Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5601

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
C/19/123491 KG RK 18-123
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking wegens indringende en confronterende bevraging.

Verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Leeuwarden

Wrakingskamer

Procedurenummer: C/17/160831/KG RK 18/154

Uitspraak van de meervoudige wrakingskamer ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van 25 april 2018

inzake het namens:

[naam],

geboren [geboortedatum] 1975 te [land],

wonende [woonplaats], [adres],

hierna te noemen: verzoeker,

bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden,

ingediende verzoek tot wraking van mr. M. Jansen, politierechter belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

1 Het procesverloop.

1.1

Bij de afdeling strafrecht van deze rechtbank, locatie Leeuwarden, is een strafzaak onder parketnummer 18/163230-17 aanhangig. In deze strafzaak is verzoeker de verdachte. De strafzaak is aangebracht op de zitting van politierechter mr. Jansen van 25 april 2018.

1.2

Tijdens de behandeling van de strafzaak heeft mr. Canoy namens verzoeker een wrakingsverzoek ingediend.

1.3

Mr. Jansen heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.

1.4

De behandeling van het wrakingsverzoek tegen mr. Jansen heeft plaatsgevonden op 25 april 2018 ter zitting van de meervoudige wrakingskamer van deze rechtbank.

Verzoeker, zijn raadsman mr. B.P.M. Canoy en mr. Jansen zijn verschenen. Tevens is verschenen officier van justitie mr. R. van der Zee.

1.5

De wrakingskamer heeft vervolgens mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak vormt daarvan de schriftelijke uitwerking. De wrakingskamer heeft verder bepaald dat de strafzaak tegen verzoeker kan worden voorgezet, nu het wrakingsverzoek is afgewezen.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1

Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek heeft mr. Canoy namens verzoeker het volgende aangevoerd.

2.2

Verzoeker wordt ervan verdacht materiaal ten behoeve van een hennepkwekerij in zijn woning aanwezig te hebben gehad. Verzoeker ontkent hiervan op de hoogte te zijn geweest omdat hij ten tijde van het ten laste gelegde niet in zijn woning verbleef. In reactie op een door verzoeker gegeven antwoord op de vraag waar hij dan wel verbleef, heeft politierechter mr. Jansen gezegd "dat gaat u mij niet wijsmaken" dan wel "dat maakt u mij niet wijs". Mr. Jansen heeft door het gebruik van deze woorden de schijn van partijdigheid op zich geladen. Verdachte krijgt door de gebruikte woorden eigenlijk te horen dat de politierechter meent dat hij liegt en dat het onderzoek ter terechtzitting geen waarde heeft. Dat mr. Jansen heeft aangevuld dat een en ander ongeloofwaardig was gelet op de nieuwe relatie van [naam A], maakt het voorgaande niet anders. Dat een relatie is verbroken, brengt nog niet met zich dat men dan niet bij elkaar kan verblijven.

3 Het standpunt van mr. M. Jansen

3.1

Mr. Jansen is van mening dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.2

Er stonden vijf feiten op de dagvaarding van verzoeker, waarvan er vier zagen op de periode van eind november 2015 tot 15 december 2015. Deze vier feiten hadden te maken met de verbroken relatie tussen verzoeker en mevrouw [naam A] en de start van een nieuwe relatie van [naam A]. Verzoeker heeft hierover ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij de telefoon van [naam A] kapot had gemaakt en dat hij haar nieuwe liefde meermalen fysiek had aangevallen, waaronder op 15 december 2015.

Op 16 december 2015 heeft de politie materiaal voor een hennepkwekerij in de woning van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft hieromtrent bij de politie verklaard dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de spullen omdat hij bij [naam A] verbleef. De betreffende agenten waren kennelijk niet bekend met de recente gebeurtenissen waarbij verzoeker, [naam A] en haar nieuwe partner betrokken waren en hebben hier niet op doorgevraagd. Teneinde verzoeker ter terechtzitting te confronteren met de ongeloofwaardigheid van een verblijf bij [naam A] in de periode voor 16 december 2015 gelet op hetgeen hij zowel bij de politie als ter terechtzitting had verklaard ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten, zijn de woorden "u maakt mij niet wijs dat u toen bij [naam A] sliep" gebezigd. Hierbij is gewezen op de nieuwe relatie van [naam A] en is tevens de nuance gemaakt dat met de gebruikte woorden werd bedoeld aan te geven dat dit zeer ongeloofwaardig was, gelet op hetgeen kort daarvoor door verdachte ter terechtzitting was verklaard. De ondervraging was nog niet afgerond en van vooringenomenheid was geen sprake.

4 Het standpunt van de officier van justitie

4.1

Mr. Van der Zee is van mening dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

4.2

De door de politierechter gebezigde woorden werden genuanceerd door aan te geven dat bedoeld werd dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig was gelet op hetgeen eerder was besproken. Bovendien was de ondervraging nog niet afgerond.

5 Beoordeling

5.1

De wrakingskamer overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 512 van het Wetboek van Strafverordening (verder: Sv) en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.

5.2

Artikel 512 Sv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak

behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 512 Sv dan wel artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

5.3

De wrakingskamer stelt vast dat de politierechter woorden als "u maakt mij niet wijs dat" heeft gebruikt. Dergelijke bewoordingen zouden op zich ruimte kunnen geven voor een vermoeden van partijdigheid. Gelet echter op de context, zoals die is gebleken uit de toelichting van de partijen, alsmede uit de aantekeningen van de griffier, dienen deze bewoordingen in het onderhavige geval te worden gezien als onderdeel van een indringende en confronterende manier van ondervragen door de politierechter, waarbij verdachte wordt geconfronteerd met eerder door hem afgelegde verklaringen. Deze manier van ondervragen staat de politierechter vrij en brengt nog niet mee dat de objectieve vrees gerechtvaardigd was dat de politierechter een vooringenomenheid jegens verzoeker koesterde.

5.4

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat mr. Jansen jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.5

Het verzoek tot wraking wordt dan ook afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek af;

- bepaalt dat de strafrechtelijke procedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.E. Biesma, voorzitter, mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en mr. W.S. Sikkema, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.

Griffier Voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.