Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5528

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 396
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding, concrete financiële verstrengeling, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/396

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te Groningen, eiser

(gemachtigde: mr. F. Bakker),

en

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigden: J. Scholten en T.M. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken met ingang van 1 januari 2017 en de verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 tot een bedrag van € 5.847,60 teruggevorderd.

Bij besluit van 26 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser ontving sinds 4 april 2007 een algemene bijstandsuitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande op het adres [adres] te Groningen.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding heeft verweerder aanleiding gezien onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie en naar het recht op bijstand van eiser. Eind juni 2017 zijn waarnemingen verricht bij zijn woning. Naar aanleiding daarvan is eiser op 28 juni 2017 thuis bezocht door twee medewerkers handhaving van de gemeente Groningen (hierna: de gemeente) en heeft op 18 juli 2017 een gesprek bij de gemeente plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juli 2017. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser sinds 1 januari 2017 een gezamenlijke huishouding voert met de heer H. [naam 2] (hierna: [naam 2] ), ingeschreven op het adres Laan van de Iemenhees 310 te Emmen, en dat hij op grond van dit gegeven per 1 januari 2017 geen recht meer had op een bijstandsuitkering. Verweerder heeft bij het primaire besluit de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 1 januari 2017 en de teveel uitgekeerde bijstand teruggevorderd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstandsuitkering ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 9 januari 2018, waarbij is aangesloten bij het Rapport Juridische Zaken van 8 november 2017, ten grondslag gelegd. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser en [naam 2] van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres] te Groningen en dat sprake was van wederzijdse zorg, waarmee voldaan is aan de twee criteria voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Derhalve had eiser in deze periode geen recht op een bijstandsuitkering.

3. Eiser voert aan dat geen sprake is van samenwonen met [naam 2] , dan wel van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de Pw. Daartoe brengt eiser naar voren dat hij en [naam 2] in de betreffende periode op afzonderlijke adressen in Groningen en Emmen stonden ingeschreven en dat zij geen blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De reden dat [naam 2] vanaf 1 januari 2017 in de woning van eiser heeft verbleven is gelegen in het feit dat [naam 2] in oktober 2016 bij een val zijn heup heeft gebroken en hij na drie maanden revalidatie -die zeer moeizaam verliep- vanwege zijn hulpbehoevendheid niet kon terugkeren naar zijn woning in Emmen. Eiser heeft de volledige verzorging van [naam 2] op zich genomen en hem daartoe in huis genomen.
Omdat [naam 2] noodgedwongen voor zijn verzorging bij eiser in Groningen heeft verbleven en zijn huisarts in Emmen in deze periode met pensioen is gegaan heeft hij ervoor gekozen in Groningen dezelfde huisarts als eiser te nemen. Om eenzelfde praktische reden heeft [naam 2] ervoor gekozen om bepaalde post te laten bezorgen op het adres van eiser.

Eiser meent dat het vanzelfsprekend is dat [naam 2] voor de meerkosten betaalt die zijn verblijf bij hem met zich meebrengt. Hoewel eiser en [naam 2] al jaren veel contact met elkaar hebben, zijn zij niet van plan om te gaan samenwonen. Zij hebben hun eigen leven, grotendeels afzonderlijk van elkaar. Zij hebben dan ook geen gezamenlijke rekeningen en/of verzekeringen. De enige reden dat [naam 2] geruime tijd heeft verbleven in de woning van eiser is vanwege zijn zorgbehoefte. Deze zorgbehoefte is met medische stukken onderbouwd.

4. De rechtbank overweegt het volgende.
5.1. Partijen zijn verdeeld over de vraag over eiser een gezamenlijke huishouding voert met [naam 2] . Als daarvan sprake is heeft eiser geen recht op een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.

5.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Pw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.3.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de omstandigheden die tot het voeren van de gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang (onder meer de uitspraak van de CRvB van 27 september 2016, ECLI:NL:2016:3585).

5.4.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen. Volgens vaste rechtspraak gaat financiële verstrengeling tussen de betrokkenen verder dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan (onder meer de uitspraak van de CRvB van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5889).

6. De rechtbank overweegt het volgende.

6.1.

