Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5323

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
18/840042-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank legt minderjarige verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op met een aantal bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging, openlijk geweld tegen goederen, vernieling en diefstal. Verdachte maakte onderdeel uit van een groep jongeren die gedurende een langere periode in onder meer zijn woonplaats overlast veroorzaakte en strafbare feiten pleegde. Vrijspraak van een ten laste gelegde openlijk geweld in vereniging subsidiair medeplegen vernieling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840042-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 december 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

6 december 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. zaak 1)

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Uithuizermeeden, (althans) in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door hem toe te voegen de woorden; "Ik maak je dood" en/of "Ik steek je

dood", althans woorden van gelijke aard of strekking;

2. ( zaak 2)

primair

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Uithuizermeeden, (althans) in de gemeente Eemsmond, openlijk, te weten, aan/bij de Stationsstraat, in elk geval op of aan de

openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten (een ruit van) een abri, door (met de hand/voet en/of een steen en/of een voorwerp) tegen een of meerdere de ra(a)m(en) (van die abri) te schoppen en/of te slaan en/of te gooien en/of te duwen;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Uithuizermeeden, (althans) in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk en wederrechtelijk (een of meerdere ramen van) een abri, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te

weten aan [benadeelde partij 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3. ( zaak 5 t/m 10)

primair

hij op of omstreeks 10/11 februari 2018, althans in of omstreeks de periode van 9 februari 2018 tot en met 12 februari 2018, te Uithuizen, (althans) in de gemeente Eemsmond,

openlijk, te weten, aan/bij de [straatnaam] en/of de [straatnaam], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) goed(eren), te weten

- een auto (Toyota Yaris) (toebehorende aan [slachtoffer 2], althans een ander), door een bloempot op het dak te plaatsen, en/of een ruit/raam van die auto te bekrassen, en/of

- ( een) ra(a)m(en) (een etalageruit en/of een slaapkamerraam, toebehorende respectievelijk aan [benadeelde partij 2] en/of [slachtoffer 3], althans een ander) door (met een scherp en/of hard voorwerp) die/dat ra(a)m(en) te bekrassen, en/of

- ( een) ra(a)m(en) (toebehorende aan [slachtoffer 4], althans een ander), door (met een scherp en/of hard voorwerp) die/dat ra(a)m(en) te bekrassen, en/of

- ( een) ra(a)m(en) en/of bloempot(ten) (toebehorende aan [slachtoffer 5], althans een ander), door (met een scherp en/of hard voorwerp) die/dat ra(a)m(en) te bekrassen en/of die bloempot(ten) te verplaatsen, en/of

- een raam (toebehorende aan [slachtoffer 6], althans een ander), door met een steen/voorwerp tegen en/of door dat raam te gooien;

subsidiair

hij op of omstreeks 10/11 februari 2018, althans in of omstreeks de periode van 9 februari 2018 tot en met 12 februari 2018, te Uithuizen, (althans) in de gemeente Eemsmond,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk

- ( het dak van) een auto (Toyota Yaris) (toebehorende aan [slachtoffer 2], althans een ander), en/of een ruit/raam van die auto te bekrassen, en/of

- ( een) ra(a)m(en) (een etalageruit en/of een slaapkamerraam, toebehorende respectievelijk aan [benadeelde partij 2] en/of [slachtoffer 3], althans een ander), en/of

- ( een) ra(a)m(en) (toebehorende aan [slachtoffer 4], althans een ander), en/of

- ( een) ra(a)m(en) en/of bloempot(ten) (toebehorende aan [slachtoffer 5], althans een ander), en/of

- een raam (toebehorende aan [slachtoffer 6], althans een ander),

in elk geval (telkens) enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4. ( zaak 12)

primair

hij op of omstreeks 24/25 februari 2018 te Uithuizermeeden, (althans) in de gemeente Eemsmond, openlijk, te weten, aan/bij de [straatnaam], in elk geval op of

aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen (een) goed(eren), te weten een auto (Kia Picanto) en/of een woning en/of bloempot(ten), door tegen (de koplamp en/of de buitenspiegel van) die auto te schoppen en/of tegen de ramen van die woning te slaan/bonken en/of die bloempot(ten) om te gooien/schoppen en/of te verplaatsen;

subsidiair

hij op of omstreeks 24/25 februari 2018 te Uithuizermeeden, (althans) in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (de buitenspiegel van) een auto (Kia Picanto), in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 7], toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5. ( zaak 14)

primair

hij in of omstreeks de periode van 15 september 2017 tot en met 18 september 2017 te Uithuizen, (althans) in de gemeente Eemsmond, openlijk, te weten, aan/bij de [straatnaam], in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een wachtruimte door een of meerdere ra(a)m(en) in te gooien en/of te slaan en/of te schoppen en/of een of meerdere mu(u)r(en) met een stift en/of een spuitbus te bekladden

