Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5659

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
31-01-2020
Zaaknummer
C/19/124386 / HA ZA 18-186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijdering van kunstwerk door het ROC zonder voorgaand overleg is onrechtmatig jegens de kunstenaar (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AN7830, Jelles/Zwolle). Schadevergoeding in verband met aantasting in persoonlijkheidsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/124386 / HA ZA 18-186

Vonnis van 18 december 2019

in de zaak van

PIET [eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.D. van der Minne te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING REGIONAAL OPLEIDINGEN CENTRUM DRENTHE,

gevestigd te Emmen,

gedaagde,

advocaat mr. M. Dijsselhof te Assen.

Partijen zullen hierna [eiser] en het ROC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 januari 2019;

  • -

    de akten overlegging producties van [eiser] van 25 maart en 10 april 2019;

  • -

    de akte wijziging eis van [eiser] d.d. 11 april 2019;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2019 met daaraan gehecht de comparitieaantekeningen van beide partijen en de brief van mr. Dijsselhof d.d. 24 april 2019;

  • -

    de verwijzing naar de rol voor uitlating partijen;

  • -

    de antwoordakte wijziging van eis van het ROC d.d. 1 mei 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het ROC is rechtsopvolger van het Suydeveldtcollege (hierna: het College).

2.2.

Begin 1993 heeft het College via een kunstadviesbureau een tender uitgeschreven voor kunstenaars om voor het nieuwe schoolgebouw van het College een kunstwerk te realiseren als verbinding van de openbare ruimte tussen het College en een nieuw te bouwen parkeerplaats.

2.3.

Op 15 juni 1993 heeft het College de opdracht gegund aan [eiser] , zulks voor een totaalbedrag van fl. 76.320,00 (incl. btw), een bedrag van fl. 7.632,00 aan honorarium daarbij inbegrepen.

2.4.

Op 5 november 1993 hebben het College en [eiser] hun samenwerking vastgelegd in een overeenkomst. Art. 6 van deze overeenkomst luidt:

"Lid 1 Kunstenaar behoudt het auteursrecht op de hem vervaardigde schetsontwerpen, definitieve ontwerpen, maquettes, tekeningen en op het kunstwerk.

Lid 2 Reproduktie van het kunstwerk, in welke vorm ook, is voorbehouden aan kunstenaar, behoudens het bepaalde in artikel 18 van de Auteurswet. Kunstenaar mag zijn toestemming tot reproductie aan opdrachtgever niet op onredelijke gronden onthouden.

Lid 3 Kunstenaar zal zich onthouden van het maken van een kunstwerk gelijk aan hetgeen ter vervulling van deze opdracht wordt vervaardigd, tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen.

Lid 4 Opdrachtgever zal het kunstwerk overeenkomstig de bedoeling van kunstenaar beheren.

Lid 5 Indien in de situatie zodanige wijzingen worden aangebracht dat dit een aantasting van het kunstwerk zal inhouden, zal opdrachtgever in overleg met kunstenaar bezien hoe het kunstwerk aan de gewijzigde situatie kan worden aangepast c.q. hoe het kunstwerk in een nieuwe situatie kan worden opgenomen. Indien dit niet mogelijk is, zal kunstenaar instemmen in de verwijderering van het kunstwerk."

2.5.

Het kunstwerk - Zonder titel 1407 - is in 1994 gebouwd en opgeleverd aan het College. Het kunstwerk bestond uit een groot rechthoekig frame met verschillende koperen objecten in het frame en zag er als volgt uit:

2.6.

Het kunstwerk is verschillende malen doelwit geweest van diefstal.

2.7.

In oktober 2017 bereikte [eiser] het bericht van een derde dat het kunstwerk in de voorbije jaren verschillende keren doelwit is geweest van diefstal en dat het ROC tot verwijdering van het kunstwerk was overgegaan.

2.8.

[eiser] heeft op 31 oktober 2017 schriftelijk contact opgenomen met het ROC. Het ROC heeft vervolgens telefonisch erkend dat het kunstwerk verschillende malen doelwit is geweest van diefstal en is verwijderd.

