Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5662

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
18/730023-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 273f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730023-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te PI Overijssel, PIV Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Kuper, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden en/of te Groningen, (althans) in de gemeente Groningen, en/of te 's-Gravenhage, (althans) in de gemeente 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] , (telkens) door dwang, geweld

of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door

misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van

betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die

zeggenschap over die [slachtoffer 1] had,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en)

enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of

diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachte(s) mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 1] , seksuele handelingen met

en/of voor een derde (sub 9°) en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting

van die/een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] , (sub 6°),

hebbende verdachte in vereniging met haar mededader(s), althans alleen:

- die [slachtoffer 1] verteld dat je in Nederland goed kon verdienen met prostitutiewerkzaamheden en/of

- die [slachtoffer 1] geleerd wat dat werk grotendeels inhield en/of

- die [slachtoffer 1] prostitutiewerkzaamheden laten verrichten in (een) seksinrichting(en) (-onder meer- in Leeuwarden en/of Groningen en/of 's-Gravenhage) en/of

- voor die [slachtoffer 1] bepaald wanneer en waar die prostitutiewerkzaamheden moesten worden verricht en/of

- die [slachtoffer 1] verteld dat zij zich uitdagend moest presenteren om meer en/of beter betalende klanten te krijgen en/of

- die [slachtoffer 1] 5 a 6 dagen per week laten werken, ook wanneer zij ongesteld was en/of

- die [slachtoffer 1] werkdagen van 09.00 of 10.00 uur 's morgens tot (laat) in de avond laten maken en/of

- bewerkstelligd dat die [slachtoffer 1] prositutiewerkzaamheden verrichtte (telkens) in een werkkamer dicht nabij de werkkamer van verdachte en/of

- die [slachtoffer 1] voortdurend in de gaten gehouden, tijdens en ook buiten werktijden om en op haar vrije dag en/of

- die [slachtoffer 1] ondergebracht in een woning in 's-Gravenhage, waarin verdachte ook verbleef, en waarvoor die [slachtoffer 1] 600 euro huur moest betalen en/of

- bewerkstelligd dat die [slachtoffer 1] niet of nauwelijks vrijelijk over een telefoon kon beschikken en/of

- bepaald dat die [slachtoffer 1] haar met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld moest afdragen aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), in elk geval bepaald dat die [slachtoffer 1] niet zelf haar verdiende geld in beheer mocht houden en/of

- die [slachtoffer 1] bij terugkeer in Hongarije (telkens) (slechts) een gering bedrag in huf of forint als salaris verstrekt en/of

- die [slachtoffer 1] geïnstrueerd wat zij bij een politiecontrole wel of juist niet moest zeggen

een en/of ander terwijl die [slachtoffer 1] de Nederlandse taal niet of onvoldoende sprak/beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of met de Nederlandse regels en/of wetten en/of gewoonten en/of gebruiken en/of (bijna) niemand in Nederland kende

en/of/aldus

bewerkstelligd dat die [slachtoffer 1] van haar/hen afhankelijk was;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 in Hongarije en Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] (meermalen) vanuit Hongarije heeft aangeworven en/of meegenomen naar Nederland, (telkens) met het oogmerk die [slachtoffer 1] in Nederland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling;

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 25 juli 2017, te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, en/of te Doetinchem, (althans) in de gemeente Doetinchem, en/of te 's-Gravenhage, (althans) in de gemeente 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten [slachtoffer 2] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 2] had,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 1°) en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachte(s) mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 2] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten [slachtoffer 2] , (sub 6°),

hebbende verdachte in vereniging met haar mededader(s), althans alleen:

- samen met die [slachtoffer 2] een huurcontract getekend om samen een woning/ woonruimte (perceel [adres] ) te huren, met de bedoeling dat die [slachtoffer 2] in 's-Gravenhage prostitutiewerkzaamheden zou gaan verrichten en/of

- die [slachtoffer 2] prostitutiewerkzaamheden laten verrichten in (een) seksinrichting(en) (-onder meer- in Leeuwarden en/of Doetinchem) en/of

- voor die [slachtoffer 2] bepaald welke klanten zij moest bedienen en/of

- die [slachtoffer 2] (regelmatig) 7 dagen in de week laten werken en/of

- die [slachtoffer 2] werkdagen van 10.00 uur 's morgens tot sluitingstijd laten maken en/of

- die [slachtoffer 2] seksuele handelingen laten verrichten (mede) bestaande uit het hebben van onbeschermde seks en/of anale seks met klanten en/of

- het (merendeel van het) door die [slachtoffer 2] met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld in beheer genomen en/of

- die [slachtoffer 2] ondergebracht in een woning waarin verdachte ook verbleef en/of

- die [slachtoffer 2] contact met anderen verboden en/of

- bewerkstelligd dat die [slachtoffer 2] niet of nauwelijks vrijelijk over een telefoon kon beschikken en/of

- bepaald dat er per dag een bepaald bedrag moest worden verdiend en/of

- bepaald dat die [slachtoffer 2] pas naar Hongerije terug mocht als er een bepaald totaal bedrag zou zijn verdiend en/of

- toen die [slachtoffer 2] zwanger bleek te zijn, voor haar een abortus, dan wel zogenaamde abortuspillen, geregeld en/of

