Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5604

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
C17/162915 KG RK 18-277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking wegens het doorbreken van verhinderdata bij het plannen van een spoed procedure.

Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/17/162915 / KG RK 18-277

Uitspraak van de wrakingskamer van 4 september 2018

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

verder te noemen: [verzoeker].

1 Het procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift, per faxbericht ingekomen ter griffie op 3 september 2018 om 9:28 uur, heeft [verzoeker] de wraking voorgedragen van mr. S. Kooistra, de rechter die het door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid ingediende verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de zaak met nummer C/17/162530 / FJ RK 18-784 ter terechtzitting van 3 september 2018 te 11:30 uur zou behandelen.

1.2.

Mr. Kooistra heeft de griffier van de wrakingskamer op 3 september 2018 schriftelijk medegedeeld dat hij niet in de wraking berust.

1.3.

Vervolgens heeft de wrakingskamer uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid heeft op 21 augustus 2018 een verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv betreffende de minderjarige [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige) ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank bepaalt dat voor de duur van de hoofdprocedure de uitspraak van de rechtbank heeft te gelden als de toestemming van [verzoeker], de vader van de minderjarige, ten behoeve van de inschrijving van de minderjarige op obs De Nijenoert te Leek.

2.2.

De griffier van de rechtbank heeft [verzoeker] bij e-mailbericht van 23 augustus 2018 medegedeeld dat de rechtbank, gelet op het spoedeisende karakter van de procedure, bij het plannen van de mondelinge behandeling geen, althans in verminderde mate, zoals gebruikelijk is, rekening heeft gehouden met door [verzoeker] in de bodemprocedure ingediende verhinderdata. Als bijlage bij dit e-mailbericht is de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening gevoegd. De oproepingsbrief is ook per post naar [verzoeker] gestuurd. De oproepingsbrief vermeldt dat de voorlopige voorziening ter terechtzitting van 3 september 2018 zal plaatsvinden en dat de zaak door mr. Kooistra zal worden behandeld.

2.3.

[verzoeker] heeft bij faxbericht van 27 augustus 2018 op de oproepingsbrief gereageerd. In dit faxbericht betwist [verzoeker] het door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid gestelde spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Tevens verzoekt hij de rechtbank om de noodzaak van de gevraagde voorlopige voorziening aan te tonen op basis van feiten. Indien de rechtbank dit niet kan, dan verzoekt hij de rechtbank om rekening te houden met de door hem gestelde verhinderdata. [verzoeker] geeft aan dat hij tot 12 september 2018 verhinderd is.

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

[verzoeker] legt - zakelijk weergegeven - aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag. [verzoeker] heeft in de bodemprocedure zijn verhinderdata aan de rechtbank doorgegeven. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de hoofdprocedure niet kan worden afgewacht vanwege het spoedeisende karakter van de voorlopige voorziening. Mr. Kooistra heeft ten onrechte een spoedeisend belang aangenomen bij het bepalen van een datum voor de behandeling van het door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid ingediende verzoek om een voorlopige voorziening. Het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid heeft - terwijl dit op haar weg lag - nagelaten om aan te tonen dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht en heeft tevens onjuiste gegevens verstrekt ter onderbouwing van haar verzoek. Mr. Kooistra blijft, zonder toelichting conform de Algemene wet bestuursrecht, volharden in wat [verzoeker] 'keteninfantiliteit' noemt en heeft niet de intentie om het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel toe te passen. Daarmee is er sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, aldus [verzoeker].

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van [verzoeker] is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf wordt het verzoek beoordeeld.

4.3.

De wrakingskamer is van oordeel dat van uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld niet is gebleken. De beslissing van mr. Kooistra om - met voorbijgaan aan de verhinderdata van [verzoeker] - een datum voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening te bepalen betreft een processuele beslissing die een rechter mag nemen. Voor dergelijke beslissingen geldt dat onvrede bij een partij over de genomen beslissing op zichzelf onvoldoende grond is voor wraking. Dat kan anders zijn indien de beslissing zodanig onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende omstandigheid oplevert voor het oordeel dat de rechter partijdig is dan wel jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert. Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken. [verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor partijdigheid en/of vooringenomenheid van mr. Kooistra jegens [verzoeker] bij het nemen van voormelde processuele beslissing. De wrakingskamer voegt daar nog aan toe dat het bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wel vaker voorkomt dat er, met voorbijgaan aan de door een partij verstrekte verhinderdata, een zittingsdatum wordt bepaald, gelet op het gestelde spoedeisende karakter van de zaak, welk karakter slechts summier, aan de hand van de daartoe gestelde feiten, wordt getoetst. Dat laat echter onverlet dat [verzoeker] - schriftelijk dan wel ter zitting - verweer kan voeren tegen het door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid gestelde spoedeisende karakter van de zaak, waarna de rechtbank na de behandeling ter zitting op dat punt een beslissing dient te nemen en deze beslissing dan ook motiveert.

4.4.

Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, dat dadelijk dient te worden afgewezen. Behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer kan daarom achterwege blijven.

BESLISSING

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. Kooistra af;

5.2.

bepaalt dat de procedure betreffende de voorlopige voorziening wordt voortgezet in de stand waarin deze procedure zich ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek bevond;

5.3.

beveelt onverwijlde mededeling van deze uitspraak aan [verzoeker], mr. Kooistra en het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid;

Deze uitspraak is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, mr. W.S. Sikkema en mr. C.W. Couperus-van Kooten en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018, in tegenwoordigheid van mr. M. Postma als griffier.

c 343