Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5388

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
C/18/184771 / HA RK 18-86
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoeker is door een verkeersongeval in coma geraakt. Het ongeval vond plaats toen verzoeker, die veel te hard reed in zijn auto binnen de bebouwde kom, aan het inhalen was en verweerder 1 (die eveneens in een auto reed en ingehaald werd) linksaf sloeg. Verweerders zijn aansprakelijk nu verweerder 1 in strijd gehandeld heeft met artikel 18, lid 1 RVV. In verband met eigen schuld van verzoeker zijn verweerders voor 25% aansprakelijk voor de schade. Er wordt geen billijkheidscorrectie ex artikel 6:101, lid1 BW toegepast. Aan verzoeker is een voorschot toegekend van € 25.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0055
JA 2019/41
VR 2019/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/184771 / HA RK 18-86

Beschikking van 30 november 2018 in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. J.J. van der Molen te Groningen,

tegen

1 [naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de naamloze vennootschap ALLIANZ BENELUX N.V.,

tevens h.o.d.n. LONDON VERZEKERINGEN,

gevestigd te Rotterdam,

verweerders,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen worden hierna [verzoeker] , [verweerder sub 1] en Allianz genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling op 8 oktober 2018.

2 De feiten

2.1.

Op 16 april 2017 (omstreeks 18.10 uur) reden [verweerder sub 1] , bestuurder van een Volkswagen, en [verzoeker] , bestuurder van een Mazda, vanaf de dorpskern van Zuidlaren over de Annerweg richting de wijk Zuides. Op het moment dat [verzoeker] de door [verweerder sub 1] bestuurde auto inhaalde, stuurde [verweerder sub 1] de auto naar links om de Oude Dijk in te slaan waar [verweerder sub 1] woonachtig is. De voertuigen raakten elkaar, waarna [verzoeker] de macht over het stuur is kwijt geraakt en de door hem bestuurde Mazda na een slip tegen een boom is beland.

2.2.

Als gevolg van het ongeval heeft [verzoeker] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Sinds het ongeval verkeert [verzoeker] in coma. Thans wordt hij verpleegd in een verpleegtehuis in Emmen.

2.3.

De Annerweg en de Oude Dijk zijn wegen gelegen binnen de bebouwde kom van Zuidlaren (gemeente Tynaarlo). De Annerweg is 5,7 meter breed en gelegen langs een woonwijk. Deze woonwijk is vanaf de Annerweg te bereiken via verschillende zijstraten. Eén van deze zijstraten, komend vanaf de dorpskern van Zuidlaren aan de linkerzijde, is de Oude Dijk waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/h. Op de Annerweg geldt een maximumsnelheid van 50 km/h. Op het wegdek van de Annerweg is geen belijning aangebracht. Voorbij de afslag naar de Oude Dijk gaat de Annerweg over in de Hogeweg. Parallel langs de Annerweg en de in het verlengde ervan gelegen Hogeweg is, komend vanaf de dorpskern van Zuidlaren aan de linkerzijde, een fietspad en een trottoir gelegen. Tussen het fietspad en de Annerweg/Hogeweg is een groenstrook aanwezig. Bij de aansluiting van de Annerweg/Hogeweg op de Oude Dijk is een (lichte) verhoging in de vorm van oprijbanden aangebracht. De zijstraat/Oude Dijk moet derhalve als een uitrit worden aangemerkt. Circa 100 meter voor de afslag naar de Oude Dijk bevindt zich een voetgangersoversteekplaats op de Annerweg.

2.4.

Op het aanrijdingsformulier is door [verweerder sub 1] op 18 april 2017 het volgende vermeld:

"Ik wilde de Oude Dijk indraaien, de straat waar ik woon. Alvorens af te slaan heb ik in de binnen- en buitenspiegels (gekeken, toevoeging rechtbank) en zag geen verkeer. Toen ik de manoeuvre wilde inzetten kwam er een auto op hoge snelheid langs die schampte mijn linker voorzijde en deze verloor de macht over het stuur."

2.5.