- die [slachtoffer 2] prostitutiewerkzaamheden laten verrichten ook toen dat om medische redenen niet was toegestaan

een en/of ander terwijl die [slachtoffer 2] de Nederlandse taal niet of onvoldoende sprak/beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of met de Nederlandse regels en/of wetten en/of gewoonten en/of gebruiken en/of (bijna) niemand in Nederland kende

en/of/aldus

bewerkstelligd dat die [slachtoffer 2] van haar/hen afhankelijk was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde op alle subonderdelen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verklaringen van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) zien weliswaar op verschillende periodes ( [slachtoffer 1] 2013-2015 en [slachtoffer 2] 2016-2017), maar ondersteunen elkaar als het gaat om de werkwijze van verdachte en haar partner, medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Uit de verklaringen van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] volgt dat zij in Hongarije door [medeverdachte] zijn aangeworven om in Nederland in de prostitutie te gaan werken met verdachte. Verdachte is (telkens) samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar Nederland gereisd en heeft gezorgd voor huisvesting en een werkplek. Verdachte gaf hen instructies en beheerde de verdiensten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] kreeg blijkens haar verklaringen slechts een klein deel van haar verdiensten terug van verdachte en [medeverdachte] . [slachtoffer 2] kreeg volgens haar verklaring helemaal geen geld terug van verdachte.

De verklaringen van [slachtoffer 2] worden tevens ondersteund door onder meer de verklaringen van collega-prostituee [getuige] (hierna: [getuige] ) en de door verdachte aan [medeverdachte] verzonden sms-berichten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Verdachte heeft consequent verklaard dat zij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft uitgebuit en dat zij hen slechts heeft geholpen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat - los van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] - uit het dossier onvoldoende volgt dat dit anders is. Van gebruik van dwangmiddelen is geen sprake en verdachte had geen oogmerk van uitbuiting.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1. en 2.

Ten aanzien van de onder 1. en 2. ten laste gelegde seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] is de rechtbank, met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs.

Volgens artikel 342 Sv kan het bewijs dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, in dit geval [slachtoffer 1] zelf. De verklaringen van [slachtoffer 1] - inhoudend dat zij door verdachte en [medeverdachte] in Nederland in de prostitutie is gebracht, dat verdachte haar verdiensten beheerde en dat zij maar een (klein) deel daarvan terugkreeg - worden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Dat uit de verklaringen van [slachtoffer 2] volgt dat verdachte (en [medeverdachte] ) twee jaar later ten opzichte van haar een soortgelijke werkwijze zou(den) hebben gehanteerd, maakt dit niet anders.

[slachtoffer 2] heeft enkel verklaard over haar eigen ervaringen met verdachte (en [medeverdachte] ) in een geheel andere periode en dit is onvoldoende om concreet als steun voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde te dienen.

Feit 3.

De rechtbank stelt met betrekking tot de onder 3. ten laste gelegde seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] de volgende feiten vast.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in Hongarije in een lastige positie verkeerde. Ze had geen werk, ze had weinig contact met haar familie en ze kon haar dochtertje bijna niets geven. [slachtoffer 2] werd in contact gebracht met [medeverdachte] . Hij vertelde haar dat verdachte in Nederland werkte en dat zij, [slachtoffer 2] , met verdachte zou gaan werken. Verdachte reisde met [slachtoffer 2] naar Nederland en bood [slachtoffer 2] onderdak in haar huurwoning in Den Haag. Verdachte werkte al in een seksinrichting en probeerde daar een werkplek voor [slachtoffer 2] te regelen. [slachtoffer 2] bleek echter niet in de prostitutie in Den Haag te mogen werken omdat ze de taal niet sprak. Daarop gingen verdachte en [slachtoffer 2] naar Doetinchem, waar [slachtoffer 2] wel mocht werken. Na twee weken in Doetinchem te hebben gewerkt, zijn ze naar Leeuwarden gegaan om daar in [etablissement 1] en [etablissement 2] te gaan werken. [slachtoffer 2] werkte elke dag. Ze deed ook aan onbeschermde en anale seks met klanten. Verdachte deed dat niet en stuurde klanten die dat wel wilden door naar [slachtoffer 2] . Verdachte instrueerde [slachtoffer 2] over wat ze tegen hulpverleners of politie moest zeggen. [slachtoffer 2] leverde haar verdiensten elke dag in bij verdachte. [slachtoffer 2] is meerdere keren met verdachte terug naar Hongarije gereisd voor een korte periode. Verdachte wisselde de verdiensten dan om naar Hongaarse Forinten (HUF), maar [slachtoffer 2] kreeg er niets van terug. Alleen als [slachtoffer 2] iets nodig had, bijvoorbeeld geld voor een bezoek aan de kapper, kreeg ze daarvoor geld van verdachte.

Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden ontkend dat zij [slachtoffer 2] hebben uitgebuit. Verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] enkel heeft geholpen en dat zij de verdiensten van [slachtoffer 2] nooit heeft bewaard of afgenomen. Zij heeft ook nooit met [slachtoffer 2] over haar verdiensten gesproken en wist niet wat [slachtoffer 2] verdiende met haar werkzaamheden. De pakketjes geld die op de werkkamer van verdachte zijn aangetroffen, betroffen haar eigen verdiensten. Een deel van dat geld had zij vanuit Hongarije mee (terug) naar Nederland genomen.