Niet in geschil is dat [naam 2] vanaf 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 feitelijk (volledig) bij eiser op diens adres aan de [adres] te Groningen verbleef en dat eiser verweerder daarvan niet uit eigen beweging op de hoogte heeft gesteld. Voor zover eiser stelt dat het een situatie betrof met een (in aanvang) vooropgezet tijdelijk karakter, reeds omdat bij een heupbreuk spoedig herstel verwacht mag worden, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB, waaronder de uitspraak van 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3241, overweegt de rechtbank dat de vraag of sprake is van een kortdurend verblijf of tijdelijk verblijf in dezelfde woning dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, waarbij de duur van het verblijf één van die omstandigheden is. Het verplaatsen van persoonlijke spullen naar, dan wel het ontvangen van post op het adres van de woning waar betrokkenen gezamenlijk verblijven zijn onder meer omstandigheden die kunnen duiden op het verplaatsen van het hoofdverblijf, zodat in die gevallen ongeacht de duur geen sprake zal zijn van een kortdurend of tijdelijk verblijf. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat [naam 2] gedurende een periode van zes maanden bij eiser verbleef reeds maakt dat geen sprake is van een tijdelijk of kortdurend verblijf. Dat [naam 2] bij eiser verbleef om door hem verzorgd te worden maakt dat niet anders (zie de overweging onder 5.3).

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam 2] van zijn huisarts in Emmen is overgestapt naar de huisarts van eiser in Groningen en aldaar geregistreerd staat op het adres van eiser. De rechtbank ziet deze omstandigheid als een contra-indicatie voor tijdelijkheid. Dat de reden hiervan zou zijn gelegen in het feit dat de huisarts in Emmen met pensioen ging doet hieraan niet af. Ook staat [naam 2] bij het Martiniziekenhuis ingeschreven op het adres van eiser en ontvangt hij daar de post. De stelling van eiser dat deze praktische wijzigingen zijn ingegeven door het noodgedwongen verblijf van [naam 2] bij eiser is niet onderbouwd. Weliswaar is uit de brieven van de huisarts [naam 3] van 3 juli 2017 en van 28 juli 2017 af te leiden dat [naam 2] in de periode vanaf september 2016 hulpbehoevend was, maar niet dat [naam 2] noodgedwongen bij eiser in huis zou moeten worden opgenomen. Niet is met medische stukken onderbouwd waarom [naam 2] na zijn revalidatie vanwege zijn zorgbehoefte niet terug zou kunnen keren naar zijn woning in Emmen.

6.2.

Ten aanzien van het criterium wederzijdse zorg overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken niet valt af te leiden dat er sprake is van een concrete financiële verstrengeling nu niet is gebleken dat eiser en [naam 2] beschikken over (een) gezamenlijke bankrekening(en) of dat zij de woonlasten en bijkomende lasten delen. De rechtbank ziet echter op basis van overige objectieve elementen aanleiding om aan te nemen dat toch sprake is van zorg voor elkaar. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de verklaringen van eiser, zoals opgenomen in het rapport van 21 juli 2017, blijkt dat [naam 2] meebetaalt aan de boodschappen, dat hij meehelpt met eten voorbereiden, koken en afwassen en dat hij zijn pinpas aan eiser ter beschikking stelt voor het doen van boodschappen. Ook heeft [naam 2] een tweetal abonnementen op zijn naam -en betaalt deze-, waarvan de bijbehorende tijdschriften op het adres van eiser worden bezorgd en ook door hem worden gelezen. Eiser doet de was voor hen beiden. Verder treedt men naar de vriendenkring gezamenlijk op.

6.3.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen op wederzijdse zorg en een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar. Nu tevens is gebleken van hoofdverblijf in dezelfde woning komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Pw.

6.4.

Het vorenstaande houdt in dat verweerder in dit geval bevoegd is het recht op bijstand in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw over de periode van
1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017, waarbinnen eiser en [naam 2] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Tevens is verweerder bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Pw om de ten onrechte door eiser ontvangen bijstand van hem terug te vorderen. Niet is gebleken van een dringende reden in de zin van artikel 58, achtste lid, van de Pw op grond waarvan verweerder had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, en mr. dr. A.M. Klingenberg en mr. H. van der Werff, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Bolhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.