Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:698

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
C/17/151998 / HA ZA 16-305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering tot nietigverklaring testament. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/151998 / HA ZA 16-305

Vonnis van 28 februari 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

gedaagden in reconventie,

advocaat mr. A. Arslan,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. H. Siesling-Vellinga te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie

- de akte houdende overlegging productie van de zijde van [gedaagden]

- de antwoordakte houdende overlegging productie van de zijde van [eisers]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is gehuwd geweest met de heer [naam 1] , welk huwelijk op 26 oktober in 1999 door zijn overlijden is ontbonden. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. De heer [naam 1] had twee kinderen uit een eerder huwelijk, te weten [gedaagden]

2.2.

Gedurende enige periode vóór het overlijden van de echtgenoot van erflaatster, alsmede in de periode nadien, heeft drs. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) de boekhouding van erflaatster (en vóór het overlijden van de echtgenoot van erflaatster: van erflaatster en haar echtgenoot) verzorgd. Tussen [naam 2] en erflaatster (en haar echtgenoot) bestond tevens een vriendschappelijke band. Eisers sub 1, 2 en 3 zijn de kinderen van [naam 2] .

2.3.

Erflaatster heeft beschikt over haar nalatenschap in een testament van 18 december 2006, verleden voor notaris mr. [notaris 1] (hierna: notaris mr. [notaris 1] ), welk testament hierna mede zal worden aangeduid als: "het voorlaatste testament". In dit testament heeft erflaatster een bedrag van € 50.000,00 gelegateerd aan haar nicht, eiseres sub 4, alsmede een bedrag van € 5.000,00 aan ieder van gedaagden afzonderlijk. Onder bezwaar van deze legaten heeft zij [naam 2] tot enige erfgenaam van haar gehele nalatenschap benoemd. Voorts is bepaald dat indien [naam 2] niet haar erfgenaam is, erflaatster de kinderen van [naam 2] tot enige erfgenamen van haar gehele nalatenschap zal benoemen ieder voor een gelijk deel, zulks met inachtneming van de regels van plaatsvervulling als volgens het versterferfrecht.

2.4.

Aan het verzorgen van de boekhouding van erflaatster door [naam 2] is een einde gekomen nadat bij beschikking van 11 juli 2007 van de (toenmalige) rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek, een bewind is ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan erflaatster, met benoeming van notaris mr. [notaris 1] tot bewindvoerder. Erflaatster woonde toen semi-zelfstandig in het appartementencomplex " [naam appartementencomplex] " te Sneek.

2.5.

Blijkens een indicatiebesluit van 11 januari 2008 is de door of namens erflaatster aangevraagde (AWBZ-)zorg bestaande uit persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding dagprogramma toegekend. Als grondslag hiervoor is in dit besluit "psychosociale problematiek" genoemd.

2.6.

Erflaatster heeft beschikt over haar nalatenschap in een testament van 2 maart 2009, verleden voor notaris mr. [notaris 2] te Harlingen (hierna: notaris mr. [notaris 2] ), welk testament hierna mede zal worden aangeduid als: "het laatste testament". In dit testament heeft erflaatster - voor zover van belang - alle eerdere wilsbeschikkingen herroepen en [gedaagden] tot enige erfgenamen benoemd. Het testament is in het bijzijn van twee getuigen verleden.

2.7.

Blijkens een indicatiebesluit van 10 maart 2009 is de door of namens erflaatster aangevraagde (AWBZ-)zorg bestaande uit persoonlijke verzorging en begeleiding groep toegekend. Als grondslag hiervoor is in dit besluit "psychogeriatrische aandoening" genoemd.

2.8.

Bij beschikking van 30 maart 2009 heeft de (toenmalige) rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek het door erflaatster ingediende verzoek tot opheffing van het bewind en (subsidiair) ontslag van mr. [notaris 1] en benoeming van [echtgenoot gedaagde sub 2] - de echtgenoot van gedaagde sub 2 - als nieuwe bewindvoerder afgewezen. Daartoe is onder meer overwogen:

[…]

Door hetgeen rechthebbende heeft verklaard tijdens het bezoek van de kantonrechter is de kantonrechter van oordeel dat de bewindvoerder zijn taak als bewindvoerder naar behoren vervult. Rechthebbende is tevreden met de manier waarop haar financiën worden geregeld en zij heeft geen klachten over de bewindvoerder. De kantonrechter heeft dan ook de indruk gekregen dat rechthebbende wellicht geen besef heeft van de inhoud van haar eigen verzoek.

[…]

2.9.

In maart 2011 is erflaatster opgenomen in het verpleegtehuis " [naam verpleegtehuis] " te Joure.

2.10.

Erflaatster is op 8 december 2013 overleden.

2.11.

[gedaagden] heeft na het overlijden van erflaatster met gebruikmaking van een door notaris mr. [notaris 3] te Groningen afgegeven verklaring van erfrecht de beschikking over de tegoeden van de bankrekening van erflaatster gekregen.

2.12.

Bij beschikking van 3 februari 2014 heeft de kantonrechter van deze rechtbank notaris mr. [notaris 1] machtiging verleend de nietigheid van het laatste testament in te roepen en de kosten daarvan ten laste van de nalatenschap van erflaatster te brengen.

2.13.

Bij brief van 9 mei 2014 heeft notaris mr. [notaris 1] [gedaagden] gesommeerd zich niet als erfgenamen te gedragen. Aan deze sommatie is geen gehoor gegeven. Op 26 mei 2014 heeft notaris mr. [notaris 1] vervolgens, na daartoe verlof te hebben verkregen, conservatoir beslag op de woning en op de bankrekening van zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 gelegd.

2.14.

Op 5 juni 2014 is [naam 2] overleden.

2.15.

Notaris mr. [notaris 1] heeft als (voormalig) bewindvoerder van erflaatster samen met [broer erflaatster] - een in Canada wonende broer van erflaatster, tevens vader van eiseres sub 4 - [gedaagden] gedagvaard voor deze rechtbank. In die procedure (zaak-/rolnummer C/17/135893 / HA ZA 14-299, hierna te noemen: de procedure uit 2014) hebben zij betoogd dat het laatste testament nietig is vanwege een wilsgebrek. Volgens hen geeft het laatste testament niet de laatste wil van erflaatster weer.

2.16.

