Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5464

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
LEE 18/1223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Klare taal. Intrekking jachtakte. Verkeerd invullen aanvraagformulier verlenging is voldoende reden voor twijfel aan betrouwbaarheid houder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/1223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] te [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: R. Faasse).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft de korpschef de jachtakte van [betrokkene] ingetrokken.

Bij besluit van 12 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft de minister het administratief beroep van [betrokkene] ongegrond verklaard.

[betrokkene] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2018. [betrokkene] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De intrekking van de jachtakte en het besluit van de minister

1. De belangrijkste reden waarom de korpschef de jachtakte heeft ingetrokken was dat [betrokkene] het zogenoemde “C5-formulier” niet juist heeft ingevuld. Dat is het inlichtingenformulier dat ieder jaar moet worden ingeleverd als verlenging van de jachtakte wordt gevraagd. Op dat formulier wordt onder meer gevraagd of de aanvrager regelmatig medicijnen gebruikt die volgens de bijsluiter de handelingsvaardigheid, en daarmee de veilige omgang met vuurwapens, kunnen beïnvloeden. Voor de jaren 2014 tot en met 2017 heeft [betrokkene] deze vraag telkens met “nee” beantwoord. In 2017 bleek echter dat [betrokkene] epilepsie heeft en dat hij daarvoor al langere tijd regelmatig medicijnen gebruikt. Volgens de korpschef heeft het feit dat [betrokkene] het formulier niet juist heeft ingevuld zijn betrouwbaarheid aangetast. De korpschef heeft verder meegewogen dat er tussen 2014 en 2017 verschillende meldingen zijn binnengekomen over afwijkend rijgedrag door [betrokkene] . Hij zou bijvoorbeeld met zijn brommobiel een keer tegen een vlaggenmast en een andere keer tegen een auto zijn aangereden. Deze meldingen gaven de korpschef de indruk dat de handelingsvaardigheid van [betrokkene] door zijn epilepsie in die mate werd beïnvloed dat hij zichzelf en anderen in gevaar bracht.

2. De minister is het met de korpschef eens. Hij vindt net als de korpschef dat het verkeerd invullen van het formulier op zichzelf al genoeg reden is geweest om de jachtakte in te trekken. Ook het feit dat [betrokkene] lijdt aan epilepsie en medicijnen gebruikt die de handelingsvaardigheid kunnen verminderen betekent volgens de minister dat aan hem geen wapens of munitie kunnen worden toevertrouwd.

3. [betrokkene] is het niet eens met de beslissing van de minister. Hij vindt het niet terecht dat zijn jachtakte is ingetrokken. Daarom heeft hij beroep ingesteld.
Toetsingskader

4. De rechtbank moet beoordelen of de minister heeft mogen besluiten de intrekking van de jachtakte door de korpschef in stand te laten. Die beoordeling voert de rechtbank uit aan de hand van de beroepsgronden die [betrokkene] naar voren heeft gebracht, en aan de hand van de wettelijke bepalingen die gelden voor het intrekken van een jachtakte.

5. De belangrijkste bepaling is artikel 5.4, vierde lid, van de Wet natuurbescherming. Daarin staat – voor zover hier van belang – dat een jachtakte in elk geval wordt ingetrokken als er aanwijzingen zijn dat aan de houder het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Beroepsgronden en beoordeling

6. [betrokkene] voert aan dat hij inderdaad op het C5-formulier de vraag over de medicijnen met “nee” heeft beantwoord, maar dat hij dacht dat dat mocht. Zijn neuroloog heeft namelijk in 2012 verklaard geen bezwaar te hebben tegen verlening van een jachtakte. [betrokkene] heeft die verklaring toen naar de politie opgestuurd en ging er daarom vanuit dat de politie daarmee bekend was.

