Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:755

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
18/850052-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft een man veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Tijdens een worsteling met het slachtoffer heeft verdachte meerdere malen geschoten, waarbij het slachtoffer in zijn buikstreek is geraakt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850052-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Flevoland - HvB Almere Binnen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

13 oktober 2017 en 20 februari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Rietveldt, advocaat te Hoogezand.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Groningen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand) op en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft afgevuurd en/of heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal van (een partij van ongeveer 4000) XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of (een) (andere) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit (die diefstal) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Groningen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand) op en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft afgevuurd en/of heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Groningen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen (een partij van ongeveer 4000) XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met

voornoemd oogmerk:

- die [slachtoffer] met een vuurwapen heeft bedreigd (door met dat vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te wijzen) en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Geef hier!", althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) met een vuurwapen, meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand) op en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft afgevuurd en/of heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde omdat hij van mening is dat ter zake van het schieten met het vuurwapen het vereiste oogmerk met betrekking tot de diefstal niet kan worden vastgesteld.

De officier van justitie heeft ter zake van het subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat hij de voorbedachte rade niet bewezen acht, nu niet kan worden uitgesloten dat verdachte heeft geschoten vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De ten laste gelegde poging tot doodslag acht de officier van justitie bewezen nu op basis van de stukken kan worden vastgesteld dat verdachte de dader is, immers:

- [getuige 1] die in de woning aanwezig was ten tijde van het incident, heeft verdachte op een foto herkend als de dader;

- een mobiele telefoon die door verdachte werd gebruikt heeft kort voor het incident een mast aangestraald in de directe omgeving van de bedoelde woning;

- op het vest van het slachtoffer is op de mouw en wel aan de binnenkant van de elleboog - waar de dader mee in contact is geweest toen het slachtoffer de dader in een nekklem vasthield - een DNA-mengprofiel aangetroffen. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat verdachte een van de donoren van dit DNA-mengprofiel kan zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat verdachte de schutter is. Het door de aanwezige personen opgegeven signalement van de schutter komt erop neer dat deze een ‘exotisch’ (Moluks of Oost-Europees) uiterlijk heeft. Verdachte heeft een Nederlands uiterlijk. De herkenning door [getuige 1] van verdachte kan niet als bewijs worden meegerekend nu deze herkenning feitelijk door de verbalisanten aan [getuige 1] is opgedrongen. Voorts had [getuige 1] een zeer persoonlijk belang bij herkenning van een foto, omdat hij uit de beperkingen zou gaan zodra de schutter was gevonden. Het is hierbij ook relevant dat het slachtoffer verdachte niet als de schutter heeft herkend.

Ook het resultaat van het DNA-onderzoek heeft geen bewijskracht nu het gaat om een DNA-mengprofiel, waarbij een groot aantal donoren daaraan celmateriaal heeft bijgedragen en door het NFI geen statistische berekening gemaakt kan worden voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de match met het DNA-profiel van verdachte. Voorts is het mogelijk dat het DNA van verdachte op een andere wijze dan door aanraking, op de trui van [slachtoffer] terecht is gekomen of door iemand anders op de trui is overgebracht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 15 april 2017, opgenomen op pagina 262 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R017050, onderzoeknaam NAVIST d.d. 28 augustus 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

A: Gistermiddag appte een jongen mij en vroeg of ik wat kan regelen.

V: Wie appte jou?

A: [getuige 2] . Zo staat hij bij mijn contacten in mijn telefoon.

V: Wat moest jij regelen?

A: XTC pillen.

V: Voor wie waren die pillen?

A: Niet voor [getuige 2] maar voor iemand op dat adres, [straatnaam] .

V: Hoe kom jij aan pillen?

A: Ik wist wel iemand in Amsterdam die XTC pillen kan regelen. Ik heb deze kennis gebeld met mijn telefoon.

V: Waar is geschoten?

A: Boven.

V: Hoeveel mensen waren er in de woning?

A: Vier. De bewoner, [getuige 2] , de schutter en ik.

V: Wat gebeurde daar boven in die woning?

A: Ik was al in de woning toen de schutter kwam. Ik weet niet hoe hij daar kwam. Ik

weet wel dat hij na het schieten de woning is uitgerend.

V: Waardoor liep het uit de hand?

A: Ik denk dat de man die schoot de pillen wilde rippen.

V: Wat gebeurde er?

A·: Ik zag dat de man plotseling een pistool uit zijn jas haalde. Ik geloofde niet dat

het pistool echt was. Ik dacht dat het een speelgoedpistool was. Ik stond tussen de

schutter en de man met de pillen in. Ik begon met hem te vechten en toen schoot hij meerdere keren waarvan een keer in mijn buik. We zijn samen nog de trap afgelazerd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 16 april 2017, opgenomen op pagina 265 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

V: Hoe kwam de schutter de woning binnen?