2.9.

Bij e-mail van 16 november 2017 heeft de heer [naam 1] namens het ROC [eiser] het volgende bericht:

"Naar aanleiding van uw belletje en uw brief d.d. 31-10 reageer ik namens Drenthe College. Zoals u in uw brief aangeeft maakt u zich zorgen om de status van uw kunstwerk. Helaas delen wij deze zorg. Zoals ik al heb aangegeven in ons telefonische gesprek is kunstwerk helaas een aantal malen het onderwerp geweest van een diefstal. Twee jaar geleden is er ook persoon voor veroordeeld echter de stukken die missen zijn nooit meer teruggevonden. Ook redelijk recent hebben we dieven op bezoek gehad met als gevolg dat alleen frame en 1 vierkant onderdeel er nog waren. Door, waarschijnlijk, gebruik van ijzerzagen etc. is frame behoorlijk beschadigd en zijn we genoodzaakt om kunstwerk in zijn geheel te verwijderen.

Dit o.a. in kader van veiligheid.

Helaas hebben we ondanks camerabeveiliging deze diefstallen niet kunnen voorkomen."

2.10.

Vervolgens heeft correspondentie tussen de advocaat van [eiser] en het ROC plaatsgevonden, waarna het ROC in rechte is betrokken.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

- het ROC zal veroordelen tot vergoeding van de schade wegens niet-nakoming, dan wel onrechtmatig handelen dan wel misbruik van bevoegdheid, zijnde een bedrag van € 64.000,00, binnen 48 uur na het ten deze te wijzen vonnis, althans na betekening van dit vonnis, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, althans tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat:

Subsidiair:

- het ROC zal veroordelen binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis [eiser] opdracht te geven tot het reproduceren van het kunstwerk op de wijze en tegen de kosten als genoemd in 3.15 van de dagvaarding en ten behoeve van de te verrichten werkzaamheden en de in het kader van de opdracht door [eiser] in te schakelen derden de in 3.15 genoemde kosten aan [eiser] te betalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat het ROC niet aan deze veroordeling voldoet, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te betalen dwangsom;

Meer subsidiair:

- het ROC zal veroordelen tot het (laten) reproduceren van het kunstwerk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn;

Zowel primair als subsidiair:

- het ROC zal veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten ten bedrage van respectievelijk € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening indien en voor zover het ROC niet binnen de wettelijke vereiste termijn van twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis heeft voldaan.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Hij stelt aan de hand van foto's die door Google op locatie zijn gemaakt, dat er drie diefstallen hebben plaatsgevonden:

- tussen 9 maart 2013 en 24 januari 2014, waarbij vier koperen elementen zijn ontvreemd;

- tussen 24 januari 2014 en 24 januari 2015, waarbij één koperen element is ontvreemd;

- tussen 24 januari 2015 en 27 januari 2017, waarbij wederom één element is ontvreemd.

Het ROC heeft [eiser] niet na één van deze diefstallen ingelicht over de gebeurtenissen en evenmin over haar voornemen tot en het daadwerkelijk verwijderen van het kunstwerk.

3.3.

[eiser] stelt ten eerste dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis. Er is niet voldaan aan het in art. 6 lid 5 van de overeenkomst tussen partijen, op grond waarvan overleg tussen partijen had moeten plaatsvinden over de ontstane situatie.

Subsidiair stelt [eiser] dat het ROC onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door zonder overleg met [eiser] het kunstwerk te verwijderen en te vernietigen. Het ROC was bekend met [eiser] als kunstenaar van het kunstwerk, het kunstwerk is gedocumenteerd en te vinden op de website Drenthe Kunstbreed. Het werk vertegenwoordigt veel waarde voor [eiser] , omdat het een belangrijk werk was in zijn oeuvre. Als gevolg van het onrechtmatig handelen van het ROC heeft [eiser] substantiële schade geleden.

