Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5359

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-12-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
18/730036-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van beroep onder zich heeft. Verdachte heeft gedurende een aantal jaren geld verduisterd van cliënten waarvan hij het persoonsgebonden budget (pgb) beheerde. Verdachte heeft de gelden voor een groot deel besteed aan zijn persoonlijke uitgaven en niet aan de verlening van zorg. Verdachte heeft nagenoeg € 400.000,- verduisterd. De door de officier van justitie gevorderde en door de verdediging bepleitte taakstraf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten. De rechtbank heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/730036-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 december 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

13 december 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.L. van Onna, advocaat te Franeker.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte en al dan niet handelend onder de naam [bedrijf], (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 11 augustus 2014, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) (in totaal (ongeveer) 302.409,59 euro), in elk geval enig goed, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn beroep en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het/de aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door het [benadeelde partij] verleende of toegekende PGB-budget(ten), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

verdachte en al dan niet handelend onder de naam [bedrijf], (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 4 maart 2011 tot en met 30 juni 2014, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) (in totaal (ongeveer) 41.150,69 euro), in elk geval enig goed, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn beroep en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het aan die [slachtoffer 3] door het [benadeelde partij] verleende of toegekende PGB-budget(ten), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

verdachte en al dan niet handelend onder de naam [bedrijf], (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 30 juni 2014, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) (in totaal (ongeveer) 31.994,94 euro), in elk geval enig goed, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn beroep en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het/de aan die [slachtoffer 4] door het [benadeelde partij] verleende of toegekende PGB-budget(ten), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4.

verdachte en al dan niet handelend onder de naam [bedrijf], (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 januari 2011 tot en met 31 juli 2013, te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) (in totaal (ongeveer) 4.321,91 euro), in elk geval enig goed, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn beroep en/of gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger, uit het/de aan die [slachtoffer 5] door het [benadeelde partij] verleende of toegekende PGB-budget(ten), in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2, 3 en 4.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 december 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 augustus 2014, opgenomen op pagina 564 e.v. van het dossier Nephele van Politie Noord-Nederland met onderzoeksnummer NN1R015058 d.d. 3 januari 2017, inhoudend de verklaring van [naam], namens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2014, opgenomen op pagina 589 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3];

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2014, opgenomen op pagina 602 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4];

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 mei 2016, opgenomen op pagina 617 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5];

6. het rapport "Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e 2e lid Sr", d.d. 3 januari 2016, bijgevoegd als los proces-verbaal bij voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

verdachte, handelend onder de naam [bedrijf], op verschillende data en tijdstippen in de periode van 1 juli 2008 tot en met 11 augustus 2014 te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, telkens opzettelijk geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn beroep uit de aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door het [benadeelde partij] toegekende PGB-budgetten onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

verdachte, handelend onder de naam [bedrijf], op verschillende data en tijdstippen in de periode van 4 maart 2011 tot en met 30 juni 2014 te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, telkens opzettelijk geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 3] en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn beroep uit het aan die [slachtoffer 3] door het [benadeelde partij] toegekende PGB-budget onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

verdachte, handelend onder de naam [bedrijf], op verschillende data en tijdstippen in de periode van 1 september 2011 tot en met 30 juni 2014 te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, telkens opzettelijk geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 4] en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn beroep uit het aan die [slachtoffer 4] door het [benadeelde partij] toegekende PGB-budget onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4.

verdachte, handelend onder de naam [bedrijf], op verschillende data en tijdstippen in de periode van 11 januari 2011 tot en met 31 juli 2013 te Franeker, in de gemeente Franekeradeel, telkens opzettelijk geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 5] en welke geldbedragen verdachte telkens uit hoofde van zijn beroep uit het aan die [slachtoffer 5] door het [benadeelde partij] toegekende PGB-budget onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft,

meermalen gepleegd;

2. verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft,

meermalen gepleegd;

3. verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft,

meermalen gepleegd;

4. verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft,

meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is gelet op het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 3 december 2015, waarbij sprake was van soortgelijke feiten in dezelfde pleegperiode. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat het goed denkbaar is dat de rechtbank destijds een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben opgelegd indien alle feiten op hetzelfde moment berecht zouden zijn, maar dat hij mede gelet op het tijdsverloop thans de maximale taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf eist. De officier van justitie heeft aan de rechtbank overgelaten of deze eis voldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en het feit dat sprake is van soortgelijke feiten en dezelfde pleegperiode, gepleit voor de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De raadsvrouw heeft daarbij voorts verwezen naar het reclasseringsadvies in de eerdere strafzaak om een (voorwaardelijke) taakstraf op te leggen. Daarnaast dient volgens de raadsvrouw in aanmerking te worden genomen dat het aannemelijk is dat verdachte de gelden (mede) heeft gebruikt om anderen financieel te ondersteunen en dat hij daarbij de herkomst ervan uit het oog heeft verloren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een aantal jaren geld verduisterd van cliënten waarvan hij het persoonsgebonden budget (pgb) beheerde. De pgb-budgetten werden op de rekeningen van verdachtes cliënten gestort, waarna verdachte de bedragen direct overboekte naar zijn privérekening. Verdachte heeft de gelden voor een groot deel besteed aan zijn persoonlijke uitgaven en niet aan de verlening van zorg. Verdachte heeft door op deze wijze te handelen gedurende een aantal jaren nagenoeg € 400.000,- verduisterd. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte in deze verantwoordelijke positie gelden heeft verduisterd van een zeer kwetsbare groep mensen. De slachtoffers hebben zich immers tot verdachte gewend, omdat zij niet zelf in staat waren hun geld te beheren. De slachtoffers waren voor het beheer van hun geld afhankelijk van verdachte en zij moesten volledig op verdachte als beheerder kunnen vertrouwen. Verdachte heeft dit vertrouwen op grove wijze geschaad. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen beschaamd van bedrijven en instanties die ervan moeten kunnen uitgaan dat beheersbureaus als dat van verdachte correct handelen. Ook het Nederlandse pgb-systeem wordt door dergelijk misbruik ernstig ondermijnd. Verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en de rechtbank rekent hem dit aan. De rechtbank rekent hem ook aan dat hij zijn administratie opzettelijk niet heeft bijgehouden, deels door het zetten van valse handtekeningen heeft vervalst en vervolgens heeft vernietigd, kennelijk om zijn frauduleuze handelen te verhullen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte op 3 december 2015, na het plegen van onderhavige feiten, onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten in ongeveer dezelfde pleegperiode tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. Ten aanzien van deze feiten werd dezelfde werkwijze gehanteerd door verdachte, waarbij een bedrag van ongeveer € 25.000,- is verduisterd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het LOVS-oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van fraude bij een benadelingsbedrag van € 250.000,- tot € 500.000,-, waarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden geldt.

De rechtbank heeft bij de hoogte van de straf als strafverzwarende factoren meegewogen de duur van de verduistering, het niet uit eigen beweging beëindigen daarvan, het handelen in de uitoefening van een beroep en de omstandigheid dat verdachte het ontstane nadeel niet ongedaan heeft gemaakt. Gelet daarop acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden gerechtvaardigd. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop, de leeftijd van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en de hiervoor genoemde straf die de rechtbank in 2015 heeft opgelegd. De rechtbank ziet in die omstandigheden aanleiding de duur van de gevangenisstraf te matigen tot 12 maanden en een gedeelte hiervan in voorwaardelijke vorm op te leggen. De door de officier van justitie gevorderde en door de verdediging bepleitte taakstraf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 2] (feit 1), tot een bedrag van € 500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 3] (feit 2), tot een bedrag van € 500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 4] (feit 3), tot een bedrag van € 193,- ter vergoeding van materiële schade en

€ 500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vorderingen niet betwist. Zij heeft, gelet op de grote schuldenlast van verdachte en bij toewijzing van de ontnemingsvordering, verzocht om de vervangende hechtenis op 1 dag te stellen zodat de schadevergoedingsmaatregel geen verkapte gevangenisstraf is.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, de vervangende hechtenis ten aanzien van iedere benadeelde partij op 1 dag stellen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 693,- (zegge: zeshonderddrieënnegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 693,- (zegge: zeshonderddrieënnegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 193,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. J. Edgar en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 december 2018.