(met onder meer een hakenkruis);

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 15 september 2017 tot en met 18 september 2017 te Uithuizen, (althans) in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (de/een mu(u)r(en) en/of ra(a)m(en) van) een wachtruimte, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [benadeelde partij 1] toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair en

5 primair ten laste gelegde gevorderd. Daarbij heeft zij gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken van het bekladden van de muren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1,

3 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ontkent aangever [slachtoffer 1] te hebben bedreigd. Het is medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de ten laste gelegde bedreigende woorden heeft geuit. Daar komt bij dat de verklaringen van aangever en getuige [getuige] niet met elkaar overeenkomen. Op basis van de verklaring van [getuige] kan medeplegen niet worden bewezen. Bovendien moet ook worden gekeken naar de context. In dit geval ging het om een paar vervelende jochies, die er vervelende teksten uitflapten. Daarmee is geen sprake van bedreiging. Ook uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige] is niet op te maken dat zij zich bedreigd voelden.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen essentiële bijdrage heeft geleverd aan de door de medeverdachten gepleegde handelingen, wat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad wel noodzakelijk is om tot een bewezenverklaring van openlijk geweld in vereniging of medeplegen te komen. Dat verdachte met betrekking tot feit 4 een geweldshandeling heeft gepleegd, kan niet worden bewezen, omdat alleen medeverdachte [medeverdachte 2] hierover heeft verklaard.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de feiten 2 en 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat hij gewelddadige handelingen heeft verricht, zodat openlijk geweld kan worden bewezen. Wel moet verdachte ten aanzien van feit 5 worden vrijgesproken van het bekladden van de muren.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. De rechtbank stelt voorop dat van het in vereniging plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is (HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9029 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3029).

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het verplaatsen van bloempotten, wat geen gewelddadige handeling is. Op grond hiervan acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het plegen van geweld dan wel vernieling. Tevens is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het door de medeverdachten toegepaste geweld, zoals onder 3 primair ten laste is gelegd. Niet is gebleken dat verdachte op enige wijze door verbale of fysieke handelingen de geweldshandelingen van de medeverdachten heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen in het ontstaan of het voortduren daarvan. Dit betekent dat het primair ten laste gelegde in vereniging plegen van geweld niet kan worden bewezen. Dit geldt ook voor het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van vernieling, nu -gelet op het vorenstaande- geen sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, wat voor medeplegen noodzakelijk is.

De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 1 en 4 primair bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

ten aanzien van feit 1

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 december 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 28 januari 2018 met [medeverdachte 1] bij de [flat] in Uithuizermeeden. [medeverdachte 1] zei de ten laste gelegde bedreigende woorden tegen aangever.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 februari 2018, opgenomen op pagina 137 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018091651 d.d. 16 mei 2018, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Op 28 januari 2018 was ik samen met mijn vrouw in de [flat] aan de [straatnaam] te Uithuizermeeden. Beide lange jongens bedreigden me met de dood. Ik hoorde dat ze zeiden: "Ik maak je dood" of "Ik steek je dood". Welke jongen wat zei, dat weet ik niet meer. Ik weet wel dat ze me beide hebben bedreigd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 februari 2018, opgenomen op pagina 143 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van getuige

[getuige]:

Op 28 januari 2018 was ik samen met mijn man, [slachtoffer 1], aan de [straatnaam] in Uithuizermeeden. Ik zag een tweetal jongens voor de flat staan. Ik hoorde die jongen van Turkse afkomst tegen mijn man zeggen: "Dan steek ik je hartstikke dood". De hele sfeer was dermate dreigend dat wij in de auto zijn gestapt en weg zijn gereden.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 27 februari 2018, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 29 januari 2018 sprak ik met getuige [getuige]. Ik hoorde dat ze een van de jongens omschreef als een 'halve Turk'. Deze omschrijving, in combinatie met de andere signalementen, deed mij vermoeden dat het zou gaan om [verdachte]. Via Facebook heb ik een foto opgezocht van [verdachte] en heb deze getoond aan [getuige]. Ze herkende deze jongen als de jongen die haar man had bedreigd.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 april 2018, opgenomen op pagina 430 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

Ik weet nog dat [verdachte] zei: "Ik maak je dood."