7. De rechtbank stelt vast dat [betrokkene] het C5-formulier tussen 2014 en 2017 steeds verkeerd heeft ingevuld. De vraag over medicijngebruik op het formulier is een duidelijke vraag en het had voor [betrokkene] duidelijk moeten zijn dat hij die vraag naar waarheid moest beantwoorden. De verklaring van de neuroloog maakt dat niet anders. Uiteindelijk is immers niet de neuroloog, maar de korpschef verantwoordelijk voor de inschatting of het verantwoord is de jachtakte te verlengen. De korpschef kan daar alleen een goede inschatting van maken als hij de juiste informatie heeft. Eventueel had [betrokkene] , als hij dat had gewild, na het aankruisen van “ja” op het formulier een toelichting kunnen geven en daarbij had hij kunnen ingaan op de verklaring van de neuroloog. In dat geval had de korpschef nader onderzoek kunnen doen of die verklaring er misschien toe zou kunnen leiden dat de jachtakte inderdaad zou kunnen worden verlengd. Maar door de vraag over het medicijngebruik onjuist te beantwoorden heeft [betrokkene] de korpschef geen mogelijkheid gegeven verder onderzoek te doen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van de neuroloog geen goede reden opleverde om het formulier niet naar waarheid in te vullen.
Onderaan het formulier staat trouwens dat de aanvrager onbetrouwbaar zal worden geacht als hij één van de vragen van het formulier niet naar waarheid heeft beantwoord. Er staat ook dat de jachtakte dan zal worden geweigerd. [betrokkene] had er ook daarom al extra alert op moeten zijn dat hij alle vragen naar waarheid moest invullen.

7.1

Op de zitting heeft [betrokkene] gezegd dat op zijn medicijnen geen waarschuwingssticker zit, maar de korpschef weerspreekt dat. In de brief van 3 mei 2017, waarin de korpschef [betrokkene] laat weten dat hij het voornemen heeft de jachtakte in te trekken, schrijft de korpschef namelijk dat de politie op 2 mei 2017 bij [betrokkene] thuis is geweest, daar de verpakkingen van de medicijnen heeft bekeken, en dat op die medicijnen een waarschuwingssticker van de apotheek zat. Bovendien wordt op het C5-formulier niet gevraagd of er wel of niet een sticker op de medicijnen zit, maar of uit de bijsluiter blijkt dat ze de handelingsvaardigheid kunnen beïnvloeden. [betrokkene] heeft niet gezegd dat dat uit de bijsluiter niet zou blijken. Ook dit brengt de rechtbank daarom niet tot een ander oordeel.

7.2

De volgende vraag is dan of het feit dat [betrokkene] het formulier verkeerd heeft ingevuld, ook betekent dat de jachtakte daarom mocht worden ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat dat inderdaad mocht. De minister mocht namelijk het verkeerd invullen zien als een aanwijzing dat aan [betrokkene] het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kon worden toevertrouwd. De rechtbank vindt daarbij van belang wat er in de Circulaire Wapens en Munitie 2016 staat. Die Circulaire vermeldt dat iemand met een jachtakte in een bijzondere positie komt ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijk verbod geldt om wapens en munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt mee dat van iemand met een jachtakte stipte naleving van de wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd. Het weigeren van een akte is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Daarom is volgens de Circulaire ook geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering voldoende reden om een jachtakte in te trekken.
De rechtbank is het daarmee eens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister uit het feit dat [betrokkene] vier jaar op rij het formulier niet juist heeft ingevuld daarom in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat getwijfeld kon worden aan zijn betrouwbaarheid. De minister heeft dat ook mogen zien als een aanwijzing dat het voorhanden hebben van wapens en munitie [betrokkene] niet langer kon worden toevertrouwd. Uit de tekst van artikel 5.4 van de Wet natuurbescherming blijkt dat in zo’n geval de jachtakte moet worden ingetrokken. De minister kon dus ook niet meer besluiten daarvan af te zien.

8. [betrokkene] heeft nog verschillende andere gronden aangevoerd tegen het besluit van de minister. Hij heeft onder meer naar voren gebracht dat niet is aangetoond dat het afwijkend rijgedrag met zijn brommobiel is veroorzaakt door zijn epilepsie en dat hij al 20 jaar jaagt en in die tijd nooit onveilige situaties heeft veroorzaakt. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft geschreven blijkt echter dat alleen al het verkeerd invullen van het formulier betekende dat zijn jachtakte mocht worden ingetrokken. Wat [betrokkene] verder nog heeft aangevoerd hoeft daarom hier niet te worden besproken.
Conclusie

9. Dit alles betekent dat de minister mocht besluiten de intrekking van de jachtakte door de korpschef in stand te laten. Het beroep is dus ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.H. ter Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.