De rechtbank constateert dat de lezing van [slachtoffer 2] op diverse punten wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Collega-prostituee [getuige] heeft verklaard dat verdachte klanten regelde voor [slachtoffer 2] , dat verdachte [slachtoffer 2] in de gaten hield en dat [slachtoffer 2] haar verdiensten inleverde bij verdachte. De politie heeft € 13.060,00 aangetroffen in de werkkamer van verdachte, terwijl bij [slachtoffer 2] slechts € 200,00 werd aangetroffen.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de vaststelling van de feiten uit van de verklaringen van [slachtoffer 2] , zoals hiervoor samengevat en nader opgenomen bij de bewijsmiddelen.

De rechtbank dient - kort gezegd - de vraag te beantwoorden of [slachtoffer 2] , gelet op de door haar geschetste gang van zaken, werd uitgebuit door verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] . De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273f (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De in dit artikel opgenomen verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze en afhankelijkheid komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen van artikel 273f Sr, waarbij deze gedragingen alleen bestraft kunnen worden als ze zijn begaan onder omstandigheden waarbij (oogmerk van) uitbuiting kan worden verondersteld. 1

(Oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan in het tweede lid door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. In het geval van prostitutiewerkzaamheden zal er - gelet op de aard van het werk en de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer - in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig financieel gewin bij de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting. Wanneer gebruik is gemaakt van enig dwangmiddel, is instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant.

Voor bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1. ten laste gelegde subonderdelen 1, 4, en 9 van lid 1, artikel 237f Sr is vereist dat sprake is van toepassing van dwangmiddelen door verdachte. De rechtbank zal de dwangmiddelen bespreken waarvan tot bewezenverklaring is gerequireerd door de officier van justitie.

- misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

In de wetsgeschiedenis wordt ten aanzien van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht de vergelijking gemaakt met de mogelijkheid zich op te stellen als ‘een mondige Nederlandse prostitué(e)’. Mondig betekent dat hij of zij zelfstandig kan bepalen of, wanneer en voor wie er wordt gewerkt en ook dat hij of zij zelf de beschikking heeft over de inkomsten uit dat werk.2

De rechtbank constateert dat niet gezegd kan worden dat de positie van [slachtoffer 2] gelijk was aan die van een mondige Nederlandse prostituee. De rechtbank wijst er in dit verband op dat [slachtoffer 2] onbekend was in Nederland, de Nederlandse noch de Engelse taal sprak (hetgeen in Den Haag voor een exploitant reden was om haar niet te laten werken), zonder huisvesting of werk naar Nederland was gekomen en daarvoor afhankelijk was van verdachte en bovenal dat zij niet kon beschikken over haar eigen verdiensten.

Deze omstandigheden opgeteld maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte feitelijk overwicht op [slachtoffer 2] had en dat zij daarvan misbruik maakte.

- misbruik van een kwetsbare positie

Met betrekking tot het dwangmiddel misbruik van een kwetsbare positie geldt dat dit begrip in lid 6 van artikel 237f Sr inmiddels is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.” In de wetsgeschiedenis wordt ten aanzien van een kwetsbare positie beschreven dat dit onder andere het gevolg kan zijn van illegale binnenkomst of illegaal verblijf, ongedocumenteerde status, verslaving of een psychische of lichamelijke handicap.3 De rechtbank constateert in dit verband dat [slachtoffer 2] legaal in Nederland was en dat van de andere genoemde voorbeelden evenmin sprake was. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de positie van [slachtoffer 2] als kwetsbaar aan te merken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het dwangmiddel misleiding bewezen kan worden.

[slachtoffer 2] verkeerde in de veronderstelling dat verdachte haar verdiensten voor haar bewaarde. In werkelijkheid zag [slachtoffer 2] (bijna) niets van haar verdiensten terug en hield verdachte de verdiensten van [slachtoffer 2] voor zichzelf. Verdachte betaalde weliswaar eten voor [slachtoffer 2] (en voor zichzelf) en als [slachtoffer 2] in Hongarije eens naar de kapper ging, kreeg ze daarvoor geld van verdachte, maar dit staat in geen enkele verhouding tot de verdiensten van [slachtoffer 2] 's dagelijkse werk in de prostitutie, waarvan verdachte het merendeel in eigen zak stak.

Nu [slachtoffer 2] als gevolg van gebruik van dwangmiddelen in de prostitutie heeft gewerkt en haar verdiensten heeft afgestaan, is sprake van uitbuiting. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft vervoerd en gehuisvest (subonderdeel 1), heeft bewogen prostitutiewerk te verrichten (subonderdeel 4), heeft bewogen haar verdiensten af te staan (subonderdeel 9) en dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] (subonderdeel 6). Dat verdachte daarbij (telkens) het oogmerk van uitbuiting had, volgt uit de omstandigheid dat verdachte zelf degene was die [slachtoffer 2] de prostitutiewerkzaamheden liet verrichten en die zich haar verdiensten toe-eigende.

Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat [medeverdachte] haar in Hongarije voorstelde om - met verdachte - in Nederland in de prostitutie te gaan werken. Toen [slachtoffer 2] eenmaal in Nederland was, informeerde [medeverdachte] telefonisch (via verdachte) hoe het met [slachtoffer 2] ging; hij klonk boos of zenuwachtig als de werkplek niet goed was en ze niet goed verdiende. Verder blijkt uit het dossier dat verdachte in sms-berichten aan [medeverdachte] liet weten hoeveel zij en [slachtoffer 2] hadden verdiend. Ook kan uit het dossier worden afgeleid dat [medeverdachte] meeprofiteerde van de verdiensten van verdachte. De rechtbank constateert echter dat uit het dossier geenszins blijkt dat verdachte wist dat de verdiensten van [slachtoffer 2] door verdachte werden afgenomen en (mogelijk) waren vermengd met de verdiensten van verdachte. Evenmin is gebleken dat verdachte anderszins op de hoogte was van de uitbuiting van [slachtoffer 2] .

