Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5507

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
C17/163675/ KG RK 18-331
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking strafkamer wegens tussenbeslissing.

Verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Leeuwarden

zaaknummer: C/17/163675/ KG RK 18/331

Beslissing van 12 november 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering

op het verzoek van:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden,

hierna te noemen: verzoeker,

bijgestaan door mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht,

strekkende tot wraking van

mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, en

mr. M.B. de Wit en mr. A.W. Wassink, rechters,

belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

1 De procedure

1.1.

Bij de afdeling strafrecht van deze rechtbank, locatie Leeuwarden, is een strafzaak onder parketnummer 18/730115-18 aanhangig. In die strafzaak is [naam] verdachte.

1.2.

De strafzaak is laatstelijk behandeld door de meervoudige strafkamer ter terechtzitting van 30 augustus 2018. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum (verder: PBC) zal bevelen. De verdediging heeft zich, na overleg tussen verdachte en zijn raadsman, op het standpunt gesteld dat verdachte niet zal meewerken aan de opstelling van een psychologische en psychiatrische rapportage. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat zij zich onvoldoende geïnformeerd acht over de persoon van verdachte en heeft, mede gelet op de houding van verdachte, gelast dat verdachte ter observatie zal worden opgenomen in het PBC.

1.3.

Per e-mailbericht van 24 september 2018 om 9.58 uur heeft mr. Y. Bouchikhi aan de voorzitter mr. Th.A. Wiersma bericht dat verdachte alsnog bereid is zijn medewerking te verlenen aan de opstelling van een psychologisch rapport en heeft hij de rechtbank verzocht voornoemd onderzoek te bevelen.

1.4.

Per e-mailbericht van 27 september 2018 om 16.15 uur heeft de griffier namens de rechtbank medegedeeld dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het verzoek toe te wijzen.

1.5.

Per e-mail bericht van 27 september 2018 om 17.01 uur, gericht aan de griffier heeft mr. Y. Bouchikhi (gemotiveerd) verzocht aan mr. Th.A. Wiersma om zijn standpunt te herzien.

1.6.

Per e-mailbericht van 28 september 2018 om 8.49 uur heeft mr. Th.A. Wiersma voornoemd e-mailbericht van 27 september 2018 van mr. Y. Bouchikhi doorgestuurd aan de officier van justitie, die met de zaak is belast, met CC aan mr. M.B. de Wit en mr. A.W. Wassink. De inhoud van het bericht luidt: “Geachte mr. Jepkema, beste Eelco, Wilt u nog reageren nav bijgaande mail?

1.7.

Per e-mailbericht van 28 september 2018 om 9.48 uur heeft de officier van justitie mr. E.R. Jepkema zijn standpunt kenbaar gemaakt, dat kort gezegd inhoudt dat hij geen redenen ziet om opstelling van een psychologische rapportage te gelasten.

1.8.

Voornoemd e-mailbericht van de officier van justitie is op 4 oktober 2018 om 11.03 uur door de griffier doorgestuurd aan mr. Y. Bouchikhi. Hij is hierbij in de gelegenheid gesteld om te reageren alvorens de rechtbank een definitieve beslissing zal nemen met betrekking tot het verzoek.

1.9.

Er zijn vervolgens nog enkele e-mailberichten uitgewisseld tussen mr. Y. Bouchikhi en de griffier.

1.10.

Per e-mailbericht van 22 oktober 2018 om 15.17 uur heeft de griffier namens de rechtbank aan mr. Y. Bouchikhi bericht: “De beslissing van de rechtbank luidt dat er een observatie in het PBC zal plaatsvinden en dat er op voorhand niet zal worden begonnen met ander persoonsonderzoek.”

1.11.

Per brief van 24 oktober 2018 heeft mr. Y. Bouchikhi de rechtbank bestaande uit mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, en de rechters mr. M.B. de Wit en mr. A.W. Wassink gewraakt en dit verzoek met gronden onderbouwd.

1.12.

Per e-mailbericht van 5 november 2018 heeft mr. Th.A. Wiersma, mede namens mr. M.B. de Wit en mr. A.W. Wassink, aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.

1.13.

Per e-mailbericht van 5 november 2018 heeft mr. M.B. de Wit afzonderlijk aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.

1.14.

Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaand uit mr. C.M. Telman,

voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, waarna het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van de meervoudige wrakingskamer van 8 november 2018. Mr. Y. Bouchikhi is met verzoeker verschenen en heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.

Tevens is verschenen mr. Th.A. Wiersma. Hij heeft herhaald niet in de wraking te berusten en heeft zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek verwoord.

Mr. M.B. de Wit en mr. A.W. Wassink zijn niet ter zitting verschenen.

Mr. E.R. Jepkema. is in de gelegenheid gesteld ter zitting aanwezig te zijn, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1.

Mr. Y. Bouchikhi heeft ter zitting nader toegelicht dat het wrakingsverzoek van 24 oktober 2018 is ingediend naar aanleiding van de inhoud van het e-mailbericht van 22 oktober 2018 (zie 1.10.), in combinatie met het rechtstreekse e-mailcontact tussen mr. Th.A. Wiersma en de officier van justitie dat heeft plaatsgevonden zonder dat mr. Y. Bouchikhi daarvan in kennis was gesteld (zie 1.6.).

2.2.

De rechtbank leidt uit hetgeen mr. Y. Bouchikhi namens verzoeker heeft aangevoerd ter onderbouwing van het wrakingsverzoek het volgende af.

