Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:754

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
C/17/158462 / KG ZA 17-324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Procesbesluit, bezit, verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/158462 / KG ZA 17-324

Vonnis in kort geding van 7 maart 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

RECREATIESCHAP VOOR HET FRIESE WATER EN LAND "DE MARREKRITE",

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres,

advocaat mr. J.A. Vos, kantoorhoudende te Nijkerk,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B. Nijman, kantoorhoudende te Wageningen.

Partijen zullen hierna De Marrekrite en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De voorzieningenrechter heeft opnieuw kennisgenomen van de processtukken, waaronder het tussenvonnis van 31 januari 2018. De voorzieningenrechter heeft bij dit vonnis De Marrekrite nogmaals in de gelegenheid gesteld om bij akte een ordentelijk procesbesluit in het geding te brengen, waaruit volgt dat het dagelijks bestuur conform artikel 10 van het Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende gemeenschappelijke regeling voor recreatie in de provincie Fryslân (verder: het Instellingsbesluit) voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding heeft besloten tot het voeren van onderhavige kort geding-procedure dan wel nadien heeft besloten tot bekrachtiging van de onbevoegd namens haar verrichte rechtshandeling tot het voeren van deze procedure.

1.2.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de akte overlegging en uitlating van De Marrekrite en de akte houdende uitlating van [gedaagde] . Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding de feiten opnieuw vast te stellen. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.2.

De Marrekrite is een samenwerkingsverband in de vorm van een gemeenschappelijke regeling, waarin de provincie Fryslân en 19 Friese gemeenten deelnemen. De taken van De Marrekrite behelzen onder meer het bevorderen van waterrecreatie, door het tot stand brengen, beheren en onderhouden van voldoende aanlegplaatsen midden in de vrije natuur.

2.3.

In het Instellingsbesluit is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

Artikel 10 Werkwijze en besluitvorming

1. 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of één van de leden dit nodig acht.

2. 2. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem.

3. 3. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

4. 4. De vergadering wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meet dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

5. 5. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, een nieuwe vergadering.

6. 6. Op de vergadering, bedoeld in het vijfde lid, is het vierde lid niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien alle zitting hebbende leden tegenwoordig zijn.

7. 7. Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter.

8. 8. Het dagelijks bestuur kan voor zijn vergaderingen een reglement van orde vaststellen.

(…)

Artikel 15 Taken en bevoegdheden dagelijks bestuur

1. 1. Tot de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur behoren in elk geval:

(…)

f. te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;"

2.4.

Bij leveringsakte van 8 juni 2004 heeft De Marrekrite van de vereniging It Fryske Gea (hierna: It Frykse Gea) onder meer geleverd gekregen het perceel, kadastraal bekend Grouw, sectie E, nummer 480. Dit perceel bestaat grotendeels uit water; de noordwestelijke hoek bestaat evenwel uit een gedeelte van een landtong die deel uitmaakt van het eiland De Burd, hierna aangeduid als de “Marrekrite landtong”.

2.5.

In de leveringsakte staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

Overeenkomst van koop/levering

IFG [It Fryske Gea; toevoeging voorzieningenrechter], Ballast [Ballast Nedam Baggeren B.V.; toevoeging voorzieningenrechter] en De Marrekrite hebben, blijkens een in de maand mei tweeduizend vier ondertekende overeenkomst, hierna aangeduid met “het koopcontract”, een koopovereenkomst gesloten waarbij IFG heeft verkocht aan Ballast, zoals Ballast van IFG heeft gekocht, de hierna te noemen registergoederen, en waarbij Ballast op haat beurt heeft verkocht aan De Marrekrite, zoals De Marrekrite van Ballast heeft gekocht, de hierna te noemen registergoederen. In het koopcontract zijn partijen overeengekomen dat de hierna te noemen registergoederen rechtstreeks door IFG aan De Marrekrite zullen worden geleverd.