In de procedure uit 2014 zijn de vorderingen van notaris mr. [notaris 1] wegens gebrek aan procesbelang afgewezen. Ten aanzien van [broer erflaatster] is geoordeeld dat hij als potentieel erfgenaam - de inhoud van het voorlaatste testament was in die procedure (anders dan in de onderhavige procedure) niet bekend - wél voldoende procesbelang had.

In het in die procedure op 14 januari 2015 gewezen tussenvonnis is onder meer het volgende overwogen:

[…]

5.6.

Ingevolge artikel 3:34 lid 1 BW wordt, indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard, de met diens verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Ingevolge lid 2 wordt een eenzijdige handeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, door het ontbreken van de wil nietig. Voornoemde wetsbepaling brengt in dit geval met zich dat [broer erflaatster] de aanwezigheid van de stoornis op het moment van de rechtshandeling (in dit geval: het maken van het testament van 2 maart 2009) moet stellen (en bij betwisting bewijzen) en ook dat in verband met die stoornis de wil van erflaatster tot het verrichten van die rechtshandeling heeft ontbroken.

5.7.

Bij de beoordeling van de vraag of erflaatster wilsbekwaam was op het moment van het maken van het testament, stelt de rechtbank voorop dat de kantonrechter bij beschikking van 11 juli 2007 het vermogen van erflaatster onder bewind heeft gesteld. Onderbewindstelling is uitsluitend mogelijk indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De kantonrechter heeft destijds overwogen dat aannemelijk is geworden dat van een dergelijke situatie bij erflaatster sprake was. De inhoud van het indicatiebesluit van 10 maart 2009, waarin wordt vermeld dat een psychogeriatrische aandoening als grondslag wordt gehanteerd, ondersteunt voorts de stelling van [broer erflaatster] dat erflaatster in die periode - één week nadat het testament is ondertekend - niet geacht kan worden haar eigen, zelfstandig gevormde en bestendige werkelijke wil weer te geven. Omdat deze stelling niet aan de hand van het medische dossier van erflaatster dan wel een verklaring van een neuroloog en/of geriater is onderbouwd, kan echter niet vastgesteld worden of er van een dergelijke aandoening daadwerkelijk sprake was. Evenmin kan thans worden vastgesteld of in verband met een dergelijke aandoening de wil van erflaatster tot het verrichten van die rechtshandeling heeft ontbroken. Mede ook gelet op de door [gedaagden] overgelegde schriftelijke verklaring van mr. [notaris 2] , waaruit blijkt dat deze notaris erflaatster op twee momenten heeft gezien en dat zij ervan overtuigd is dat erflaatster (wel) in staat was op het litigieuze moment haar wil te bepalen, zal de rechtbank [broer erflaatster] opdragen te bewijzen dat erflaatster bij het ondertekenen van het testament van 2 maart 2009 niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren. De zaak zal hiertoe naar de rol worden verwezen.

[…]

2.17.

Ter uitvoering van de in voornoemd tussenvonnis gegeven bewijsopdracht heeft [broer erflaatster] ter zitting van 7 april 2015 drie getuigen doen horen, te weten mr. [notaris 1] , de heer [naam 3] (huisarts) en de heer [naam 4] (specialist ouderengeneeskunde). Van deze verhoren is een proces-verbaal opgemaakt.

De getuige mr. [notaris 1] heeft, voor zover thans van belang, het volgende verklaard:

[…]

Ik ben vanaf ongeveer 2007 tot aan het overlijden van [erflaatster] haar bewindvoerder geweest. U vraagt mij naar haar geestesgesteldheid in de periode waarin het laatste testament opgemaakt is, maart 2009. […] Ik ben polshoogte gaan nemen bij [erflaatster] . Ik trof haar zoals altijd: van nature opgewekt. […] Wij hebben uiteindelijk geen gesprek gehad over haar dagelijkse gang van zaken. Daar had zij geen belangstelling meer voor, ze viel steeds terug naar vroeger. Wij hebben het ook niet gehad over haar financiën, daar was ze al veel langer haar interesse in verloren.

[…]

De getuige [naam 3] heeft zich ten aanzien van vragen over de geestelijke gesteldheid van [erflaatster] beroepen op zijn (functionele) verschoningsrecht, welk beroep door de rechter is gehonoreerd.

De getuige [naam 4] heeft, voor zover thans van belang, het volgende verklaard:

[…]

Ik ben nu ongeveer 25 jaar gespecialiseerd in ouderengeneeskunde. […] Ik werk op de locatie Joure in verpleegtehuis [naam verpleegtehuis] . Ik ben daar werkzaam als behandelend arts. Dit werk combineer ik met ambulant onderzoek en behandeling vanuit GGZ Friesland.

Ik denk dat het 2009 was dat ik [erflaatster] heb ontmoet. Via de huisarts kwam het verzoek aan GGZ om te beoordelen hoe de verzorgsituatie van [erflaatster] was. Op het moment dat de fase van beoordeling aanbreekt wordt een specialist oudergeneeskunde erbij gevraagd. Ik heb [erflaatster] in de [naam appartementencomplex] in Sneek bezocht op haar kamer. Bij de aanmelding was aangegeven dat er sprake was van dementie. Ook is aangegeven dat [erflaatster] door het gebouw dwaalde en dat zij het trappenhuis gebruikte. De vraag was om te beoordelen of [erflaatster] meer verzorging nodig had en of de [naam appartementencomplex] dat kon bieden. Ik heb met [erflaatster] gesproken. Ik heb haar ervaren als een levendig en spraakzaam persoon. Zij had duidelijk geheugenproblemen. Zij kon geen informatie geven over gebeurtenissen uit de afgelopen periode. Ook had zij naar mijn mening geen inzicht in hoe zij functioneerde. Zij vond dat het allemaal prima ging en ontkende problemen of wuifde deze weg. Al met al heeft mijn gesprek met haar ongeveer drie kwartier geduurd. […] Ik vind het moeilijk om te zeggen of [erflaatster] in die tijd in staat was om haar wil te bepalen, bijvoorbeeld in een testament. Mijn indruk is dat zij weinig inzicht had in haar ziekteproces. Ook had zij niet echt een idee van de zorg die zij binnen de [naam appartementencomplex] ontving. Zij vond het wel goed zo en voelde zich op haar manier op haar gemak. […] In gevallen van dementie kan bij een goede uitleg wel enig besef zijn, maar ik twijfel over of [erflaatster] kon overzien wat de keuzes voor haar zouden betekenen.