2.3.

Ten aanzien van de gewraakte rechters, met name mr. Th.A. Wiersma, doen zich feiten en omstandigheden voor waaruit blijkt dat de vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

Er is sprake van rechtsweigering door de rechtbank, omdat niet op voorhand is bevolen tot opstelling van een psychologisch rapport. De rechtbank moet immers, mede op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM), voortvarend een strafprocedure behandelen. De opstelling van een psychologisch rapport is aangewezen, temeer nu verzoeker preventief gedetineerd is en de wachttijd voor opname ter observatie in het PBC minimaal 22 weken bedraagt. Mr. Y. Bouchikhi heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat er sprake is van rechtsweigering en, als de wrakingskamer niettemin van oordeel zou zijn dat er wel is beslist op zijn verzoek, dat er sprake is van een onwelgevallige beslissing. Voor wat betreft deze beslissing heeft te gelden dat deze ongemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. In combinatie met het (informele) contact dat met de zaaksofficier heeft plaatsgevonden heeft de rechtbank aldus blijk gegeven van vooringenomenheid.

3 Het standpunt van mr. Th.A. Wiersma, mede namens mr. M.B. de Wit en

mr. A.W. Wassink

3.1.

Mr. Th.A. Wiersma, mede namens mr. M.B. de Wit en mr. A.W. Wassink, is van mening dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.2.

Er is geen sprake van rechtsweigering, aangezien de rechtbank op 22 oktober 2018 een beslissing heeft gegeven, te weten het afwijzen van het verzoek tot opstelling van een psychologisch rapport. Er is sprake van een voor verzoeker onwelgevallige beslissing.

Behoudens bijzondere omstandigheden kan wraking niet slagen als het gaat om een (tussen)beslissing, behoudens bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden zijn niet aangevoerd. Het e-mailbericht aan de officier van justitie is geen bijzondere omstandigheid en ook geen aparte grond voor wraking.

4
4. Beoordeling

4.1.

De wrakingskamer overweegt allereerst dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op 22 oktober 2018 en het verzoek is gedaan op 24 oktober 2018. De wrakingskamer is derhalve van oordeel dat dit wrakingsverzoek tijdig is ingediend en verzoeker derhalve ontvankelijk is in zijn verzoek.

4.2.

De wrakingskamer overweegt voorts dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 512 van het Wetboek van Strafverordening (verder: Sv) en artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.

4.3.

Artikel 512 Sv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 512 Sv dan wel artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

Daarnaast voorziet artikel 512 Sv in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelt, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook bij de beoordeling van zo een verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, en dat slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het openbaar ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wijken.

4.4.

Uit de jurisprudentie.(zie recent Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) volgt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er evenzeer tegen dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

4.5.

De wrakingskamer is van oordeel dat de rechtbank met het e-mailbericht van 22 oktober 2018 een rechterlijke (tussen)beslissing heeft genomen op het door

mr. Y. Bouchikhi namens verzoeker gedane verzoek tot opstelling van een psychologisch rapport. De rechtbank heeft immers beslist dat zij niet terug wil komen op haar beslissing van 30 augustus 2018, inhoudende dat er een observatie in het PBC zal plaatsvinden en dat er op voorhand niet zal worden begonnen met ander persoonsonderzoek. Er is derhalve geen sprake van een weigering recht te spreken.

4.6.

De wrakingskamer stelt voorts vast dat, zoals hiervoor onder 4.4. is weergegeven, een rechterlijke (tussen)beslissing dan wel het verzuim te beslissen nimmer grond kan zijn voor wraking. Voor wat betreft de vraag of is voldaan aan het criterium zoals hiervoor aan het slot van 4.4. vermeld is de wrakingskamer van oordeel dat dit niet het geval is. Weliswaar kan worden vastgesteld dat de beslissing inhoudelijk niet is toegelicht, maar - wat daar verder ook van zij - daarmee is geen blijk gegeven van vooringenomenheid. Nog daargelaten de omstandigheid dat het verzoek van mr. Y. Bouchikhi niet een volwaardig alternatief vormde voor de eerdere beslissing tot observatie in het PBC, moet worden vastgesteld dat uit de door mr. Y. Bouchikhi aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende is gebleken dat sprake is van de door Hoge Raad bedoelde hoge uitzondering op de hoofdregel. Uit het in geding zijnde e-mailbericht van mr. Th.A. Wiersma kan enkel worden afgeleid dat hij de brief van mr. Y. Bouchikhi in het kader van hoor en wederhoor heeft doorgestuurd naar de zaaksofficier voor een reactie aan de kant van het Openbaar Ministerie. De wijze van aanschrijven door mr. Th.A. Wiersma ("Geachte mr. Jepkema, beste Eelco,") maakt dit niet anders, aangezien inhoudelijk enkel een zakelijke en geheel neutraal geformuleerde vraag aan de officier van justitie is gesteld.

4.7.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat mr. Th.A. Wiersma, mr. M.B. de Wit en mr. A.W. Wassink jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.8.

Het verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek af;

- bepaalt dat de strafrechtelijke procedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;

- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, mr. Y. Bouchikhi,

mr. Th.A. Wiersma, mr. M.B. de Wit, mr. A.W. Wassink en mr. E.R. Jepkema.


Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Telman, voorzitter, mr. M. Brinksma en
mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.