(…)

Voorgaande titel

IFG heeft verklaard dat het verkochte door hem is verkregen door de overschrijving

(thans: inschrijving) ten hypotheekkantore (thans: kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers) te Leeuwarden op elf september negentienhonderd éénennegentig in register Hypotheken 4, deel 6810, nummer 61, van een afschrift van een akte van levering, houdende kwijting voor betaling van de koopsom en afstand van het recht om ontbinding van de overeenkomst te vorderen, welke akte op elf september negentienhonderd eenennegentig is verleden voor mr. D.W. van Terwisga, destijds notaris te Leeuwarden.

(…)

d. Het verkochte is thans ongevorderd en niet zonder recht of titel in gebruik bij derden.

e. Het verkochte is thans ontruimd, vrij van huren en andere gebruiksrechten en aanspraken.

(…)

g. Er zijn IFG geen kwalitatieve verplichtingen in de zin van artikel 6:251 en volgende van het Burgerlijk Wetboek bekend, anders dan hetgeen is vermeld in een akte van vestiging kwalitatieve verplichting, verleden op achttien maart negentienhonderd zeven en negentig (…), in welke akte woordelijk staat vermeld:

“OVEREENKOMST EX ARTIKEL 6:252 BURGERLIJK WETBOEK.

1. Eigen verbintenis

It Fryske Gea verbindt zich bij deze tegenover de gemeente tot het volgende:

Het is aan It Fryske Gea als rechthebbende op het registergoed, zulks met uitzondering van een zuid-oostelijk gedeelte ter grootte van ongeveer drie en negentig are van voormeld perceel kadaster nummer 452, zonder enige beperking in tijdsduur, verboden om het registergoed anders te (doen) gebruiken en/of in te (doen) richten dan als een voor een ieder, die overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan en eventuele andere publiekrechtelijke regelingen daarvan gebruik wenst te maken, openbaar en vrij toegankelijk gebied.

2.6.

Aan de noordzijde grenst de Marrekrite landtong aan de zuidwestelijke hoek van het perceel, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] , waarop de woning van [gedaagde] , gelegen te [adresgegevens] zich bevindt.

2.7.

Aan weerszijden van deze erfgrens ligt het mandelige perceel kadastraal bekend

[kadastrale gegevens]

2.8.

De ligging van de percelen van De Marrekrite, waaronder de Marrekrite landtong, het perceel van [gedaagde] en het mandelige perceel is weergegeven op de hierna afgebeelde foto.

[kadastrale gegevens]

2.9.

[gedaagde] heeft een gedeelte van de Marrekrite landtong in gebruik genomen. Dat gebruik bestaat onder meer uit de plaatsing van een takkenwal - waarin een niet afgesloten hek is aangebracht - waardoor de toegankelijkheid en het gebruik van het noordelijke gedeelte van Marrekrite landtong worden belemmerd. Op het noordelijke gedeelte van de Marrekrite landtong heeft [gedaagde] eveneens grasvelden aangelegd en beplantingen aangebracht.

2.10.

Bij e-mail van 7 april 2016 heeft de heer [A] (hierna: [A] ), werkzaam bij de provincie Fryslân - voor zover van belang - het volgende aan [gedaagde] bericht:

"Een aantal weken geleden hebben we telefonisch contact gehad over het kappen van bomen op de polderdijk ten zuiden van uw perceel op de [adresgegevens] . Vanuit de Keur van het waterschap is het niet toegestaan dat er bomen of struiken op een kering staan. In het kader van de herinrichting zijn er ook werkzaamheden gepland aan de polderdijk. U hebt aangegeven dat u niet wilt dat de bomen verwijderd worden. Los van de eis uit de Keur blijkt echter dat de grond waarop de bomen staan niet uw eigendom is. Dit is bezit van de Marrekrite. Gistermiddag hebben wij overleg met hen gehad, waarbij we ook de kap van de bomen op dit gedeelte besproken hebben. Marrekrite is hiermee akkoord. Wellicht is het verstandig om nog een keer ter plaatse af te spreken? Op zich hoeven niet alle bomen ten zuiden van uw perceel verwijderd te worden. "

2.11.