Meer subsidiair stelt [eiser] dat het handelen van het ROC misbruik van bevoegdheid oplevert in de zin van art. 3:13 lid 2 BW. Er is sprake van een onevenredige belangenafweging omdat het ROC [eiser] had moeten inlichten over de verwijdering van het kunstwerk. [eiser] verwijst in dit kader naar HR 6 februari 2004, ECLI:2004:AN7830, waarin is overwogen dat indien het gaat om unieke exemplaren de eigenaar slechts tot vernietiging overgaat indien daarvoor een gegronde reden bestaat en hij zich de gerechtvaardigde belangen van de maker ten minste in zoverre aantrekt dat hij er desgevraagd zorg voor draagt het bouwwerk behoorlijk te doen documenteren of de maker de gelegenheid biedt daartoe zelf het nodige in het werk te stellen. Volgens [eiser] hadden de aantasting van het kunstwerk relatief eenvoudig hersteld kunnen worden op zodanige wijze dat diefstal of aantasting in de toekomst voorkomen kon worden.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het handelen van het ROC schade heeft geleden. Het kunstwerk was een schakel in het oeuvre van [eiser] , die door de sloop ervan is weggevallen. [eiser] begroot zijn kosten op € 64.000,00.

4 Het verweer

4.1.

Het ROC betwist dat er sprake is van wanprestatie. Het ROC betwist dat art. 6 lid 5 van de overeenkomst is geschonden. Met "situatie" is bedoeld "situering van het kunstwerk". Het artikellid ziet niet op de situatie die zich heeft voorgedaan, diefstal, maar op het geval dat de opdrachtgever de situering van het kunstwerk zou willen wijzigen dan wel de situering anderszins zou wijzigen. Onder deze omstandigheden bestond er geen verplichting voor het ROC om contact op te nemen met [eiser] . Het lukte het ROC niet om contact op te nemen met [eiser] , nu zijn gegevens niet (meer) bekend waren bij het ROC.

Door het handelen van het ROC - het niet opnemen van contact - is bovendien geen schade ontstaan. Uit art. 6 lid 5 vloeit niet de verplichting voort om het kunstwerk aan te (laten) passen c.q. te herstellen in de oorspronkelijke staat of een verplichting om hetgeen na de diefstallen resteerde te verplaatsen naar een andere locatie.

4.2.

Het ROC betwist eveneens dat sprake van een onrechtmatige daad van het ROC jegens [eiser] . Het ROC heeft het kunstwerk niet vernietigd; het is in etappes gestolen door derden. Het ROC heeft het kunstwerk niet verwijderd, maar heeft moeten besluiten het leeggeroofde, beschadigde en gevaarlijk geworden metalen frame te laten verwijderen. Er was toen al geen sprake meer van een kunstwerk.

4.3.

Van misbruik van recht of bevoegdheid is volgens het ROC evenmin sprake. Het ROC was als eigenaar van zowel het kunstwerk als van het terrein waarop dat was geplaatst bevoegd om het na de diefstallen resterende stalen frame te verwijderen. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 6 februari 2004 volgt dat er sprake is van misbruik wanneer er een wanverhouding bestaat tussen het belang van het ROC tot verwijdering van het leeggeroofde en aangetaste metalen frame en het belang van [eiser] bij handhaving van dat frame. Daarvan is geen sprake. Er was geen sprake meer van een kunstwerk. Het ROC had een zwaarwichtig belang bij het verwijderen van het frame, nu dit gevaar opleverde voor leerlingen en eventuele andere bezoekers. [eiser] is bovendien niet geschaad in de mogelijkheden tot het documenteren van het voormalige kunstwerk. Het ROC betwist de stelling van [eiser] dat het kunstwerk met relatief geringe kosten hersteld had kunnen worden. Herstel zou bovendien nutteloos zijn, omdat de bronzen c.q. koperen objecten opnieuw zouden zijn gestolen.

4.4.

Het ROC betwist dat er vermogensschade is aan de zijde van [eiser] . Hij lijdt evenmin immateriële schade als bedoeld in art. 6:106 BW. Het ROC betwist ten slotte de door [eiser] opgevoerde hoogte van de schade ad € 64.000,00.

4.5.