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 406 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte

[medeverdachte 3]:

U vraagt mij naar een bedreiging bij de flat aan de [straatnaam]. Ik stond daar later over te praten met [medeverdachte 1] en [verdachte] en zij vertelden dat [medeverdachte 1] in vechthouding voor die mensen had gestaan en ze zeiden ook dat ze die mensen bedreigd hadden.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 april 2018, opgenomen op pagina 352 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

[medeverdachte 1] ging in een bokshouding staan. We riepen woorden als: "Ik maak je dood en ik steek je dood".

ten aanzien van feit 4 primair

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 27 februari 2018 met bijlagen, opgenomen op pagina 293 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 7]:

Ik woon aan de [straatnaam] te Uithuizermeeden. Op 24 februari 2018, omstreeks 23.45 uur, lag ik in bed televisie te kijken. Op enig moment hoorde ik buiten het geluid van stemmen. Ik hoorde iemand roepen 'pedo pedo' en daarbij werd er stevig een aantal keren op het raam van mijn slaapkamer gebonkt. Ik ben naar mijn auto gelopen. Ik zag dat de linker buitenspiegel was vernield. Mijn auto is een rode Kia Picanto.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 12 april 2018, opgenomen op pagina 506 e.v., inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

Op zaterdagavond 24 februari 2018 was ik met [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. Rond 23.00 uur zijn we weggefietst. Voor het huis van [naam] heb ik kreten gehoord als '[naam]' en 'pedo'. Ik zag dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op de ramen sloegen. Ik zag [medeverdachte 3] tegen de lamp van de auto trappen. Ik weet dat de auto rood was. [medeverdachte 3] heeft me op WhatsApp verteld dat hij de auto kapot heeft gemaakt. Gisteren vertelde hij me dat hij ook een plantenbak heeft omgetrapt. Ik zag zelf dat [verdachte] een plantenbak omver trapte.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 406 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3]:

Ik ben met de jongens ook bij een 'pedo' geweest aan de [straatnaam]. We zijn daar met een groep heengegaan en dat waren [medeverdachte 1], [verdachte] en nog wat jongens.
Ik heb mijn fiets weggezet met een vriend. We zijn vervolgens naar het raam van hem gegaan en dat was het slaapkamerraam. Ik heb daar op staan kloppen. Ik heb daar ook bloempotten omgetrapt. Die bloempotten stonden in de tuin. We zijn vervolgens naar zijn auto gelopen en ik heb tegen een koplamp aangetrapt. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte 1] hard tegen de buitenspiegel aantrapte en daardoor vloog die spiegel eraf.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 440 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:
Ik was op zaterdagavond 24 februari 2018 met [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 6], [medeverdachte 4] en nog een jongen waarvan ik de naam niet weet. Ik ben die avond/nacht nog in de [straatnaam] geweest. We fietsten langs dat huis. Een paar liepen naar de auto toe en trapten er tegenaan. Ik ben ook bij de auto geweest.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 3 april 2018, opgenomen op pagina 352 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben bij een vernieling van een auto geweest aan de [straatnaam] in Uithuizermeeden. We waren die dag met [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6]. Er woont in Uithuizermeeden een man met de bijnaam [naam]. Er gaan geruchten dat die man pedofiel is. Ik hoorde in de groep roepen dat we naar [naam] gingen en eigenlijk is de groep die kant opgegaan zonder vragen te stellen. Ik fietste mee. De groep is naar de woning van die [naam] gegaan en ze hebben op de ramen staan kloppen en ze hebben bloempotten omgegooid. Ik zag dat een hele groep op een gegeven moment om de auto van die man stond en dat waren in ieder geval [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Ik heb wel gezien dat die jongens bezig waren bij de auto en ik hoorde ook dat er gesloopt werd. Ik hoorde iets kapot gaan en volgens mij werd er tegen de auto aangetrapt en ik meende ook glasgerinkel te horen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 primair en 5 subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

ten aanzien van feit 2 primair

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 december 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 maart 2018, opgenomen op pagina 146 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018091651 d.d. 16 mei 2018, inhoudende de verklaring van aangever [medewerker 1] (namens [benadeelde partij 1]);

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 440 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte

[medeverdachte 1];

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 481 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van medeverdachte

[medeverdachte 7].

ten aanzien van feit 5 subsidiair

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 december 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 19 september 2017, opgenomen op pagina 314 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [benadeelde partij 1].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] de onder 1 ten laste gelegde woorden hebben geuit richting aangever [slachtoffer 1]. Uit de verklaring van getuige [getuige] komt naar voren dat de geuite woorden, die naar hun aard bedreigend zijn, een zodanige indruk hebben gemaakt dat werkelijke vrees is opgewekt, zodat het zogenaamde 'context-verweer' van de raadsman wordt verworpen.