In het proces-verbaal van verhoor van [verweerder sub 1] d.d. 14 oktober 2017 opgemaakt door een verbalisant van de politie Noord-Nederland is de volgende verklaring van [verweerder sub 1] opgenomen:

"Ik reed vanuit het centrum in de richting van de Oude Dijk, over de Hogeweg. Ter hoogte van de T-kruising Hogeweg/Oude Dijk wilde ik links afslaan richting mijn huis. Ik woon namelijk aan de [adres] te [woonplaats] . Ik heb toen ik wilde afslaan tijdig en duidelijk richting aangegeven naar links. Toen ik in mijn achteruitkijkspiegel keek zag ik dat er op enige afstand een auto achter mij aan kwam. Volgens mij kon ik rustig links afslaan. Toen ik wilde afslaan en net mijn stuur naar links had gedraaid, zag ik opeens dat er een auto naast mij zat. Ik was toen nog maar net aan het afslaan en ben direct gestopt. Ik kon echter niet meer voorkomen dat ik nog net met de linker voorzijde van mijn auto tegen de rechter zijde van de auto botste. (…) Ik had het gevoel dat de auto die mij inhaalde veel te hard reed. Ik vind dat ik niet verantwoordelijk ben voor deze aanrijding."

2.6.

De verkeersongevallen analysedienst (hierna VOA) van de politie Noord-Nederland heeft een onderzoek ingesteld. In haar rapport van 27 november 2017 heeft de VOA (voor zover hier van belang) als volgt gerapporteerd :

" 1.4 Conclusie/beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van beide bestuurders.

(…)

2.4

Proefnemingen

2.4.1

Bepalingen botspositie

Aan de hand van de schades en de aangetroffen sporen werd duidelijk hoe de voertuigen met elkaar in aanraking waren gekomen. De rechterzijde van de Mazda was in aanraking gekomen met de linker voorzijde van de Volkswagen.

(…)

2.4.3

Uitzicht spiegels

(…) Het spiegelglas in de linker buitenspiegel (van de Volkswagen, toevoeging rechtbank) was niet origineel, het zicht dat de bestuurder had in deze spiegel was voldoende om een - zich dicht links achter hem bevindend - voertuig hierin te kunnen zien.

(…)

4.1.2

Gereden snelheid Mazda

(…)

Door collega R. Hoetjer werd met behulp van het computerprogramma PC Crash een simulatie van het ongeval gemaakt. Hiermee werd het mogelijk om een uitspraak te doen over de gereden snelheid van de Mazda personenauto.

PC Crash (versie 11.0) van de firma Dr. Steffan Technik is een computerprogramma waarmee, afhankelijk van de beschikbare informatie over het ongeval, en op basis van natuurkundige wetten een uitspraak gedaan kan worden over botssnelheden en/of gereden snelheden van voertuigen. De uitkomsten van een computersimulatie uit PC-Crash dienen als indicatief te worden beschouwd.

(…)

Kort voor de botsing met de Volkswagen Golf heeft de bestuurder van de Mazda personenauto gereden met een snelheid van ten minste 65 km/h. Een zogenoemde meest best passende simulatie werd verkregen waarbij de snelheid van de Mazda personenauto werd gesteld op 71 km/h.

(…)

4.1.3

Verlichting/gloeilampen

(…)

Volkswagen

Ik zag dat de richtingaanwijzers van de Volkswagen goed functioneerden. Ik zag dat de schakelaar van deze richtingaanwijzer niet was ingeschakeld.

Bij nader onderzoek aan de gloeilampen van de richtingaanwijzers aan de linkerzijde van de Volkswagen zag verbalisant Veenstra het volgende:

Ik zag dat het gloeidraad van deze lampen niet vervormd was. Deze vervorming kan ontstaan wanneer een brandende lamp wordt blootgesteld aan een klap of stoot (ongeval). Tijdens de botsing verbuigt dan de gloeidraad onder invloed van massatraagheid.

Gelet op het vorenstaande kon niet worden geconcludeerd of de bestuurder van de Volkswagen ten tijde van het ongeval, naar links richting aan had gegeven middels de richtingaanwijzer.

Mazda

Wij zagen dat de richtingaanwijzers van de Mazda niet goed functioneerden. Wij zagen dat de schakelaar van deze richtingaanwijzer niet was ingeschakeld. Ten gevolge van de aanrijding was het elektrisch systeem zodanig vernield geraakt dat alle elektrische componenten niet meer in werking konden worden gesteld.

Bij nader onderzoek aan de gloeilampen van de richtingaanwijzers aan de linkerzijde van de Mazda, zagen wij, verbalisanten, het volgende:

Wij zagen dat het gloeidraad van deze lampen niet vervormd was. Deze vervorming kan ontstaan wanneer een brandende lamp wordt blootgesteld aan een klap of stoot (ongeval). Tijdens de botsing verbuigt dan de gloeidraad onder invloed van de massatraagheid.

