Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:541

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
18/850110-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgens een ‘eenvoudige kasopstelling’ heeft verdachte met haar partner gedurende meer dan drie-en-een-half jaar een gewoonte gemaakt van het witwassen van geld, in totaal

€ 169.800. Ook heeft verdachte artikel 11a Opiumwet overtreden door met haar partner een loods te verhuren aan een coffeeshop, onder meer voor bedrijfsmatige activiteiten gericht op de verkoop van hennepproducten.

Vrijspraak van witwassen voor de ontvangen huursom van deze loods. Niet bewezen kan worden dat deze door de coffeeshop betaalde huursom afkomstig was van enig misdrijf. Er is geen direct verband met een misdrijf. Ook zijn er geen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat de huursom uit misdrijf afkomstig is.

Aan verdachte is een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd, en een taakstraf van 200 uren. Tevens volgt verbeurdverklaring van een auto, een quad en het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag van € 83.790,00.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420ter
Opiumwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/850110-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 december 2017 en 2 januari 2018.

Verdachte is op (de inhoudelijke terechtzitting van) 12 december 2017 verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 12 december 2017 vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015 te [pleegplaats] , gemeente Menameradiel, althans in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] (telkens)

- ( in totaal) 169.800,83 euro,

zijnde de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling/financieel onderzoek (over de periode 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015, blz. 1207) met betrekking tot het (onverklaarbare) verschil tussen de (totale) uitgaven en/of (legale) inkomsten van verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] ,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, althans van (een deel van) dat geldbedrag gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachte, wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat geldbedrag -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015, te [pleegplaats] , gemeente Menameradiel, althans in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van een voorwerp, te weten

- een of meer contante geldbedrag(en) (in totaal 83.790,00 euro), in elk geval een geldbedrag (blz. 300-303)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans hebben zij en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd geldbedrag was en/of voornoemd geldbedrag voorhanden had, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

en/of

een voorwerp, te weten

- een of meer contante geldbedrag(en) (in totaal 83.790,00 euro), in elk geval een geldbedrag (blz. 300-303)

verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, althans van (een deel van) dat geldbedrag gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] , wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015, te [pleegplaats] , gemeente Menameradiel, althans in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederlands, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] (telkens)

van een voorwerp, te weten

- de huurpenningen voor een deel van de loods ( [straatnaam] te [pleegplaats] ) van (telkens) een geldbedrag van 1.500,00 euro (in totaal ongeveer 60.000,00 euro, blz. 775-806), in elk geval (telkens) een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans hebben zij en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd geldbedrag was en/of voornoemd geldbedrag voorhanden had, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

en/of

een voorwerp, te weten

- de huurpenningen voor een deel van de loods ( [straatnaam] te [pleegplaats] ) van (telkens) een geldbedrag van 1.500,00 euro (in totaal ongeveer 60.000,00 euro, blz. 775-806), in elk geval (telkens) een geldbedrag, verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, althans van (een deel van) dat geldbedrag gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte 1] , wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

zij op of omstreeks 08 december 2015 te [pleegplaats] , gemeente Menameradiel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad 3 centraalvuur kogelpatronen, in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III;

4.

zij op of omstreeks 08 december 2015 te [pleegplaats] , gemeente Menameradiel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ruimte, te weten een (deel van een) loods aan:

- [straatnaam]

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van 3a van die wet, voorhanden heeft, waarvan zij en/of haar mededader(s) wist of ernstige reden had te vermoeden dat die ruimte bestemd was tot, althans gebruikt werd voor het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 4 bepleit de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien verdachte er, gelet op het legaliteitsbeginsel ex artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr.), op mocht vertrouwen niet voor overtreding van artikel 11a van de Opiumwet te worden vervolgd. De uitdrukkelijke doelstelling van de wetgever is immers het bestrijden van het faciliteren van illegale hennepteelt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht zich ontvankelijk in de vervolging nu de wettekst expliciet ruimte laat voor onderhavige tenlastelegging.

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 1, eerste lid, Sr. luidt: “Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.”

Artikel 3 van de Opiumwet luidt, voor zover van belang:

“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II:

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.”

Artikel 11 van de Opiumwet luidt, voor zover van belang:

2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met (…).

3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met (…).

5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf (… ) of geldboete (…) opgelegd.

Volgens artikel 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit wordt onder ‘grote hoeveelheid van een middel’ meer dan 500 gram hennep of meer dan 200 hennepplanten verstaan.

Artikel 11a van de Opiumwet luidt: “Hij die (…) ruimten (…) voorhanden heeft (…), waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.”

Uit de tekst van artikel 11a Opiumwet, in samenhang met de artikelen waarnaar die tekst verwijst, blijkt volgens de rechtbank expliciet dat óók strafbaar is gesteld het voorhanden hebben van ruimten waarvan men weet, dan wel ernstige reden heeft te vermoeden, dat deze bestemd zijn tot het plegen van in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De in de tenlastelegging omschreven gedraging is derhalve naar de letter van de wet gelegen binnen het toepassingsbereik van artikel 11a Opiumwet. Van schending van het legaliteitsbeginsel ex artikel 1 Sr. is reeds daarom geen sprake. Daaraan doet niet af dat het openbaar ministerie wellicht niet eerder op deze manier heeft gedagvaard, en doet ook niet af dat uit de Kamerstukken afgeleid zou kunnen worden dat de wetgever de nadruk heeft gelegd op het bestrijden van het faciliteren van illegale hennepteelt. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt is in de inleiding opgenomen dat de term illegale hennepteelt wordt gebruikt voor de bedrijfs- en beroepsmatige teelt en teelt van grote hoeveelheden en voor het gehele productieproces van cannabis, inclusief diensten en handelingen die met het oog daarop en op de verhandeling van cannabis worden verricht (Kamerstukken 32842, nr. 3).