Ook de onder 4 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging in vereniging acht de rechtbank bewezen. Uit het procesdossier volgt dat verdachte ten tijde van de gepleegde geweldshandelingen onderdeel uitmaakte van een groep van zes jongens. Zij zijn samen naar het huis van aangever [slachtoffer 7] gegaan, waar de ten laste gelegde geweldshandelingen zijn gepleegd. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat verdachte een plantenbak omver heeft getrapt. Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat verdachte opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

De rechtbank acht met betrekking tot feit 5 bewezen dat verdachte een raam van de wachtruimte op het station te Uithuizen heeft ingegooid. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat op dat moment de medeverdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] niet aanwezig waren. Daarmee acht de rechtbank verdachte verantwoordelijk voor het vernielen van een raam, waarbij niet is bewezen dat hij dit feit met een ander of anderen heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5 primair ten laste gelegde openlijk geweld in vereniging en het onder 5 subsidiair ten laste gelegde onderdeel 'medeplegen'.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 primair, 4 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 januari 2018 te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door hem toe te voegen de woorden "Ik maak je dood" en/of "Ik steek je dood";

2. primair

hij op 28 januari 2018 te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond, openlijk, te weten aan de Stationsstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten een abri, door met de voet tegen meerdere ramen van die abri te schoppen en te duwen;

4. primair

hij op of omstreeks 24 februari 2018 te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond, openlijk, te weten aan de [straatnaam], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten een auto (Kia Picanto) en een woning en bloempotten, door tegen de koplamp en de buitenspiegel van die auto te schoppen en tegen de ramen van die woning te slaan/bonken en die bloempotten om te gooien/schoppen;

5. subsidiair

hij in de periode van 15 september 2017 tot en met 18 september 2017 te Uithuizen, gemeente Eemsmond, opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een wachtruimte, dat aan [benadeelde partij 1] toebehoorde, heeft vernield.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2. primair openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

4. primair openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

5. subsidiair opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair,

3 primair, 4 primair, 5 primair ten laste gelegde en de ad informandum gevoegde feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur subsidiair 75 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 80 uur subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals ter terechtzitting geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke werkstraf. De raadsman heeft de rechtbank verzocht in ieder geval de proeftijd met betrekking tot de op te leggen bijzondere voorwaarden op één jaar te stellen. Hierna kan de hulp die nodig is, ook in een vrijwillig kader plaatsvinden. De ouders van verdachte zijn in staat gebleken hiervoor zorg te dragen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de impact van de rechtszaak en het verhoor door de politie, alsmede het tijdsverloop. Tot slot heeft de raadsman gesteld dat het betalen van een schadevergoeding aan de gedupeerden ook als straf zal worden ervaren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met medeverdachte [medeverdachte 1], aangever [slachtoffer 1] bedreigd met de dood. Hij heeft daarmee gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt bij aangever.

Daarnaast heeft verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen goederen, vernieling en diefstal. Hij maakte onderdeel uit van een groep jongeren die gedurende een langere periode in Uithuizen en Uithuizermeeden overlast veroorzaakte en strafbare feiten pleegde. Verdachte en zijn mededaders hebben met hun handelen materiële schade, hinder en ergernis veroorzaakt bij de gedupeerden. Tevens hebben zij gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust veroorzaakt in Uithuizen en Uithuizermeeden.

De rechtbank heeft gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (Raad)

d.d. 22 november 2018, waaruit naar voren komt dat verdachte zich de afgelopen maanden in positieve zin heeft ontwikkeld. De ouders van verdachte tonen zich betrokken bij verdachte en werken samen met de jeugdreclasseerder om de zorgen op het gebied van vrije tijd, relaties, attitude en agressie te verkleinen c.q. weg te nemen. Verdachte neemt verantwoordelijkheid voor zijn aandeel in de gepleegde feiten en realiseert zich dat zijn gedrag destijds onacceptabel is. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen onder de in het rapport genoemde voorwaarden. Ter terechtzitting heeft de Raad geadviseerd het meewerken aan coaching als bijzondere voorwaarde toe te voegen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd van na te noemen duur. Omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, feit 3 niet bewezen acht, valt de straf lager uit dan door de officier van justitie gevorderd. Aan het voorwaardelijke deel van de werkstraf zullen de voorwaarden worden verbonden zoals die door de Raad ter terechtzitting zijn geadviseerd.