A: De bewoners gooide weer de sleutel vanuit het raam naar beneden.

V: Wie bevond zich waar in de woning toe de schutter binnen kwam?

A: Wij zaten aan tafel. De schutter was een lange magere man.

V: Wat heeft de schutter allemaal gezegd?

A: Niet veel. Hij sprak kort met de bewoner maar ik weet niet meer wat er allemaal is gezegd. Ineens pakte hij een pistool uit zijn jas. Ik ging staan. Hij richtte zijn pistool in onze richting en in de richting van de tas. Hij riep nog: 'Geef hier'. Ik weet niet wat mij bezielde maar ik sloeg zijn arm weg. De arm en hand waarin hij het pistool vasthield. Daarna kwam ik achter hem. Ik pakte hem vast en ben bewust met hem de trap afgerold. Ik hoopte dat hij daardoor het wapen los zou laten.

V: Wanneer viel het eerste schot?

A: Tijdens de val op de trap. Ik heb nog een brandplek op de bovenzijde van mijn linkerhand.

V: Brandplek door mondingvuur van het wapen?

A: Ik denk het wel.

V: En het tweede en derde schot?

A: Onderaan de trap op de eerste verdieping. Ik weet niet welk schot mij raakte maar ik voelde meteen pijn in mijn buik.

V: Wat voelde je nog meer?

A: Ik had pijn, werd misselijk, begon te zweten en raakte in shock. Toen ik op de grond lag, rende de schutter de woning uit.

V: Wat deed het met jou lichamelijk en geestelijk toen je werd neergeschoten?

A: Er ging van alles door mij heen. Mijn buik deed pijn, ik begon te zweten en werd misselijk. Ik werd duizelig en raakt in shock. Als het tien minuten langer had geduurd, was ik er niet meer geweest. Ik ben geopereerd en heb op de intensive care gelegen. Mijn darmen zijn door de kogel op 21 plaatsen beschadigd. Ik heb nu een stoma.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 9 augustus

2017, opgenomen op pagina 273 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik wil het graag met je hebben over de jas die je droeg tijdens de schietpartij in Groningen op 14 april 2017. Ook wil ik het hebben over de man die jou beschoten heeft en over het letsel wat je hebt opgelopen n.a.v. de schietpartij.

De getuige verklaarde:

Ik omschrijf de jas als zwart, wolachtig, hij lijkt een beetje ingehaakt, met een soort motiefje. Het is een tussenin jas, geen winterjas, een beetje voor in de herfst. De jas viel net over mijn riem. Ik had de jas aan op 14 april 2017. Tijdens de worsteling in de [straatnaam] droeg ik deze jas.

U vertelt mij dat er DNA van [verdachte] op de rechtermouw van mijn jas is terechtgekomen. Ik kan u verklaren dat dit dan moet zijn gebeurd tijdens de worsteling die ik met hem had. Ik heb in mijn aangifte al verteld dat ik de man met mijn rechterarm om zijn hoofd/ hals/ schouders heb gepakt. Toen moet de DNA van hem op mijn jas zijn achtergebleven, dat kan niet anders.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van de GGD d.d. 22 mei 2017, opgesteld

door mw. drs. T. Naujocks, forensisch arts GGD Groningen, opgenomen op pagina 182 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Betreft: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1983

Recent ontving ik van bovenstaande persoon de door u opgevraagde medische informatie van het UMCG.

Betrokkene kwam op de Spoedeisende Eerste Hulp van het UMCG binnen na een

schietincident.

Bij onderzoek bleek sprake van een schotwond boven het schaambeen, links van het midden, verspreid vrije lucht en een kogel in de rechter bil. Wegens verdenking op inwendig letsel werd betrokkene geopereerd waarbij sprake bleek van bloed en ontlasting in de buik ten gevolge van een twintigtal letsels (doorboringen) van de kronkeldarm en een doorboring van de voorzij de van de endeldarm 1.

Behandeling bestond uit het verwijderen van in totaal 50 cm van de kronkeldarm ( ca. 17% van het totaal). Op 4 plaatsen werden dunne darmdelen aan elkaar gehecht. Tevens werd de endeldarm verwijderd en kreeg betrokkene een blijvend stoma (kunstmatige darmuitgang). De buik werd gespoeld en de inschotwond werd omsneden. Ook werd-via een aparte snede - de kogel uit de rechter bil verwijderd en aan de politie overhandigd.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 14 juni 2017,

opgenomen op pagina 150 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 1] :

Ik ben uiteindelijk verhuisd naar de [straatnaam] . [naam] heeft mij toen ook geholpen met verhuizen. De schutter heb ik misschien maar 1 of twee keer gezien. Ik ken de schutter niet van naam. Ik ken hem als 'de lange'. [naam] heeft mij aan hem voorgesteld. Toen ik eenmaal aan het verhuizen was heeft hij gezegd: "Ken jij niet iemand die pillen kan regelen; of je die twee samen kan brengen”.