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging voor feit 4.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Algemeen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de woning aan [straatnaam] te [pleegplaats] rechtmatig is geschied, aangezien er voldoende verdenking bestond ten aanzien van overtreding van de Opiumwet. Daarbij is door de rechter-commissaris toestemming verleend de woning te doorzoeken. Er is derhalve geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim en bewijsuitsluiting is dan ook niet aangewezen.

Feit 1.

De officier van justitie heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde gevorderd, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De officier van justitie acht het subsidiair eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen. In de woning van verdachte en [medeverdachte 1] is op verschillende (verborgen) plaatsen in tassen een geldbedrag van in totaal € 83.790,00 euro aangetroffen, waarvan de herkomst niet kan worden vastgesteld. Door de verdachten is daarvoor geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven die op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is. Daarbij komt dat de verklaringen die ter terechtzitting voor de herkomst van het geld zijn gegeven, zo laat zijn gegeven dat deze terzijde gesteld moeten worden.

Feit 2.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Er is immers sprake van een schijnconstructie met betrekking tot de maandelijkse geldbetaling van

€ 1.500,00, aangeduid als ‘huur’, waardoor aangenomen kan worden dat deze bedragen van misdrijf afkomstig zijn. De schijnconstructie volgt onder meer uit het gegeven dat de huurovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd, de huurprijs niet marktconform is en de loods niet wordt gebruikt ten behoeve van opslag voor de coffeeshop. Daarbij komt dat de eerste huurbetaling al is geschied toen de loods nog niet was afgebouwd.

Feit 3.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde, wegens het ontbreken van overtuigend bewijs.

Feit 4.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft met [medeverdachte 1] een deel van de loods verhuurd, terwijl beiden wisten dat de loods zou worden gebruikt voor de handel in softdrugs. In de loods was een duidelijke henneplucht te ruiken. In de afvalcontainer bij de woning van verdachten is een vuilniszak aangetroffen met afval van de fabricage van joints.

Het standpunt van de verdediging

Algemeen.

De raadsman heeft bepleit dat de doorzoeking van de woning aan [straatnaam] te [pleegplaats] onrechtmatig is geschied, omdat er geen redelijk vermoeden was dat in die woning een strafbaar feit werd gepleegd. De geverbaliseerde verdenkingen zien immers niet op de woning maar alleen op de bijbehorende loods. Er is dus een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.). Dit moet leiden tot bewijsuitsluiting van al hetgeen in de woning is aangetroffen, waaronder contante gelden, kogelpatronen en administratie.

De raadsman heeft derhalve vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bepleit, wegens het ontbreken van wettig bewijs.

Feit 1.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Er is geen sprake van medeplegen, in ieder geval niet voor zover het gaat om de contante geldbedragen die in de woning zijn aangetroffen. Verdachte wist niets van die contanten. [medeverdachte 1] bevestigt dat, en de bevindingen in de woningen ondersteunen die verklaringen ook.

Met betrekking tot de kasopstelling heeft de raadsman het volgende aangevoerd. In de kasopstelling is bij de vaststelling van het beginsaldo ten onrechte uitgegaan van slechts

€ 60,00 en is geen rekening gehouden met de contante geldbedragen die verdachten toen reeds in hun bezit hadden, te weten de overwaarde van verkochte huizen en een chalet, en de vóór 1 juli 2012 contant opgenomen geldbedragen, te weten een bedrag van in totaal € 107.880,00 dat werd opgenomen in 2010 en 2011. Er is in de kasopstelling ook geen rekening gehouden met de ontvangen contante huur van het door [medeverdachte 2] gehuurde kantoor, de opbrengsten uit de ambulante handel van [medeverdachte 1] en de opbrengsten van de rommelmarkten. Verder is uitgegaan van te hoge kosten voor onderhoud van voertuigen. Kortom, er is geen kasverschil. Er is dus ook geen sprake van feiten en omstandigheden die een verdenking van witwassen rechtvaardigen. Voor zover de rechtbank zulke feiten en omstandigheden wel zou zien, hebben verdachte en [medeverdachte 1] verklaard dat de herkomst legaal is; het zijn inkomsten uit de contante handel en de verkoop van woningen. Het openbaar ministerie heeft hier niets mee gedaan.

Feit 2.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat niet blijkt dat de huurpenningen, die via de bank zijn overgemaakt, afkomstig waren uit enig misdrijf. Evenmin is sprake van een schijnconstructie met betrekking tot de huur, aangezien de hoogte van de huur marktconform was, de huurbetalingen zijn verantwoord in de boekhouding van coffeeshop [naam bedrijf] en de mondelinge huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig was.

Feit 3.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde, aangezien niet, althans niet overtuigend, is gebleken dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van munitie in haar woning.

Feit 4.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Een loods kan immers niet aangemerkt worden als een ‘stof of voorwerp’ in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. Daarbij komt dat verdachte niet wist, noch ernstige reden had om te vermoeden, dat de loods bestemd was voor grootschalige opslag van hennep. Zij had geen toegang tot het kantoor waar de hennep werd opgeslagen en er is niet gebleken van een buiten het kantoor waarneembare hennepgeur.

Het oordeel van de rechtbank 1

Algemeen.