De rechtbank acht een proeftijd van 1 jaar niet op zijn plaats, gelet op de zorgen die er nog steeds zijn over de ontwikkeling van verdachte.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

met betrekking tot feit 2
1. [benadeelde partij 1], tot een bedrag van € 665,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

met betrekking tot feit 3:

2. [slachtoffer 2], tot een bedrag van € 1.246,30 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [benadeelde partij 2];
4. [slachtoffer 4], tot een bedrag van € 592,90 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

met betrekking tot feit 4:

5. [slachtoffer 7], tot een bedrag van € 121,34 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

met betrekking tot feit 5:

6. [benadeelde partij 1], tot een bedrag van € 682,50 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

met betrekking tot ad informandum gevoegd feit 3:

5. [slachtoffer 8], tot een bedrag van € 100,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde partij 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7] geheel kunnen worden toegewezen en de vordering van [slachtoffer 8] tot een bedrag van € 65,-, telkens met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de vervangende jeugddetentie op nihil dient te worden gesteld.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 8] heeft de officier van justitie gesteld dat de schade aan het geldkluisje weliswaar niet is onderbouwd, maar dat deze schade kan worden geschat op € 15,-. Volgens de aangifte bestond de inhoud van het kluisje uit ongeveer € 50,-, zodat van dit bedrag moet worden uitgegaan. De rest van de vordering dient niet ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van [slachtoffer 3] buiten beschouwing kan blijven, omdat geen bedrag wordt gevorderd en de schade is vergoed door de verzekering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7] moeten worden afgewezen, omdat verdachte de gestelde schade niet heeft veroorzaakt. De vordering van [slachtoffer 8] is toewijsbaar tot een bedrag van € 75,-. De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] met het standpunt van de officier van justitie verenigd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de hoofdelijkheidsclausule achterwege te laten om problemen bij het CJIB te voorkomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk in haar vorderingen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het schadevergoedingsformulier, dat overigens meerdere vorderingen bevat, namens [benadeelde partij 1] is ingevuld door mw. [medewerker 2]. Bij de vordering ontbreekt een uittreksel van de Kamer van Koophandel. Evenmin is een volmacht bijgevoegd, zodat niet is komen vast te staan dat mevrouw [medewerker 2] bevoegd is de benadeelde partij te vertegenwoordigen. Dit houdt in dat beide vordering niet in dit strafgeding worden afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

De rechtbank acht feit 3 niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zullen daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 7] is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, is daarom voor toewijzing vatbaar. Verdachte heeft dit feit samen met twee medeverdachten gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom aansprakelijk stellen voor een derde deel van de gestelde schade. Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 40,45, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 februari 2018. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 8] is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit 3. [slachtoffer 8] heeft in zijn aangifte gesteld dat een bedrag van ongeveer € 50,- is weggenomen, terwijl uit de verklaringen van verdachte en zijn mededaders volgt dat zij in totaal € 47,- hebben verdeeld. De rechtbank zal de post 'inhoud gekraakt kluisje' daarom matigen tot laatstgenoemd bedrag. De post 'geldkluisje' ad € 25,- is niet onderbouwd en dient te worden afgewezen. Dit betekent dat de vordering van [slachtoffer 8] toewijsbaar is tot een bedrag van € 47,-. De rechtbank zal verdachte slechts aansprakelijk stellen voor het bedrag dat hij aan de diefstal heeft overgehouden, te weten € 10,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2018. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair, 3 subsidiair en 5 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 4 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 120 uren. De werkstraf moet binnen 12 maanden zijn verricht.

Bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 60 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, schuldig heeft gemaakt aan de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich gedurende en door de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen te bepalen periode meldt bij de jeugdreclassering en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde hulp;

3. dat de veroordeelde meewerkt aan coaching.

Draagt voornoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

ten aanzien van de feiten 2 en 5

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vorderingen niet ontvankelijk is en dat deze vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

ten aanzien van feit 3

Bepaalt dat de benadeelden partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de vordering niet ontvankelijk zijn en dat deze vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partijen en verdachte de eigen kosten dragen.

ten aanzien van feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 40,45 (zegge: veertig euro en vijfenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2018.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 40,45 (zegge: veertig euro en vijfenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

ten aanzien van ad informandum gevoegd feit 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10,- (zegge: tien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2018.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] te betalen een bedrag van € 10,- (zegge: tien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. O.J. Bosker en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 december 2018.