Die twee weken daarvoor heb ik contact opgenomen met [getuige 2] en heb ik hem gevraagd: "Kan je dat misschien regelen”. Dat ik die twee mensen samen kan brengen. Ik heb toen bij [getuige 2] aangeklopt. Ik heb met de schutter gebeld en geappt.

V: Hoe is de schutter de 1ste keer bij jou in de woning gekomen.

A: Ik had hem mijn adres gegeven. Ik heb hem binnen gelaten want [getuige 2] was er toen nog niet. Toen later kwam [getuige 2] en toen is hij weer weg gegaan. [getuige 2] kwam in de woning toen de schutter al aanwezig was.

V: Hoe is hij de 2de keer binnengekomen?

A: Toen waren we met z'n drieën. Toen was [slachtoffer] er ook bij. [slachtoffer] .

V: Hoe is het precies gegaan met de pillen?

A: Ze gingen de pillen tellen. Eenmaal na het tellen van de pillen is de schutter naar het toilet gelopen. Hierna heeft het schietincident plaats gevonden. Hij kwam terug van het toilet en trok een pistool. Hij ging niet voor de volledige 4000 pillen maar alleen voor de 3000 pillen. Er is geschoten. Ik heb [getuige 2] naar mij toe getrokken tegen de muur. Vervolgens is [getuige 2] gaan rennen naar beneden toe. Ik rende naar mijn slaapkamer toe en schoof in de slaapkamer mijn bureau tegen de deur. Toen is een 3e schot gelost. Ik heb op een gegeven het bureau weer achteruit gehaald en ik ben naar beneden gelopen. Ik zag [slachtoffer] liggen in de trapopening, 1 trap naar beneden liggen. . [slachtoffer] zei tegen mij dat hij was geschoten en zo.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

9 augustus 2017 met bijlagen, opgenomen op pagina 519 e.v. van voornoemd dossier,

inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op 28 juni 2017 te 15.03.46 uur werd ik, verbalisant, gebeld door [getuige 1] . [getuige 1] is verdachte in de zaak Navist. De verdachte [getuige 1] verklaarde dat hij bij het schorsingsverzoek, de schutter van de schietpartij in de [straatnaam] te Groningen had aangewezen. De telefoongesprekken van de verdachte [getuige 1] werden op dat moment afgeluisterd. Het gesprek is daarom letterlijk uitgetikt.

Samenvatting:

[getuige 1] belt met de recherche

[getuige 1] Ik heb hem dus gewoon gezien. Jullie hebben hem dus al gewoon gehad. Ik heb die foto gezien maar dat is hem gewoon. Dat is de schutter. Ik denk Ik zeg het maar even

J: Mag ik even zeggen dat je niet tot antwoorden verplicht bent? maare ehh Kun je even een naam erbij zeggen?

[getuige 1] Nou ja die stond erbij. De naam. [verdachte] stond erbij. Maar ik weet niet hoe die heet. Dat stond bij die dinges. Maar dat is hem gewoon. 100 procent 100 procent en wat ik ook nog weet van hem is dat ie een Cartier horloge heeft. Misschien dat dat helpt met het aanhouden van hem. Maar ik weet gewoon 100 procent dat dat hem is. Dat heb ik ook tegen de rechters gezegd hoor. Ik heb ook tegen de rechters gezegd. Gaat helemaal nergens over want jullie hebben hem gewoon laten schieten.

J: Nee nee nee nee nee we hebben helemaal niets laten schieten. We hebben iets laten schieten.

[getuige 1] Oke want het kan ook zo zijn dat die [slachtoffer] expres hem wil laten gaan. Dat ie dan een represaille op hem kan gooien. Dat ie daarom niet zegt wie dat is. Ik weet ook niet precies waarom hij hem niet aanwijst.

J: (gesprek valt weg)

[getuige 1] Ja [verdachte] ofzo heet ie toch? zoiets?

J: Oke maar in ieder geval .... Jij zegt... ... 100 procent zeker dat die [verdachte]

[getuige 1] 100 procent

J: Jij zegt....Die [verdachte] ... ... die foto die bij het proces verbaal zat dat is hem. Dat is de schutter.

[getuige 1] Hij had geen snor, toen ie die schoot had ie geen snor. Maar hij had daar een snor. Maar dat is hem 100 procent. Ik denk ik zeg het maar even.

