Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:609

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
158165
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

Buiten termijn ingediend verzoek wel ontvankelijk nu de GI niet kan aantonen wanneer de aanwijzing aangetekend is verzonden en geen bewijs van ontvangst heeft overgelegd. Tweede schriftelijke aanwijzing die een verbeterde motivering bevat, maar dezelfde omgangsregeling inhoudt, is geen nieuw besluit. Afwijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/158165 / FJ RK 17-1158

datum uitspraak: 17 januari 2018

beschikking verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[naam], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 1],

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, hierna te noemen de GI,

wonende te Leeuwarden,

[naam], hierna te noemen de pleegouders,

wonende te [woonplaats].

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 15 november 2017, ingekomen bij de griffie op 16 november 2017;

- een (fax)brief van de GI met bijlagen van 4 december 2017, ingekomen bij de griffie op

4 december 2017;

- een (fax)brief met bijlage van de moeder van 8 december 2017, ingekomen bij de griffie op 8 december 2017;

- een (fax)brief met bijlage van de GI van 12 december 2017, ingekomen bij de griffie op

12 december 2017.

Op 13 december 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mevrouw mr. M. van der Salm.

- namens de GI: mevrouw [naam] en mevrouw [naam],

- de pleegouders, bijgestaan door mevrouw mr. P. Rijnsburger.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van 4 augustus 2017 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 7 augustus 2018.

De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 7 augustus 2018.

De GI heeft op 24 oktober 2017 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], welke aanwijzing zij heeft verbeterd (aanvulling motivering) op 4 december 2017. Hierin staat vermeld dat de bezoekregeling van de moeder, eventueel met haar moeder of andere familieleden, plaatsvindt op het kantoor van de GI in Leeuwarden van 14.00 tot 15.30 uur op de volgende data: 20 oktober 2017, 17 november 2017, 15 december 2017, 12 januari 2018, 9 februari 2018, 9 maart 2018, 6 april 2018, 4 mei 2018 en 1 juni 2018.

De bezoeken worden aan het begin en aan het eind begeleid door een pleegzorgwerker of de gezinsvoogd om de overdracht in goede banen te kunnen leiden.

Familiedagen georganiseerd door de pleegouders staan los van dit schema.

Gezien de leeftijden van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de lengte van het bezoek (anderhalf uur) zal de pleegmoeder van 15.00 uur tot 15.30 in de hal aanwezig zijn om, mits nodig, de kinderen eerder op te vangen.

Het verzoek

De moeder heeft bij verzoekschrift van 16 november 2017 verzocht de schriftelijke aanwijzing van 24 oktober 2017 vervallen te verklaren en verzocht een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder wekelijks twee uren omgang heeft met de kinderen.
De moeder heeft bij (fax)brief van 8 december 2017 verzocht de verbeterde schriftelijke aanwijzing van de GI van 4 december 2017 vervallen te verklaren en omgang vast te stellen ingevolge artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW). De moeder heeft verzocht om de inhoud van haar verzoekschrift van 15 november 2017 als herhaald en ingelast te beschouwen.

De moeder heeft gesteld dat zij ontvankelijk is in haar verzoek. Voor zover er sprake is van een termijnoverschrijding, is deze verschoonbaar in de zin van artikel 1:264, vierde lid BW, nu dit haar redelijkerwijs niet kan worden toegerekend. De moeder heeft geen aangetekende versie ontvangen. De moeder is eerst op 13 november 2017 bij toeval bekend geraakt met het bestaan van de aanwijzing; deze zat in haar spamfilter.

De moeder heeft ingestemd met behandeling van het verzoek bij deze rechtbank.