Bij e-mail van 30 mei 2016 heeft [A] - voor zover van belang - het volgende aan [gedaagde] bericht:

Naar aanleiding van onderstaande e-mail hebt u aangegeven dat u nog telefonisch contact op zou nemen voor het maken van een afspraak. Dat is nog niet gebeurd. Wij willen binnenkort beginnen met het afronden van de werkzaamheden in dit gebied. Dat betekent ook dat de bomen op de polderdijk verwijderd moeten worden. (…) Verder hebben we geconstateerd dat er een grote hoeveelheid snoeihout (wilgen) dwars op de polderdijk is gedeponeerd.

Het lijkt mij goed om binnenkort een afspraak in te plannen om ter plaatse te kijken.

2.12.

Bij brief van 28 juni 2017 heeft De Marrekrite - voor zover van belang - het volgende aan [gedaagde] bericht:

Wij zijn voornemens om van een deel van het perceel, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] , afstand te doen.

Bij onderzoek is ons gebleken, dat u een deel van het over te dragen perceel in gebruik heeft

genomen, onder meer door aldaar een hek en takkenbossen als afrastering te plaatsen.

Wij stellen u in de gelegenheid om alle zaken die u op ons perceel hebt aangebracht vóór

1 september 2017 te verwijderen.

Om alle onduidelijkheid te vermijden, delen wij u hierbij mede dat u deze brief dient te

beschouwen al een stuitingsactie gelet op Artikel 3: 317 j.o. 306 BW.

2.13.

[gedaagde] heeft niet aan dit verzoek voldaan.

3 Het geschil

3.1.

De Marrekrite vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] in het algemeen zal gebieden het gebruik dat hij maakt van de Marrekrite landtong te staken en gestaakt te houden, en [gedaagde] in het bijzonder te gebieden de takkenwal, de ten zuiden daarvan aangebrachte beplantingen, de grasvelden en de overige beplantingen te verwijderen en verwijderd te houden, en tevens in ieder ander opzicht de Marrekrite landtong te ontruimen en ontruimd te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor elke dag dat hij daaraan niet voldoet;

II. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, met inbegrip van

de nakosten.

3.2.

De Marrekrite heeft - zakelijk weergegeven - het volgende aan haar vordering ten grondsalg gelegd. [gedaagde] heeft een gedeelte van de Marrekrite landtong in gebruik genomen door onder meer een takkenwal te plaatsen en grasvelden en beplantingen aan te legen. De takkenwal is naar inschatting van De Marrekrite in 2015/2016 geplaatst. Door dit gebruik wordt de aansluiting van de Marrekrite landtong op de mandelige weg doorgesneden. Weliswaar heeft [gedaagde] daarmee het noordelijke gedeelte van de Marrekrite landtong niet geheel afgesloten, maar de plaatsing van de takkenwal en de aanwezigheid van de grasvelden en de beplantingen - in onderlinge samenhang beschouwd - lijken een exclusiever wordende aanspraak tot gebruik van de Marrekrite landtong te impliceren. Deze handelwijze van [gedaagde] verdraagt zich noch met de op het perceel rustende kwalitatieve verplichting, noch met het eigendomsrecht van De Marrekrite. Ten aanzien van de kwalitatieve verplichting geldt dat De Marrekrite door de handelwijze van [gedaagde] wordt belemmerd in de naleving daarvan. Door het door [gedaagde] gemaakte gebruik van de Marrekrite landtong kan De Marrekrite het perceel namelijk niet zodanig (doen) inrichten en (doen) gebruiken dat het voor iedereen die dat wenst te gebruiken, geheel toegankelijk is en blijft als een openbaar en vrij toegankelijk gebied. Tussen De Marrekrite en de Grouster Vastgoed Maatschappij B.V. is op 13 september 2016 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een af te splitsen gedeelte van het perceel [kadastrale gegevens] , dat bestaat uit de Marrekrite landtong, alsmede een strook water aan de oost- en zuidzijde daarvan. De exclusiever wordende aanspraak van [gedaagde] tot gebruik van de Marrekrite landtong staat echter aan de totstandkoming van deze transactie - die in het eerste kwartaal van 2018 zijn beslag moet krijgen - in de weg, omdat de Marrekrite landtong volgens deze koopovereenkomst vrij van aanspraken tot gebruik moet zijn.

3.3.

[gedaagde] voert verweer met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van De Marrekrite in haar vorderingen, dan wel ontzegging van deze vorderingen aan haar, met veroordeling van De Marrekrite in de kosten van de procedure.