De rechtbank stelt voorop dat de woning aan [straatnaam] te [pleegplaats] door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie ter inbeslagneming is doorzocht.2 Deze bevoegdheid komt de rechter-commissaris toe op grond van artikel 110 Sv.

Op 4 maart 2014 is een anonieme brief afgeleverd bij het hennepteam in Leeuwarden. In de brief is gesteld dat een zekere [naam 2] en [naam 3] [achternaam] in de hennep zitten. Zij hebben meerdere hennepkwekerijen. De broers hebben in verband met de hennep contacten met onder andere [medeverdachte 1] .3

Op 30 mei 2015 gaat verbalisant [verbalisant] naar aanleiding van een woninginbraak in de buurt naar de loods aan [straatnaam] te [pleegplaats] omdat daar camera’s hangen. Bij de loods spreekt de verbalisant met een man die zich voorstelt als [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] toont hem de loods. Als [medeverdachte 1] de tussendeur opent naar de voorste ruimte van de loods, ruikt verbalisant gedurende korte tijd een duidelijke henneplucht.4

Op 16 november 2015 is, met toestemming van de officier van justitie, de vuilniscontainer van [straatnaam] te [pleegplaats] opgehaald en onderzocht. De container bevat onder meer een blauwe vuilniszak met afval van de fabricage van joints en van het vullen van wietzakjes.5

Uit onderzoek blijkt voorts dat zowel de woning als de loods eigendom van verdachte zijn.6

Uit deze bewijsmiddelen volgt voldoende verdenking van overtreding van de Opiumwet, zowel ten aanzien van de loods, de woning, als ten aanzien van verdachte en [medeverdachte 1] . Daarom is de rechtbank van oordeel dat de doorzoeking van de woning rechtmatig is geweest, dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat de resultaten van de doorzoeking niet hoeven te worden uitgesloten van het bewijs.

Feit 1.

De eenvoudige kasopstelling.

De rechtbank neemt als uitgangspunt de door de politie opgemaakte eenvoudige kasopstelling. Door middel van een eenvoudige kasopstelling is nagegaan of -en zo ja, in hoeverre- verdachte en [medeverdachte 1] meer contante uitgaven hebben gedaan dan zij door middel van inkomsten uit legale bron kunnen verantwoorden. De totale contante uitgaven zijn afgezet tegen de legale ontvangsten per kas. Indien die totale contante uitgaven groter zijn dan de legaal ontvangen contante gelden, duidt dat op een onbekende bron van contante ontvangsten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat een negatieve kas niet mogelijk is, omdat men niet meer contant kan uitgeven dan fysiek aan kasgeld beschikbaar is.

Uit de kasopstelling blijkt dat in de onderzoeksperiode van 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015 sprake is van een negatief kassaldo van € 169.800,83, gelet op onderstaande berekening.7

Beginsaldo : € 60,00

Totale inkomsten per kas : € 16.228,00

Eindsaldo : € 83.790,00

Beschikbaar voor uitgaven : minus € 67.502,00

Totale uitgaven : € 102.298,83

Verschil : minus € 169.800,83

De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] en op basis van gegevens die de politie heeft ontleend aan het onderzoek, in beginsel deugdelijk en betrouwbaar.

Een vermoeden van witwassen.

Uit de kasopstelling blijkt een onverklaarbaar bedrag aan inkomsten van € 169.800,83. Hoewel het onderzoek geen direct bewijs heeft opgeleverd dat dit geldbedrag van € 169.800,83 van misdrijf afkomstig is, kan blijkens bestendige jurisprudentie het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ toch worden bewezen indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs te leveren waaruit zulke feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Indien die feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van witwassen, mag van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het voorwerp worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de uitkomst van de kasopstelling, mede gezien de omvang van het kasverschil, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Er mocht dan ook van de verdachte worden verwacht dat een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring werd gegeven voor de herkomst van het geld. Indien die door verdachte naar voren gebrachte alternatieve herkomst daartoe aanleiding geeft, dient het openbaar ministerie hiernaar nader onderzoek te doen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die verdachte en [medeverdachte 1] bij de politie hebben afgelegd, onvoldoende aanknopingspunten boden voor zulk nader onderzoek naar een alternatieve legale bron van inkomsten. De verdediging heeft ter terechtzitting evenwel gemotiveerd bestreden dat sprake is van een kasverschil en van een onverklaarbare inkomsten.

Het beginsaldo.

Namens verdachte is aangevoerd dat het beginsaldo op 1 juli 2012 meer was dan de berekende € 60,00, aangezien verdachte in respectievelijk 2010 en 2011 een bedrag van respectievelijk € 42.190,00 en € 65.700,00 contant van haar rekening heeft opgenomen. Hiermee kan ook het op 8 december 2015 in de woning aangetroffen contante geldbedrag worden verklaard, aldus verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de verklaring van verdachte blijkt immers dat deze contant opgenomen geldbedragen volledig zijn besteed vóór 1 juli 2012. Verdachte heeft al tijdens haar eerste verhoor verklaard dat zij meer dan een ton overwaarde had uit de verkoop van haar eerdere huis en dat dit geld is gespendeerd aan de woning aan [straatnaam] .8

Ook heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris9 en bij de politie10 verklaard dat er in de woning geen groot contant geldbedrag aanwezig was.

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] voor het op 8 december 2015 in de woning contant aangetroffen geldbedrag leveren geen afdoende verklaring op voor de herkomst van het geld. [medeverdachte 1] verklaart immers dat de winst van de verkoop van het vorige huis in het nieuwe huis is gestopt, dat hij geen spaargeld of bezittingen heeft en dat de door hem gebruikte auto is betaald door verdachte.11

Later heeft hij verklaard dat het in beslag genomen geld zwart geld is12, waaruit de rechtbank evenmin kan afleiden dat het in beslag genomen geld afkomstig is van eerdere legale contante geldopnames van de bankrekening van verdachte.