Medeplegen wordt gedefinieerd door een nauwe en bewuste samenwerking gericht op voltooiing van het gronddelict, in dit geval seksuele uitbuiting. Nu niet bewezen kan worden dat [medeverdachte] met verdachte samenwerkte met als doel de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] , acht de rechtbank medeplegen niet bewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 juli 2017, opgenomen op pagina 119 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC17020-HPV-01 d.d. 3 oktober 2017, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: We hebben dit gisteren nog niet benoemd maar in welke seksinrichting en op welke kamer ben jij werkzaam in Leeuwarden?

A: [etablissement 2] . Kamer 2.

V: En waar is [slachtoffer 2] werkzaam?

A: Nergens op dit moment.

V: Ze had wel een kamer?

A: Kamer nummer 5.

V: Weet je ook waar [slachtoffer 2] slaapt?

A: Ja. Ze woont met mij samen. Ze is mijn vriendin. We hebben hier onderdak gekregen.

V: Hoe lang hebben jullie daar gewoond?

A: Drie weken, een maand ongeveer.

Ik kende een dokter in Den Haag. Wij namen haar mee daar naartoe. Toen zeiden ze er is een abortuskliniek waar ze medicijnen heeft gekregen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 juli 2017, opgenomen op pagina 126 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Klopt het dat [slachtoffer 2] en jij samen zijn gereisd vanuit Hongarije naar Nederland, naar Leeuwarden?

A: Ja. Met het vliegtuig van Boedapest naar Eindhoven. Ongeveer 3 weken geleden.

V: Ik neem aan dat jij wist waar je moest zijn in Leeuwarden.

A: Ja want ik heb hier eerder gewerkt. Wij konden vlakbij de werkplek een kamer huren via de baas.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 juli 2017, opgenomen op pagina 391 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik werk nu een jaar in Leeuwarden als prostituee. Toen jullie van de politie zonet bij me waren op mijn werkkamer en me mee wilden nemen, zei ik, dat ik niet van de kamer af mocht en dat ik eerst even moest bellen met een vriendin. Het is niet dat er niet uit mag gaan, maar ze belt me iedere dag. Ik mag nu een paar dagen niet werken. Ik heb een week geleden een operatie gehad en ik mag nu vier weken niet werken. In de tussentijd heeft ze mij haar telefoon gegeven, zodat ik haar kan bellen. De naam van mijn vriendin is [verdachte] en ik ga overal met haar naar toe.

Ik bewaar mijn verdiende geld in mijn portemonnee. Ik laat u mijn portemonnee zien. U ziet dat ik maar tweehonderd euro in mijn portemonnee heb. Meer geld dan deze 200 euro heb ik niet. Ik probeer elke dag boven de kamerhuur tweehonderdvijftig tot driehonderd euro te verdienen, maar dat lukt niet altijd, soms is het maar honderd, of honderdvijftig.

Ik ben in juni met mijn vriendin [verdachte] teruggekomen. Zij werkt hier al heel lang. Ik heb haar in Hongarije leren kennen.

Ik had thuis geen mogelijkheden en kon niets aan mijn dochter geven, daarom ging ik werken in de prostitutie. [verdachte] zie ik als een vriendin. Ze helpt me in alles. We werken samen. Ik geef inderdaad het geld aan [verdachte] om te bewaren. Daarom heb ik elke keer maar steeds tweehonderd euro bij mij en de rest is bij haar. [verdachte] is ook bang dat het geld van mij gestolen zou worden. Omdat ik niet zo goed Engels spreek en zij wel. In april voor Pasen zijn wij naar Hongarije teruggegaan. [verdachte] wisselt mijn geld ook om naar Hongaars geld. U vraagt mij waarom alle klanten die zonder condoom willen bij mij komen. U zegt dat de andere prostituees dat zeggen. De klanten willen wel vijftig of honderd zelfs betalen. Ik weet dat dat onveilig is, maar ik heb een paar van zulke klanten. U zegt dat [verdachte] dat niet doet. Dat klopt, [verdachte] doet dat niet. U zegt mij dat [verdachte] de klanten die zonder willen naar mij doorstuurt en het zelf niet doet. Als de klanten willen pijpen of anaal dan stuurt ze ze naar mij toe. Dat wil zij niet. Zo kan ik meer geld verdienen.

Ik werk van maandag tot en met donderdag van 10 uur 's morgens tot middernacht en vrijdag van 10 tot 1, zaterdag van 11 tot 1 uur 's nachts en zondag van 12 tot middernacht.

Als ik ongesteld ben werk ik met een sponsje. U vraagt mij of ik wel eens een vrije dag had. Ik heb alleen maar niet gewerkt toen ik de abortus heb gehad. Verder heb ik alleen maar gewerkt.