3.4.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of De Marrekrite in haar vordering kan worden ontvangen, gelet op het verweer van [gedaagde] dat De Marrekrite niet rechtsgelding heeft besloten tot het voeren van de onderhavige procedure. Hierover wordt thans, mede gelet op de inhoud van de aktes na tussenvonnis, als volgt overwogen.

4.2.

Uit de akte overlegging en uitlating van De Marrekrite blijkt dat het dagelijks bestuur van De Marrekrite op 9 februari 2018 om 14.00 uur bijeen is geweest in een buitengewone vergadering, waarbij vier van de zes leden aanwezig waren. Voorts blijkt uit de akte dat tijdens deze vergadering kort gezegd is besloten tot bekrachtiging van de onbevoegd verrichte rechtshandeling, waarbij is besloten tot het voeren van de kort gedingprocedure tegen [gedaagde] . In de considerans bij het besluit is overwogen:

(…) dat het belang van De Marrekrite vergt dat haar recht van eigendom ten aanzien van de Marrekrite-landtong wordt beschermd middels het voeren een rechtsgeding;

dat de daaruit voortvloeiende gevolgen niet zodanig ingrijpend zullen zijn, dat er sprake is van een kwestie die het algemeen bestuur aangaat;

(…)

[gedaagde] heeft in zijn akte houdende uitlating allereerst opgemerkt dat De Marrekrite niet de waarheid heeft gesproken toen zij ter zitting aangaf dat er voorafgaand aan de zitting een rechtsgeldig besluit was genomen tot het voeren van de procedure. Immers, namens De Marrekrite is tijdens de zitting met grote stelligheid verklaard dat het op grond van het Instellingsbesluit vereiste procesbesluit was genomen, terwijl uit het besluit van het dagelijks bestuur van 9 februari 2018 blijkt dat is besloten tot bekrachtiging van een onbevoegd genomen besluit. Er was vóór de zitting dus geen sprake van een ordentelijk procesbesluit. Het is - aldus nog steeds [gedaagde] - verder niet duidelijk of op 9 januari 2018 al wel een besluit door de voorzitter van het dagelijks bestuur was genomen of dat het stuk

- waarop in rechtsoverweging 4.2 van het tussenvonnis wordt gedoeld - pas na 19 januari 2018 is opgesteld. [gedaagde] is van mening dat om die reden sprake is van schending van artikel 21 Rv. Volgens hem is mogelijk zelfs sprake geweest van bewust onjuiste antwoorden op de vragen die hierover tijdens de zitting door de voorzieningenrechter zijn gesteld. Als [gedaagde] tijdens de zitting had geweten dat dit speelde, dan had hij niet instemmend gereageerd op het voorstel om De Marrekritte alsnog in de gelegenheid te stellen het al voorliggende procesbesluit in het geding te brengen. [gedaagde] maakt daarom bezwaar tegen de gelegenheid die de voorzieningenrechter De Marrekrite bij het tussenvonnis heeft geboden en is van mening dat die beslissing teruggedraaid moet worden.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat De Marrekrite na de zitting van 19 januari 2018 een procesbesluit heeft overgelegd waarin wordt vermeld dat op 9 januari 2018 door de voorzitter van het dagelijks bestuur is besloten tot het voeren van dit kort geding. Of dit een geantedateerd stuk zou betreffen, zoals [gedaagde] aanvoert, staat niet vast en is ook niet aannemelijk gemaakt. Wel staat vast dat dit besluit niet aan de wettelijke vereisten voldoet, zoals in het tussenvonnis al is vastgesteld, omdat het alleen door de voorzitter van het dagelijks bestuur is genomen. Nu in deze zaak een zeer uitvoerige inhoudelijke mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, het in geding zijnde gebrek tijdens een civiele procedure gerepareerd kan worden en het alsnog overleggen van een ordentelijk procesbesluit in principe een formaliteit betreft, is om redenen van proceseconomie bij het tussenvonnis besloten om De Marrekrite nog eenmaal in de gelegenheid te stellen een procesbesluit in het geding te brengen, waarbij het ook mocht gaan om een besluit dat een bekrachtiging van een onbevoegd genomen besluit behelst. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op deze beslissing terug te komen, met name niet omdat op dit moment niet vaststaat dan wel voldoende aannemelijk is dat het stuk van 9 januari 2018 geantedateerd zou zijn.