Toen [erflaatster] in 2011 in [naam verpleegtehuis] kwam wonen werd ik haar behandelend arts.

[…]

[broer erflaatster] heeft voorts ter zitting van 7 april 2015 stukken in het geding gebracht, waaronder een e-mail van 11 februari 2015 van mevrouw [naam 5] (teammanager AWBZ) aan mr. [notaris 1] waarin het volgende is geschreven:

[…]

Naar aanleiding van uw brief van 23 januari jl. waarin u vraagt om onderliggende stukken met betrekking tot het indicatiebesluit van 10 maart 2009 van [erflaatster] kan ik u het volgende meedelen:

Er is onderzoek gedaan naar de psychische gesteldheid van mevrouw met name om de grondslag psycho geriatrie te kunnen vaststellen.

Mondelinge informatie van bijvoorbeeld de huisarts is voldoende en in deze situatie is dit in het dossier als volgt vastgelegd:

Huisarts geeft aan dat mevrouw dementie heeft: toenemende vergeetachtigheid.

[…]

[gedaagden] heeft vervolgens op 22 mei 2015 in tegenverhoor twee getuigen doen horen, te weten mevrouw [dochter gedaagde sub 2] en de heer [echtgenoot gedaagde sub 2] (de dochter respectievelijk de echtgenoot van gedaagde sub 2). Van deze verhoren is eveneens proces-verbaal opgemaakt.

Mevrouw [dochter gedaagde sub 2] heeft, voor zover thans van belang, het volgende verklaard:

[…]

[erflaatster] was mijn oma. […] Rondom 2009 kwam ik regelmatig bij haar over de vloer, ik denk wel een keer per week. Ik woon vlak bij Sneek namelijk. De bezoekjes waren altijd vol gezelligheid. Het ging er toen precies aan toe als de jaren daarvoor. Ze wist altijd wie ik was. Ze vertelde veel over vroeger, ze was druk in haar praten en we deden veel spelletjes. Ik nam mijn kinderen ook vaak mee en mijn oma wist ook altijd precies wie wie was. We hadden het ook over actuele dingen zoals bijvoorbeeld het koningshuis en dingen die zij op het journaal had gehoord of in de krant had gelezen. Ze kwam alert op mij over.

[…]

Op vragen van mr. Sikkema antwoord ik als volgt: […] Ze kwam chaotisch over, maar dat was eigenlijk altijd al zo. Het was een drukke vrouw, ze praatte van de hak op de tak, maar dat hoort bij haar. Ik kan me voorstellen dat dat op anderen warrig overkwam.

[…]

De heer [echtgenoot gedaagde sub 2] heeft, voor zover thans van belang, het volgende verklaard:

[…]

[erflaatster] was de stiefmoeder van mijn vrouw. […] Rondom 2009 herinner ik me niet dat er sprake was van vergeetachtigheid. Ze had juist een heel sterk geheugen, ze wist nog heel veel dingen vanuit het verleden en daar vertelde ze ook over. Maar ze volgde het nieuws ook goed en ze had ook een goed oordeel over de dingen die in de krant stonden.

[…]

2.18.

Deze rechtbank heeft vervolgens in de procedure uit 2014 bij eindvonnis van

26 augustus 2015 overwogen dat [broer erflaatster] niet geslaagd is in het aan hem opgedragen bewijs. De vorderingen in conventie - die onder meer strekten tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat het laatste testament nietig is, althans dit testament vernietigd wordt - zijn afgewezen. De reconventionele vordering strekkende tot opheffing van de gelegde beslagen is toegewezen. De rechtbank heeft ter onderbouwing van het voorgaande het volgende overwogen:

[…]

2.4.1.

Uit de verklaring van de heer [naam 4] blijkt dat hij in 2009 nog niet de behandelend arts van [erflaatster] was. Zijn bezoek aan haar was namens GGZ en had tot doel te beoordelen of er meer verzorging nodig was en of de [naam appartementencomplex] dat kon bieden. Wel heeft hij daarbij waargenomen dat er sprake was van duidelijke geheugenproblemen. Desgevraagd heeft de heer [naam 4] verklaard eraan te twijfelen of [erflaatster] destijds kon overzien wat keuzes ten aanzien van haar testament voor haar zouden betekenen, maar daarbij heeft hij de kanttekening geplaatst dat het voor hem moeilijk is om te zeggen. Gelet op het voorgaande zal ten aanzien van zijn inschatting omtrent de geestestoestand van [erflaatster] de nodige voorzichtigheid (moeten) worden betracht.

2.4.2.

De heer [naam 3] heeft geen verklaring willen afleggen over de geestelijke gesteldheid van [erflaatster] , zodat niet bekend is of de huisarts eenzelfde mening als de heer [naam 4] is toegedaan. Weliswaar volgt uit de overgelegde e-mail van de teammanager AWBZ (rechtsoverweging 2.2.4) dat ook de huisarts omstreeks maart 2009 toenemende vergeetachtigheid heeft geconstateerd, maar op grond hiervan kan niet vastgesteld worden of en in hoeverre deze vergeetachtigheid in de weg heeft gestaan aan een adequate wilsbepaling bij [erflaatster] .

2.4.3.

Uit de getuigenverklaringen van mr. [notaris 1] en van de familie [echtgenoot gedaagde sub 2] komt een beeld naar voren van een vrouw die bij tijden warrig overkwam (hetgeen kennelijk in haar aard lag besloten), maar wel regelmatig helder van geest was. Gelet hierop kan geenszins worden uitgesloten dat [erflaatster] toen ook periodes van helderheid had.

2.4.4.

Aangezien de huisarts geen verklaring heeft willen afleggen en personen uit de naaste omgeving geen evidente geestelijke stoornis bij [erflaatster] hebben opgemerkt, staat de inschatting van de heer [naam 4] op zichzelf. Daarom kent de rechtbank in het onderhavige geval doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van de notaris die op de dag van het passeren van de akte heeft beoordeeld of [erflaatster] in staat was om haar wil te bepalen. De betreffende notaris, mr. [notaris 2] , heeft hierover schriftelijk verklaard:

"(…) dat zij een tweetal gesprekken heeft gevoerd met mevrouw [erflaatster] . In deze gesprekken heeft mevrouw [erflaatster] in heldere en duidelijke bewoordingen aangegeven wat ze juist wel en juist niet wilde regelen in haar uiterste wilsbeschikking. Het testament van mevrouw [erflaatster] is een niet-complex testament, waarvan ik ben overtuigd dat mevrouw [erflaatster] de gevolgen helemaal heeft overzien."