U vraagt mij hoeveel geld van mij er op dit moment in het bezit is bij mijn vriendin. Ik tel het nooit 's avonds. [verdachte] zei: tel het maar nooit want dan brengt ongeluk. Ik geef het geld maar aan haar en dan we tellen het nooit. Het wordt gewoon opgespaard. Ik weet dat het van mij is, maar ik vraag nooit hoeveel het is. Ik vertrouw haar en ze heeft een goed hart.

Ik heb ook in Doetinchem gewerkt en hier in Leeuwarden dus. Ik weet niet hoeveel geld [verdachte] bij zich heeft als we teruggaan. Ik weet alleen, dat we met de bus voor 150 euro terug gaan. De laatste keer dat we teruggingen, had ik tweehonderdvijftig/driehonderd euro bij me. [verdachte] had de rest van het geld bij zich. U vraagt mij waar ik de rest van mijn verdiende geld heb gelaten in Hongarije. [verdachte] bewaart het geld altijd.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 24 augustus 2017, opgenomen op pagina 290 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

[verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) zei telkens dat ik mijn best moest doen en mijn beste beentje voor moest zetten. Zeker als we weinig te besteden hadden. Ze zei dat als iemand het vraagt dat ik dan moest zeggen dat wij zusters waren. Als de GGD kwam en dat soort mensen.

V: Hoe kwam jij in Den Haag terecht?

A: [verdachte] sprak [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) haar vriend. [verdachte] kende de buschauffeur al, die ons altijd vervoerd. Hij zei dat zijn vriendin [verdachte] in Nederland werkte. Dat ik naar haar zou gaan en dat ik met haar zou werken.

O: Wij laten je een huurcontract zien voor het adres [adres] met als ingangsdatum 24 mei 2016. Wat kun je hierover verklaren?

A: Dit zijn allemaal papieren die ik daar moest tekenen. Wij woonden daar samen in Den Haag en dus moest ik ook tekenen van de eigenaar.

V: Waarom mocht jij niet in Den Haag werken?

A: [verdachte] sprak die vrouwelijke baas. Zij sprak die mevrouw dat ik moest worden aangenomen. Wij zouden die papieren aannemen en toen zei die kerel dat ik de taal niet sprak. Dat ze mij dus niet konden aannemen. Dat was de reden dat ik in Den Haag niet kon werken. Daarom zijn wij naar Doetinchem gegaan.

V: Hoe is het gekomen dat [verdachte] al jou verdiende geld bewaarde?

A: Ik gaf het aan haar toen wij begonnen te werken in Doetinchem om het geld te bewaren.

[verdachte] zei dat ik haar het geld moest geven, dan zou zij dat bewaren voor mij.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 juli 2017, opgenomen op pagina 398 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

In april waren wij in Hongarije. Eind april kwamen wij terug naar Leeuwarden en 8 juni zijn we weer naar Hongarije gegaan.

V: Die tijd in april in Hongarije, heb je toen bij [verdachte] in huis verbleven?

A: Ja, ik ben naar hun toegegaan. Ik ben naar de stad gegaan en we zijn naar de kapper gegaan en naar de nagelstudio.

V: Wat ons vanochtend opviel toen jij de spullen van jou en die van [verdachte] bekeek, dat jij maar 1 koffer hebt en [verdachte] veel meer.

A: Als we hier in Nederland zijn dan koopt zij leuke kleding voor zichzelf.

V: En als jullie dan in Hongarije zijn, wanneer geeft [verdachte] jou je geld dan?

A: Ja, eerst wisselen ze de euro's in Hongaars geld en als ik wat nodig heb, als ik naar de kapper ga, dan krijg ik geld van haar om dat te betalen. Maar al ons geld is gewoon bij elkaar. Soms neemt ze ook sigaretten voor mij mee want dan vraag ik haar dat. Mijn verdiensten en haar verdiensten als we terug gaan naar Hongarije, stopt zij bij elkaar.

Als ik klaar ben met het werk, dan geef ik het altijd aan haar en zij stopt het in haar tas. En daarna weet ik niet meer wat ze doet.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 1 augustus 2017, opgenomen op pagina 284 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Al mijn in Nederland verdiende geld heb ik aan [verdachte] gegeven in vertrouwen. We hebben daarover geen afspraken gemaakt, maar ik heb buiten enkele kleine bedragen nooit iets uitgegeven. En ik heb tot nu toe nagenoeg niets van mijn verdiende geld terug gekregen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 10 augustus 2017, opgenomen op pagina 286 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

V: Weet je wat [verdachte] vertelt over het geld wat zij bij zich had in haar tasje?

A: Zij bewaart dat gewoon.

V: Zij vertelt bij ons dat al het geld wat er in haar tasje zit alleen van haar is.

A: Oh mijn God, wat zal ze nog veel problemen voor mij veroorzaken. Het is niet waar! Haar geld is daar, maar ook mijn geld wat ik aan haar geef. Oh mijn God.

Ik tel het aantal mannen, dat ik nog negen of tien mannen moet hebben om de 300 of ten minste de 250 te kunnen verdienen na mijn kamerhuur en s 'avonds als ik het heb, geef ik het aan haar.

V: [verdachte] had ongeveer 13 duizend euro in de tas. Daar zit dan toch minstens de helft van jou bij?

A: Sinds wij hier zijn is dat zo, omdat ze alles bij elkaar heeft gelegd. Ik denk ook dat de helft van mij is. De rest van het geld wat ze in Hongarije heeft zal ze niet bij zich hebben.