4.4.

Voor wat betreft de vraag of het besluit van 9 februari 2018 aan de vereisten van artikel 15 lid 1 en onder f, laatste zin van het Instellingsbesluit, in samenhang met artikel 33b lid 1 onder f van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, voldoet overweegt de voorzieningenrechter dat in artikel 10 van het Instellingsbesluit is bepaald dat voor het nemen van rechtsgeldige besluiten meer dan de helft van de leden tijdens de vergadering aanwezig is (lid 4) en dat besluitvorming plaatsvindt bij volstrekte meerderheid van stemmen (lid 3). Uit artikel 9 lid 1 van het Instellingsbesluit volgt dat het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vijf andere leden. Nu uit het besluit blijkt dat vier van de zes leden aanwezig waren en alle aanwezigen "voor" hebben gestemd, is in zoverre aan de vereisten voldaan.

4.5.

In het tussenvonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat uit de akte voorts moet blijken of het voeren van dit kort geding ofwel geen kwestie is die het algemeen bestuur aangaat ofwel, indien dat wél het geval is, het algemeen bestuur heeft ingestemd met het voeren van de procedure tegen [gedaagde] . In het besluit van 9 februari 2018 is hierover opgemerkt dat - zie het citaat zoals opgenomen onder 4.2 van dit vonnis - de "gevolgen hiervan niet zodanig ingrijpend zullen zijn, dat er sprake is van een kwestie die het algemeen bestuur aangaat." Geconstateerd kan worden dat in het besluit hieraan aandacht is besteed, zij het summier. [gedaagde] heeft in zijn akte uitlating opgemerkt dat de formulering van het procesbesluit veronderstelt dat het algemeen bestuur een beleid heeft vastgesteld, inhoudende dat over kwesties met ingrijpende gevolgen het algemeen bestuur dient te beslissen, vergezeld van criteria. Uit het besluit blijkt echter niet waarom het algemeen bestuur in dit geval niet bevoegd zou zijn. Verder veronderstelt artikel 15 lid 1 onder f van het Instellingsbesluit dat voorgenomen besluiten ter kennis moeten worden gebracht van het algemeen bestuur. Dat vergt - aldus nog steeds [gedaagde] - een afstemming, waarvan niet is gebleken. Om deze redenen is volgens [gedaagde] nog steeds geen sprake van een rechtsgeldig procesbesluit en dient De Marrekrite niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering jegens hem. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van dit aspect dat uit de onder 4.4. genoemde bepalingen volgt dat het dagelijks bestuur zelfstandig mag besluiten tot het voeren van een rechtsgeding. Alhoewel [gedaagde] kan worden gevolgd in zijn stelling dat het voor de hand ligt dat voorafgaand aan het nemen van een procesbesluit door het dagelijks bestuur afstemming plaatsvindt met het algemeen bestuur, gelet op de inhoud van artikel 15 lid 1 onder f en artikel 19 van het Instellingsbesluit, dat een (algemene) inlichtingenplicht voorschrijft, kan het (mogelijkerwijs) achterwege laten van deze afstemming niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit een politieke kwestie is, die ook op politiek niveau moet worden uitgevochten (zie in zoverre ook ECLI:NL:GHARN:2005:AS7882, rechtsoverweging 5.9, dat overigens betrekking had op de Gemeentewet). Overigens overweegt de voorzieningenrechter dat het dagelijks bestuur niet heeft toegelicht wat de relevantie is van het criterium "ingrijpende gevolgen" in relatie tot artikel 15 lid 1 aanhef en onder f van het Instellingsbesluit. Wat daar ook van zij, dit "criterium" hoeft niet zonder meer te duiden op een beleidskader met criteria, maar kan ook wijzen op een afgesproken gedragslijn dan wel een werkafspraak waarover achteraf verantwoording moet worden afgelegd aan het algemeen bestuur. Gelet op de zelfstandige bevoegdheid van het dagelijks bestuur als zodanig en mede gelet op de inhoud van de kwestie, die bezien vanuit De Marrekrite niet als ingrijpend kan worden betiteld, houdt de voorzieningenrechter het ervoor dat onderhavige kwestie niet het algemeen bestuur aangaat. Gelet hierop faalt het verweer inzake de ontvankelijkheid van De Marrekrite.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] evenmin in zijn verweer dat De Marrekrite geen spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt dit spoedeisend belang reeds uit de aard van de vordering. Deze vordering strekt er immers toe aan een voortdurende inbreuk op een eigendomsrecht een einde te maken.

