Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5502

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
C/18/185056 / KG ZA 18-170
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Uitleg van aanbestedingsdocumenten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2019/1093
JAAN 2019/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/185056 / KG ZA 18-170

Vonnis in kort geding van 7 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LASAULEC B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

eiseres,

advocaat mr. J. Witvoet,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. NEDERLANDSE GASUNIE,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

advocaat mrs. R. van Tricht en H.W. van Ginkel,


en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROENENDIJK BEDRIJFSKLEDING B.V.,

gevestigd te Woerden,

de tussenkomende partij,

advocaat mr. S.C. Brackmann.

Partijen zullen hierna Lasaulec, de Gasunie en Groenendijk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 24 juli 2018;

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging van Groenendijk; Lasaulec en de Gasunie hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben; de voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat Groenendijk als tussenkomende partij wordt toegelaten;

  • -

    de pleitnota van Lasaulec;

  • -

    de pleitnota van de Gasunie;

  • -

    de pleitnota van Groenendijk.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Gasunie heeft in november 2017 een Europese aanbesteding uitgeschreven voor de levering en reiniging van werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen voor veldmedewerkers van de Gasunie.

Daartoe heeft de Gasunie een beschrijvend document opgesteld (referentienummer EA-2017.20/MV).

2.2.

Lasaulec heeft tijdig op de aanbesteding ingeschreven.

Bij brief van 28 mei 2018 heeft de Gasunie Lasaulec medegedeeld dat haar aanbieding niet de economisch meest voordelige inschrijving is en dat de Gasunie voornemens is de opdracht te gunnen aan Groenendijk.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van Lasaulec strekt ertoe:


a. de Gasunie te bevelen om de onderhavige aanbestedingsprocedure af te breken en haar bevel te doen om een nieuwe procedure terzake hetzelfde project te starten en Lasaulec in dat kader in de gelegenheid te stellen opnieuw deel te nemen en

b) de Gasunie te verbieden om een overeenkomst met een ander dan Lasaulec aan te gaan danwel met een ander dan Lasaulec de onderhandelingen voort te zetten;

één en ander op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding en/of per dag of gedeelte van een dag dat de Gasunie na betekening van dit vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van € 500.000,00 en om de Gasunie te veroordelen om Lasaulec de proceskosten te vergoeden die eiseres ten deze maken moet, vermeerderd met de nakosten, één en ander te betalen binnen 14 dagen na de dag waarop vonnis wordt gewezen en vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente over die kosten vanaf de 15e dag na die waarop vonnis wordt gewezen tot aan die der algehele voldoening.

3.2.

De Gasunie heeft verweer gevoerd.

3.3.

De vordering van Groenendijk strekt ertoe:

In het incident:

primair: Groenendijk toe te staan tussen te komen in het kortgeding dat Lasaulec tegen de

Gasunie aanhangig heeft gemaakt;

- subsidiair: indien en voor zover de voorzieningenrechter mocht oordelen dat tussenkomst

niet kan worden toegestaan, Groenendijk toe te staan zich te voegen aan de zijde van de

Gasunie;

In de hoofdzaak:

Lasaulec niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen, althans haar

deze te ontzeggen;

en


enkel en alleen indien uw rechtbank mocht oordelen dat een vordering vereist zou zijn voor

tussenkomst, de Gasunie te veroordelen de gunningsbeslissing in stand te houden en

vervolgens de opdracht definitief aan Groenendijk te gunnen, indien en voor zover de

Gasunie de opdracht nog immer wenst te verstrekken;

een en ander, zowel in het incident als in de hoofdzaak, met veroordeling van Lasaulec en/of de Gasunie in de kosten van het geding aan de zijde van Groenendijk, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van eiseres, alsmede de nakosten ten bedrage van € 131,00 zonder betekening en van € 199,00 met betekening van dit vonnis, met de aantekening dat als niet binnen twee weken na wijzing van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de onderhavige vordering heeft Lasaulec het volgende - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd. (I) de inschrijving van Groenendijk voldoet niet aan de door de Gasunie gestelde minimumeisen en (II) de Gasunie heeft de inschrijving van Lasaulec ten aanzien van het door Lasaulec aangeboden online registratiesysteem onjuist beoordeeld.

4.2.

Ter zitting heeft Lasaulec medegedeeld het bezwaar ten aanzien van het door Lasaulec aangeboden online registratiesysteem te laten vervallen.

Ter zake van het bezwaar dat de inschrijving van Groenendijk niet voldoet aan de door de Gasunie gestelde minimumeisen heeft Lasaulec onder meer het volgende aangevoerd.

Omdat de jaarrekening van Groenendijk niet van een goedkeurende verklaring van de accountant is voorzien, voldoet die aanbieding niet aan de door Gasunie bindend voorgeschreven voorwaarden. Blijkens paragraaf 3.2.1 dienden inschrijvers de jaarrekeningen over de afgelopen drie afgesloten boekjaren over te leggen, vergezeld van een goedkeurende accountantsverklaring.

4.3.

Kernpunt van het onderhavige geschil betreft derhalve de vraag of de inschrijving van Groenendijk voldoet aan de onder paragraaf 3.2.1 van het beschrijvend document vermelde geschiktheidseis.