Ik denk dat wij in die paar maanden dat we hier zijn, dat het geld wat ik heb verdiend is bij haar. Ze zei dat zij erop zou passen. En toen heb ik ermee in gestemd dat zij erop zou passen omdat ik wist dat het er zou blijven en zodat zij erop zou passen.

V: En nu zegt ze bij ons dat het geld waarop zij past van haar is en niet van jou!

A: Nee. Mijn geld is ook bij haar en dat weet ik want ik ben niet gek.

V: Wanneer zou jij dan je geld krijgen?

A: Daar hebben wij het niet over gehad. Ik heb alleen met haar besproken dat zij op mijn geld zou passen en niet wat er met mijn geld zou gebeuren.

Ik wil al mijn verdiende geld terug hebben van [verdachte] en [medeverdachte] . Ik ben alleen bang dat ik niet weet hoe zij zullen reageren hierop, omdat zij mij ook wel hebben geholpen.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 juli 2017, opgenomen op pagina 408 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik ken [verdachte] en [slachtoffer 2] sinds september vorig jaar. Toen kwamen zij terug om in [etablissement 1] te werken in Leeuwarden. En alle meisjes viel het op dat ze voor [verdachte] werkte. [verdachte] regelde meestal de klanten voor haar en hield haar altijd onder toezicht. Zij, [verdachte] , probeerde haar altijd in haar buurt te laten plaatsen zodat ze kon zien wat er met haar gebeurde. En ze probeerde er op te letten, dat ze niet met andere Hongaarse meisjes communiceerde. Als [slachtoffer 2] bijvoorbeeld toch een gesprek begon, verscheen [verdachte] er snel bij, zodat er geen dingen werden verteld die niet mochten.

[verdachte] stond aan mijn kant, in [etablissement 2] en het meisje kreeg een kamer in [etablissement 1] , de eerste kamer. Wat opviel toen was, dat [verdachte] steeds naar haar toe rende of belde en ik neem aan dat ze haar controleerde. In die tijd had [verdachte] een opmerking. Ik was met een meisje aan het praten en [verdachte] kwam erbij en toen heeft ze gezegd: ik moet even rennen, want mijn lelijkerd is aan het neuken. Het is niet makkelijk om met [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt dat dit de werknaam van [slachtoffer 2] was) te praten, want iedere keer als iemand een gesprek met haar wilde, was ze aan het kijken of iemand keek. In ieder gesprek ging het over haar en haar vriendin. Wat nog heel erg opvallend was, dat het meisje heel veel klanten had. En iedere keer als er eten gehaald werd of sigaretten, dan betaalde [verdachte] voor [slachtoffer 2] .

V: Hoe weet jij dat [slachtoffer 2] alles doet met een klant?

A: Er kwam bijvoorbeeld een klant. Hij zei dat hij kwam voor anaal voor 40. Ik heb hem uitgelachen en zei dat ik geen anaal deed. Hij zei: natuurlijk wel, je vriendin heeft me gestuurd. Ik hoorde toen dat [verdachte] begon te schreeuwen: nee niet daar, maar mijn andere vriendin op nummer 5. En op nummer 5 zat [slachtoffer 2] .

Ik hoorde van andere meisjes dat [slachtoffer 2] ook in Den Haag was geweest en een abortus had gehad. Twee of drie weken daarvoor kwam [verdachte] naar mij toe en vroeg een nummer van een gynaecoloog. Ik zei dat dat niet zo ging in Nederland. [verdachte] zei toen dat het niet uitmaakte en dat ze wel naar Den Haag ging naar een gynaecoloog. Een paar weken later hoorde ik dat [slachtoffer 2] naar het ziekenhuis moest omdat ze een abortuspil had gehad, dat was geregeld door [verdachte] .

V: Je vertelde over de abortuspil en dat je erna een paar weken niet mag werken. [slachtoffer 2] is de volgende dag al aan het werk gegaan toch?

A: Ik weet dat ze in de avond terug kwamen en [verdachte] zei, dat ze bij de gynaecoloog waren geweest in Den Haag. Dezelfde avond gingen ze weer aan het werk. Waarschijnlijk heeft ze toen de abortus gehad, want dat is de enige dag dat ze niet werkten.

Je wekt met die pillen een miskraam op. En in die staat is ze dus weer gaan werken. Dus toen ze zo hevig moest vloeien, ging [verdachte] naar de GGD. [verdachte] wilde eigenlijk niet met haar naar het ziekenhuis.

V: Hoeveel dagen werken zij normaal gesproken?

A: Alle dagen van opening tot sluitingstijd. Ik weet dat omdat ik normaal ook elke dag aanwezig ben. Ik werk niet alle uren, maar ik hoor dat ook van andere meiden. Als ik dan dag zei tegen [slachtoffer 2] om weg te gaan, zei ze, dat zij nog moest blijven tot sluitingstijd.

V: Wat deed [slachtoffer 2] met haar verdiende geld?

A: Ze gaf het aan [verdachte] . [verdachte] beheerde het geld. [slachtoffer 2] had geen geld en moest alles aan [verdachte] vragen en ze ging ook niet naar buiten om het op te sturen. En alles van hen werd samen betaald, zelfs de kamer.

En zij nam het geld 's avonds in en [slachtoffer 2] had geen kans om het op te maken. Ze kon het niet opmaken, daar had ze geen tijd voor.