4.7.

[gedaagde] heeft voorts ten verwere aangevoerd dat hij het noordelijke deel van de Marrekrite landtong, vanaf het punt waar de Marrekrite landtong versmalt, door verjaring in eigendom heeft verkregen en dat de vordering tot ontruiming van De Marrekrite daarop afstuit. Dit betreft een zogenoemd bevrijdend verweer. Dit betekent dat het aan [gedaagde] is om (in deze kortgeding procedure) aannemelijk te maken dat hij het noordelijke deel van de landtong door verjaring in eigendom heeft verkregen.

4.8.

Gelet op de door [gedaagde] gevoerde verweren is in deze zaak alleen een beroep op bevrijdende verjaring aan de orde. [gedaagde] heeft geen feiten gesteld die duiden op verkrijgende verjaring, waarvoor bij registergoederen de lat ook zeer hoog ligt in verband met het goede trouw-vereiste.

4.9.

Op grond van artikel 3:105 BW kan de eigendom van een goed door middel van bevrijdende verjaring worden verkregen indien de verjaring van de rechtsvordering van de eigenaar strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende wordt voltooid. Dit geschiedt van rechtswege. Zoals bepaald in artikel 3:306 BW verjaart een rechtsvordering tot revindicatie van de eigenaar na twintig jaar.

4.10.

Voor bezit is nodig (a) dat [gedaagde] met betrekking tot de strook grond bezitsdaden heeft uitgeoefend en (b) dat aan De Marrekrite en haar rechtsvoorgangster duidelijk moet zijn geworden dat die bezitsdaden ertoe hebben geleid dat zij hun bezit hebben verloren. In de (vaste) jurisprudentie plegen dienaangaande strenge eisen te worden gesteld (zie recent nog HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). In een geval als het onderhavige gaat aan het bezit van de niet-rechthebbende – die het bezit immers niet overgedragen gekregen heeft – inbezitneming vooraf. Daaromtrent bepaalt art. 3:113 lid 2 BW dat voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn. Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan.

4.11.

[gedaagde] heeft gesteld dat hij het noordelijk gedeelte van de Marrekrite landtong al vanaf 1994 in bezit heeft genomen door op het punt waar de Marrekrite landtong versmalt een wilgenhaag te planten en daarachter een takkenwal te plaatsen, waardoor het aan zijn perceel grenzende noordelijke deel van de Marrekrite landtong werd afgescheiden van het zuidelijke deel van de Marrekrite landtong. [gedaagde] heeft deze stelling echter niet (voldoende) onderbouwd en De Marrekrite heeft deze stelling gemotiveerd betwist, waarbij zij satellietfoto's heeft overgelegd van de Marrekrite landtong die volgens haar dateren vanaf 1999. Op de foto's die volgens De Marrekrite dateren van 1999 en 2004, hierna weergegeven en die ter zitting met behulp van een beamer sterk uitvergroot zijn getoond, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende zichtbaar dat destijds sprake was van een wilgenhaag en takkenwal op de door [gedaagde] gestelde plek.

Foto die volgens De Marrekrite is gemaakt in 1999. Met een witte pijl is aangegeven waar volgens [gedaagde] de wilgenhaag met daarachter een takkenwal was aangebracht.

Foto die volgens de Marrekrite is gemaakt in 2004. Met een witte pijl is aangegeven waar volgens [gedaagde] de wilgenhaag met daarachter een takkenwal was aangebracht.