De legale inkomsten.

Namens verdachte is ook aangevoerd dat bij de kasopstelling ten onrechte geen rekening is gehouden met de inkomsten uit het door [medeverdachte 2] gehuurde deel van de loods aan [straatnaam] .

De rechtbank passeert dit verweer. De verklaringen van verdachte en de medeverdachten over de huurprijs komen niet overeen; zo verklaarde [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] de huur à € 200,00 per maand contant voldeed13, terwijl [medeverdachte 2] daarvoor volgens verdachte ongeveer € 400,00 à € 500,00 per maand contant betaalde14. Ook later verklaart zij over € 500,00 per maand15. [medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat het ging om € 250,00 per maand.16 Daarbij komt dat voor de huurpenningen geen kwitantie is gegeven, zodat niet is onderbouwd dat deze huur werkelijk is betaald. Tevens gaat de verdediging ervan uit dat [medeverdachte 2] gedurende de gehele ten laste gelegde periode huurpenningen contant heeft betaald, maar de duur van die huurovereenkomst wordt niet gestaafd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat in het zogenoemde kantoor dat [medeverdachte 2] huurde, meer dan 25 kilo hennep en/of hasj is aangetroffen alsmede verpakkingsmateriaal met de naam van coffeeshop [naam bedrijf] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij als enige belast was met de inkoop van softdrugs ten behoeve van [naam bedrijf] . De rechtbank leidt hieruit af dat het deel van de loods dat door [medeverdachte 2] gehuurd zou zijn, feitelijk werd gebruikt voor bedrijfsactiviteiten van de coffeeshop [naam bedrijf] . Het gebruik van een afgesloten kantoor is dan voor de hand liggend, omdat het veiliger is dat een dergelijke grote hoeveelheid softdrugs niet zichtbaar is voor derden. Voorts blijkt dat het kantoor slechts toegankelijk is door het deel van de loods dat door [naam bedrijf] wordt gehuurd voor een bedrag van € 1.500,00 per maand en dat deze huur maandelijks per bankoverschrijving werd voldaan. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat het door [naam bedrijf] gehuurde deel van de loods tevens het kantoor omvatte. Het is niet aannemelijk dat [medeverdachte 2] , los daarvan, contant huur heeft betaald voor uitsluitend het kantoor.

Voorts is namens de verdachte aangevoerd dat bij de kasopstelling ten onrechte geen rekening is gehouden met contante inkomsten uit de ambulante handel door [medeverdachte 1] en uit de verkoop van de kleding door verdachte op markten. De rechtbank verwerpt die stelling, omdat die handel en deze inkomsten niet zijn onderbouwd. De enkele stelling dat er meer legale inkomsten zijn geweest, is onvoldoende.

Ten slotte is aangevoerd dat bij de kasopstelling ten onrechte geen rekening is gehouden met inkomsten uit de verkoop van kosteloos gekregen stenen. De rechtbank acht ook dit verweer onaannemelijk nu het onvoldoende is gestaafd. Het is niet aannemelijk dat een grote partij stenen met een gestelde waarde van meer dan veertigduizend euro is weggegeven. Het ter onderbouwing ingediende geschrift, opgesteld door een reeds bij de politie gehoorde getuige die daarvan toen geen melding heeft gemaakt, is niet verifieerbaar.

De uitgaven.

De verdediging heeft aangevoerd dat de onderhoudskosten voor voertuigen aanzienlijk lager zijn dan de politie heeft berekend. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de kosten voor levensonderhoud eveneens lager zijn dan de politie heeft begroot.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu in de berekening van de kosten voor voertuigonderhoud en levensonderhoud telkens is uitgegaan van hetgeen minimaal moet zijn uitgegeven. Zijdens de verdediging is onvoldoende onderbouwd dat die kosten veel lager waren.

Medeplegen.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een financiële eenheid van verdachte en [medeverdachte 1] . Zij wonen samen, voeren een gemeenschappelijke huishouding en delen hun financiën, zoals blijkt uit hun eigen verklaringen17 en uit het daarover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen18. De verklaringen van verdachten dat zij (min of meer) gescheiden leven acht de rechtbank in het licht van die bevindingen niet aannemelijk.

Namens de verdediging is aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, aangezien verdachte niets wist van het in de woning aangetroffen geldbedrag van € 83.790,00, dat geldt als eindsaldo in de kasopstelling.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt immers dat verdachte inkomen geniet, maar dat [medeverdachte 1] vanaf 2011 geen inkomen heeft gehad. Ook blijkt dat diverse verzekeringen ten behoeve van [medeverdachte 1] worden betaald van de bankrekening van verdachte. Een factuur van [bedrijf 1] , gericht aan [medeverdachte 1] , is betaald uit het bouwdepot van verdachte. Voorts blijkt dat [medeverdachte 1] de aan- en verkoop regelde van auto’s die op naam van verdachte stonden. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 1] in een periode van bijna drie-en-een-half jaar € 169.800,83 (ofwel ruim € 4.000,00 per maand) aan onverklaard contant geld uitgegeven. Door geen vragen te stellen over de herkomst van dat beschikbare geld, wetende dat [medeverdachte 1] geen inkomen genoot en een legale herkomst van dat geld niet voor de hand lag, heeft verdachte willens en wetens de kans aanvaard dat het niet verantwoorde geld van misdrijf afkomstig was. De stelling van verdachte dat zij niets wist van het aangetroffen contante geld kan niet tot een ander oordeel leiden.