[…]

Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.19.

Op 3 februari 2016 heeft Prof. dr. C.M.P.M. Hertogh, hoogleraar Ouderengeneeskunde & Ethiek van de zorg, mede namens de psychologen dr. S. Teunisse en drs. H. Geertsema in opdracht van notaris mr. [notaris 1] een advies uitgebracht ten aanzien van de vraagstelling: "Is er bewijs tot de wilsonbekwaamheid van mw. [erflaatster] ten tijde van de laatste verandering van haar testament op 2 maart 2009?". In de begeleidende brief is onder meer vermeld:

[…]

Kortheidshalve komt het er op neer dat wij de sterke overtuiging hebben dat mevrouw [erflaatster] ten tijde van de laatste testamentswijziging op 2 maart 2009 wilsonbekwaam was ten aanzien van de beslissing tot testamentsverandering.

[…]

in het advies is onder meer vermeld:

[…]

Ontvangen documenten:

[…]

Analyse

Alle stukken in ogenschouw nemend komen wij tot de volgende analyse ten aanzien van de wilsbekwaamheid van [erflaatster] ten tijde van de testamentswijziging in maart 2009.

1. Uit verschillende bronnen blijkt dat er bij [erflaatster] sprake was van:

* cognitieve achteruitgang, zie:

0 CIZ rapportage juni 2007 "mw. heeft cognitieve problemen, mw is alles kwijt"

0 rapportage huisarts d.d. 04.06.2007 "verwijzing i.v.m. algehele cognitieve achteruitgang"

* In het kader van dementie, zie:

0 rapportage huisarts d.d. 14.02.2006 "beginnend dementiesyndroom"

0 CIZ-besluit d.d. 10.03.2009 "sprake van een psychogeriatrische aandoening"

0 rapportage dhr. [naam 4] , specialist ouderengeneeskunde intake gesprek d.d. 26.03.2010 "gevorderde dementie"

* en dat de cognitieve achteruitgang een negatief effect had op haar vermogen tot reflecteren op haar situatie en op de dialoog met haar in de periode rond maart 2009, zie:

0 verslag proces-verbaal d.d. 11.03.2009

0 verslag beschikking kantonrechter d.d. 30.03.2009

0 rapportage mr. [notaris 1] in het kader van getuigenverhoor bij de rechtbank dd. 07.04.2015 ("Over haar gesteldheid in de periode maart 2009 n.a.v. haar verzoek tot zijn ontslag als bewindvoerder).. we hebben uiteindelijk geen gesprek gehad over haar dagelijkse gang van zaken. Daar had zij geen belangstelling meer voor, ze viel steeds terug naar vroeger. Wij hebben het ook niet gehad over haar financiën, daar was ze al veel langer haar interesse in verloren"

0 "dagboek" aantekeningen van mw. [notaris 1] , zoals opgestuurd d.d. 05.11.2015, laatste regels: "03.04.2009 belde [erflaatster] mij zelf op. Kon moeilijk formuleren…..Afgesproken dat zij ….. Vijf minuten later [erflaatster] weer aan de telefoon. Wist niet meer dat zij mij zojuist ook al had gebeld."

2. Dementie is een aandoening die bij toenemende progressie gepaard kan gaan met verminderde besluitvaardigheid (wilsonbekwaamheid) (zie: Diesfeldt HFA & Teunisse S. Wilsbekwaamheid. In Pot et al. (red). Handboek Ouderenpsychologie. De Tijdstroom, Utrecht, 2007, hoofdstuk 12, pg. 211-23).

3. De beslissing van [erflaatster] om haar testament te wijzigen ten gunste van de kinderen van haar echtgenoot (namelijk dat de erfenis uitsluitend naar de stiefdochters zal gaan) staat haaks op de wens, zoals zij die de laatste jaren herhaaldelijk heeft geuit tegenover haar bewindvoerder, zie:

0 rapportage mr. [notaris 1] behorend bij zijn brief d.d. 20.02.2015 over zijn gesprekken t.a.v. haar testament in 2003 en 2006 "in beide gevallen heb ik nadrukkelijk gevraagd of er niet meer aan de stiefdochters moest worden gedacht maar haar antwoord was telkens: "die hebben genoeg gehad".

4. De beslissing om haar testament te wijzigen zonder betrokkenheid van mr. [notaris 1] staat haaks op haar wens, zoals zij die de laatste jaren herhaaldelijk heeft geuit, zie:

0 verklaring d.d. 13.06.2014 van dhr. [naam 6] , directeur van [naam appartementencomplex] over de periode 2008-2009 "In de professionele contacten benoemt mevrouw meerdere malen met vertrouwenspersonen gesprekken te hebben om zaken voor haar eigen toekomst te regelen. Hierin benoemt ze expliciet de contacten met notariskantoor [notaris 1] over haar testament. Uitdrukkelijk verzoekt zij haar professionele begeleiders en de zorgmanager in geval van onvermogen van haar kant haar wensen in deze ten uitvoer te brengen".

0 Rapportage d.d. 17.12.2015 van mw. [naam 7] , zorgmanager [naam appartementencomplex] "Dhr. [notaris 1] kent mw. goed en heeft er het volste vertrouwen in dat dhr. haar belangen goed kan behartigen daar waar mw. dit zelf niet meer kan".

5. Het is al eerder voorgekomen dat [erflaatster] handtekeningen heeft geplaatst onder voorstellen tot veranderingen (ten gunste van de familie), terwijl zij het met die voorstellen op een later moment geheel niet eens was:

* In de periode waarin [erflaatster] een testamentwijziging heeft ondertekend (maart 2009) heeft zij ook een verzoek ondertekend aan de kantonrechter (januari 2009) tot verandering van financiële bewindvoering. Toetsing aan dit laatste verzoek door de kantonrechter in gesprek met mw. in maart 2009 heeft ertoe geleid dat het verzoek niet is gehonoreerd. In het gesprek liet mw. zien dat zij tevreden was met de manier waarop haar financiën werden geregeld en dat zij geen klachten had over de bewindvoerder, zie:

0 verslag proces-verbaal d.d. 11.03.2009

0 verslag beschikking kantonrechter d.d. 30.03.2009

* In 2007 ondertekende mw. een voorstel waardoor haar schoondochters inzage zouden krijgen in haar financiële situatie. Daar kwam zij vier weken later schriftelijk op terug en gaf aan dat dit voorstel geheel niet overeenstemde met wat voor haar belangrijk was. Zie:

0 brief van [erflaatster] d.d. 14.06.2007 aan …. "Ik wil je hierbij laten weten dat ik zeer beslist niet wil dat je afschriften van mijn bankrekeningen afgeeft aan de dochters van mijn overleden man, ook niet als er wat anders in die brief staat als ze je die voorhouden. Zij hebben met mijn financiële zaken niets te maken."