J: Je herkent hem ..... had ie hetzelfde haar ook? En toestanden? Alleen geen snor zeg jij

[getuige 1] Ja hij had alleen geen snor. Maar ik heb hem dus drie keer gezien. Nee vier keer zelfs. Die dag heb ik hem twee keer gezien en daarvoor heb ik hem nog twee keer gezien. Met dat huis. Met die [naam] . Hel is voor mij ...... kijk [slachtoffer] heeft hem misschien die anderhalf twee minuten daar gezien. Ik heb hem al een aantal keren gezien. Ik weet het eigenlijk wel zeker. Ik zie het gewoon aan zijn gezicht en alles.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen in verband met

tussenvonnis d.d. 20 november 2017, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op dinsdag 30 mei 2017 werd door verbalisanteen proces-verbaal opgemaakt. Zij had namelijk een onderzoek gedaan aan de hand van de door [getuige 3] , de vriendin van verdachte [getuige 1] , aan ons verstrekte gegevens.

Deze gegevens werden op dinsdag 23 mei 2017 tijdens het verhoor met [getuige 3] verklaard. In dat onderzoek kwam de uit die verstrekte gegevens [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1995, als de mogelijke onbekende schutter naar voren. De personalia, alsmede een politiefoto, werden uit het politiesysteem BVI-B gehaald. Deze gegevens, inclusief de foto van [verdachte] werden in dit proces-verbaal vermeld.

Op woensdag 28 juni 2017 werd de raadkamerzitting de vordering tot bevel verlenging

gevangenhouding van verdachte [getuige 1] behandeld.

Voor die zitting werd een proces verbaal van voortgang opgemaakt. In dit proces verbaal werd ook het eerder genoemde proces verbaal van onderzoek kenteken [nummer] als bijlage bijgevoegd.

Tijdens deze raadkamerzitting heeft verdachte [getuige 1] ook verklaard dat hij de schutter herkende aan de hand van de foto, die in het proces verbaal van voortgang zat.

Onderzoek BVI-IB

Uit het ingestelde onderzoek naar BVI-IB is het navolgende gebleken :

Op 19 december 2016 werd er een mutatie met betrekking tot een verdachte situatie opgemaakt. [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te Groningen, woonachtig aan de [straatnaam] te Groningen, maakte gebruik van het voertuig. [verdachte] reed met een ontzegging van de rijbevoegdheid en had nog een betekening in persoon openstaan. Hiervoor werd hij aangehouden.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 11 mei

2017, opgenomen op pagina 619 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van

verbalisant(en):

Het onderzoek is verricht in en rond een woning op het adres: [straatnaam]

Groningen.

Aan de zijde van de woning, [straatnaam] , stond, in de lengterichting op de straat,

een personenauto, merk Volkswagen Golf, met een open aanhangwagen geparkeerd. Tussen de voorzijde van deze auto en de voorgevel, van perceel. [nummer], stond een personenauto, merk Peugeot, geparkeerd, met de voorzijde naar de woning. Tussen beide auto's was nog een smalle doorgang. Voor de Volkswagen Golf, nabij de genoemde doorgang lagen een donkerkleurig vest (SIN AAJG3853NL) en een blauwe spijkerbroek.

In de woning had men geen personen meer aangetroffen. Wel had men in de woning meerdere pillen of delen hiervan aangetroffen en drie lege, vermoedelijk verschoten, hulzen.

Op 14 april 2017 vanaf omstreeks 21:00 uur, hebben wij, verbalisanten een onderzoek verricht, in de woning een forensisch onderzoek ingesteld.

De woning bestond uit drie lagen, een begane grond, een eerste verdieping en een

tweede verdieping. De woning bleek door meerdere personen bewoond/gebruikt te worden. Achter de, openstaande, voordeur was een gang, langs de linkerzijde van de woning. Rechtsachter in de gang - was een trap naar de eerste verdieping. De trap was voorzien van houten treden, betimmerd met een tapijtloper.

Op de vloer van de overloop van de eerste verdieping, voor de deur naar de voorste ruimte lag een deurmat. Ongeveer midden voor deze deurmat lag een lege, vermoedelijk verschoten, huls.

De trap van de eerste naar de tweede verdieping, was van hout en de treden waren beplakt met een half ovaal stukje tapijt. De tweede trap kwam uit op de tweede verdieping. Deze tweede verdieping was verdeeld in: een slaapkamer, een "L"-vormige woonkamer/keuken en een badkamer, met toilet.