4.12.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de foto's niet zijn voorzien van een datum, zodat niet vaststaat dat de foto's inderdaad dateren van 1999, 2004 en later, en daarnaast dat de foto's niet duidelijk zijn, maar hij miskent hiermee dat het aan hem is om zijn stelling aannemelijk te maken en dat hij ingeval van betwisting zijn stelling dient te onderbouwen en niet kan volstaan met het 'schieten' op de onderbouwing van de betwisting. Vanwege het gebrek aan onderbouwing is in het licht van de betwisting door De Marrekrite niet voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] al in 1994 op het punt waar de Marrekrite landtong versmalt een wilgenhaag heeft geplant en daarachter een takkenwal heeft geplaatst. Reeds hierop strandt het beroep van [gedaagde] op eigendomsverkrijging als gevolg van bevrijdende verjaring. Er kan daarom in het midden worden gelaten of deze handelingen naar verkeersopvatting als bezitsdaden zijn aan te merken.

4.13.

Los daarvan overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Volgens [gedaagde] was Ballast Nedam Baggeren B.V. ten tijde van de door hem gestelde ingebruikname van de in geding zijnde strook grond in 1994 eigenaar van de Marrekrite landtong en was zij van het gebruik door hem van die strook grond op de hoogte en had zij daarvoor toestemming gegeven, althans gedoogde zij dit gebruik. De voorzieningenrechter overweegt dat, nog los van het feit dat uit de leveringsakte van 8 juni 2004 blijkt dat niet Ballast Nedam Baggeren B.V. maar It Fryske Gea in 1994 eigenaar was van de Marrekrite landtong, de stelling dat het gebruik door de voormalige eigenaar werd gedoogd of met diens toestemming plaatsvond [gedaagde] niet kan baten. Toestemming of gedogen van de eigenaar kan namelijk niet tot bezit leiden (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10982). Ook om die reden kan het beroep van [gedaagde] op bevrijdende verjaring niet slagen.

4.14.

Nu [gedaagde] geen andere verweren heeft aangevoerd, is de vordering toewijsbaar. Weliswaar mag [gedaagde] op grond van de op De Marrekrite rustende kwalitatieve verplichting gebruik maken van de Marrekrite landtong maar niet op de wijze, zoals hij dat thans doet door de aangebrachte takkenwal, de ten zuiden daarvan aangebrachte beplantingen, de aangebrachte grasvelden en de overige beplantingen.

4.15.

De voorzieningenrechter acht de vordering om [gedaagde] "in het algemeen" te gebieden het gebruik dat hij maakt van de Marrekrite landtong te staken en gestaakt te houden te vaag geformuleerd en zij zal daarom in plaats daarvan [gedaagde] gebieden de wijze waarop hij thans gebruik maakt van de Marrekrite landtong te staken en gestaakt te houden. De voorzieningenrechter zal aan de veroordeling tot ontruiming een termijn verbinden van twee maanden na betekening van het vonnis, nu een zwaarwegend belang van De Marrekrite bij een kortere ontruimingstermijn gesteld noch gebleken is. Verder zal de gevorderde dwangsom worden gemaximeerd op € 20.000,-.

4.16.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Marrekrite, voor zover tot op heden gevallen, zullen worden vastgesteld op:

dagvaarding € 99,90

griffierecht € 626,00

salaris advocaat € 816,00

totaal € 1.541,90

4.17.

De voorzieningenrechter zal tot slot de gevorderde veroordeling in de nakosten als onbestreden toewijzen op de wijze als in het dictum omschreven.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt [gedaagde] om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis de wijze waarop hij thans gebruik maakt van de Marrekrite landtong te staken en gestaakt te houden, en in het bijzonder de takkenwal, de ten zuiden daarvan aangebrachte beplantingen, de grasvelden en de overige beplantingen die hij op de Marrekrite landtong heeft aangebracht te verwijderen en verwijderd te houden, en tevens in ieder ander opzicht de Marrekrite landtong te ontruimen en ontruimd te houden;

5.2.

bepaalt dat [gedaagde] aan De Marrekrite een dwangsom verbeurt van € 1.000,- (zegge: duizend euro) voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.1 te voldoen, tot een maximum van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro) is bereikt;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van De Marrekrite tot op heden vastgesteld op € 1.541,90;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.

fn: 445