* Het lichtvaardig tekenen van stukken was in op d.d. 11.07.2007 reden voor de kantonrechter om mr. [notaris 1] als bewindvoerder te benoemen, zie:

0 rapportage mr. [notaris 1] behorend bij zijn brief d.d. 20.02.2015

6. Over het gesprek met [erflaatster] geeft de kantonrechter aan dat hij de indruk kreeg dat mw. wellicht geen besef meer had van het door haar ondertekende verzoek tot verandering van financiële bewindvoering. Aangezien dit verzoek en een verzoek tot testamentswijziging beschouwd kunnen worden als sterke verwante besluitvormingsprocessen en beide verzoeken in dezelfde periode zijn ingediend (januari en maart 2009), is het waarschijnlijk dat mw. ook geen besef meer had van de inhoud van het door haar ondertekende verzoek tot verandering van testament.

7. Vanuit verschillende bronnen komen aanwijzingen dat de familie druk uitoefende op [erflaatster] en betrokkenen om toegang te krijgen tot haar financiën, zie:

0 Rapportage huisarts d.d. 04.06.2007 "Contact met zorgmanager. Advocaat wil graag verwijzing GGZ. De financiëel beheerder wordt bedreigd door kinderen."

0 Rapportage huisarts d.d. 07.06.2007 "Visite op verzoek zorgmanager. Patiënte herkent mij gelijk. Zij vertelt mij inderdaad problemen met dochter van echtgenoot te hebben. Ze willen financiën van patiënte haar boekhouder overnemen tegen de zin van patiënte. Patiënte wil geen verwijzing GGZ. Is wel overstuur i.v.m. "gedoe" met de familie".

0 Rapportage mw. [naam 7] , zorgmanager [naam appartementencomplex] d.d. 17.12.2015 "Mw. geeft na bezoeken (van de familie) terug dat de familie geld van haar nodig hebben maar dat wil mw. niet". Mw. [naam 7] geeft ook aan over de periode dat mw. werd opgeroepen door de rechtbank in verband met de testamentswijziging "De toon van de familie verandert in deze periode ook, zij willen dat ik ga meewerken om dhr. [notaris 1] uit zijn betrokkenheid te zetten"

0 met betrekking tot [erflaatster] . Ik besluit niet mee te werken omdat de familie voor mijn gevoel anderen belangen heeft dan het belang van [erflaatster] te ondersteunen".

0 Rapportage verzorgende [naam 8] , zie bijgevoegd bij email mw. [naam 7] d.d. 30.11.2015, "Ook weet ik nog dat ze bang was voor haar stiefkinderen en dit heeft ze ook benoemd. Ze heeft een keer gezegd dat ze achter haar geld aanzaten".

0 "Dagboek" aantekeningen van mr. [notaris 1] uit de periode waarin de testamentsverandering werd opgesteld en [erflaatster] een verklaring had getekend tot zijn ontslag als bewindvoerder. Deze aantekeningen zijn ontvangen van mr. [notaris 1] op 05.11.2015. Hij werd in die periode benaderd door de man van een van de stiefdochters, dhr. [echtgenoot gedaagde sub 2] . "Hij wil de bankadministratie hebben… Daarop heb ik geantwoord dat ik de vrijheid niet heb die af te geen of daarin inzage te geven. Ik ben verantwoording verschuldigd aan de Kantonrechter. De heer [echtgenoot gedaagde sub 2] reageerde dreigend dat ik weigerde aan een onderzoek mee te werken en dat zij een en ander in de pers zouden brengen en ook op televisie. Mij laten uitspreken was er niet bij zoals ook tijdens het gesprek van 05.01.2009. Geantwoord dat hij met dergelijke taal en op een dergelijk volume de fatsoensnormen zeer overschreed en ik het gesprek liever beëindig."

Conclusie

Op basis van de aan ons aangeleverde stukken hebben wij de sterke overtuiging dat mw. [erflaatster] ten tijde van de laatste verandering van haar testament op 2 maart 2009 wilsonbekwaam was ten aanzien van de beslissing tot testamentsverandering.

[…]

2.20.

Op 4 november 2016 heeft [eisers] , na daartoe verlof te hebben verkregen, conservatoir beslag op de woningen en op de bankrekeningen van zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 gelegd.

2.21.

[eisers] heeft een klacht tegen notaris mr. [notaris 2] - die het laatste testament heeft gepasseerd - ingediend bij de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden, inhoudende dat notaris mr. [notaris 2] onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het vaststellen van de wilsbekwaamheid van erflaatster voorafgaand aan het passeren van het laatste testament. Deze klacht is bij beslissing van 14 april 2017 ongegrond verklaard. [eisers] heeft tegen deze beslissing een beroepschrift ingediend bij het Gerechtshof Amsterdam, afdeling civiel recht en belastingrecht. Bij beslissing van 19 september 2017 is de bestreden beslissing bevestigd. Daartoe is het volgende overwogen:

[…]

6.4.

Met de kamer is het hof van oordeel dat de notaris voldoende heeft onderbouwd dat zij ten tijde van het passeren van het testament van erflaatster afdoende alert is geweest op de wilsbekwaamheid van erflaatster en dat zij geen aanleiding had om aan deze wilsbekwaamheid te twijfelen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding geven om vraagtekens te plaatsen bij de juistheid van het relaas van de notaris omtrent de gang van zaken en haar waarnemingen.

Naar het oordeel van het hof heeft de notaris aan de bijzondere omstandigheden van het geval, te weten onder meer dat erflaatster op hoge leeftijd was, dat haar vermogen onder bewind stond en dat zij werd begeleid door een van de stiefdochters, de gewenste aandacht besteed.

6.5.