De inrichting van de woonkamer/keuken wordt beschreven vanaf de laatste trap, gezien

in de richting van de voorzijde van de woning. In de keuken, tussen de vaatwasmachine en de badkamerdeur, zat een nagenoeg rond gat in de vloer. In de hoek van het traphekje en de muur van de badkamer stond een koelkast, met hierop een magnetron. Op de vloer, voor de koelkast, lag een lege, vermoedelijk verschoten, huls. In een deurtje, van een keukenkastje, en in de zijwand hiervan waren al vermoedelijke kogelgaten aangetroffen. Bij verwijdering van de vaatwasmachine troffen wij in voormelde wand een kogel aan. De gaten lagen in één lijn, waarbij het gat, in het deurtje enkele centimeters hoger

zat dan het gat in de zijwand. Wij hebben de denkbeeldige lijn, door deze gaten

doorgetrokken, in de richting van de achterzijde van de woning. Deze denkbeeldige lijn

liep door naar een punt, boven de bovenste treden van de trap, van de eerste naar de

tweede verdieping.

In de keuken, tussen de vaatwasmachine en de badkamerdeur, zat een nagenoeg rond gat

in de vloer. Nadat wij enkele laminaten vloerplaten hadden verwijderd vonden wij een

gat in de betonnen vloer, met hierin en -bij kogelfragmenten. Door de richting van het

gat, in het laminaat, en de beschadiging in de betonnen vloer hebben wij een

schaatsbaan getrokken in de richting van de achterzijde van de woning. Deze

denkbeeldige lijn liep door naar een punt, boven de bovenste treden van de trap, van

de eerste naar de tweede verdieping. De trap van de eerste naar de tweede verdieping was aan de onderzijde afgedekt met een plaat multiplex. Ongeveer in het midden, aan de onderzijde van deze plaat zat een nagenoeg rond gat. Nadat wij een deel van deze plaat hadden verwijderd, zagen wij dat achter het gat, in de plaat, een trede, van de trap naar de tweede verdieping zat. In het hout van deze trede vonden wij een kogel. Vanuit de vindplaats van de kogel en door het gat in de plaat multiplex hebben wij een schotbaan getrokken, naar de overloop, op de eerste verdieping. Deze denkbeeldige lijn liep door naar een punt, op het kortste deel van de overloop.

De houten treden, van de trap, van de eerste naar de tweede verdieping, sloten niet

goed aan op de achterwand, waardoor hier een gleuf was. In één van de gleuven lag weer

een roze pilletje, wat bij meerdere, los in de woning gevonden pilletjes is gevoegd.

In de gleuf, bij de derde trede van boven, werd een lege, vermoedelijk verschoten, huls gevonden.

Gelet op de verkregen tactische informatie en de aangetroffen situatie, in de woning:

- de vorm en plaats van de kogelgaten in het keukenkastje en de vloer,

- het aantreffen van de verschoten hulzen in de keuken en op de trap,

vinden wij het aannemelijk dat:

- er tweemaal in de woonkamer/keuken is geschoten, waarbij de schutter zich zeer

waarschijnlijk, in de keuken ter hoogte van de koelkast of op de bovenste

traptreden, heeft bevonden.

Gelet op de verkregen tactische informatie en de aangetroffen situatie, in de woning:

het aantreffen van twee verschoten hulzen, op de overloop, van de eerste verdieping,

- de vorm en plaats van het kogelgat, in de betimmering van de trede, van de trap, van de

eerste naar de tweede verdieping,

- het aantreffen van één kogel in het lichaam van het slachtoffer,

vinden wij het aannemelijk dat:

er, op de overloop, op de eerste verdieping, éénmaal is geschoten, waarbij de

schutter zich zeer waarschijnlijk heeft bevonden op de overloop, ter hoogte van de

aansluiting van de trap, van de begane grond naar de eerste verdieping op de

overloop(kogel in de traptrede), dat er, op de overloop, op de eerste verdieping, een tweede maal is geschoten, waarbij het slachtoffer gewond is geraakt. De plaats waar de schutter hierbij heeft gestaan is, bij het onderzoek, niet duidelijk geworden.

Gelet op de verkregen tactische informatie en de aangetroffen situatie, in de woning,

vinden wij het aannemelijk:

- dat mag worden aangenomen dat er eerst tweemaal in de woonkamer/keuken is geschoten,

- dat mag worden aangenomen dat er vervolgens tweemaal op de overloop, van de eerste

verdieping is geschoten,

- dat niet is na te gaan of er eerst in de traptrede dan wel in het slachtoffer is

geschoten.

Gelet op de verkregen tactische informatie en de aangetroffen situatie, in de woning

(dezelfde merk en kaliber hulzen), vinden wij het aannemelijk:

- dat er met één vuurwapen is geschoten.

9. Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands

Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer

2017.05.12.218, d.d. 21 juli 2017 opgemaakt door drs. C. van Kooten, op de door

hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op

pagina 539 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Onderzoek naar biologische sporen

In de aanvraag onderzoek is vermeld dat het vest AAJG3853NL van het slachtoffer

[slachtoffer] is en dat deze de schutter in een nekklem heeft gehad met de rechterarm. De

buitenzijde van de rechtermouw van het vest is daarom ter hoogte van de binnenzijde

van de elleboog bemonsterd met als doel het veiligstellen van biologische

contactsporen. Deze bemonstering Is als AAJG3853NL#01 veiliggesteld voor DNA·

onderzoek. Indien noodzakelijk kunnen nog andere bemonsteringen van het vest

worden veiliggesteld.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 8 mei 2017,

opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 2] :

V: [getuige 2] , we willen graag alle tijden op een rijtje hebben van wat er op vrijdag 14 april 2017 gebeurd is. Wij noemen dat een tijdslijn. Zullen we de dag doornemen? Dan gaan we je vragen waar je was op welk tijdstip. Begrijp je dit?

A: Ja.

V: [slachtoffer] belde jou om 19.14 uur? Kan dat kloppen?

A: Ja, toen zei hij dat hij onderweg was vanaf huis, vanaf Helpman. [slachtoffer] werd opgepikt door de jongen die wat had gehaald. Iemand uit Amsterdam of zo. Dit duurt 15 a 20 minuten. [getuige 1] vroeg hoe lang het duurde, ik zag toen dat [slachtoffer] er net aankwam. [getuige 1] belde naar de schutter, net nadat [slachtoffer] belde. Ik zei tegen [getuige 1] dat het ongeveer 15 a 20 minuten zou duren dat [slachtoffer] kwam.

V: Wie komt er als eerste aan?

A: [slachtoffer] , daarna de schutter.

V: Hoe laat was dat?

A: Hoe laat was de schietpartij?

V: Dat was rond 19.40 uur.

A: Dan moet [slachtoffer] ongeveer 10 minuten eerder zijn binnengekomen.

V: Hoeveel tijd zat er tussen de aankomst van [slachtoffer] en van de schutter.

A: Ongeveer 5 a 10 minuten, de schutter was er snel.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juli

2018, opgenomen op pagina 513 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van

verbalisant(en):

Op 20 juli 2017 is [getuige 4] gehoord als getuige. [getuige 4] bevestigde een relatie te hebben met [verdachte] . [getuige 4] verklaarde verder dat zij elkaar niet heel vaak zien maar dat ze wel veelvuldig telefonisch contact met elkaar hebben.

Op 20 juli 2017 heb ik de historische gegevens telefonie vanaf 1 maart 2017 tot en met 17 juli 2017 van het telefoonnummer [mobielnummer] onderzocht. Vanuit de opgevraagde CIOT gegevens blijkt dat dit telefoonnummer op naam staat van [getuige 4] en ook bij haar in gebruik is. Gezien het feit dat [getuige 4] verklaarde veelvuldig telefonisch contact te hebben met [verdachte] heb ik de telefoonnummers waar zij het meest mee in contact stond eruit gefilterd van de periode 1 maart 2017 tot en met 17 juli 2017.

Telefoonnummer [mobielnummer] :

Vanaf 1 maart 2017 tot en met 16 april 2017 is er veelvuldig telefonisch contact met het telefoonnummer [mobielnummer] . Op en na 16 april 2017 is er geen telefonisch contact meer met dit telefoonnummer. Dit is 2 dagen na het schietincident op 14 april 2017.

Op 21 juli 2017 zijn de historische gegevens telefonie gevorderd van het telefoonnummer [mobielnummer] . Hierop is te zien dat in de periode van 1 maart 2017 tot en met 16 april 2017 in totaal 1540 keer telefonisch contact is geweest met het telefoonnummer [mobielnummer] , welke op naam staat van [getuige 4] .

Gebruik telefoonnummer [mobielnummer] op 14 april 2017, dag van het schietincident:

Op de dag van het schietincident, 14 april 2017, is te zien dat het telefoonnummer [mobielnummer] , 45 keer in contact is met het telefoonnummer van [getuige 4] . Blijkens bovenstaande informatie is het aannemelijk dat het telefoonnummer [mobielnummer] op de dag van de schietpartij, 14 april 2017, en de periode daarvoor in gebruik was bij verdachte [verdachte] .

Op 21 juli 2017 werden de historische verkeersgegevens telefonie opgevraagd van het telefoonnummer [mobielnummer] bij provider KPN (Lebara) met als doel het gebruik te onderzoeken en de verdachte [verdachte] eventueel te kunnen opsporen. Er werd een periode aangevraagd van 1 maart 2017 tot en met 17 juli 2017. Uit een bevraging bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) bleek dat het telefoonnummer niet op-naam staat en een zogenaamd prepaid-nummer is.

Het overzicht van het telefoonnummer [mobielnummer] werd gesorteerd op de datum van het schietincident 14 april 2017 en is bij dit proces-verbaal gevoegd.

