Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:599

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
18/730030-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgens een ‘eenvoudige kasopstelling’ heeft veroordeelde met partner (medeveroordeelde) gedurende meer dan drie-en-een-half jaar een gewoonte gemaakt van het witwassen van geld. Er is geen aannemelijke verklaring gegeven voor het negatieve kasverschil en aannemelijk is dat dit ertoe heeft geleid dat de veroordeelden wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. De waarde van de reeds verbeurdverklaarde goederen wordt in mindering is gebracht. Omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel aan zowel veroordeelde als de medeveroordeelde kan worden toegerekend bepaalt de rechtbank dat de ontnemingsmaatregel aan beiden hoofdelijk wordt opgelegd. De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 76.310 en zal bepalen dat veroordeelde voornoemd bedrag dient te betalen aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/730030-17

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 13 februari 2018 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam] te [woonplaats],

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 16 november 2017 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), wordt geschat, en dat de rechtbank de veroordeelde zal verplichten tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 229.800,83 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de zaak met parketnummer 18/730030-17.

De behandeling heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 12 december 2017 en 2 januari 2018. Verdachte is op de (inhoudelijke) terechtzitting van 12 december 2017 verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het standpunt van officier van justitie

De officier van justitie, mr. H. Mous, heeft ter terechtzitting van 12 december 2017 gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op € 229.800,83.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de eenvoudige kasopstelling op pagina 1207 e.v. van het strafdossier als uitgangspunt dient te gelden voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat. Deze berekening is als volgt: € 169.800,83 (gelet op feit 1) plus € 60.000,00 (gelet op feit 2).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 1 en 2. De raadsman heeft de eenvoudige kasopstelling bestreden en gesteld dat er geen kasverschil is. Bij de vaststelling van het beginsaldo van de kasopstelling is ten onrechte uitgegaan van slechts € 60,00. Voorts is geen rekening gehouden met de extra inkomsten. Daarnaast is uitgaan van te hoge kosten voor levensonderhoud. Ten slotte is naar voren gebracht dat een ogenschijnlijke luxe niet duur hoeft te zijn; zo is gebruik gemaakt van tweedehands en gekregen goederen en is sprake geweest van een grote mate van zelfwerkzaamheid.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat, indien er al sprake zou zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel, de waarde van verbeurdverklaarde goederen in mindering moet komen op het eventueel te ontnemen bedrag.

Bewijsmiddelen

Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:

  • -

    het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 16 januari 2018 in de onderliggende strafzaak;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen onderzoek witwassen met bijlagen op pagina 1200 e.v. van het dossier in de strafzaak, met de door de politie opgemaakte eenvoudige kasopstelling op pagina 1207 1.

Beoordeling

Het vonnis van 16 januari 2018.

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 16 januari 2017 in de zaak met parketnummer 18/730030-17 onder meer veroordeeld ter zake medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Dit is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.

Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr. kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De eenvoudige kasopstelling

De door de politie opgemaakte eenvoudige kasopstelling is opgenomen op pagina 1207 e.v. van het dossier van de strafzaak. De uitkomst van deze kasopstelling is dat in de onderzoeksperiode van 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015 sprake is van een negatief kassaldo van € 169.800,83, volgens onderstaande berekening.2

Beginsaldo : € 60,00

Totale inkomsten per kas : € 16.228,00

Eindsaldo : € 83.790,00

Beschikbaar voor uitgaven : minus € 67.502,00

Totale uitgaven : € 102.298,83

Verschil : minus € 169.800,83

De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van verklaringen van veroordeelde en [medeveroordeelde] en op basis van gegevens die de politie heeft ontleend aan het onderzoek, in beginsel deugdelijk en betrouwbaar.

De verdediging heeft ter terechtzitting evenwel gemotiveerd bestreden dat sprake is van een kasverschil en van onverklaarbare inkomsten. In de strafzaak zijn deze stellingen van de verdediging ten aanzien van de kasopstelling verworpen, zodat deze in het kader van het verweer tegen de ontnemingsvorderingen hier niet opnieuw behoeven te worden besproken. Verwezen wordt naar het vonnis.