De notaris heeft, buiten aanwezigheid van de stiefdochter, twee gesprekken met erflaatster gevoerd met ongeveer een maand er tussen. De gesprekken hebben volgens de notaris ongeveer een uur geduurd. Gelet op de relatief eenvoudige wensen van erflaatster, wordt deze tijdsduur voldoende geacht. Bij het tweede gesprek zijn in verband met de aanwezigheid van objectieve factoren twee getuigen, medewerkers van het kantoor van de notaris op verzoek van de notaris aanwezig geweest en bij het gesprek betrokken.

Weliswaar is door klagers naar voren gebracht dat erflaatster al sinds 2007 cognitief achteruitging, dat een jaar na het passeren van het testament sprake was van gevorderde dementie en dat in het rapport van 3 februari 2016 is geconcludeerd dat de onderzoekers de sterke overtuiging hebben dat - kort gezegd - erflaatster wilsonbekwaam was, maar die omstandigheden (voor zover al juist) brengen niet met zich dat erflaatster in maart 2009 haar wil niet (meer) kon bepalen en dat de notaris daarvan ten tijde van het passeren van het testament "signalen" had kunnen en moeten opvangen.

Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk dat de notaris geen aanleiding had om aan de wilsbekwaamheid van erflaatster te twijfelen en dat zij daarom ook geen reden had om het Stappenplan te volgen. Onder deze omstandigheden kan het de notaris niet worden verweten dat zij geen arts heeft ingeschakeld ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflaatster. Ook de feiten dat erflaatster in een serviceflat woonde, de notaris niet in de woonplaats van erflaatster kantoor hield en dat de nota van de notaris volgens klagers niet door erflaatster betaald is, leiden (ook wanneer zij in samenhang worden bezien) evenmin tot een ander oordeel. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de notaris onder de hiervoor weergegeven omstandigheden zorgvuldig heeft gehandeld. Dit betekent dat de klacht ongegrond is, zoals ook de kamer heeft beslist.

[…]

2.22.

In een ongedateerde schriftelijke verklaring van [naam 10] is onder meer vermeld:

[…]

In de periode van 2007 tot 2009 ging mw. inderdaad geestelijk erg achteruit, mw. dwaalde veel door de flat, rommelde in haar appartement, ging soms om 17.30 uur al naar bed i.v.m. erge neerslachtigheid, ook had mw. vaak paniekaanvallen omdat mevrouw de dingen niet meer wist. In die tijd is mevrouw ook een keer vanuit de stad […] thuis gebracht door een familielid van mij, dit omdat mevrouw de weg naar huis niet meer kon vinden.

[…]

2.23.

In een ongedateerde schriftelijke verklaring van " [naam 8] " is onder meer vermeld:

[…]

Ook weet ik nog dat ze bang was voor haar stiefkinderen en dit heeft ze ook benoemd. Ze heeft een keer gezegd dat ze achter haar geld aan zaten. Ze was vaak overstuur wat resulteerde in huilbuien.

[…]

2.24.

In een ongedateerde schriftelijke verklaring van [naam 9] (huishoudelijk medewerkster) is onder meer vermeld:

[…]

[erflaatster] van appartement [nummer] , was erg vergeetachtig, zij wist mijn naam niet terwijl ik daar al jaren kwam schoon maken. Mevrouw vertelde 100x hetzelfde en het viel mij op dat er veel voorraad aanwezig was in het appartement. 3x afwasmiddel er stonden producten in de koelkast die niet hoorden te staan.

Als ik op mijn vaste dag daar aan het werk was bleef mevrouw onrustig om mij heen lopen waardoor ik niet goed kon doorwerken. Mevrouw liep ook wel eens het appartement uit als ik daar aan het werk was.

Na een verjaardag (jaartal onbekend) van mevrouw vertelde mevrouw mij dat de kinderen van haar overleden man langs waren geweest. Mevrouw sprak veel over Texel omdat ze daar vandaan komt en daar nog een schoonzuster had wonen. Af en toe bezocht mevrouw de familie op Texel. Mevrouw werd dan wel blij als we het over Texel hadden.

[…]

3 De vordering in conventie

3.1.

De vordering van [eisers] strekt ertoe, dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:

I.

primair: voor recht verklaart dat het op 2 maart 2009 verleden testament van erflaatster ( [erflaatster] ) door notaris mr. [notaris 2] nietig is, waardoor [gedaagden] niet de erfgenamen zijn van erflaatster;

subsidiair: vernietigt het op 2 maart 2009 door notaris mr. [notaris 2] verleden testament van erflaatster;

II.

voor recht verklaart dat de nalatenschap van erflaatster afgewikkeld dient te worden conform de uiterste wil van erflaatster zoals vastgelegd in het testament van 18 december 2006 en dat door middel van plaatsvervulling eisers sub 1, 2 en 3 erfgenamen zijn van erflaatster en dat aan eiseres sub 4 legataris is in de nalatenschap van erflaatster;

en, indien het onder I en II gevorderde wordt toegewezen:

III.

[gedaagden] veroordeelt om binnen dertig dagen na dit vonnis aan [eisers] .. inlichtingen te verschaffen met verificatoire bescheiden omtrent de (omvang van de) nalatenschap van erflaatster, waaronder een kopie van de aangifte erfbelasting en de daaropvolgende aanslag, kopieën van bankafschriften van de op naam van erflaatster gestelde bankrekeningen ten tijde van haar overlijden waaruit de saldi per die datum blijken en aan eisers sub 1, 2 en 3 afdracht te doen van alle goederen en zaken die thans nog tot de nalatenschap van erflaatster behoren;

IV.

[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan eisers sub 1, 2 en 3 te vergoeden c.q. te betalen een nog nader te bepalen geldsom gelijk aan de waarde per 8 december 2013 van de nalatenschap van erflaatster, verminderd met de waarde van alle goederen en zaken die thans nog tot de nalatenschap van erflaatster behoren en voor zover die door het onder III gevorderde aan eisers 1, 2 en 3 worden afgedragen, en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 december 2013 (de dag van overlijden van erflaatster), dan wel vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

V.

voor wat betreft het onder III en IV gevorderde:

[gedaagden] veroordeelt om aan [eisers] (voor wat betreft het onder IV gevorderde aan eisers sub 1, 2 en 3) een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere (gedeelte van een) dag dat zij niet aan de veroordeling voldoen vanaf de eenendertigste dag na de eerste schriftelijke oproep daartoe van [eisers] , een en ander tot een maximum van in totaal

€ 500.000,00 aan verbeurde dwangsommen is verbeurd;

en,

VI.