Namens en door de moeder is -kort samengevat- inhoudelijk het volgende aangevoerd. Door het beperken van de omgang tussen de moeder en de kinderen tot anderhalf uur per maand, wordt de moeder en de kinderen elk mogelijkheid ontnomen om (goed) aan elkaar te hechten en wordt het bestendigen van het verblijf in een pleeggezin een feit. Dit is in strijd met de belangen van de kinderen. De moeder heeft de kinderen vrijwillig naar de pleegouders gebracht, omdat zij op dat moment de zorg voor de kinderen niet aan kon. De GI heeft aan de moeder voorwaarden gesteld om richting terugplaatsing te werken. De moeder heeft aan alle voorwaarden voldaan, hetgeen wordt erkend door de GI en is bevestigd door de rechtbank bij beschikking van 4 augustus 2017. De moeder heeft grote stappen gemaakt. Ze heeft haar leven op orde. Zij heeft een huis en start met een opleiding. Door de omgang nu te beperken zoals de GI doet, op basis van pertinent onjuiste stellingen, ontneemt de GI de moeder en de kinderen elke kans op een goede hechting. De schriftelijke aanwijzing is bovendien te prematuur. Ook als niet wordt gewerkt aan terugkeer van de kinderen naar de moeder, dan nog is frequente omgang in het belang van een goede hechting van de kinderen. Daarbij komt dat de moeder in hoger beroep is gegaan van de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de uithuisplaatsing. Hierop is nog niet beslist.

De moeder heeft verzocht om een omgangsregeling vast te stellen waarbij zij de kinderen wekelijks gedurende twee uren zal zien, al dan niet ter kantore van de GI. Zij acht het van algemene bekendheid dat voor een goede hechting van jonge kinderen frequent contact noodzakelijk is. De moeder meent daarom dat de regeling waarbij zij de kinderen wekelijks ziet het meest in hun belang is.

Het standpunt van de belanghebbenden

De GI

De GI is van mening dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De schriftelijke aanwijzing is de moeder op 25 oktober 2017 aangetekend verzonden. Het bewijs van verzending is toegezonden aan de rechtbank. Inhoudelijk heeft de GI het volgende aangevoerd.

De GI is van mening dat de schriftelijke aanwijzing aan alle formele vereisten voldoet. De aanwijzing is goed voorbereid, zorgvuldig genomen en (na herstel) goed gemotiveerd. De GI heeft eerst de nodige kennis vergaard om het perspectief van de kinderen te kunnen bepalen. In afwachting van de definitieve bepaling van het perspectief is de bezoekregeling tussen de kinderen en de moeder geïntensiveerd, van eenmaal per 14 dagen naar eenmaal per week. De moeder is over het voornemen om de omgang terug te brengen geïnformeerd.

In het voorjaar van 2017 hebben twee zorgoverleggen plaatsgevonden waarin de moeder is aangegeven wat er van haar verwacht werd alvorens er volgens de GI sprake kon zijn van een perspectief bij de moeder. Een van deze voorwaarden was het werken aan een verbeterde verstandhouding met de pleegouders. In mei 2017 heeft de GI bepaalt dat wat de GI betreft het perspectief van de kinderen bij de pleegouders ligt. De moeder is hierover geïnformeerd op 9 juni 2017. De (geïntensiveerde) omgangsregeling is toen gecontinueerd in afwachting van de beschikking van de rechtbank van 4 augustus 2017 ter zake de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Op basis van de inhoud van de beschikking van de rechtbank, de voortdurende slechte verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders en de draagkracht van de kinderen is na multidisciplinair overleg besloten de omgang terug te brengen.

Het lukt de moeder niet om op een voor de kinderen constructieve en positieve wijze met de pleegouders om te gaan. De moeder gaat eraan voorbij dat de pleegmoeder de hechtingsfiguur is voor de kinderen en dat het gedrag van de moeder de kinderen het signaal geeft dat zij geen emotionele toestemming geeft aan de kinderen om zich fijn te voelen bij de pleegouders. Ook weigerde moeder de legitimatiebewijzen van de kinderen te regelen. Zij zoekt hier mee, al dan niet bewust, steeds de strijd met de pleegouders in plaats van de samenwerking. Ook met de GI zoekt de moeder vaker de strijd.

