Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5620

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 673
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

De toepassing van de eenmalig verruimde vrijstelling schenkbelasting in het jaar 2014 wordt niet toegekend omdat eiseres in 2013 reeds gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling uit artikel 33a van de SW. Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De stukken van beroep op de hardheidsclausule van derden behoren niet tot de op de(ze) zaak betrekking hebbende stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2019-1206 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2019/1170
V-N 2019/31.2.3
NTFR 2019/1743 met annotatie van mr. D. van Beelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/673

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, verweerder

(gemachtigde: [verweerder]).

Procesverloop

Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 23 januari 2018 op het bezwaarschrift van eiseres tegen de aan haar opgelegde aanslag schenkbelasting van

1 december 2015 betreffende een op 4 juli 2014 ontvangen schenking.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk daarna de mondelinge

uitspraak verdaagd voor de duur van 2 weken, onder aanzegging aan partijen van het tijdstip

van de uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 501.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. In geschil is de aanslag schenkbelasting betreffende een op 4 juli 2014 door eiseres ontvangen schenking groot € 20.390 die is aangewend ter aflossing van haar hypothecaire lening. Het geschil spitst zich toe tot het antwoord op de vraag of verweerder op goede grond het beroep van eiseres op toepassing van de in artikel 33a van de Successiewet (SW, tekst 2014) opgenomen tijdelijke verruimde vrijstelling niet heeft gehonoreerd.

3. Niet in geschil is dat de aanslag correct is, indien de vrijstelling niet van toepassing is. Vaststaat voorts dat eiseres op 18 november 2013 van dezelfde schenker een bedrag groot

€ 20.300 geschonken heeft gekregen, alsmede dat zij ter zake van die schenking ook een beroep heeft gedaan op de tijdelijke verruimde vrijstelling en dat dat beroep is gehonoreerd. Verweerder stelt dat eiseres gelet daarop voor de in 2014 ontvangen schenking geen beroep meer kan doen op de in artikel 33a van de SW opgenomen, verruimde vrijstelling. Eiseres stelt dat de vrijstelling wel van toepassing is omdat -kort gezegd- uit de Memorie van Toelichting (MvT) volgt dat de eenmalig verhoogde vrijstelling gedurende de gehele periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2014 aangevuld mag worden tot € 100.000. Als dat niet het geval zou zijn, dan geldt volgens eiseres dat de schenking in 2014 voldoet aan alle voorwaarden voor vrijstelling, en dat de vrijstelling in 2013 ten onrechte is verleend omdat deze niet onder de toepassing van artikel 33a van de SW kan vallen. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van opgewekt vertrouwen. Voorts stelt eiseres dat verweerder, nu verweerder de uitkomst(en) van meerdere hardheidsclausuleverzoeken van derden niet heeft overgelegd, niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Verzocht is om verweerder te gelasten dat alsnog te doen.

de op de zaak betrekking hebbende stukken

4. De rechtbank is van oordeel dat de stukken betreffende de verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van derden, niet behoren tot de 'op de zaak betrekking hebbende stukken' van het onderhavige geding. Daartoe wordt overwogen dat door verweerder ter zitting is aangegeven dat dergelijke stukken niet ter beschikking van hem hebben gestaan. Deze zijn niet aan hem verstrekt. Nu dat door eiseres niet gemotiveerd is betwist, houdt de rechtbank dat voor juist. Daarbij wijst de rechtbank er op dat anders dan eiseres (veronder)stelt, niet uit de email van verweerder van 14 december 2017 volgt dat die stukken verweerder ter beschikking hebben gestaan. In die email is alleen vermeld dat de verzoeken bij het Ministerie zijn afgewezen. Dat verweerder bekend is met het bestaan van dergelijke stukken maakt niet dat sprake is van 'op de zaak betrekking hebbende stukken'. Verweerder is daarnaast niet gehouden dergelijke stukken alsnog te vergaren (zie het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ro. 3.4.2, onder i) en ro. 3.4.5., ECLI:NL:HR:2018:672). Niet gebleken is derhalve dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende plicht tot het overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht).

toepasselijkheid verruimde vrijstellingsregeling

5. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 33a van de SW (tekst 2014) expliciet is vermeld dat 'voor één kalenderjaar', onder de daarbij vermelde voorwaarden, de ingevolge de in artikel 33, aanhef, onderdelen 5e, 6e en 7e van de SW vrijgestelde bedragen worden verhoogd tot € 100.000. Artikel 33a van de SW is ingevoerd bij Wet van 18 december 2013 en werkt terug tot en met 1 oktober 2013 (Belastingplan 2014, Stb. 2013, 565 en artikel XXXVII, vierde lid). Uit die bepaling volgt derhalve dat de verruimde vrijstelling geldt voor één kalenderjaar.