Gelet op het vorenstaande kon niet worden geconcludeerd of de bestuurder van de Mazda ten tijde van het ongeval, naar links richting aan had gegeven middels de richtingaanwijzer.

(…)

5.2

Oorzaak, toedracht en gevolg

(…) Niet vastgesteld kon worden of de bestuurder van de Volkswagen voorgesorteerd had naar links."

2.7.

In opdracht van Allianz heeft E.G.J. Wisse, werkzaam bij Ongevallen Analyse Nederland (OAN) te Den Bosch, onderzoek gedaan naar (kort gezegd) de oorzaak van het ongeval en de relevante omstandigheden. In diens rapportage van 17 januari 2018 is onder meer het volgende gerapporteerd:

"6.1 Simulaties

Op basis van de hierboven omschreven uitgangspunten resulteert voor de (bots)snelheid van de Mazda een interval van minimaal 73 km/u en maximaal 93 km/u.

(…)

6.2.

Analyse op grond van de resultaten

(…) Uitgaande van de ondergrenssnelheid van 73 km/u voor de Mazda resulteert een onderlinge afstand tussen grofweg ongeveer 15 en 25 meter. Als wordt uitgegaan van de bovengrenssnelheid van 93 km/u resulteert een onderlinge afstand van grofweg ongeveer 25 tot 35 meter.

(…)

7 INTERPRETATIE EN CONCLUSIES

(…)

Op grond van het berekende snelheidsinterval is een analyse gemaakt met betrekking tot de invloed van de snelheid van de Mazda, in combinatie met de manoeuvre van de Volkswagen, op het ontstaan en het vervolg van de aanrijding. Hieruit blijkt dat in het meest gunstige scenario voor de Mazdabestuurder (scenario 1) de aanrijding bij 50 km/u door de Mazda, waarschijnlijk niet te voorkomen was geweest. Echter bij een snelheid van 50 km/u had de Mazda uiterlijk ongeveer 30 meter na de aanrijding tot stilstand kunnen komen. Aangezien de betreffende boom waartegen de Mazda uiteindelijk botste op ongeveer 53 meter na de plaats van aanrijding in de berm staat, was de botsing met de boom wel te voorkomen geweest. In het meest gunstige scenario voor de bestuurder van de Volkswagen (scenario 2) had de Mazda voor de plaats van de aanrijding tot stilstand kunnen worden gebracht."

2.8.

Namens [verzoeker] is door Baan Hofman Ongevallenanalyse te Hoogerheide op

23 februari 2018 een rapportage uitgebracht. In deze rapportage is onder meer het volgende opgenomen:

"5. CONCLUSIES

(…)

  • -

    De snelheid van de Mazda heeft gelegen tussen 77 en 83 km/h, terwijl de Volkswagen een snelheid van tussen 12 en 17 km/h had.

  • -

    De afslaande beweging van de Volkswagen heeft niet langer dan een seconde geduurd.

  • -

    De onderlinge afstand op een seconde voor de aanrijding bedroeg tussen 17,1 en 18,3 meter.

  • -

    de onderlinge afstand op twee seconden voor de aanrijding bedroeg tussen 32,2 en 36,6 meter."

3 Het verzoek

3.1.

Namens [verzoeker] is - zakelijk weergegeven - verzocht dat de rechtbank, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking:

  1. Voor recht verklaart dat [verweerder sub 1] en Allianz hoofdelijk, volledig aansprakelijk zijn, dan wel het percentage aansprakelijkheid vaststelt voor de door [verzoeker] geleden en nog in de toekomst te lijden schade;

  2. [verweerder sub 1] en Allianz hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 50.000,00 ten titel van voorschot in verband met smartengeld;

  3. De kosten van de procedure en het verrichte voorwerk vaststelt op € 14.598,68 en [verweerder sub 1] en Allianz hoofdelijk te veroordelen tot betaling ervan.

3.2.