9.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juli 2017, opgenomen op pagina 331 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op 25 juli 2017 werd door ons het pand [etablissement 2] te Leeuwarden betreden in het bijzijn van een tolk Hongaars teneinde een gesprek te hebben met [slachtoffer 2] . Nadat we haar hadden medegedeeld dat wij een gesprek met haar wensten te hebben aan het bureau van politie, raakte zij in paniek en pakte zij de bij haar in gebruik zijnde mobiele telefoon. Zij gaf aan dat zij haar vriendin [verdachte] dan eerst moest gaan bellen. Dat zij zonder medeweten van haar vriendin niet weg mocht gaan.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juli 2017, opgenomen op pagina 318 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op dinsdag 25 juli 2017 hebben wij kamer 2 van het pand [etablissement 2] te Leeuwarden doorzocht. Verdachte [verdachte] is hier werkzaam als prostituee. In totaal troffen wij 13.060 euro aan bankbiljetten in de werkkamer van [verdachte] aan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

3.

zij in de periode van 1 mei 2016 tot en met 25 juli 2017, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Doetinchem, in de gemeente Doetinchem, en te 's-Gravenhage, in de gemeente 's-Gravenhage,

A) een ander, te weten [slachtoffer 2] , telkens door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,

- heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 1°) en

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en

- heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer 2] , seksuele handelingen met een derde (sub 9°) en

B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten [slachtoffer 2] , (sub 6°),

hebbende verdachte:

- samen met die [slachtoffer 2] een huurcontract getekend om samen een woning, perceel [adres] , te huren, met de bedoeling dat die [slachtoffer 2] in 's-Gravenhage prostitutiewerkzaamheden zou gaan verrichten en

- die [slachtoffer 2] prostitutiewerkzaamheden laten verrichten in seksinrichtingen in Leeuwarden en Doetinchem en

- voor die [slachtoffer 2] bepaald welke klanten zij moest bedienen en

- die [slachtoffer 2] regelmatig 7 dagen in de week laten werken en

- die [slachtoffer 2] werkdagen van 10.00 uur 's morgens tot sluitingstijd laten maken en

- die [slachtoffer 2] seksuele handelingen laten verrichten mede bestaande uit het hebben van onbeschermde seks en anale seks met klanten en

- het merendeel van het door die [slachtoffer 2] met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld in beheer genomen en

- die [slachtoffer 2] ondergebracht in een woning waarin verdachte ook verbleef en

- toen die [slachtoffer 2] zwanger bleek te zijn voor haar zogenaamde abortuspillen geregeld en

- die [slachtoffer 2] prostitutiewerkzaamheden laten verrichten ook toen dat om medische redenen niet was toegestaan,

een en ander terwijl die [slachtoffer 2] de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerste en onbekend was in Nederland en met de Nederlandse regels, wetten, gewoonten en gebruiken en niemand in Nederland kende en aldus bewerkstelligd dat die [slachtoffer 2] van haar afhankelijk was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

3. Mensenhandel, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Tevens heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de straf moet worden gematigd nu verdachte zelf (ook) vijf jaar lang in de prostitutie heeft gewerkt, dat geen sprake was van een situatie waarin zij [slachtoffer 2] liet werken om zichzelf te ontlasten en dat verdachte blijkens het financieel onderzoek geen financieel voordeel van de werkzaamheden van [slachtoffer 2] heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de rapportage d.d. 16 april 2018, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 oktober 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Verdachte was werkzaam in de prostitutie en is met het slachtoffer, net als verdachte een jonge Hongaarse vrouw, naar Nederland gereisd, heeft haar op verschillende plaatsen gehuisvest en heeft werkplekken voor haar geregeld. Verdachte gaf aanwijzingen aan het slachtoffer en stuurde klanten naar haar door voor seksuele handelingen die verdachte zelf niet wilde doen. Verdachte nam de verdiensten van het slachtoffer in en het slachtoffer heeft dit geld nooit terug gekregen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens haar strafblad niet eerder in Nederland onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf slaat de rechtbank acht op de volgende omstandigheden.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden gevorderd, uitgaand van bewezenverklaring van alle feiten. De rechtbank spreekt verdachte echter vrij van mensenhandel gepleegd ten opzichte van een ander slachtoffer. Voorts acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, medeplegen - hetgeen conform artikel 273f lid 3 Sr een strafverzwarende werking heeft - niet aan de orde. Dit maakt dat een fors lagere straf aan verdachte zal worden opgelegd dan is geëist.

In reactie op het standpunt van de raadsvrouw - inhoudend dat uit financieel onderzoek is gebleken dat verdachte geen voordeel heeft gehad van de verdiensten van [slachtoffer 2] - overweegt de rechtbank dat weliswaar uit de gegevens van onder meer de belastingdienst en banken over verdachte en haar partner geen hoge inkomsten vallen af te leiden, maar dat dat niet uitsluit dat verdachte de verdiensten van [slachtoffer 2] elders heeft ondergebracht of heeft uitgegeven. Uit de eigen verklaringen van verdachte blijkt bovendien dat zij meermalen vanuit Nederland geld stuurde naar familie in Hongarije en dat zij cheques van de belastingdienst betaalde vanuit Nederland.

Dat verdachte zelf ook in de prostitutie heeft gewerkt, maakt evenmin dat zij minder straf verdient voor hetgeen zij [slachtoffer 2] heeft aangedaan. Dit maakt immers niet dat de gevolgen voor [slachtoffer 2] minder erg zijn.