6. De rechtbank kan voorts niet inzien dat -zoals door eiseres wordt gesteld- uit de MvT zou volgen dat er gedurende de gehele periode van oktober 2013 tot en met december 2014 schenkingen tot € 100.000 zouden mogen plaatsvinden. In de MvT is alleen aangegeven dat de bestaande vrijstelling van schenkbelasting in die zin wordt verruimd dat het vrijgestelde bedrag voor de eigen woning wordt verhoogd naar € 100.000 en dat de verwantschapseis en de leeftijdsgrens komen te vervallen (zie Kamerstukken II 2013-2014, 33 752, nr 3., blz. 21). Nergens is aangegeven dat ook de voorwaarde van ''voor één kalenderjaar" is vervallen c.q. verruimd. Uit de Nota naar aanleiding van het verslag (21 oktober 2013, Kamerstukken II 2013-2013, 33 752, nr. 11, blz. 64) volgt daarnaast duidelijk dat het niet mogelijk is om de schenking te spreiden over meerdere kalenderjaren:

"De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het niet mogelijk is gemaakt dat de schenking kan worden gespreid over meerdere jaren. (…) Dat inzicht maakt dat ook de door deze leden gevraagde mogelijkheid, hoe sympathiek deze op het eerste gezicht ook lijkt, op dit moment niet aan de orde is.",

alsmede (blz. 97)

"In de aanhef van het voorgestelde artikel 33a, eerste lid, van de SW 1956 staat "Voor één kalenderjaar". De NOB vraagt zich af of dat betekent dat zowel in 2013 als in 2014 een bedrag van € 100.000 kan worden geschonken, bijvoorbeeld door opa aan zijn kleinkind. "Voor één kalenderjaar" betekent dat slechts eenmaal gebruik kan worden gemaakt van de verruimde schenkingsvrijstelling van artikel 33a van de SW 1956." .

Daarbij wijst de rechtbank er op dat feit van algemene bekendheid is dat 'kalenderjaar' de periode van 1 januari tot en met 31 december omvat.

7. De inwerkingtreding van de tijdelijk verruimde vrijstelling is in de MvT (Kamerstukken II 2013-2013, 33 752, nr. 3. blz. 72) als volgt toegelicht:

"Ingevolge het derde lid werkt de tijdelijke verruiming (van 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015) van de vrijstelling in de schenkbelasting, bedoeld in artikel I, onderdeel F, en artikel XIV, onderdeel C, terug tot en met 1 oktober 2013. Vooruitlopend op deze wet zal bij beleidsbesluit worden goedgekeurd dat deze verruiming reeds wordt toegepast vanaf 1 oktober 2013."

Dat beleidsbesluit is het besluit van 16 september 2013 (nr. BLKB 2013/1699M) van de staatsecretaris van Financiën. Daarin is -vooruitlopend op de wetgeving- goedgekeurd dat de vrijstelling voor de periode 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 wordt verruimd en dat voor die periode het bedrag wordt verhoogd tot € 100.000 voor schenkingen voor de eigen woning, alsmede dat de beperking dat het moet gaan om een schenking van een ouder aan een kind tussen 18 en 40 jaar niet geldt. Ook daar is niet aangegeven dat de voorwaarde van ''voor één kalenderjaar" is vervallen c.q. verruimd.

8. Uit voormelde bepalingen en toelichting volgt naar het oordeel van de rechtbank (gelijk reeds eerder is geoordeeld door onder meer Gerechtshof Amsterdam op 3 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3292 en Gerechtshof Den Haag op 24 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1521) dat van de verruimde schenkingsvrijstelling slechts in één kalenderjaar gebruik gemaakt kan worden, alsmede dat die verruiming ook geldt voor de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013. Dat brengt met zich dat niet gezegd kan worden dat de vrijstelling in 2013 ten onrechte zou zijn verleend, alsmede dat, nu in het kalenderjaar 2013 reeds gebruik is gemaakt van de verruimde vrijstelling, verweerder -uitgaande van de toepasselijke regeling- op goede grond het verzoek om toepassing daarvan voor de schenking in het kalenderjaar 2014 niet heeft gehonoreerd.

het vertrouwensbeginsel

9. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. Door eiseres is ter onderbouwing onder meer gewezen op het feit dat het beroep op de verruimde schenkingsvrijstelling in 2014 van haar zuster, die dezelfde schenkingen heeft gekregen en beroepen op de vrijstelling heeft gedaan, wel is gehonoreerd. De rechtbank is echter van oordeel dat die beslissing, nu deze alleen aan haar zuster is gericht en uitsluitend de zelfstandig, eigen ingediende aangifte van die zuster betreft, niet kan worden aangemerkt als een ondubbelzinnige toezegging aan eiseres. Daarbij komt dat de brief aan de zuster, houdende die beslissing, is gedateerd op 7 september 2015, terwijl aan eiseres bij brief van 28 augustus 2015 kenbaar was gemaakt dat haar beroep op de vrijstellingsbepaling niet zou worden gehonoreerd. Voorts is gesteld noch gebleken dat verweerder in de meerderheid van vergelijkbare gevallen een dergelijk beroep heeft gehonoreerd. Integendeel door beide partijen is aangegeven dat veel mensen in dezelfde situatie als eiseres zouden verkeren. Door verweerder is daarnaast kenbaar gemaakt dat het verzoek van haar zuster ten onrechte is gehonoreerd.