[verweerder sub 1] en Allianz hebben verweer gevoerd. Voorts is een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan waarbij voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval verzocht wordt te bepalen dat sprake is van 100% eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] en geen plaats is voor de billijkheidscorrectie.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt in het hiernavolgende ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gelet op dit doel dient de rechtbank allereerst te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst nu, indien dat niet het geval is, het verzoek moet worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
In dit geval twisten partijen – kort gezegd – over de vraag of [verweerder sub 1] en Allianz aansprakelijk zijn voor de schade van [verzoeker] en indien sprake is van aansprakelijkheid 1) of er rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] 2) en/of de billijkheidscorrectie moet worden toegepast 3) en/of een voorschot moet worden toegekend. Met een oordeel over deze geschilpunten kán naar het oordeel van de rechtbank de thans ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. [verzoeker] is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

Aansprakelijkheid

4.2.

Namens [verzoeker] is gesteld dat [verweerder sub 1] en Allianz aansprakelijk zijn voor de schade die door [verzoeker] is geleden en in de toekomst nog zal lijden, omdat [verweerder sub 1] in strijd heeft gehandeld met artikel 18, lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) en artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) nu hij een aantal verkeersfouten heeft gemaakt. Deze fouten zijn: 1) hij heeft niet in de spiegel(s) gekeken voordat hij afsloeg, 2) hij heeft niet voorgesorteerd, 3) hij heeft geen richting aangegeven en 4) hij heeft in strijd met de verkeerswetgeving geen voorrang verleend. [verweerder sub 1] heeft onvoldoende geanticipeerd op de mogelijkheid dat auto's eventueel harder rijden dan is toegestaan. Overigens is ontkend dat [verzoeker] te hard heeft gereden. Voor zover te hard is gereden geldt dat rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de situatie ter plekke beleefd wordt als ware men buiten de bebouwde kom. Ter zitting is [verweerder sub 1] voorts nog verweten dat zijn buitenspiegel aan de linkerzijde niet de originele spiegel was.

4.3.

Door [verweerder sub 1] en Allianz is de aansprakelijkheid betwist. Er kan geen beroep worden gedaan op schending van artikel 18, lid 1 RVV en artikel 5 WVW. [verweerder sub 1] heeft wel degelijk de richting aangegeven en in zijn spiegels gekeken. Toen [verweerder sub 1] wilde afslaan reed [verzoeker] achter [verweerder sub 1] , en niet links achter hem. Het is onduidelijk waarop Boon Hofman baseert dat [verzoeker] al links reed toen [verweerder sub 1] in de spiegel keek. Dat het niet de originele spiegel was, is niet relevant, hij gaf prima zicht. Voorsorteren is op een weg als deze niet aan de orde. [verzoeker] reed toen [verweerder sub 1] in de spiegel keek nog zo ver achter hem dat hij als achterligger had moeten remmen. De afstand was dusdanig dat [verweerder sub 1] rustig kon afslaan, ware het niet dat [verzoeker] meer dan 30 km per uur harder reed dan ter plekke was toegestaan.

4.4.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aansprakelijkheid het volgende.

4.5.

In artikel 18, lid 1 RVV is het volgende bepaald:

Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.

4.6.

Gelet op de omstandigheid dat de Annerweg een vrij smalle weg is zonder middenstreep kan [verweerder sub 1] niet worden verweten dat hij niet heeft voorgesorteerd. Ook kan [verweerder sub 1] gelet op de in rechtsoverweging 2.8. weergegeven rapportage onder 2.4.3. niet worden verweten dat er geen originele linker buitenspiegel aanwezig was. Of [verweerder sub 1] voordat hij links afsloeg zijn richtingaanwijzer heeft gebruikt, zal de rechtbank in het midden laten. Er van uitgaande dat [verweerder sub 1] wel in zijn spiegel heeft gekeken en de auto van [verzoeker] daarin heeft gezien zoals hij thans verklaart en destijds ook tegenover de politie heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat hij de auto van [verzoeker] daarna onvoldoende in de gaten heeft gehouden. Daar was wel alle aanleiding toe, omdat [verweerder sub 1] zelf alvorens af te slaan vaart moet hebben verminderd terwijl een achterliggende auto normaliter in het zelfde tempo doorrijdt waardoor de afstand tussen beide auto's dan wordt verkleind. De rechtbank leidt de vaartvermindering door [verweerder sub 1] af nu hij immers bekend was met de situatie ter plekke en wist dat hij bij de afslag een drempel over moest die het aanmerkelijk langzamer rijden dan