[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt, zodanig dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de conservatoire beslagen op de onroerende zaken en onder derden, tot op heden begroot op € 1.501,38, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

VII.

[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt, zodanig dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten volgens het liquidatietarief, één en ander te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de (na)kosten met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

De vordering van [gedaagden] strekt ertoe, dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- [eisers] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de conservatoire beslagen, zoals die zijn gelegd onder de Coöperatieve Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland U.A. te Sneek en de ING Bank N.V. te Amsterdam, alsmede op de onroerende zaken aan de [straatnaam] te Groningen en de [straatnaam] te Harlingen, op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [eisers] daarmee in gebreke blijft.

4.2.

[eisers] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie en in reconventie

5.1.

[eisers] heeft allereerst gesteld dat het laatste testament - waarin [gedaagden] tot erfgenamen van erflaatster zijn benoemd - nietig is. volgens [eisers] was erflaatster ten tijde van het passeren van dit testament zodanig dement dat zij niet meer in staat was om haar wil te bepalen. [eisers] heeft hiertoe verwezen naar de processtukken (waaronder de processen-verbaal van getuigenverhoren) uit de procedure uit 2014. Evenals in de procedure uit 2014 was gesteld, heeft [eisers] gesteld dat de inhoud van het laatste testament niet strookt met uitlatingen die erflaatster aan notaris mr. [notaris 1] heeft gedaan inhoudende dat [gedaagden] "genoeg gehad hebben". De inhoud van het testament, in samenhang met de verschillende gebeurtenissen in de laatste jaren van het leven van erflaatster, maakt dat er sprake moet zijn geweest van een wilsgebrek. Meerdere indicatoren voor een nader onderzoek naar de geestesgesteldheid van erflaatster uit het door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie opgestelde "Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening" zijn hier aan de orde maar notaris mr. [notaris 2] - die het laatste testament heeft gepasseerd - heeft nagelaten een nader onderzoek te verrichten. Anders dan in de procedure uit 2014 is thans een medisch rapport uitgebracht inzake de wilsbekwaamheid van erflaatster, te weten het rapport van 3 februari 2016 van Prof. dr. C.M.P.M. Hertogh, hoogleraar Ouderengeneeskunde & Ethiek van de zorg, mede namens de psychologen dr. S. Teunisse en drs. H. Geertsema. De conclusie van dat rapport is dat de sterke overtuiging aanwezig is dat erflaatster ten tijde van de laatste testamentswijziging op 2 maart 2009 wilsonbekwaam was ten aanzien van de beslissing tot testamentsverandering.

[eisers] wijst voorts op bij dagvaarding in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van medewerkers van de [naam appartementencomplex] omtrent de geestelijke toestand van erflaatster.

5.2.

[gedaagden] heeft - evenals in de procedure uit 2014 - aangevoerd dat er een goede relatie bestond tussen [gedaagden] en erflaatster, waarbij gesproken kan worden van een moeder-/dochterrelatie. Erflaatster heeft aan [gedaagden] altijd kenbaar gemaakt dat gedaagden tot erfgenaam zouden worden benoemd. [gedaagden] is zich meer gaan bemoeien met de financiën van erflaatster omdat zij zich zorgen maakte. [gedaagden] vermoedde dat [naam 2] misbruik maakte van (het vertrouwen van) erflaatster. Hij heeft in de loop der jaren alle financiële zaken naar zich toegetrokken en hij is ook anderszins meer invloed op erflaatster gaan uitoefenen. Erflaatster wilde van [naam 2] af. Op enig moment heeft zij aan [gedaagden] kenbaar gemaakt haar testament te willen wijzigen. Omdat notaris mr. [notaris 1] al haar bewindvoerder was, is het laatste testament bij een andere notaris (mr. [notaris 2] ) verleden. [gedaagden] heeft met de totstandkoming daarvan geen bemoeienis gehad. Mr. [notaris 1] , [naam 2] en de directie en personeel van de [naam appartementencomplex] hadden een kwaadwillende houding ten opzichte van [gedaagden] vermoedt dat [naam 2] hen op het verkeerde been heeft gezet en hen onjuist heeft geïnformeerd over de bedoelingen van [gedaagden] , te weten dat [gedaagden] enkel "op haar geld uit was". Volgens [gedaagden] geeft het laatste testament wél de laatste wil van erflaatster weer. Erflaatster was toentertijd ook in staat om haar wil te bepalen. Het is maar de vraag wanneer en in welk verband erflaatster aan mr. [notaris 1] zou hebben gezegd dat [gedaagden] "genoeg hadden gehad". De indicatiebesluiten zeggen niets over de toestand van erflaatster op dat moment, terwijl de maatschappelijk werksters en/of het personeel van de [naam appartementencomplex] niet opgeleid zijn om dat te beoordelen. Erflaatster is bovendien pas twee jaren later opgenomen in het verpleegtehuis en heeft tot die tijd zelfstandig gewoond. Mr. [notaris 2] is zorgvuldig te werk gegaan bij het opstellen en passeren van het laatste testament. Naast een schriftelijke verklaring van mr. [notaris 2] waaruit dit volgt, verwijst [gedaagden] in aanvulling op haar verweer in de procedure uit 2014, naar de beslissing van 19 september 2017 van het Gerechtshof Amsterdam, afdeling civiel recht en belastingrecht waaruit dit volgens [gedaagden] eveneens volgt. Wat betreft de medische rapportage van 3 februari 2016 heeft [gedaagden] opgemerkt dat er geen sprake is geweest van hoor en wederhoor en dat de desbetreffende medici - die erflaatster nimmer zelf hebben onderzocht - eenzijdig/selectief zijn geïnformeerd door mr. [notaris 1] .

5.3.

[gedaagden] heeft betoogd dat de rechtbank gebonden is aan de vonnissen die in de procedure uit 2014 zijn gewezen omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Omdat [eisers] geen partij was in de procedure uit 2014, zal [gedaagden] niet gevolgd worden in dit betoog. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank zich kan vinden in hetgeen in die procedure - waarvan de processtukken in de onderhavige procedure zijn overgelegd en waarin grotendeels dezelfde stellingen en verweren zijn betrokken - in het tussenvonnis van 14 januari 2015 is overwogen.

5.4.