Daarbij komt dat de moeder tijdens de omgang nog onvoldoende kan afstemmen op wat voor de kinderen belangrijk is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun korte leven al dermate veel onrust meegekregen, dat al gesproken kan worden van een beschadiging van de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten van verdere spanning gevrijwaard blijven. Het terugbrengen van de omgangsregeling heeft binnen het pleeggezin voor de noodzakelijke rust gezorgd. De moeder zal ondersteund worden in het vormgeven van ouder zijn op afstand. Door het pleeggezin zal de moeder op een positieve manier worden betrokken bij de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

De GI heeft verzocht het verzoek van de moeder om de aanwijzing vervallen te verklaren, af te wijzen en de omgangsregeling, zoals deze door de GI in het belang van de kinderen is vastgesteld, te handhaven (de kinderrechter begrijpt dit als een verzoek om te bekrachtigen). Indien de verzoeken of een verzoek van de moeder wordt toegewezen, heeft de GI verzocht de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De pleegouders

Ten aanzien van de ontvankelijkheid refereren de pleegouders zich aan het oordeel van de kinderrechter. Namens en door de pleegouders is verzocht de (verbeterde) schriftelijke aanwijzing van 4 december 2017 te bekrachtigen en het verzoek van de moeder af te wijzen. Hiertoe hebben zij het volgende aangevoerd.

De pleegouders zijn van mening dat nog geenszins is gebleken dat de moeder aan de door de GI gestelde voorwaarden heeft voldaan en al helemaal niet binnen de daarvoor gestelde termijn. De moeder is in de afgelopen periode nog zeer onbetrouwbaar gebleken in het nakomen van de afspraken rondom de omgang. De moeder huurt in feite een ruimte in de woning van haar moeder. Hier is geen plek voor de kinderen en dus is niet voldaan aan de voorwaarde dat haar verblijfplaats veilig moet zijn voor de kinderen. Ook blijkt niet dat de moeder actief op zoek is gegaan naar een zelfstandige woonruimte. Tijdens de omgangsmomenten verloopt het contact tussen de moeder en de kinderen niet goed. De moeder wil de pleegmoeder niet zien of bij haar in de kamer zijn tijdens de omgangsmomenten, waardoor de overdracht altijd met erg veel emoties bij de kinderen gepaard gaat. Hier heeft de moeder helemaal geen oog voor. Daarnaast zijn er zorgen over de communicatie tussen de moeder en de pleegmoeder waardoor onder andere het verkrijgen van toestemming voor bezoeken aan een arts of specialist in verband met de gezondheidsklachten van [minderjarige 1] problematisch is. Gesteld kan worden dat de moeder haar zaken geenszins goed op orde heeft en de voor de kinderen noodzakelijke dingen niet kan regelen, zoals de identiteitskaarten. Daarbij komt dat er nog steeds zorgen zijn over de psychische gesteldheid van de moeder. Gebleken is dat zij in het verleden na goede momenten vaak weer een terugval had en eerder is aangegeven dat het wenselijk zou zijn als zij voor haar traumatische ervaring hulp zal gaan zoeken. Tot op heden is dat niet gebeurd. Naar de mening van de pleegouders maakt dit de moeder als opvoeder minder stabiel. Voor uitbreiding van de omgang zal eerst moeten blijken dat de omgang leuk is en de kinderen daar plezier aan beleven. Zover is het naar het oordeel van de pleegouders nog lang niet.

De beoordeling

Bevoegdheid

De kinderrechter overweegt allereerst dat op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter bevoegd is van de woonplaats van de minderjarige. Artikel 1:12, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die het gezag over hem uitoefent; in het onderhavig geval de moeder. De moeder woont in [woonplaats] zodat deze rechtbank niet bevoegd is. Op grond van artikel 1:270, eerste lid, BW dient de kinderrechter de zaak dan ook in beginsel te verwijzen naar de bevoegde rechtbank, tenzij de opgeroepen belanghebbenden aangeven geen verwijzing te wensen. Nu alle partijen instemmen met behandeling door deze rechtbank zal de zaak niet worden verwezen.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 1:265f lid 1 BW kan de GI, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de GI als een aanwijzing en is – voor zover thans van belang – artikel 1:264 BW van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken bedraagt en aanvangt met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

Ten aanzien van een na afloop van deze termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring volgens het vierde lid van dit artikel achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

Ingevolge artikel 1:263 lid 3 BW kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.