In paragraaf 3.2.1 is vermeld dat ''de inschrijver in het kader van het geschiktheidscriterium Financiële en economisch (dient) te voldoen aan de in onderstaande tabel opgenomen minmimumeisen.(…). Eerst na een verzoek daartoe dienen de bewijsstukken aangeleverd te worden.'' In de paragraaf is verder vermeld dat de "Gasunie een risicofactor van maximaal 3 een passend financieel criterium (vindt). Het kredietwaardigheidscijfer wordt gebaseerd op de rating welke is afgegeven door de onafhankelijk kredietinformatieverlener Dun & Bradstreet. Deze hanteert 4 risico categorieën waarbij risico categorie 1 voor minimaal kredietrisico staat en categorie 4 voor aanzienlijk kredietrisico.

Daarbij is tevens vermeld "Bewijsstuk (in te dienen na verzoek)" en daaronder (met een gedachtenbolletje) "Gasunie zelf het rapport bij Dun & Bradstreet (aanvraagt), waar nodig dient u hier extra informatie te verstrekken." en (met een volgend gedachtenbolletje) "De jaarrekeningen over de afgelopen drie afgesloten boekjaren, die zijn voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring".

4.4.

De voorzieningenrechter stelt bij de onderhavige beoordeling de ratio van elke aanbestedingsprocedure voorop. Die ratio is dat ondernemers met gelijke kansen in kunnen schrijven op overheidsopdrachten, opdat in vrije concurrentie een optimale prijs-kwaliteitverhouding voor de overheid tot stand komt. Alle vragen die rijzen dienen in het licht van deze ratio te worden beantwoord.

4.5.

Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de procedure deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun voorstel en de beoordeling door de aanbestedende dienst dezelfde kansen krijgen. Het hiermee samenhangende transparantiebeginsel strekt ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbesteder wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten voor de inschrijvers op ondubbelzinnige wijze worden geformuleerd, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaats heeft.

4.6.

Ten aanzien van de uitleg van aanbestedingsdocumenten kan voorts het volgende worden vooropgesteld (vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1265, RvdW 2017/810).

Gelet op genoemd transparantiebeginsel — dat derhalve impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat (onder meer) alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren — ligt een uitleg naar objectieve maatstaven van aanbestedingsdocumenten in de rede.

Dat laatste geldt ook omdat het hier in beginsel de uitleg van een eenzijdige rechtshandeling (en de daaraan te ontlenen verwachtingen) betreft, en derhalve niet de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen, waarop de uitlegregels van het Haviltex-arrest (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635) en de daarop voortbouwende jurisprudentie zien. Weliswaar is daarmee niet gezegd dat de letterlijke tekst van een dergelijke eenzijdige rechtshandeling steeds doorslaggevend zal zijn. Over het algemeen zullen bij de uitleg van een dergelijke, door één partij opgestelde, tekst de letterlijke bewoordingen daarvan echter zwaar wegen, nu er doorgaans geen bijkomende omstandigheden zijn die een van de letterlijke bewoordingen afwijkende uitleg zullen (kunnen) rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden kunnen immers niet voortvloeien uit een aan de betreffende rechtshandeling voorafgaand onderhandelingsproces (en daaraan — over en weer — te ontlenen verwachtingen en bedoelingen).

Bovendien gaat het hier om een geschrift waarin een regeling is vastgelegd die naar haar aard is bestemd (ook) de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die de niet uit dat geschrift blijkende bedoeling van de opsteller niet kunnen kennen en die geen invloed op de inhoud of de formulering daarvan hebben gehad, zodat ook daarom een uitleg naar objectieve maatstaven, zoals de bewoordingen van de regeling, gelezen in het licht van de gehele tekst daarvan, het meest voor de hand ligt (vgl. HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

Daarbij komt dat in het geval van een aanbesteding ook ongelijke behandeling van (potentiële) inschrijvers dient te worden voorkomen.

4.7.

Blijkens de bewoordingen van paragraaf 3.2.1 van het tot de onderhavige aanbestedingsprocedure behorend beschrijvend document is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor iedere - normaal oplettende - inschrijver duidelijk en niet mis te verstaan dat een inschrijver op het tijdstip van inschrijving niet de jaarrekeningen over de afgelopen drie afgesloten boekjaren, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, hoefde te verstrekken.

Blijkens paragraaf 3.2.1 dienden inschrijvers de jaarrekeningen over de afgelopen drie afgesloten boekjaren, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, enkel over te leggen na een daartoe strekkend verzoek van de Gasunie.

Het overleggen van dergelijke jaarrekeningen was geen minimumeis waaraan de inschrijvers bij de inschrijving moesten voldoen.

Nu dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor iedere - normaal oplettende - inschrijver duidelijk en niet mis te verstaan was, geldt ook voor derden die hebben overwogen in te schrijven op deze aanbesteding dat duidelijk was dat een inschrijver op het tijdstip van inschrijving niet de jaarrekeningen over de afgelopen drie afgesloten boekjaren, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, hoefde te verstrekken.

4.8.

Gelet op het vorenoverwogene liggen de gevraagde voorzieningen voor afwijzing gereed.

4.9.

Lasaulec zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten aan de zijde van de Gasunie worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.606,00.

De kosten aan de zijde van Groenendijk worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.606,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Lasaulec in de proceskosten, aan de zijde van de Gasunie tot op heden begroot op € 1.606,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt Lasaulec in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Lasaulec niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

veroordeelt Lasaulec in de proceskosten, aan de zijde van Groenendijk tot op heden begroot op € 1.606,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW wover dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt Lasaulec in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Lasaulec niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2018.1

1 coll: js