Evenals in genoemd tussenvonnis is overwogen, stelt de rechtbank voorop dat ingevolge artikel 3:34 lid 1 BW, indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard, de met diens verklaring overeenstemmende wil geacht wordt te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Ingevolge lid 2 wordt een eenzijdige handeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, door het ontbreken van de wil nietig. Voornoemde wetsbepaling brengt in dit geval met zich dat [eisers] de aanwezigheid van de stoornis op het moment van de rechtshandeling (in dit geval: het maken van het testament van 2 maart 2009) moet stellen (en bij betwisting bewijzen) en ook dat in verband met die stoornis de wil van erflaatster tot het verrichten van die rechtshandeling heeft ontbroken.

5.5.

Evenals in genoemd tussenvonnis, stelt de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of erflaatster wilsbekwaam was op het moment van het maken van het testament, voorop dat de kantonrechter bij beschikking van 11 juli 2007 het vermogen van erflaatster onder bewind heeft gesteld. Onderbewindstelling is uitsluitend mogelijk indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De kantonrechter heeft destijds overwogen dat aannemelijk is geworden dat van een dergelijke situatie bij erflaatster sprake was. De inhoud van het indicatiebesluit van 10 maart 2009, waarin wordt vermeld dat een psychogeriatrische aandoening als grondslag wordt gehanteerd, ondersteunt voorts de stelling van [eisers] dat erflaatster in die periode - één week nadat het testament is ondertekend - niet geacht kan worden haar eigen, zelfstandig gevormde en bestendige werkelijke wil weer te geven. In genoemd tussenvonnis in de procedure uit 2014 is vervolgens overwogen dat deze stelling niet aan de hand van het medische dossier van erflaatster dan wel een verklaring van een neuroloog en/of geriater is onderbouwd, zodat niet kan worden vastgesteld of er van een dergelijke aandoening daadwerkelijk sprake was. Daarbij is overwogen dat evenmin kan worden vastgesteld of in verband met een dergelijke aandoening de wil van erflaatster tot het verrichten van die rechtshandeling heeft ontbroken. In de onderhavige procedure heeft [eisers] - in afwijking van de procedure uit 2014 - het onder 2.19. bedoelde rapport van 3 februari 2016 in het geding gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is de inhoud van dit rapport echter onvoldoende om thans tot een ander oordeel te komen dan het hiervoor weergegeven oordeel in de procedure uit 2014, in welk oordeel de rechtbank zich kan vinden. Evenals [gedaagden] heeft betoogd, blijkt uit dit rapport dat de betrokken medici - die eerst ná het overlijden van erflaatster zijn ingeschakeld en haar derhalve niet zelf hebben kunnen onderzoeken - hun opdracht hebben gekregen van mr. [notaris 1] en gelet op de door hen in het rapport opgesomde "ontvangen documenten", alsmede gelet op de inhoud van hun rapport, eenzijdig zijn geïnformeerd (te weten: conform het standpunt van [eisers] ) en geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Dit heeft er naar het oordeel van de rechtbank in geresulteerd dat zij omstandigheden in hun oordeel hebben betrokken die door [eisers] zijn gesteld, maar die door [gedaagden] zijn weersproken, althans ten aanzien waarvan door [gedaagden] andere omstandigheden zijn gesteld en die niet in het oordeel van deze medici zijn betrokken. Zo noemt de rechtbank als voorbeeld dat de conclusie van de betrokken medici mede is gebaseerd op de door [eisers] gestelde omstandigheid dat de beslissing van erflaatster om haar testament te wijzigen ten gunste van de kinderen van haar echtgenoot haaks staat op de wens, zoals zij die de laatste jaren herhaaldelijk heeft geuit tegenover notaris mr. [notaris 1] . Hiertegenover staat echter de door [gedaagden] betrokken stelling - die niet in de rapportage is vermeld - dat erflaatster aan [gedaagden] altijd kenbaar heeft gemaakt dat [gedaagden] tot erfgenaam zou worden benoemd.

5.6.

De rechtbank wijst voorts op de door de rechtbank in de procedure uit 2014 genoemde schriftelijke verklaring van mr. [notaris 2] , waaruit blijkt dat deze notaris erflaatster op twee momenten heeft gezien en dat zij ervan overtuigd is dat erflaatster (wel) in staat was op het litigieuze moment haar wil te bepalen. In de onderhavige procedure is voorts een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, afdeling civiel recht en belastingrecht van

19 september 2017 in het geding gebracht, waarin de door [eisers] ingediende klacht tegen mr. [notaris 2] ongegrond is verklaard, waarbij de rechtbank opmerkt dat het Gerechtshof blijkens de hiervoor onder 2.21. geciteerde overwegingen van het Gerechtshof, in het bezit was van de hiervoor bedoelde rapportage van 3 februari 2016.

5.7.

Ook de overige bewijsstukken uit de procedure uit 2014 - waaronder processen-verbaal van getuigenverhoor - waarnaar [eisers] heeft verwezen, acht de rechtbank onvoldoende om [eisers] (voorshands) geslaagd te achten in het hiervoor bedoelde bewijs. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen de rechtbank in de procedure uit 2014 bij eindvonnis van 26 augustus 2015 heeft overwogen, zoals hiervoor onder 2.18. geciteerd, in welke overwegingen de rechtbank zich kan vinden en waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. Ook de bij dagvaarding als producties 21, 22 en 23 in het geding gebrachte - niet in de procedure uit 2014 ingebrachte - schriftelijke verklaringen acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De inhoud van deze verklaringen sluiten niet uit dat erflaatster - hoewel zij blijkens deze verklaringen vergeetachtig was ook periodes van helderheid had.

5.8.

Gelet op de omstandigheid dat [eisers] uitdrukkelijk nader bewijs hebben aangeboden van hun stellingen, zal de rechtbank [eisers] toelaten tot het bewijs van hun stelling dat erflaatster ten tijde van het ondertekenen van het in geschil zijnde testament (het laatste testament), niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren.

5.9.

In afwachting van bewijslevering wordt iedere verdere beslissing - waaronder het beroep door [eisers] op de vernietigbaarheid van het laatste testament op grond van bedreiging of bedrog - worden aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

6.1.

draagt [eisers] op te bewijzen dat erflaatster ten tijde van het ondertekenen van het in geschil zijnde (laatste) testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren;

6.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 maart 2018 voor uitlating door [eisers] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3.

bepaalt dat [eisers] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4.

bepaalt dat [eisers] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2018 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van

mr. N.A. Baarsma in het gerechtsgebouw te Leeuwarden aan Zaailand 102,

6.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.1

1 82.