Een aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De kinderrechter stelt vast dat de GI op 24 oktober 2017 een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven. De latere aanvulling van de motivering op 4 december 2017 is geen nieuw besluit in de zin van de Awb omdat dit geen wijziging brengt in de rechtsgevolgen van het besluit van 24 oktober 2017, maar een verbetering vormt van de motivering van het besluit van 24 oktober 2017. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid gaat de kinderrechter dan ook uit van het besluit van 24 oktober 2017. De moeder heeft vervolgens op 16 november 2017 bij de kinderrechter het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing ingediend. Het verzoek van de moeder lijkt daarmee buiten de termijn van twee weken te zijn ingediend. Uit het door de GI overlegde verzendbewijs blijkt echter niet wanneer de GI de aanwijzing aangetekend heeft verzonden en ook niet of de moeder deze heeft ontvangen. Het had op de weg van de GI gelegen om nadere stukken hieromtrent in te dienen. Dit maakt dat een niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven omdat niet geoordeeld kan worden dat verzoeker redelijkerwijs in verzuim is geweest. De moeder zal dan ook worden ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter zal vervolgens beoordelen of de aanwijzing van 24 oktober 2017 in stand kan blijven of vervallen verklaard dient te worden zoals door de moeder is verzocht.

De kinderrechter is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de GI de schriftelijke aanwijzing omtrent de vaststelling van een omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen (na aanvulling van de motivering) voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd en na afweging van alle betrokken belangen op goede gronden tot de bij de aanwijzing vastgestelde omgangsregeling is gekomen. De kinderrechter onderschrijft de visie van de GI dat het perspectief van de kinderen bij de pleegouders ligt. De moeder heeft weliswaar stappen gezet, maar haar situatie is nog onvoldoende verbeterd en gestabiliseerd. Zoals de kinderrechter op 4 augustus 2017 ook heeft overwogen is het nog maar zeer de vraag of van een terugplaatsing ooit nog sprake kan zijn, nu de kinderen al geruime tijd (vanaf hun geboorte en [minderjarige 1] vanaf dat zij ongeveer 9 maanden oud was) bij de pleegouders wonen en aan hen gehecht zijn. De GI heeft voorts goed gemotiveerd waarom gekozen is voor deze omgangsregeling die een beperking van de huidige regeling betreft. Vast staat dat de verhouding tussen de moeder en de pleegouders verstoord is en dat dit ook te merken is tijdens de omgangsmomenten. Het is daarom begrijpelijk dat de GI het voortduren van een wekelijkse omgang niet in het belang van de kinderen acht omdat zij de gespannen verhouding aan kunnen voelen. De moeder onderkent de rol van de pleegmoeder onvoldoende als opvoeder en hechtingsfiguur van de kinderen en ziet ook onvoldoende in dat het in het belang is van haar jonge kinderen dat de pleegmoeder vroegtijdig in de hal, in de nabijheid van de kinderen, wacht. Ook dit brengt mee dat de omgangsmomenten stress veroorzaken en een lagere frequentie in het belang van de kinderen is.

De kinderrechter zal gelet op voorgaande de verzoeken van de moeder afwijzen en het verzoek van de GI tot het bekrachtigen van de aanwijzing toewijzen.

De beslissing


De kinderrechter:

wijst de verzoeken van de moeder af en bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing aan de moeder van 24 oktober 2017, welke nader gemotiveerd is op 4 december 2017.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

S.A. van Willigen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.