De verdediging heeft ter terechtzitting nog aangevoerd dat ogenschijnlijke luxe niet duur hoeft te zijn en dat sprake is geweest van aankopen via Marktplaats, vriendendiensten en burenhulp. Ter onderbouwing zijn verklaringen overgelegd waarin wordt aangegeven dat diverse vrienden en bekenden voor veroordeelde en [medeveroordeelde] hebben gewerkt, dat een zwembad en kozijnen zijn gekocht via Marktplaats, en dat straatklinkers en hout zijn gekregen. Nu dit uitgaven betreft die niet in de berekening van de eenvoudige kasopstelling zijn meegenomen, kan aan deze verklaringen niet de waarde worden gehecht die veroordeelde daaraan toegekend wenst te zien.

De rechtbank is, zoals in het onderliggend vonnis is overwogen, van oordeel dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het negatieve kasverschil van € 169.800,83 dat volgt uit de eenvoudige kasopstelling. Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat strafbare feiten op enige wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ten bedrage van € 169.800,83.

Bij het vonnis van 16 januari 2018 heeft de rechtbank veroordeelde vrijgesproken van feit 2: het witwassen van huurbedragen van in totaal € 60.000, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen werd geacht dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was. Onder verwijzing naar de desbetreffende overwegingen in dit vonnis zal de rechtbank daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen voor het deel dat ziet op het witwassen van huurbedragen voor de loods.

Beslissing omtrent het beslag

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 16 januari 2018 in de stafzaak tegen [medeveroordeelde] zijn verbeurd verklaard:

- een Fiat 500 (kenteken [nummer]) ter waarde van € 5.200,00;

- een quad (kenteken [nummer]) ter waarde van € 4.500,00;

- een contant geldbedrag van € 83.790,00.

De rechtbank zal voornoemde bedragen ook in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel bij veroordeelde, omdat sprake is van een financiële eenheid van veroordeelde en [medeveroordeelde], zoals hierna onder ‘hoofdelijkheid’ blijkt.

Hoofdelijkheid

Uit de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat veroordeelde samen met zijn partner, medeveroordeelde [medeveroordeelde], van strafbare feiten heeft geprofiteerd en dat zij beiden de beschikking hebben gehad over het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwijst naar de overwegingen met betrekking tot medeplegen in het vonnis van 16 januari 2018, waarin onder meer is overwogen dat sprake is van een financiële eenheid van veroordeelde en [medeveroordeelde]. Zij wonen samen, voeren een gemeenschappelijke huishouding en delen hun financiën, zoals blijkt uit hun eigen verklaringen3 en uit het daarover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen4. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel toerekenen aan zowel veroordeelde als de medeveroordeelde en bepalen dat de ontnemingsmaatregel aan veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] hoofdelijk wordt opgelegd.

Vaststelling omvang wederrechtelijk verkregen voordeel.

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 169.800,83

Af: reeds verbeurd verklaard € 93.490,00 -

Resterend wederrechtelijk verkregen voordeel € 76.310,83.

De rechtbank stelt derhalve de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op

€ 76.310,83 en zal bepalen dat veroordeelde voornoemd bedrag dient te betalen aan de Staat.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 76.310,83.

Legt [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 76.310,83 (zegge: zesenzeventigduizend driehonderdtien euro en drieëntachtig cent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in dier voege, dat indien dit bedrag door [medeveroordeelde] geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. K. Post, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 februari 2018.

Mr. C. Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015203624, doorgenummerd 1 tot en met 1924, gesloten op 26 september 2016.

2 Pagina’s 1207 e.v..

3 [medeveroordeelde] op pagina 1764 en [verdachte] op pagina’s 1721 en 1722.

4 Pagina’s 1091 e.v.