Uit het overzicht moge blijken:

Vanaf 14 april 2017 werden enkele tientallen contacten geregistreerd, waarbij er vrijwel alleen contact is met het telefoonnummer van [getuige 4] . [getuige 4] heeft een relatie met verdachte [verdachte] .

Vanaf 14.37 uur die dag werden weer masten aangestraald in Groningen.

Omstreeks 19.22 01 uur werd een inkomende SMS geregistreerd waarbij een mast werd aangestraald op [straatnaam] te Groningen. Deze mast is geplaatst nabij de ringweg, de Plataanlaan, op het Zernike complex.

Binnen dezelfde minuut omstreeks 19.22.51 uur, kort voor de schietpartij, belde de gebruiker naar het telefoonnummer van [getuige 4] waarbij een mast werd aangestraald op de [straatnaam] te Groningen. De mast aan de [straatnaam] ligt in de onmiddellijke omgeving van de plaats delict, [straatnaam] te Groningen

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op 14 april 2017 is [slachtoffer] naar de woning aan de [straatnaam] te Groningen gegaan met een hoeveelheid xtc-pillen in verband met een drugsdeal die daar zou gaan plaatsvinden. [getuige 1] was aldaar op de tweede verdieping woonachtig.

[slachtoffer] is rond 19.40 uur in die woning aangekomen. [getuige 1] en [getuige 2] waren op dat moment daar aanwezig. Kort daarna kwam de man die de drugs zou kopen in de woning. Nadat de xtc-pillen waren geteld, heeft de vermeende koper een vuurwapen tevoorschijn gehaald. Als reactie daarop heeft [slachtoffer] de hand waarin de koper het wapen vasthield weggeslagen. Er is hierna een worsteling ontstaan tussen [slachtoffer] en de koper, waarbij zij via de trap op de eerste verdieping terecht zijn gekomen en waarbij er door de koper meerdere schoten zijn gelost en waarbij verdachte [slachtoffer] in diens buik heeft geschoten.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verdachte de schutter is die op 14 april 2017 in de woning van [getuige 1] is geweest. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van de stukken kan worden vastgesteld dat dit het geval is.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij verdachte op de bedoelde dag en ook daarvoor enkele keren heeft gezien. [getuige 1] was de persoon die op die dag als contactpersoon fungeerde voor de verdachte bij het regelen van de drugsdeal. Toen [getuige 1] op een later tijdstip tijdens een raadkamerbehandeling in het gebouw van de rechtbank de foto van verdachte zag, herkende hij verdachte als de schutter. [getuige 1] heeft hierna op eigen initiatief de politie gebeld en deze hiervan op de hoogte gebracht. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de herkenning door [getuige 1] te twijfelen.

Voorts blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] dat hij tijdens de worsteling met de verdachte, zijn rechterarm om diens hoofd en/of diens hals heeft geklemd. [slachtoffer] had toen een zwart vest aan. Dit vest is door het NFI onderzocht op de aanwezigheid van DNA-sporen. Aan de buitenkant van de rechtermouw - ter hoogte van de binnenzijde van de elleboog - van voornoemd vest, is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Door het NFI is geconcludeerd dat in het mengprofiel celmateriaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van onder andere verdachte. Wat er zij van de bewijswaarde van dat celmateriaal in de onderhavige zaak, daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat verdachte fysiek contact heeft gehad met [slachtoffer] op het tijdstip genoemd en op de wijze als omschreven door [slachtoffer] , terwijl de aanwezigheid van bedoeld (meng-)profiel niet op een andere wijze kan worden verklaard, althans verdachte ten overstaan van de politie noch ter zitting een alternatieve, aannemelijke verklaring voor die aanwezigheid heeft gegeven.

Daarnaast is uit nader onderzoek gebleken dat er vanaf 1 maart 2017 tot en met 16 april 2017 veelvuldig contact was tussen het telefoonnummer van [getuige 4] , de vriendin van verdachte en het telefoonnummer [mobielnummer] . Door [getuige 4] is verklaard dat zij en verdachte elkaar niet veel zagen, maar dat ze wel veelvuldig telefonisch contact met elkaar hadden. Gedurende de onderzochte periode had [getuige 4] verreweg het meeste contact met voornoemd telefoonnummer. Op basis hiervan acht de rechtbank het aannemelijk dat bedoeld telefoonnummer door verdachte werd gebruikt. Uit de historische telefoongegevens blijkt dat dit telefoonnummer op 14 april 2017 om 19.22 uur een mast heeft aangestraald op de [straatnaam] te Groningen. De [straatnaam] ligt in de onmiddellijke omgeving van [straatnaam] . Het schietincident heeft omstreeks 19.40 uur plaatsgevonden.