De conclusie.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte voor de herkomst van het geld en de berekening van de uitgaven geen concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor het negatieve kasverschil van € 169.800,83. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 169.800,83 middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist. De rechtbank merkt daarbij op dat dat misdrijf niet per definitie door verdachte of [medeverdachte 1] zelf hoeft te zijn gepleegd.

Nu noch verdachte, noch [medeverdachte 1] concreet stelt of onderbouwt dat dit geldbedrag afkomstig is van door verdachte zelf gepleegde feiten, is de door de verdediging opgeworpen stelling dat geen sprake was van ‘verhullen’ niet relevant en behoeft deze geen nadere bespreking.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] , gezien de lange pleegperiode, zich schuldig hebben gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen, overeenkomstig de na te noemen bewezenverklaring.

Feit 2.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring is vereist dat de geldbedragen van in totaal ongeveer € 60.000,00 afkomstig waren uit enig misdrijf. Het gaat om maandelijkse betalingen vanaf 1 juli 2012 van € 1.500,00 per bankoverschrijving, betaald door coffeeshop [naam bedrijf] aan verdachte als huur voor een deel van de voornoemde loods. Er is geen direct bewijs dat deze door [naam bedrijf] overgemaakte geldbedragen à € 1.500,00 per maand uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Zoals hiervoor is overwogen, kan blijkens bestendige jurisprudentie het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ desondanks worden bewezen, indien het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs te leveren van zulke feiten en omstandigheden. Indien die feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag van verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verwacht omtrent de herkomst.

De officier van justitie heeft gewezen op hetgeen door de politie is geverbaliseerd, te weten dat sprake is van een schijnconstructie ten aanzien van de huurovereenkomst, aangezien er een discrepantie is tussen de feitelijke wil van partijen en de extern zichtbare gedragingen. Achter de schijnconstructie van de huurovereenkomst ligt kennelijk een andere overeenkomst dan wel ander samenstel van afspraken. Daarbij is gewezen op: a) het moment waarop de huur voor het eerst aan verdachte is voldaan, b) de niet-marktconforme huurprijs, c) dat het gebruik van de loods niet in overeenstemming is met de huurovereenkomst, d) de boekhouding en jaarresultaten van [naam bedrijf] en e) de afwezigheid van een geldige (schriftelijke) huurovereenkomst. Uit deze schijnconstructie volgt volgens de officier van justitie dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het begin van de huurovereenkomst.

Op 21 mei 2012 is door [naam bedrijf] voor de laatste maal loon ter hoogte van € 1.200,00 overgemaakt aan verdachte. Op 20 juni 2012 heeft [naam bedrijf] voor het eerst een bedrag van € 1.500,00 overgemaakt aan verdachte in verband met de huur van de loods.19

De eerste ontvangst van de huur door verdachte in de maand juni 2012 is niet zonder meer een indicatie van een schijnconstructie. De rechtbank overweegt dat verdachte voor het verkrijgen van de hypotheek op woning en loods twee inkomstenbronnen heeft zijn aangevoerd.20 De huurinkomsten voor de loods overstijgen de arbeidsinkomsten uit loon van [naam bedrijf] . Het was derhalve niet meer vereist om voor [naam bedrijf] arbeid te verrichten om voldoende inkomsten te genereren om de hypotheek te voldoen.

Voorts is door de officier van justitie aangevoerd dat de huur voor het eerst is ontvangen op een moment waarop de loods niet afgebouwd was, maar uit het dossier blijkt echter dat de loods, hoewel nog niet volledig afgewerkt, reeds op 8 februari 2011 in gebruik was.21

De huurprijs.

In het dossier22 is geverbaliseerd dat volgens Fundainbusiness.nl de gemiddelde huurprijs voor dergelijke loodsen € 44,90 per m² per jaar bedraagt. Volgens vastgoedmakelaar [bedrijf 3] bedraagt de huurprijs € 20,00 tot € 35,00 per m² per jaar voor een bedrijfsruimte in de regio Leeuwarden. Uit deze gegevens over gemiddelde huurprijzen blijkt echter niet of dit de kale huurprijs betreft, dan wel de huurprijs inclusief nutskosten.

Voorts is de politie bij de berekening van de huurprijs van de loods ervan uitgegaan dat de totale afmeting van de loods 281 m² bedraagt.23 Uit het dossier24 blijkt echter dat de loods vermoedelijk een minimale oppervlakte heeft van 300 m², aangezien het bestemmingsplan dat eist. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de oppervlakte minimaal 300 m² bedraagt.

De verdediging heeft aangevoerd dat de huurprijs mede gas, water, elektra en beveiliging omvatte. Voorts werd volgens de verdediging de totale oppervlakte van de loods door [naam bedrijf] gehuurd, aangezien [naam bedrijf] ook de etagevloer huurde, gelegen boven het bij verdachte en [medeverdachte 1] in gebruik zijnde deel van de loods. De rechtbank acht dit niet onwaarschijnlijk, omdat dit ook volgt uit de eerste verklaringen van verdachte25 en [medeverdachte 1]26. Enkel de ruimte in gebruik bij verdachte, te weten het kledinghok, dient in mindering gebracht te worden op de totale gehuurde oppervlakte. De oppervlakte van deze ruimte is echter niet bekend, zodat geen berekening kan volgen, hetgeen niet ten nadele van verdachte mag komen. De rechtbank concludeert hieruit dat [naam bedrijf] de beschikking had over vrijwel de gehele oppervlakte van de loods, te weten bijna 300 m².

