Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:745

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
LEE 17/1875
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat in het geval van eiser zich niet een uitzonderingssituatie als bedoeld in het zesde lid van artikel 5 van het Dagloonbesluit voordoet. Er bestaat geen wettelijke basis voor het in mindering brengen van het aantal dagen waarop een WW-uitkering is genoten op het aantal dagen van 261. De hoogte van het dagloon is juist vastgesteld en daarmee wordt niet voorbij gegaan aan het doel van de WW om inkomensbescherming te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/1875

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.B.Th. Koekkoek),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: J.T. Wielenga).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser vanaf

26 december 2016 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend waarbij het dagloon is vastgesteld op € 100,73. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 11 december 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Bij brief van 24 januari 2018 heeft de rechtbank partijen meegedeeld van oordeel te zijn dat het niet nodig is om deze zaak opnieuw op een zitting te behandelen. Zij acht zich voldoende geïnformeerd om een uitspraak te kunnen doen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Partijen hebben niet binnen de daarvoor gestelde termijn aangegeven nogmaals op een zitting te willen worden gehoord. De rechtbank heeft daarop het onderzoek in de zaak wederom gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser heeft op 29 november 2016 bij verweerder een WW-uitkering aangevraagd. Bij het primaire besluit is aan eiser met ingang van 26 december 2016 een WW-uitkering toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 100,73. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het primaire besluit, omdat hij van mening is dat verweerder het dagloon te laag heeft vastgesteld. Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Ook in beroep betwist eiser de hoogte van het door verweerder vastgestelde dagloon. Eiser is van mening dat het SV-loon in de referteperiode niet moet worden gedeeld door 261 dagen. Op deze 261 dagen dient volgens eiser het aantal dagen waarop hij een WW-uitkering heeft ontvangen in mindering te worden gebracht, omdat deze uitkering ook niet is meegenomen in de berekening van de hoogte van het SV-loon. De door verweerder gehanteerde berekening doet volgens eiser afbreuk aan de inkomensbescherming die de WW beoogt te bieden.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Ter beoordeling ligt voor of verweerder het dagloon van eiser juist heeft vastgesteld en of de berekening daarvan afbreuk doet aan de inkomensbescherming die de WW beoogt te bieden.

3.2

In artikel 1b van de WW is bepaald dat voor de berekening van de hoogte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van een dag. Ingevolge het zesde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. Dit is gebeurd bij het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit).

3.3

Artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit bepaalt dat het dagloon van uitkeringen op grond van de WW de uitkomst is van de volgende berekening:

[(A-B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die vakantiebijslag reserveren;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die geen vakantiebijslag reserveren; en

D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft of indien artikel 2, vierde lid, van toepassing is. Indien er sprake is van een afwijkende referteperiode staat D voor het aantal dagloondagen in de referteperiode.

3.4

Het zesde lid van artikel 5 van het Dagloonbesluit bepaalt dat, indien de referteperiode voor de dagloonvaststelling van een reguliere WW-uitkering een of meerdere kalendermaanden kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof, D dan, in afwijking van het eerste lid, staat voor het aantal dagloondagen van de kalendermaand waarin loon is genoten of waarin geen loon is genoten vanwege verlof.

3.5

In artikel 3, eerste lid, sub a, van het Dagloonbesluit is onder meer bepaald dat een uitkering op grond van de WW, genoten in de referteperiode, niet onder loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv wordt begrepen.

3.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder geheel in overeenstemming met de wet de hoogte van het dagloon heeft vastgesteld. Uit de wet volgt dat het SV-loon in de referteperiode dient te worden gedeeld door 261 dagen indien de referteperiode een duur van één jaar heeft en dat het inkomen uit WW niet als loon in de referteperiode meetelt. Niet gebleken is dat in de situatie van eiser zich een uitzonderingssituatie als bedoeld in het zesde lid van artikel 5 van het Dagloonbesluit voordoet. Voor het standpunt van eiser dat op het aantal dagen van 261 het aantal dagen waarop een WW-uitkering is genoten in mindering moet worden gebracht, omdat bij de vaststelling van het SV-loon zijn inkomen uit WW ook niet is meegenomen, bestaat derhalve geen wettelijke basis en kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Ook het standpunt van eiser dat op deze wijze geen inkomensbescherming wordt geboden en zijn verwijzing ter zitting naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 26 april 2017 betreffende reparatie nadelig WW-dagloon effect starters, herintreders en flexwerkers, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Het doel van de WW is immers om werknemers inkomensbescherming te bieden tegen de financiële gevolgen van werkloosheid, waarbij het gaat om het bieden van compensatie voor het loonverlies dat een werknemer lijdt in de betreffende dienstbetrekking.

3.7

Voorgaande leidt tot de conclusie dat door verweerder de hoogte van het dagloon juist is vastgesteld en dat daarmee niet voorbij wordt gegaan aan het doel van de WW om inkomensbescherming te bieden.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Coster, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en mr. D.M. Schuiling, leden, in aanwezigheid van mr. G.A. van Breden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.