Op basis van de herkenning door [getuige 1] , de plaats op het vest van [slachtoffer] waar celmateriaal dat van verdachte kan zijn is aangetroffen en de historische verkeersgegevens van de telefoon, waarbij de rechtbank het ervoor houdt dat deze door verdachte werd gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bedoelde schutter is. Verdachte heeft [slachtoffer] dan ook met een vuurwapen in zijn buik geschoten.

De volgende vraag die beantwoord moet worden is hoe verdachtes gedraging juridisch moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank overweegt dat op basis van de bewijsmiddelen niet vast is komen te staan dat bij het schieten verdachtes oogmerk gericht was op het stelen van de xtc-pillen. De rechtbank acht het schietincident als een losstaand voorval dat is ontstaan naar aanleiding van de worsteling tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte zal om die reden van deze strafverzwarende omstandigheid, te weten dat het schieten gericht is geweest op het, kort gezegd, vergemakkelijken van het plegen van een ander delict, worden vrijgesproken.

Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft in een gespannen situatie - tijdens een drugsdeal - een doorgeladen vuurwapen op korte afstand op [slachtoffer] gericht en gericht gehouden. [slachtoffer] heeft zich vervolgens hiertegen verzet, door de hand waarin het vuurwapen zich bevond weg te slaan. Er is vervolgens een worsteling ontstaan, waarbij verdachte het vuurwapen de hele tijd bleef vasthouden en meerdere schoten heeft gelost. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat onder deze omstandigheden iemand komt of kan komen te overlijden. Het op voorhand laden van een vuurwapen met scherpe munitie, het bij zich steken van dat wapen, het pakken, richten van dat wapen op [slachtoffer] en tijdens de worsteling meerdere malen schieten met dat wapen, zijn gedragingen die, tezamen genomen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg (het neerschieten van de ander) dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op de (poging tot) levensberoving van het slachtoffer. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet van het gehele primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Weliswaar dient verdachte van de hem primair ten laste gelegde gekwalificeerde omstandigheid als nader omschreven in art. 288 Sr te worden vrijgesproken, doch het resterende gedeelte van het primair ten laste gelegde gronddelict, zijnde de (poging tot) doodslag, kan worden bewezen.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 14 april 2017 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels op betrekkelijk korte afstand op en/of in de richting van die [slachtoffer] heeft afgevuurd en/of heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair poging tot doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak gepleit en heeft omtrent de strafmaat geen verweer aangevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Tijdens een worsteling met het slachtoffer heeft verdachte meerdere malen geschoten, waarbij het slachtoffer in zijn buikstreek is geraakt. De gevolgen voor het slachtoffer zijn ingrijpend geweest, getuige de ziekenhuisopname en de slachtofferverklaring. Gebleken is dat het slachtoffer blijvend afhankelijk is van een stoma en dus blijvend lichamelijke gevolgen ondervindt van de gebeurtenis. Het is daarnaast evident dat een dergelijke gebeurtenis ook langdurige psychische gevolgen voor een slachtoffer kan hebben. Dat dit ook hier het geval is, blijkt eveneens uit de eerder vermelde verklaring van het slachtoffer.

De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Hij heeft immers het leven van het slachtoffer op het spel gezet. De rechtbank rekent verdachte ook zwaar aan dat door zijn toedoen het onderhavige incident heeft plaatsgevonden in een woonwijk en aldus voor het publiek waarneembaar. Het is evident dat de rechtsorde hierdoor ernstig geschokt is. Tenslotte wordt het de verdachte zwaar aangerekend dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedraging.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het opmaken van een reclasseringsrapport of een andere vorm van rapportage omtrent zijn persoon. Ook ter terechtzitting is niet meer bekend geworden over de persoon van verdachte.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur aangewezen is. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden en zal deze opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.504,85 ter vergoeding van materiële schade en € 50.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering gevorderd met uitzondering van de kosten die betrekking hebben op de laptoptas, de schoenen en het horloge. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, dit gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

Subsidiair dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard omdat behandeling van deze vordering voor een onevenredige belasting van het strafgeding zal zorgen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het deels primair bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 april 2017.

Ook met betrekking tot de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op € 10.000,-. De rechtbank beschikt met betrekking tot het overige deel van de vordering over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen vaststellen. Dit deel is onvoldoende onderbouwd waardoor niet eenvoudig is vast te stellen wat de relatie is met het strafbare feit. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het subsidiair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 12.504,85 (zegge: twaalfduizend vijfhonderdenvier euro en vijfentachtig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 12.504,85 (zegge: twaalfduizend vijfhonderdenvier euro en vijfentachtig eurocent euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 2.504,85 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en

mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2018.

Mr. M.J. Oostveen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.