingsboeien hadden kunnen uitgooien en de bijboot te water hadden kunnen laten. Voorts leidt de rechtbank uit deze deskundigenverklaring af dat verdachte deze handelingen had kunnen (laten) uitvoeren zonder dat hij zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar zou hebben blootgesteld. Ook indien verdachte het te gevaarlijk achtte om zijn bemanningsleden plaats te laten nemen in de bijboot en hen naar de drenkelingen te laten roeien, had de bijboot kunnen dienen om het de drenkelingen makkelijker te maken om uit het water te klimmen. Verdachtes schip voldeed niet aan de wettelijke verplichting dat daarop ten minste één werkende schijnwerper aanwezig moest zijn. Indien wel een werkende schijnwerper aanwezig zou zijn geweest, had deze gebruikt kunnen worden om het zoeken naar de drenkelingen te vergemakkelijken of om hun positie aan te geven.

Dat verdachte de hem bekende informatie heeft gemeld aan het CMIJ en enkele tegemoetkomende schepen en dat het tweemaal omgaan met verdachtes schip de nodige tijd zou hebben gekost, waardoor een ander schip of andere schepen mogelijk eerder bij de locatie van de drenkelingen kon(den) komen, ontsloeg verdachte niet van zijn verplichting om alle hulp te verlenen, waartoe hij bij machte was zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat er geen andere schepen in de directe nabijheid waren op het moment dat verdachtes schip de locatie van de drenkelingen passeerde. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het schip van verdachte zich op het moment dat het de drenkelingen op korte afstand passeerde buiten de vaargeul bevond en [naam schip 2] , het eerstvolgende schip dat die locatie passeerde, door haar diepgang niet zonder meer buiten de geul kon varen en daardoor mogelijk niet in de buurt van de locatie van de drenkelingen kon komen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte, kort nadat zijn schip de locatie van de drenkelingen was gepasseerd, enige tijd de vaart uit zijn schip heeft gehaald, maar dat hij enkele minuten later de snelheid van het schip weer heeft opgevoerd en verder is gevaren, zonder dat hij hulp heeft verleend aan de drenkelingen.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte er bewust voor heeft gekozen door te varen en geen hulp te bieden aan de drenkelingen, terwijl hij wel hulp had kunnen bieden. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte opzettelijk de krachtens artikel 785, eerste lid, WvK op hem rustende verplichting tot hulpverlening niet is nagekomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 27 november 2015 in de gemeente De Fryske Marren, op het IJsselmeer, als schipper van het motorvrachtschip [naam schip 1] , opzettelijk de krachtens artikel 785 van het Wetboek van Koophandel op hem rustende verplichting tot hulpverlening niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, terwijl hij wist dat er personen in het water lagen, die om hulp hadden geroepen, en welke personen hij op dat moment van dichtbij met dat motorvrachtschip passeerde, met dat motorvrachtschip doorgevaren en heeft hij, verdachte, die personen geen hulp geboden, waartoe hij toen aldaar bij machte was, zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen, waarna de dood van die personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gevolgd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair

als schipper de krachtens het eerste lid van het Wetboek van Koophandel op hem rustende verplichting tot hulpverlening opzettelijk niet nakomen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor vrijspraak. Subsidiair heeft hij gepleit voor schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Meer subsidiair heeft de raadsman gepleit voor het opleggen van een zo laag mogelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Toen verdachte op 27 november 2015 als schipper met zijn motorvrachtschip over het IJsselmeer voer, vertelde een bemanningslid hem dat hij mensen hoorde schreeuwen en gillen en om hulp hoorde roepen. Verdachte heeft toen geconcludeerd dat er mensen in het water lagen. Daarop heeft hij de vaart uit zijn schip gehaald en de CMIJ en enkele tegemoetkomende schepen gewaarschuwd. Verdachte heeft ingeschat dat hij de drenkelingen geen reële hulp kon bieden, zonder zijn schip en bemanning in gevaar te brengen, omdat de weersomstandigheden slecht waren en zijn schip leeg en daardoor moeilijk te manoeuvreren was. Daarom is verdachte doorgevaren zonder te proberen hulp te verlenen aan de drenkelingen. De bemanningsleden van andere schepen hebben wel geprobeerd de drenkelingen te redden. Deze reddingspogingen zijn niet geslaagd en beide drenkelingen zijn verdronken.

