Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:55

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-01-2018
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
18/206690-17 RK
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland bepaalt niet dat de strafzaak is geëindigd aangezien niet geoordeeld kan worden dat strafzaak niet met voortvarendheid is verricht en evenmin kan worden gezegd dat de strafzaak niet is voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

locatie Groningen

parketnummer 18/206690-17

kenmerk Rk 17/736

Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 3 januari 2018 op een voordracht van de rechter-commissaris een verklaring af te geven dat de strafzaak is geëindigd op grond van artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

thans verblijvende in FPC Kijvelanden te Poortugaal,

hierna te noemen: verdachte.

Procesverloop

Namens verdachte is op 12 juli 2017 een verzoekschrift ex artikel 180 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend bij de rechter-commissaris strekkende tot het stellen van een termijn voor de beëindiging van het opsporingsonderzoek. Ten grondslag aan dit verzoek ligt onderzoek naar een verdenking van (zware) mishandeling van een medepatiënt die door verdachte zou zijn gepleegd op 13 april 2017 in de Mesdagkliniek. Na dit incident zijn de verloven van verdachte ingetrokken; namens verdachte is aangevoerd dat hij belang heeft bij een spoedige vervolgingsbeslissing.

Voorafgaand aan dit verzoek heeft de raadsman veelvuldig gecorrespondeerd met het Openbaar Ministerie, hetgeen niet tot inzending van het proces-verbaal heeft geleid. Het eindproces-verbaal, dat op 20 september 2017 is gesloten, is blijkens de datumstempel op dat proces-verbaal, d.d. 21 september 2017 bij het OM binnengekomen.

De rechter-commissaris heeft vervolgens bij het Openbaar Ministerie de processtukken opgevraagd opdat de voortgang van het onderzoek beoordeeld kon worden. Op 25 juli 2017 heeft de rechter-commissaris beslist dat het opsporingsonderzoek per 1 oktober 2017 dient te zijn afgerond.

Op 4 oktober 2017 is bij het kabinet rechter-commissaris een email van de officier van justitie ontvangen waarin wordt gemeld dat het procesdossier nog niet was aangeleverd, maar dat de toezegging was verkregen dat het spoedig zou worden ingezonden.

Op 6 oktober 2017 heeft de rechter-commissaris op de voet van art. 180 lid 3 Sv de rechtbank voorgedragen te verklaren dat de zaak is geëindigd.

De officier van justitie en de raadsman van verdachte, mr. Knoester, zijn gehoord ter zitting van de meervoudige raadkamer op 20 december 2017. Verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te verschijnen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift alsmede van het strafdossier met het hierboven genoemd parketnummer.

Standpunt van de verdediging:

De raadsman heeft verzocht om de zaak, conform de voordracht van de rechter-commissaris, geëindigd te verklaren en heeft ter zitting het standpunt nader toegelicht. Hij heeft gesteld dat een strafzaak tegen een terbeschikkinggestelde, gelet op de aanbevelingen van de taskforce, bijzondere aandacht verdient van het Openbaar Ministerie (hierna: OM). Het OM heeft de zaak laten liggen en daaraan onvoldoende aandacht gegeven. Van wezenlijk belang is de datum van de opdracht voor het DNA-onderzoek. Deze is pas gegeven na de voordracht van de rechter-commissaris aan de rechtbank om de zaak geëindigd te verklaren. Het OM heeft hiermee de termijn die de rechter-commissaris had gesteld (namelijk tot 1 oktober 2017) voor het opsporingsonderzoek genegeerd.

Verdachte had op het moment van het incident verregaande verlofmogelijkheden. Deze zijn in afwachting van de uitkomst van de strafzaak ingetrokken. Verdachte heeft belang bij een spoedige beslissing over de strafzaak opdat hij zijn resocialisatie weer kan oppakken. De aangever heeft uiteraard ook een belang bij de afdoening van de strafzaak, maar zijn vordering tot schadevergoeding kan ook bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft ter zitting een aanvulling gegeven op de schriftelijke reactie die vooraf is toegezonden aan zowel de rechtbank als de raadsman. Zij heeft aangevoerd dat het horen van getuigen binnen een tbs-setting meer tijd vergt dan in een regulier onderzoek, aangezien dit niet door iedere willekeurige verbalisant gedaan kan worden. De termijn, die de rechter-commissaris heeft gesteld voor het opsporingsonderzoek, is weliswaar verstreken maar er is niet zodanig lang over het onderzoek gedaan dat dit een beslissing tot beëindiging van de strafzaak rechtvaardigt. Er moet bij een beslissing tot vervolging ook rekening gehouden worden met de positie van het slachtoffer. Hij heeft ook een belang bij afdoening van de strafzaak. Het onderzoek heeft niet stilgelegen en voor een dergelijk onderzoek is nu eenmaal tijd nodig.

Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat de opdracht tot het doen van DNA-onderzoek pas is gegeven na de beslissing van de rechter-commissaris de zaak over te dragen naar de rechtbank voor de onderhavige procedure stelt de officier van justitie dat uit het dossier blijkt dat er op 24 juni 2017 al sprake was van een forensisch onderzoek.

Inmiddels is de dagvaarding uitgevaardigd en heeft de zaak op de zitting van 8 december 2017 gestaan. Op verzoek van de raadsman is de behandeling van de strafzaak aangehouden tot na de behandeling van de onderhavige procedure. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank niet zal verklaren dat de strafzaak is beëindigd.

Motivering

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting de volgende gang van zaken vast.

Op 13 april 2017 heeft de vermeende mishandeling plaatsgevonden. Vervolgens zijn er door de politie opsporingshandelingen verricht die met name bestonden uit het horen van getuigen. Verdachte is hierover op 16 mei 2017 door de politie gehoord. Hierna blijkt uit het eindproces-verbaal niet van verdere door de politie verrichte opsporingshandelingen.

Uit de aanvullende processen-verbaal blijkt dat op 13 oktober 2017 de op 13 april 2017 onder verdachte inbeslaggenomen ringen nog niet waren aangeboden bij het NFI voor een DNA-onderzoek, maar dat dit alsnog zou gebeuren. Op 23 oktober 2017 is door het NFI een vergelijkend DNA-onderzoek verricht waaruit bleek dat de aangetroffen bloedsporen afkomstig waren van verdachte. Ook na het sluiten van het eindproces-verbaal zijn door de politie nog een aantal processen-verbaal opgemaakt, te weten op 20 oktober 2017, op 17 november 2017 en op 27 november 2017. De rechtbank stelt vast dat deze handelingen hebben plaatsgevonden na de beslissing van de rechter-commissaris om de rechtbank voor te dragen de zaak als geëindigd te verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat tegen verdachte aangifte is gedaan op 17 mei 2017, terwijl aangever hierover direct op 14 april 2017 is gehoord. Ook constateert de rechtbank dat verdachte een tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs) veroordeelde betreft, tegen wie een vervolging is ingesteld van een nieuw strafbaar feit in een tbs-instelling begaan. Die verdenking heeft geleid tot het intrekken van verloven van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe strafzaak, gelet op de gevolgen voor verdachte, zo voortvarend mogelijk dient te worden afgedaan. Teneinde het door de verdediging aangevoerde gebrek aan voortvarendheid, in het licht van het bepaalde in artikel 36 Sv, te toetsen, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of in de strafzaak tegen verdachte, die nog niet formeel geëindigd is, de vervolging door het OM niet wordt voortgezet.

De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat van het OM niet gezegd kan worden dat het in de onderhavige vervolging van verdachte steeds diens bijzondere belangen in het oog heeft gehouden. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de handelwijze van het OM in de onderhavige strafzaak als nalatig, in het bijzonder met betrekking tot de door de rechter-commissaris van deze rechtbank op de voet van artikel 180, lid 3, Sv gestelde termijnen.

Ook stelt de rechtbank vast dat het OM onvoldoende inzicht heeft gegeven in de opsporingshandelingen, in het bijzonder die met betrekking tot het forensisch onderzoek, waardoor de voortgang van de strafzaak tegen verdachte niet adequaat te toetsen valt.

De rechtbank stelt evenwel vast dat vanaf 14 april 2017 de politie een aantal opsporingshandelingen heeft verricht, waarvan niet zonder meer gezegd kan worden dat deze met onnodige vertraging hebben plaatsgevonden. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte, met daarbij de behandeling van de vordering van de benadeelde partij, vindt plaats op 31 januari 2018, nadat een eerder geagendeerde behandeling op

8 december 2017 op verzoek van de verdediging is aangehouden door de politierechter. De termijn die is gelegen tussen het ontstaan van de verdenking enerzijds en de datum waarop verdachte is gedagvaard, te weten 20 oktober 2017, bedraagt ruim zes maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze termijn, met inachtneming van de verrichte opsporingshandelingen en dan met name gezien de bijzondere positie van verdachte als tbs-veroordeelde, weliswaar als lang kan worden beschouwd, doch niet in die mate dat geoordeeld moet worden dat daardoor de strafzaak tegen verdachte niet met de nodige voortvarendheid is verricht en evenmin kan worden gezegd dat de strafzaak niet is voortgezet.

De rechtbank zal op grond hiervan bepalen dat de zaak niet is geëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart dat de strafzaak tegen de verdachte onder parketnummer 18-206690-17 niet is geëindigd.

Deze beslissing is gegeven door mrs. F.J. Agema, voorzitter, F. de Jong en A.L.J.M.A. Janssens, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2018.