50 km per uur noodzakelijk maakt. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de afstand tussen beide auto's op het moment dat [verweerder sub 1] spiegelde 15 tot 36,6 meter bedroeg (zie weergave rapportages in rechtsoverwegingen 2.9. en 2.10.). Of [verweerder sub 1] nu vlak voor het afslaan nog over zijn schouder heeft gekeken is niet duidelijk, echter [verweerder sub 1] had hoe dan ook moeten zien dat de auto inmiddels vlak achter hem aan de linkerkant reed. Dit klemt te meer nu gesteld noch gebleken is dat er verder verkeer was op de weg dat ook in de gaten moest worden gehouden. Dat de auto van [verzoeker] vlak voor het afslaan zich links dicht achter hem bevond, leidt de rechtbank af uit het feit dat de linker voorkant van de auto van [verweerder sub 1] de rechter zijkant heeft geraakt van de auto van [verzoeker] . Gelet op het voorgaande is sprake van handelen in strijd met artikel 18, lid 1 RVV door [verweerder sub 1] . [verweerder sub 1] , en daarmee ook Allianz, zijn derhalve aansprakelijk voor de onderhavige schade.

4.7.

Voor het geval [verweerder sub 1] niet in zijn spiegels zou hebben gekeken, en de auto van [verzoeker] niet zou hebben gezien, zoals verklaard op het aanrijdingsformulier, is de rechtbank eveneens van oordeel dat [verweerder sub 1] (en Allianz) aansprakelijk kan worden gehouden. Meest waarschijnlijk is dat [verzoeker] op het moment dat de manoeuvre door [verweerder sub 1] werd ingezet in de "dode hoek" zat. Om een aanrijding te voorkomen had [verweerder sub 1] eerst (beter) moeten spiegelen en/of over zijn schouder moeten kijken alvorens de afslaande beweging in te zetten.

Eigen schuld

4.8.

Partijen twisten voorts over de vraag of er sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van [verzoeker] .

4.9.

Namens [verzoeker] is gesteld dat hij niet te hard gereden heeft, en voor zover dat wel het geval mocht zijn geweest in aanmerking dient te worden genomen dat de Annerweg beleefd wordt als een weg buiten de bebouwde kom.

4.10.

[verweerder sub 1] en Allianz hebben aangevoerd dat de hoge snelheid waarmee [verzoeker] gereden heeft leidt tot een grote mate van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] . [verzoeker] had moeten zien dat [verweerder sub 1] links af wilde slaan, al was het alleen al door het feit dat [verweerder sub 1] vaart verminderde. [verweerder sub 1] en Allianz erkennen dat de gevolgen voor [verzoeker] bijzonder ernstig zijn. Echter bedacht dient te worden dat bij een lagere snelheid de gevolgen minder ernstig zouden zijn geweest.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat het weggedrag van [verzoeker] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeluk en de zeer ernstige gevolgen ervan. De rechtbank gaat er gelet op de drie rapportages die naar aanleiding van het ongeval zijn opgemaakt (zie rechtsoverwegingen 2.8., 2.9. en 2.10.), vanuit dat [verzoeker] op zijn minst 70 km per uur moet hebben gereden waar slechts 50 km per uur is toegestaan. Deze snelheidsovertreding is des te meer verwijtbaar nu de Annerweg binnen de bebouwde kom ligt, [verzoeker] een zijweg/uitrit naderde en de auto van [verweerder sub 1] , die voor hem reed, (veel) langzamer moet hebben gereden. Immers zoals hiervoor reeds is overwogen moet [verweerder sub 1] vaart hebben verminderd, omdat hij wist dat hij bij het afslaan drempels over moest. Dat [verweerder sub 1] geen richting zou hebben aangegeven is niet komen vast te staan. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het percentage eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] moet worden vastgesteld op 75%.

Billijkheidscorrectie

4.12.

Namens [verzoeker] is het standpunt ingenomen dat indien er sprake is van eigen schuld, in verband met het ernstige letsel op grond van de billijkheidscorrectie toch door [verweerder sub 1] en Allianz 100% van de schade moet worden uitgekeerd.

4.13.

[verweerder sub 1] en Allianz hebben betwist dat toepassing gegeven moet worden aan de correctie op grond van billijkheid, nu [verzoeker] heeft gehandeld met gevaar voor zichzelf en voor anderen. Indien er niet gehandeld zou zijn met gevaar voor anderen zou gelet op de ernst van het letsel de billijkheidscorrectie begrijpelijk zijn. Daarvan is echter geen sprake.

4.14.