Volgens de ter terechtzitting gehoorde deskundige had verdachte wel hulp kunnen verlenen aan de drenkelingen zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen. Verdachte had met zijn schip tweemaal om kunnen gaan, waardoor het schip 360 graden zou zijn gedraaid en verdachte had kunnen terugkeren in de buurt van de locatie van de drenkelingen, waarna hij en zijn bemanning naar de drenkelingen hadden kunnen zoeken, voor anker hadden kunnen gaan, reddingsboeien hadden kunnen uitgooien en de bijboot te water hadden kunnen laten. De rechtbank heeft deze conclusie overgenomen.

Het staat geenszins vast dat hulp die verdachte kon verlenen succesvol zou zijn geweest en dat de dood van de drenkelingen daarmee had kunnen worden voorkomen. De bewezenverklaring brengt dan ook niet met zich dat verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van de drenkelingen. Dit doet er echter niet aan af dat verdachte de situatie zeer verkeerd heeft ingeschat en dat hij verwijtbaar heeft gehandeld door verder te varen zonder te proberen hulp te verlenen. Verdachte had onder de gegeven omstandigheden alles in het werk moeten stellen om te proberen de drenkelingen te redden. Het waarschuwen van de CMIJ en enkele tegemoetkomende schepen was volstrekt onvoldoende.

Naar het oordeel van de rechtbank is in een geval als dit een forse taakstraf op zijn plaats.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat het voorval inmiddels meer dan twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat hij in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het bewezen verklaarde feit niet is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hij nooit is veroordeeld voor vergelijkbare feiten.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 180 uren passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat zij de kans op recidive laag acht. Daarbij neemt zij mede in aanmerking dat verdachte inmiddels zijn woonboot en één van zijn vrachtschepen heeft verkocht en dat hij heeft verklaard dat hij binnenkort ook zijn tweede (en laatste) vrachtschip zal verkopen.

In beslag genomen goederen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst vermelde voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbenden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde in beslag genomen computer (navigatiesysteem) van het merkt/type Tresco Periskal moet worden teruggegeven aan [getuige 2] , voor zover dit nog niet is gebeurd, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partij

[naam] heeft zich, als nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 9.129,67 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit uitvaartkosten, de kosten van een sierurn, afhandelingskosten voor een versnelde asafgifte en notariskosten voor de declaratie van de nalatenschap en het verzorgen van de aangifte erfbelasting.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, dan wel dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, subsidiair dat de vordering is verjaard, meer subsidiair dat niet aannemelijk is (gemaakt) dat de kosten van lijkbezorging niet door een verzekering zijn gedekt en meest subsidiair dat niet vaststaat dat er een causaal verband bestaat tussen het ten laste gelegde feit (het niet verlenen van hulp) en het overlijden van [slachtoffer 2] . Ten aanzien van de gevorderde notariskosten heeft de raadsman voorts aangevoerd dat dit geen kosten van lijkbezorging zijn, zoals bedoeld in artikel 108, tweede lid, van het zesde boek van het Burgerlijk Wetboek

Oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij opzettelijk de op hem rustende verplichting tot hulpverlening niet is nagekomen. De rechtbank heeft dit bewezen verklaard. Deze bewezenverklaring houdt niet de vaststelling in dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het nalaten hulp te verlenen en het overlijden van [slachtoffer 2] . Hieruit volgt dat niet vaststaat dat de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 63 en 414 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Gelast de teruggave aan [getuige 2] van de in beslag genomen computer (navigatiesysteem) van het merk/type Tresco Periskal, voor zover deze nog niet is teruggegeven.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 maart 2018.

Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.