Uitgaande van het betaalde huurbedrag van € 18.000,00 per jaar voor ongeveer 300 m² bedraagt de feitelijke huurprijs € 60,00 per m² per jaar. Dit is meer dan verbalisanten op basis van Fundainbusiness.nl als gemiddelde huurprijs hebben berekend, maar er is in casu sprake van gebruik inclusief nutsvoorzieningen en beveiliging van de loods met omliggend terrein. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank onvoldoende gestaafd dat de door [naam bedrijf] betaalde huurprijs buitenproportioneel is.

Het gebruik van de loods.

Uit het proces-verbaal van doorzoeking blijkt dat eenvoudig toegang verkregen kon worden tot het door [naam bedrijf] gehuurde deel van de loods vanuit het bij verdachte en [medeverdachte 1] in gebruik zijnde deel. Tevens bevindt zich in het door [naam bedrijf] gehuurde deel van de loods het reeds genoemde kledinghok, in gebruik bij verdachte. De rechtbank acht het feit dat de door [naam bedrijf] voor zakelijk gebruik gehuurde ruimte ook toegankelijk was voor anderen, niet zonder meer een aanwijzing dat feitelijk geen sprake was van een huurovereenkomst. Aan het feit dat de eigenaar en haar partner in het bezit waren van sleutels van het verhuurde deel van hun eigen loods, kan evenmin betekenis worden toegekend met betrekking tot de vraag of al dan niet sprake was van verhuur.

Het gebruik van de door [naam bedrijf] gehuurde loods voor opslag van goederen van derden -die in de veronderstelling verkeerden dat zij de opslag in gebruik kregen van verdachte en haar partner [medeverdachte 1] - is verklaarbaar, aangezien verdachte en [medeverdachte 1] naast de loods woonden en verdachte eigenaar van de loods was. De rechtbank acht het, zoals hiervoor is gesteld, aannemelijk dat met name het ‘kantoortje’ bedrijfsmatig door [naam bedrijf] werd gebruikt.27 De rest van het door haar gehuurde deel van de loods werd door [naam bedrijf] kennelijk slechts gebruikt voor opslag en voor stalling van vervoermiddelen van de zonen van medeverdachten [medeverdachte 3] (eigenaar van [naam bedrijf] ) en [medeverdachte 2] . Dit laatste roept, mede gelet op de maandelijkse kosten, vragen op, maar dat kan worden verklaard doordat aannemelijk is te achten dat het kantoortje waar de bedrijfsmatige activiteiten voor [naam bedrijf] plaatsvonden, binnen de huurovereenkomst viel.

De boekhouding van [naam bedrijf] .

Administratiekantoor [bedrijf 2] heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat in de ten laste gelegde periode vanaf de rekening van [naam bedrijf] maandelijkse betalingen aan verdachte werden verricht onder de omschrijving ‘4110 Huur overig’. Uit die boekhouding is niet af te leiden dat deze transparante huurbetalingen zijn gedaan van geld dat van misdrijven afkomstig is. Voorts heeft, aldus de officier van justitie, het bedrijfsresultaat van [naam bedrijf] zich in de periode van 2011 tot en met 2014 ontwikkeld van winst naar verlies, terwijl het loon van [medeverdachte 3] , enig aandeelhouder van [naam bedrijf] , in die periode meer dan verdubbeld is.28 Zonder nadere gegevens kan de rechtbank echter niet concluderen of en waarom hieruit volgt dat de betaalde huur uit misdrijf afkomstig is.

De geldigheid van de huurovereenkomst.

Anders dan geverbaliseerd is het aangaan van een huurovereenkomst vormvrij, hetgeen betekent dat voor de geldigheid van een huurovereenkomst civielrechtelijk niet vereist is dat de huurovereenkomst op schrift is gesteld. Dat [naam bedrijf] nog twee andere panden huurde en dat daarvoor wel schriftelijke huurovereenkomsten zijn opgesteld, doet daar niet aan af.

De conclusie.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat de betaalde huurbedragen van in totaal € 60.000,00 van misdrijf afkomstig zijn dan wel dat het, op grond van door de officier van justitie aangevoerde feiten en omstandigheden, niet anders kan zijn dan dat deze huurbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onwaarschijnlijk te achten dat de huurbetalingen zijn voldaan uit legale verdiensten van [naam bedrijf] . Nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal de rechtbank verdachte van het ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 3.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Zij zal verdachte dus vrijspreken van feit 3.

Feit 4.

Het aantreffen van hennep en hasjiesj.

Op 8 december 2015 is de loods op de locatie [straatnaam] te [pleegplaats] doorzocht. Hierin bevond zich een afgetimmerd ‘kantoortje’ met een deur en ramen. Hier is, onder meer in een kluis, een hoeveelheid hennep en hasjiesj aangetroffen29 en in beslag genomen30.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat alles wat in het kantoor is aangetroffen aan hem toebehoort, waaronder de henneptoppen, hennepgruis, hasj en joints. Hij leverde deze softdrugs aan een coffeeshop.31

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de politie bij het wegen van de aangetroffen hennep en hasjiesj geen rekening heeft gehouden met het gewicht van verpakkingsmaterialen. Voorts blijkt uit het dossier dat een joint 0,3 gram hennep bevat en dat hennepmix 1/3e deel hennep bevat en 2/3e deel tabak.32 Hiervan uitgaande komt de rechtbank tot een hoeveelheid van 26.218 gram hennep en 3.063 gram hasjiesj. De rechtbank concludeert dat die hoeveelheid een ‘grote hoeveelheid van een middel’ is, zoals bedoeld in de artikelen 11, vijfde lid, van de Opiumwet en 1, lid 2, van het Opiumwetbesluit.