De rechtbank overweegt het volgende. Nadat de door art. 6:101 lid 1 BW vereiste causaliteitsafweging is gemaakt, kan de in voornoemd artikel opgenomen billijkheidscorrectie aan de orde komen. Bij de beantwoording van de vraag of de billijkheid — gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken — een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de rechtbank kan de ernst van het letsel, hoewel dit zonder meer als zeer ernstig kan worden aangemerkt, in het onderhavige geval niet leiden tot de verzochte correctie. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit ernstige letsel nu juist het gevolg is geweest van het veel te hard rijden door [verzoeker] . Indien deze forse overschrijding van de snelheidslimiet niet had plaats gevonden zou het letsel hoogstwaarschijnlijk veel minder zijn geweest omdat hij bij de maximum snelheid eerder tot stilstand had kunnen komen en de boom niet zou hebben bereikt. De rechtbank verwijst in deze naar de rapportage van het AON onder "7. interpretatie en conclusies".

4.15.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verweerder sub 1] en Allianz hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 25% van de schade die [verzoeker] heeft geleden, dan wel nog zal lijden.

Voorschot

4.16.

Namens [verzoeker] is gevorderd [verweerder sub 1] en Allianz, ieder hoofdelijk, te veroordelen tot vergoeding van een redelijk voorschot (€ 50.000,00) op de geleden en nog te lijden letselschade. In dit kader is verwezen naar een arrest van het Hof Den Haag van 8 maart 2018 waarbij in een strafzaak een recordbedrag aan smartengeld is toegewezen van

€ 250.000,00.

4.17.

Door [verweerder sub 1] en Allianz is aangevoerd dat het voorschot moet worden afgewezen, omdat zij niet aansprakelijk gehouden kunnen worden. Voor het geval de aansprakelijkheid komt vast te staan is onder verwijzing naar de eigen schuld van [verzoeker] en het feit dat er geen plaats is voor de billijkheidscorrectie eveneens tot afwijzing geconcludeerd.

4.18.

De rechtbank stelt vast dat nu er sprake is van de aansprakelijkheid van [verweerder sub 1] en Allianz voor 25% van de geleden en nog te lijden schade een veroordeling van betaling van een voorschot in beginsel gerechtvaardigd is. Het debat over de hoogte van het smartengeld is tussen partijen nog onvoldoende gevoerd. Namens [verzoeker] is slechts verwezen naar één uitspraak waarvan aangegeven is dat dit een "recordbedrag" is en waarvan het de vraag is of deze uitspraak maatgevend is. Daarbij komt dat met betrekking tot het letsel nog geen medische stukken zijn verstrekt aan Allianz noch de rechtbank. Uitgaande van voornoemde 25% acht de rechtbank in dit stadium een voorschot ter hoogte van € 25.000,00 gerechtvaardigd. Dit bedrag zal worden toegewezen.

Kosten

4.19.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa, lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet (grotendeels) wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.20.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 14.598,68 inclusief de kosten van het bureau Baan Hofman, de kantoorkosten van de advocaat van [verzoeker] en BTW over dit alles, te vermeerderen met het griffierecht ad € 895,00.

[verweerder sub 1] en Allianz hebben niet betwist dat ook indien sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] de onderhavige kosten tot op heden volledig voor vergoeding in aanmerking komen. Voorts is de hoogte van de gestelde buitengerechtelijke kosten niet betwist.

De rechtbank zal nu de kosten voldoen aan de wettelijke criteria de kosten als niet weersproken vaststellen op € 14.598,68, te vermeerderen met het griffierecht ad € 895,00.

4.21.

[verweerder sub 1] en Allianz zullen ieder hoofdelijk tot betaling van voornoemde bedragen aan [verzoeker] worden veroordeeld.

4.22.

Beslist wordt als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

Verklaart voor recht dat [verweerder sub 1] en Allianz hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, voor 25% aansprakelijk zijn voor de door [verzoeker] geleden schade en nog te lijden schade;

5.2.

Veroordeelt [verweerder sub 1] en Allianz hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, aan [verzoeker] ten titel van voorschot op de geleden en nog te lijden letselschade € 25.000,00 te betalen;

5.3.

Begroot de kosten van dit deelgeschil op € 14.598,68, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 895,00 en veroordeelt [verweerder sub 1] en Allianz hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;

5.4.

Verklaart dit vonnis wat betreft de onderdelen 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Griffioen, mr. L.T. de Jonge en mr. J. Wichers en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2018.