Het ROC heeft bij akte wijziging van eis verweer gevoerd tegen de gewijzigde eis. [eiser] kan niet tot de schadestaatprocedure worden toegelaten, nu er geen sprake is van laakbaar handelen van het ROC en er geen schade is aan de zijde van [eiser] . De subsidiaire en meer subsidiaire vordering zijn volgens het ROC evenmin toewijsbaar, omdat het ROC jegens [eiser] geen wanprestatie heeft gepleegd en evenmin onrechtmatig heeft gehandeld. Er bestaat voor het ROC geen enkele verplichting om [eiser] op te dragen een reproductie te maken en hem daarvoor te betalen.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank is met het ROC van oordeel dat artikel 6 lid 5 van der partijen overeenkomst ten deze niet van toepassing is en dat [eiser] zijn (schade) vorderingen niet op (schending van) deze contractuele bepaling kan baseren.

De woorden "zodanige wijzigingen in de situatie" in genoemde bepaling kunnen taalkundig bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat daarmee gedoeld wordt op veranderingen in de directe omgeving van het kunstwerk zodanig dat het kunstwerk "in de knel" komt (bijvoorbeeld doordat de school wordt afgebroken dan wel uitgebreid en/of de parkeerplaats uitgebreid of verplaatst wordt).

Ook de zinsnede: "aan de gewijzigde situatie kan worden aangepast c.q. hoe het kunstwerk in een nieuwe situatie kan worden opgenomen" duidt op een verandering van de situatie ter plaatse van het kunstwerk en niet op wijzigingen (of vernielingen) van het kunstwerk zelf.

5.2.

Het voorgaande betekent echter niet dat het ROC als (opvolgende) eigenaar van het kunstwerk - zonder meer en zonder enig voorafgaand overleg - met [eiser] vrijstond het kunstwerk te verwijderen c.q. vernietigen nadat diverse (koperen) elementen daarvan waren gestolen.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 6 februari 2004 (ECLI:NL:HR2004:AN7830) heeft overwogen kan een vernietiging van een kunstwerk onder omstandigheden misbruik van recht c.q. onrechtmatig handelen door de eigenaar opleveren:

"4.6 Dat betekent niet dat het de eigenaar van een voorwerp (een onroerende zaak daaronder begrepen) waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is belichaamd - een exemplaar van het werk - steeds vrijstaat dat voorwerp aan vernietiging prijs te geven en dat de belangen van de maker aan de beschikkingsmacht van die eigenaar steeds ondergeschikt zijn. De vernietiging van een exemplaar van het werk kan immers misbruik van zijn bevoegdheid door de eigenaar opleveren in gevallen als in art. 3:13, lid 2 BW bedoeld, dan wel anderszins onrechtmatig jegens de maker zijn. Ook een derde die een zodanig voorwerp vernietigt, kan daarmee onrechtmatig jegens de maker handelen. Van zodanig misbruik of anderszins onrechtmatig handelen zal eerder sprake zijn, naarmate er minder exemplaren van dat werk bestaan. Gaat het om unieke exemplaren, zoals veelal bij gebouwen het geval is, dan kan van de eigenaar onder omstandigheden verlangd worden dat hij slechts dan tot vernietiging overgaat indien daarvoor een gegronde reden bestaat en hij zich de gerechtvaardigde belangen van de maker ten minste in zoverre aantrekt dat hij er desgevraagd voor zorg draagt het bouwwerk behoorlijk te doen documenteren, althans de maker de gelegenheid biedt daartoe zelf het nodige in het werk te stellen."

5.3.

In het kader van de toetsing van de gerechtvaardigde belangen van [eiser] is derhalve van belang of de procedure zorgvuldig is geweest, of de kunstenaar tijdig op de hoogte is gebracht, of is aangeboden om het werk te documenteren of dat de kunstenaar zelf daartoe in de gelegenheid is gesteld (vgl. A.A. Quaedvlieg, IER 2005/45).