Het voorhanden hebben van een ruimte.

Hiervoor onder feit 2 heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat een deel van de loods, inclusief kantoor, is gehuurd door [naam bedrijf] . Op 20 juni 2012 heeft [naam bedrijf] voor het eerst een bedrag van € 1.500,00 overgemaakt naar verdachte in verband met de huur van de loods. Deze betalingen duurden voort tot 8 december 2015.33 Hieruit volgt dat verdachte een ruimte voorhanden heeft gehad en deze aan [naam bedrijf] ter beschikking heeft gesteld.

In het verlengde van hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de loods geschaard kan worden onder het bestanddeel ‘ruimten’ in de zin van artikel 11a Opiumwet. De wet behelst een ruimere strafbaarstelling, in die zin dat naast handelingen met betrekking tot ‘stoffen en voorwerpen’ ook het voorhanden hebben van ruimten strafbaar kan zijn.

Wetenschap.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die ruimte bestemd was tot het plegen van in artikel 11 lid 5 juncto lid 2 juncto artikel 3 onder B en C van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Zoals is overwogen inzake de rechtmatigheid van de doorzoeking, blijkt uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] dat hij op 30 mei 2015 een duidelijk henneplucht rook in het door [naam bedrijf] gehuurde gedeelte van de loods.34 Ook uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking van de loods blijkt dat verbalisanten vóór het kantoor een sterke hennepgeur roken.35 Voorts stond ten tijde van de doorzoeking buiten het kantoor, naast de toegangsdeur van het kantoor, een doos met verpakkingsmaterialen waar zogenaamde ‘cones’ in hebben gezeten om joints te maken. Op de zolder van het kantoor stond een doos met tabak en een doos met zogenoemde ‘strijkzakken’, waarin hennep wordt geseald.36

Verdachte heeft verklaard dat zij gebruik maakt van het kledinghok direct naast het kantoor. Verder weet zij dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een coffeeshop hebben.37

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de loods heeft verhuurd aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]38 en dat de coffeeshop een legaal bedrijf is, dat ook moet worden bevoorraad.39

De conclusie.

Gelet op deze bewijsmiddelen is de rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] wisten dat de ruimte bestemd was voor het bereiden, bewerken, verwerken en aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde op de wijze die hierna blijkt uit de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015 te [pleegplaats] , gemeente Menameradiel, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte 1]

- in totaal 169.800,83 euro,

zijnde de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling (over de periode 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015, blz. 1207) met betrekking tot het onverklaarbare verschil tussen de totale uitgaven en legale inkomsten van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte 1] ,

verworven, voorhanden gehad, terwijl zij, verdachte en haar medeverdachte, wisten dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

zij op 08 december 2015 te [pleegplaats] , gemeente Menameradiel, tezamen en in vereniging met een ander, een ruimte, te weten een deel van een loods aan:

- [straatnaam]

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en bewerken en verwerken en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, voorhanden heeft, waarvan zij en haar mededader wist dat die ruimte bestemd was tot, althans gebruikt werd voor het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair. Medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

4. Medeplegen van ruimten voorhanden hebben, waarvan zij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, strafbaar gestelde feiten.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair eerste cumulatief/alternatief, 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief, 2 eerste cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is, aangezien de pleegdatum in het bevel tot inverzekeringstelling fout is. Dit vormverzuim dient te leidt tot strafvermindering. Voorts heeft de raadsman bepleit mede rekening te houden met de impact van de aanhouding op het leven van verdachte en de sluiting van de loods door de burgemeester.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De verdachte heeft met haar partner gedurende een periode van meer dan drie-en-een-half jaar een gewoonte gemaakt van het witwassen van geld tot een bedrag van in totaal

€ 169.800,83. Hierdoor heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door witwassen wordt bovendien het plegen van strafbare feiten gefaciliteerd en lonend. De verdachte heeft zich hierbij kennelijk laten leiden door het oogmerk van snel en eenvoudig financieel gewin ten koste van anderen. Daarbij is niet gebleken dat zij de ernst en de laakbaarheid van dit handelen heeft ingezien.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. Zij heeft immers met haar partner een loods verhuurd aan een coffeeshop, onder meer voor bedrijfsmatige activiteiten gericht op de verkoop van hennepproducten. Hennep bevat de voor de volksgezondheid gevaarlijke stof THC en is daarom strafbaar gesteld en door de wetgever geplaatst op lijst II van de Opiumwet.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de inverzekeringstelling rechtmatig is geschied. Uit artikel 59 Sv blijkt dat het bevel tot inverzekeringstelling een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van het strafbare feit, de grond en de omstandigheden die hebben geleid tot het aannemen van die grond moet bevatten. Uit het bevel tot inverzekeringstelling blijkt de verdenking ‘middelen van lijst II bereiden, be- of verwerken, verkopen etc., strafbaar gesteld bij artikel 3 onder B Opiumwet, gepleegd te [pleegplaats] op 14 juli 2015’. De rechtbank acht deze datum een kennelijke verschrijving. Uit de wet volgt bovendien niet dat een exacte datum genoemd moet worden, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

De rechtbank acht een vrijheidsstraf noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden. De rechtbank zal evenwel geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen, aangezien verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een soortgelijk strafbaar feit en bovendien sprake is van een (geringe) overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 van het EVRM. De termijn heeft een aanvang genomen vanaf de ‘criminal charge’, te weten de inverzekeringstelling op 8 december 2015, en eindigt immers op de datum van uitspraak op 16 januari 2018. Daarnaast dient de voorwaardelijke vrijheidsstraf ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. De rechtbank is voorts van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf, gelet op de lange periode waarin sprake was van witwassen. De rechtbank zal daarom ook een taakstraf opleggen.

Inbeslaggenomen goederen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen BMW (kenteken [nummer] ), quad (kenteken [nummer] ), het geldbedrag van € 83.790,00 en het vuurwerk. De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen teruggave aan verdachte van een nog niet teruggegeven in beslag genomen telefoon.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden van een standpunt omtrent de in beslag genomen goederen.

Het oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij een oude telefoon nog niet heeft teruggekregen. De rechtbank kan geen beslissing nemen omtrent dit voorwerp, nu meerdere telefoons in beslag zijn genomen en de rechtbank niet kan vaststellen om welke telefoon het gaat. Uit het dossier (pagina’s 232 e.v.) blijkt immers dat omtrent alle telefoons is beslist dat deze teruggegeven kunnen worden aan verdachte of aan [naam 1] .

De verdachte heeft voorts verklaard dat het vuurwerk van haar dochter [naam 1] in beslag genomen is, maar nog niet is teruggegeven. De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een tas met een doosje met vuurwerk (645779), moet worden teruggegeven nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Voorts blijkt uit het dossier dat er conservatoir beslag rust op geld en voorwerpen met een totale waarde van € 151.990,00, te weten:

- een BMW (kenteken [nummer] ) ter waarde van € 19.500,00

- een Fiat 500 (kenteken [nummer] ) ter waarde van € 5.200,00

- een quad (kenteken [nummer] ) ter waarde van € 4.500,00

- de overwaarde op de grond en opstal behorende bij [straatnaam] te [pleegplaats] ter waarde van € 39.000,00

- een contant geldbedrag van € 83.790,00.

De rechtbank stelt allereerst vast dat blijkens vaste jurisprudentie40conservatoir beslag ex artikel 94a Sv. er niet aan in de weg staat dat een voorwerp verbeurd wordt verklaard.

De rechtbank acht het in beslag genomen contante geldbedrag van € 83.790,00 vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit contant aangetroffen geldbedrag in de woning van verdachte onderdeel uitmaakt van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, te weten witwassen, en dit geldbedrag toebehoort aan verdachte.

Uit het dossier41 blijkt dat zowel de Fiat 500 (kenteken [nummer] )42 als de quad (kenteken [nummer] )43 in de periode van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, te weten witwassen, met contant geld zijn aangekocht door verdachte en deze voorwerpen tevens aan haar toebehoren. De rechtbank zal deze voorwerpen, dan wel de totale waarde van € 9.700,00 van deze voorwerpen, eveneens verbeurdverklaren.

Uit het dossier44 blijkt dat de BMW (kenteken [nummer] ) is ingeruild tegen een Mercedes (kenteken [nummer] ) en verdachte het verschil van € 5.000,00 per bank heeft betaald. Niet blijkt of de aankoop van de Mercedes is betaald met contant geld, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of de BMW (kenteken [nummer] ) is aangekocht met contant geld van illegale herkomst. Ten aanzien van de BMW ziet de rechtbank daarom geen aanleiding tot verbeurdverklaring.

De rechtbank ziet ook geen termen om over te gaan tot verbeurdverklaring van de overwaarde van de woning met loods.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 eerste cumulatief/alternatief, 2 tweede cumulatief/alternatief en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 200 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen goederen, te weten:

- een Fiat 500 (gekentekend [nummer] ) ter waarde van € 5.200,00

- een quad (gekentekend [nummer] ) ter waarde van € 4.500,00

- een contant geldbedrag van € 83.790,00.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven tas met een doosje met vuurwerk (645779).

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 januari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015203624, doorgenummerd 1 tot en met 1924, gesloten op 26 september 2016.

2 Pagina’s 473 en 474.

3 Pagina 312.

4 Pagina’s 308 en 309.

5 Pagina’s 405 en 406.

6 Pagina 311.

7 Pagina’s 1207 e.v..

8 Pagina’s 1765, 1790 en 1791.

9 Pagina 473.

10 Pagina’s 1768 en 1769.

11 Pagina 1726.

12 Pagina 1742.

13 Pagina 1734.

14 Pagina 1766.

15 Pagina 1776.

16 Pagina 1800.

17 Verdachte op pagina 1764 en [medeverdachte 1] op pagina’s 1721 en 1722.

18 Pagina’s 1091 e.v.

19 Pagina 765 e.v.

20 Pagina’s 615 e.v. en 697 e.v.

21 Pagina 618.

22 Pagina’s 342 en 343.

23 Pagina 342.

24 Pagina’s 637 en 648.

25 Pagina 1766.

26 Pagina 1723.

27 Pagina 450.

28 Pagina 766 e.v.

29 Pagina’s 440, 443 en 444.

30 Pagina’s 217 tot en met 224.

31 Pagina’s 1800 en 1801.

32 Pagina 493.

33 Pagina’s 765 en 775 tot en met 806.

34 Pagina’s 308 en 309.

35 Pagina 441.

36 Pagina 445.

37 Pagina’s 1766 en 1767.

38 Pagina 1732.

39 Pagina 1723.

40 Zie ook Hoge Raad 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:116.

41 Pagina’s 314, 315 en 575.

42 Pagina 1834.

43 Pagina 1842.

44 Pagina’s 575 en 576.