10. Ook de verwijzing naar de informatievoorziening op de site van de belastingdienst en het aangifteformulier, brengen naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Dat op de site niet zou zijn aangegeven dat de schenking niet over twee kalenderjaren gespreid mag worden, impliceert naar het oordeel van de rechtbank op zich zelf niet dat een schenking over verschillende kalenderjaren kan worden gespreid. Daarbij komt dat op de site onder meer, zo volgt uit de door eiseres zelf bij haar bezwaarschrift overgelegde uitdraai (bijlage 9), expliciet het volgende is vermeld:

"Vanaf 1 oktober 2013 is de vrijstelling van de schenkbelasting voor een eigen woning tijdelijk verruimd:

. De eenmalige verhoogde vrijstelling is verhoogd naar € 100.000 en geldt voor 1 kalenderjaar. (…)"

Dat wijst, gelet op de vermelding 'geldt voor 1 kalenderjaar', veeleer op het tegendeel. Overigens kan het vrijgestelde bedrag in één kalenderjaar wel in delen worden geschonken (artikel 27 van de SW). Mede gelet daarop kan de rechtbank niet inzien dat uit de opbouw van het aangifteformulier (waar ook wordt gevraagd aan te geven of eerder gebruik is gemaakt van een verhoogde vrijstelling en zo ja wanneer) zou kunnen worden afgeleid dat de vrijgestelde schenking tot € 100.000 ook gespreid over meerdere kalenderjaren zou mogen plaatsvinden. Tenslotte wijst de rechtbank er op dat in de door eiseres bij haar bezwaarschrift overgelegde informatie van de site van de belastingdienst (bijlage 9) ook expliciet het volgende is vermeld:

"Deze verruiming geldt vanaf 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2014. De vrijstelling geldt voor 1 kalenderjaar. U kunt dus kiezen of u de vrijstelling in 2013 of in 2014 wilt gebruiken. U mag de tijdelijk verruimde vrijstelling niet splitsen en in meerdere jaren gebruiken.".

De rechtbank is dan ook van oordeel dat door eiseres niet aannemelijk is gemaakt dat uit de algemene voorlichting kan worden afgeleid dat zowel in 2013, als in 2014 gebruik van de vrijstelling gemaakt kon worden en evenmin dat deze dermate onvolledig is dat zij dat heeft mogen veronderstellen, zodat reeds daarom het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat eiseres evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van additionele schade. Uit het feit dat zij de schenking volledig heeft aangewend voor de aflossing van haar hypothecaire geldlening zodat zij de belasting thans uit een andere bron heeft moeten betalen, terwijl zij dat anders vanuit het geschonken bedrag zou hebben gedaan, waardoor zij de fiscale rente aftrek zou hebben behouden die nu verloren is gegaan, volgt dat op zich zelf niet. Ter zitting is daarnaast gebleken dat zij de aanslag heeft voldaan uit een erfenis.

11. Omdat de weigering van verweerder om de verruimde vrijstelling toe te passen in overeenstemming is met de wet en niet op grond van het vertrouwens-, dan wel zorgvuldigheidsbeginsel van de wet moet worden afgeweken, is het beroep ongegrond verklaard.

immateriële schadevergoeding

12. Eiseres heeft verzocht om toekenning van immateriële schadevergoeding. Gelet op de datum van ontvangt van het bezwaarschrift, zijnde 5 januari 2016, is de redelijke termijn van 2 jaar op het moment van deze uitspraak met zo'n tien maanden overschreden. Die overschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Er zijn echter bijzondere omstandigheden die verlenging van de redelijke termijn met zich brengen, nu de behandeling van het bezwaarschrift door de inspecteur met instemming van (de gemachtigde) van eiseres tot tweemaal toe is aangehouden. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat verweerder gelet daarop ter zake een vergoeding van € 500 zal betalen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.

proceskosten en griffierecht

13. Omdat een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, is verweerder veroordeelt in de kosten van de door een derde verleende rechtsbijstand. Deze zijn vastgesteld op € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 501 en wegingsfactor 0,5). Nu het beroep ongegrond is en er alleen recht op een proceskostenvergoeding bestaat vanwege de toekenning van immateriële schadevergoeding is de wegingsfactor 0,5.

Voorts is gelet daarop bepaald dat verweerder het griffierecht aan eiseres dient te vergoeden.

14. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is op 13 november 2018 gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.