Met betrekking tot de pleegperiode overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij eind mei 2016 naar Nederland is gekomen en dat zij tot 25 juli 2017 (zijnde het eind van de ten laste gelegde periode) heeft gewerkt, waarbij zij meermalen tien dagen tot een maand is gegaan naar Hongarije. De rechtbank gaat dan ook uit van een periode van ongeveer acht maanden waarin daadwerkelijk is gewerkt.

Alles overwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden passend.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 80.000,00 ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot toewijzing van de vordering gerequireerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de materiële schade bepleit dat de daadwerkelijke inkomsten van [slachtoffer 2] niet kunnen worden vastgesteld. De schatting van het inkomen is onvoldoende onderbouwd en de gemaakte kosten zijn hier niet van afgetrokken. De vordering van immateriële schade is eveneens onvoldoende onderbouwd. Van psychische schade is niet gebleken en uit de verklaringen van [slachtoffer 2] volgt dat zij zich tijdens haar werkzaamheden nooit uitgebuit heeft gevoeld.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. bewezen verklaarde. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank gaat bij de schatting van de materiële schade uit van de voor verdachte meest gunstige gegevens uit de verklaringen van [slachtoffer 2] . Dit leidt tot de volgende berekening:

[slachtoffer 2] werkte gedurende acht maanden vijf dagen per week, hetgeen een totaal van 171 werkdagen maakt. Per werkdag verdiende zij gemiddeld € 250,00, wat een totaal inkomen oplevert van (€ 250,00 x 171 =) € 42.750,00. Daar dienen de ten behoeve van het werk gemaakte kosten van te worden afgetrokken. De rechtbank gaat per dag uit van kamerhuur à € 60,00 en materiaal à € 17,50, hetgeen samen € 77,50 maakt en vermenigvuldigd met 171 werkdagen een totaal van € 13.252,50 oplevert.

Tevens heeft [slachtoffer 2] (samen met verdachte) een woning gehuurd in den Haag, waarvoor zij gedurende acht maanden € 450,00 per maand had moeten betalen. Dit maakt een totaalbedrag van (8 maanden x € 450,00 =) € 3.600,00.

Ten aanzien van de kosten voor het levensonderhoud maakt de rechtbank een schatting met behulp van de bedragen van het NIBUD, hetgeen de volgende som oplevert:

Voeding € 185,00 per maand x acht maanden = € 1.480,00

Persoonlijke verzorging € 13,50 per maand x acht maanden = € 108,00

Waskosten € 1,80 per keer, wekelijks x 171 dagen/7 = € 44,00 +

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Totale kosten levensonderhoud € 1.632,00

Tevens dienen de door [slachtoffer 2] gemaakte reiskosten van Nederland naar Hongarije en vice versa van haar verdiensten worden afgetrokken. De rechtbank schat het aantal keren dat is gereisd op vijf en gaat uit van gemiddelde kosten van € 225,00. Dit levert een totaalbedrag van € 1.125,00 aan geschatte reiskosten op.

Dit leidt tot de volgende berekening van het bedrag dat [slachtoffer 2] netto aan haar werkzaamheden had moeten overhouden:

Verdiensten: € 42.750,00

Aftrekposten: kosten voor werk € 13.252,50

kosten voor huur woning € 3.600,00

kosten voor levensonderhoud € 1.632,00

reiskosten € 1.125,00 -

----------------------------------------------------------------------------------------

€ 23.140,50

De rechtbank schat de hoogte van de materiële schade aldus op € 23.140,50. De rechtbank zal de vordering tot materiële schade tot dit bedrag toewijzen en het overige gedeelte van de vordering als het gaat om materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 5.000,00 overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van art. 6:106, eerste lid, onder b, BW kan onder omstandigheden ook bij een andere aantasting dan door lichamelijk letsel aan de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding worden toegekend. Daarbij geldt als uitgangspunt voor de toewijsbaarheid van de betreffende vordering dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde zal “voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld”.4 Een uitzondering op deze hoofdregel is mogelijk indien sprake is van een bijzondere ernst van de normschending en de (voldoende ernstige) gevolgen daarvan voor het slachtoffer.5

Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van uitbuiting in de prostitutie zonder meer sprake van een bijzondere ernst van de normschending. Dat de psychische gevolgen voor [slachtoffer 2] groot zijn, behoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen toelichting.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag redelijk en billijk en zal de vordering op dit punt volledig toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een totaalbedrag van € 28.140,50.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3. bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. en 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 28.140,50 (zegge: achtentwintigduizendhonderdveertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2017).

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 28.140,50 (zegge: achtentwintigduizendhonderdveertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 175 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 23.140,50 aan materiële schade en

€ 5.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. K. Post en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2018.

Mr. Bosker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 ECLI:NL:HR:2015:3309, ECLI:NL:HR:2016:554, ECLI:NL:HR:2018:1941.

2 Kamerstukken [etablissement 2] 1988/89, 21027, 3, p. 3 e.v. en 5.

3 Kamerstukken [etablissement 2] 2011/12, 33309, 3, p. 16.

4 Hoge Raad 9 mei 2003, NJ 2005, 168

5 Slachtoffer en de rechtspraak, Handleiding voor de strafrechtspraktijk, J. Candido, december 2013.