Vaststaat dat het ROC heeft nagelaten [eiser] op de hoogte te stellen van de achtereenvolgende diefstallen die hadden plaatsgevonden en van het uiteindelijk slopen en afvoeren van de resterende delen van het kunstwerk. Dat het ROC niet (meer) over de contactgegevens van [eiser] beschikte en het haar niet bekend was wie de kunstenaar was, kan niet als geldig excuus dienen. Van het ROC had minst genomen verwacht mogen worden dat zij ten aanzien daarvan serieuze navraag en naspeuringen (op bijvoorbeeld internet) had gedaan en onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het ROC zulks ook heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het ROC daarmee onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [eiser] . De stellingen van het ROC, dat toen het resterende gedeelte van het kunstwerk werd verwijderd, er al geen sprake meer was van een kunstwerk en dat het kunstwerk niet door haar maar door dieven is aangetast, gaan niet op. Indien het ROC in een eerder stadium contact had opgenomen met [eiser] had in overleg bezien kunnen worden of er aanpassingen aan het kunstwerk gedaan konden worden, waardoor het beter beschermd was tegen diefstal. [eiser] heeft gemotiveerd aangegeven dat hij de (gestolen) koperen elementen, indien hij benaderd was, zodanig had kunnen verzwaren dat hernieuwde diefstal vrijwel onmogelijk was geweest.

Nu het ROC heeft nagelaten enig contact met [eiser] op te nemen en met hem in overleg te treden kan niet gezegd worden dat het ROC zich voldoende heeft ingespannen om het kunstwerk te behouden. In zoverre heeft het ROC jegens [eiser] dan ook onrechtmatig gehandeld en is het ROC jegens hem schadeplichtig te achten.

5.4.

De door [eiser] in dat verband gevorderde schadevergoeding - hetzij bestaande uit een bedrag dat nodig is voor het reproduceren van het kunstwerk, dan wel uit een veroordeling van het ROC om (opdracht te geven) het kunstwerk te laten reproduceren - komt echter niet voor (volledige) toewijzing in aanmerking.

Weliswaar is [eiser] maker en auteursrechthebbende ten aanzien van het betreffende en vernietigde kunstwerk, maar het ROC heeft als eigenaar van dat kunstwerk de door [eiser] gestelde materiële schade geleden en niet [eiser] zelf. Dat het ROC die schade uiteindelijk zelf heeft veroorzaakt door het kunstwerk te laten verwijderen doet aan het voorgaande niet af. Evenmin kan de "genoegdoening" voor [eiser] eruit bestaan dat het ROC verplicht wordt het kunstwerk op haar kosten te laten reproduceren, te minder nu het ROC te kennen heeft gegeven haar verlies (zij heeft destijds ruim fl. 76.000,00 voor het kunstwerk betaald) te nemen en geen prijs te stellen op reproductie daarvan. Een dergelijke verregaande consequentie van het onrechtmatig handelen van het ROC jegens [eiser] acht de rechtbank niet evenredig. Het moge zo zijn dat het kunstwerk een belangrijk onderdeel in het oeuvre van [eiser] vormt, zoals door [eiser] aangevoerd, maar gebleken is dat het kunstwerk op goede wijze is gedocumenteerd en daarvan nog een kleine replica voor handen is. In dat opzicht kan niet gezegd worden dat het kunstwerk als geheel verloren beschouwd moet worden.

5.5.

Nu [eiser] nochtans door de - onrechtmatige - verwijdering van het kunstwerk is aangetast in zijn persoonlijkheidsrecht is een (schade)vergoeding daarvoor wel op zijn plaats. De rechtbank zal deze schade, mede gelet op het eerder door [eiser] ontvangen honorarium, thans schatten op een bedrag van € 7.500,00 en het ROC veroordelen dit bedrag aan [eiser] te voldoen.

5.6.

Het ROC zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 895,00

- salaris advocaat 922,00 (2,0 punten × tarief € 461,00)

Totaal € 1.915,01

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt het ROC tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 7.500,00 (zevenduizendvijfhonderd euro),

6.2.

veroordeelt het ROC in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.915,01,

6.3.

veroordeelt het ROC in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat het ROC niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2019.1

1 type: A.Wa coll: