Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:531

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
LEE 17/894
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verleende evenementenvergunning voor muziekavond. Gelet op de aard van het evenement en de geschiktheid van het ponyclubterrein voor het houden van (dergelijke) evenementen is de rechtbank van oordeel dat eiser belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van deze vergunning omdat dat oordeel van betekenis kan zijn voor de beoordeling van toekomstige vergunningaanvragen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre hij voor het onderhavige evenement de gevraagde vergunning had kunnen weigeren op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Evenementenverordening (of evenementen te frequent in een zelfde omgeving plaatsvinden). Het bestreden besluit bevat daarom geen deugdelijke motivering inzake de evenementenvergunning en wordt gedeeltelijk vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/894

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Martens),

en

De burgemeester van de gemeente De Wolden, verweerder

(gemachtigden: drs. K. Thijssen en mr. A. Verbrugge).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de [derde belanghebbende] (de vergunninghouder) een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van een muziekvond en het in gebruik nemen van een tent op [adres 1] op 19 maart 2016.

Bij besluit van 25 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Van die gelegenheid heeft de vergunninghouder geen gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

Op 8 januari 2016 heeft de vergunninghouder aan aanvraag ingediend voor het verlenen van een evenementenvergunning voor het organiseren van een muziekavond en het in gebruik nemen van een tent op [adres 1] op 19 maart 2016.

Bij primair besluit van 8 maart 2016 heeft verweerder die vergunning verleend. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

In het kader van de behandeling van eisers bezwaarschrift heeft de Commissie bezwaarschriften (de commissie) op 15 september 2016 een hoorzitting gehouden. Eiser is gehoord, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Bij advies van 2 november 2016 heeft de commissie verweerder geadviseerd om het primaire besluit nader te motiveren.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, met overneming van het advies van
2 november 2016.

3. De rechtbank constateert allereerst dat het onderhavige beroep enkel betrekking heeft op de door verweerder verleende evenementenvergunning voor het evenement op
19 maart 2016. Het beroep is niet gericht tegen de op 8 maart 2016 eveneens verleende ontheffing op grond van de Drank- en Horecawet en de vergunning voor het in gebruik nemen van een tent tijdens het evenement.

4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

4.1.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) (onder meer uit de uitspraak van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7625) volgt dat het belang van een oordeel omtrent de rechtmatigheid van een besluit gelegen kan zijn in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel bij toekomstige besluiten kan worden betrokken.

4.2.

Eiser voert aan dat hij belang heeft bij beoordeling van het onderhavige beroep omdat er sprake is van een groeiend aantal evenementen in de buurt, met veel ophef tot gevolg.

4.3.

Enerzijds stelt de rechtbank vast dat het onderhavige evenement reeds in maart 2016 is gehouden en dat ten tijde van sluiting van het onderzoek geen sprake was van een aanvraag van de vergunninghouder voor het organiseren van een vergelijkbaar evenement in het jaar 2017. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat [adres 1] geschikt is voor het houden van evenementen en dat er in het verleden jaarlijks in ieder geval één evenement is georganiseerd, te weten een concours hippique met muziek. Gelet op de aard van het onderhavige evenement en de geschiktheid van [adres 1] voor het houden van (dergelijke) evenementen is de rechtbank van oordeel dat eiser belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van de onderhavige vergunning omdat dat oordeel van betekenis kan zijn voor de beoordeling van toekomstige vergunningaanvragen.

5.1.

Eiser voert – kort samengevat – aan dat de laatste jaren steeds meer evenementen in zijn omgeving zijn georganiseerd. Van evenementen ervaart hij geluidshinder, parkeeroverlast en vernielingen in zijn voortuin. Eiser meent dat ten onrechte geen geluidsnormen in het primaire besluit zijn opgenomen; dit leidt tot rechtsonzekerheid. Ook meent hij dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat onduidelijk is waarom verweerder een straal van één kilometer hanteert om de omgeving af te bakenen. Die straal is willekeurig omdat geluid verder draagt dan één kilometer. Daarbij komt dat verweerder ten onrechte slechts uitgaat van evenementen waarvoor een vergunning is verleend. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er uit de omgeving geen klachten zijn ontvangen; hij heeft zelf wel degelijk bij de gemeente geklaagd. Dit alles leidt tot onduidelijk over de vraag wanneer sprake is van ernstige hinder of overlast als bedoeld in de vergunning, aldus eiser. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst eiser naar hetgeen door de AbRS is overwogen in de uitspraak van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1965).

5.2.

In reactie op deze beroepsgronden heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat in de omgeving van eisers woning niet meer evenementen worden georganiseerd dan in eerdere jaren. Jaarlijks vinden er twee terugkerende evenementen plaats, namelijk een marathonuitzending van [bedrijf] op [adres 2] en een concours met muziek op [adres 1] . Voor dat laatste evenement is in 2017 een vergunning aangevraagd voor een andere locatie, op grotere afstand van eisers woning. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake kan zijn van ernstige geluidsoverlast bij eisers woning omdat die woning op ruim 700 meter van het evenemententerrein is gelegen. Verder heeft verweerder uit de omgeving geen klachten ontvangen, ook niet van woningen die dichtbij [adres 1] zijn gelegen. Parkeeroverlast, geschreeuw en vernielingen zijn incidenten die gemeld kunnen worden op het moment dat zij plaatsvinden en waartegen op dat moment kan worden opgetreden. In de Evenementenverordening 2015 (de Evenementenverordening) zijn geen geluidsnormen opgenomen. Bij het bepalen van de hoogte van het maximaal toelaatbare geluidsniveau komt verweerder een zekere beslissingsruimte toe. Het opnemen van geluidsnormen in een nieuwe evenementenverordening hoeft volgens verweerder niet tot gevolg te hebben dat eiser minder geluidsoverlast ervaart. Verweerder heeft aangevoerd dat hij wel onderzoek heeft gedaan naar de invloed van het evenement op de woon- en leefsituatie en naar de hoeveelheid evenementen in de directe omgeving. Naast de reeds genoemde twee jaarlijks terugkerende evenementen zijn er in de omgeving geen meldingsplichtige evenementen geweest. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met het hanteren van één kilometer als directe omgeving, er voor kan worden gezorgd dat de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.

5.3.1.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2016 (de APV) is het verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het college van burgemeester en wethouders van het verbod ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Evenementenverordening is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Evenementenverordening – voor zover hier van belang – kan een vergunning voor het organiseren van een evenement worden geweigerd indien:

a. de burgemeester van mening is dat de woon- en leefsituatie in de directe omgeving

van de locatie waar het evenement wordt georganiseerd en/of de openbare orde en veiligheid op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed;

b. de burgemeester van mening is dat er te frequent evenementen plaatsvinden in een zelfde omgeving. Daarbij let de burgemeester onder andere op het geproduceerde geluid en de duur van de evenementen waardoor een te frequente of langdurige belasting voor de omgeving ontstaat.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Evenementenverordening kunnen aan een vergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is

verrichten. Tevens stelt de rechtbank vast dat eiser geen objectieve (meet)gegevens vereist.

5.3.2.

Niet in geschil is dat verweerder tijdens het onderhavige evenement geen geluidsmetingen heeft laten verrichten en geen informatie heeft ingediend over de invloed van het onderhavige evenement op zijn woon- en leefsituatie. In dat licht bezien ziet de rechtbank geen aanleiding om een oordeel te geven over de vraag in hoeverre verweerder voor het onderhavige evenement de gevraagde vergunning had kunnen weigeren op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Evenementenverordening.

5.3.3.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre hij voor het onderhavige evenement de gevraagde vergunning had kunnen weigeren op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Evenementenverordening. Verweerder heeft onvoldoende geconcretiseerd hoe frequent en hoeveel evenementen op en rond [adres 1] plaatsvinden en in hoeverre het onderhavige evenement past in de frequentie van evenementen in die buurt. Daarbij speelt mee dat verweerder tijdens het onderhavige evenement geen geluidsmetingen heeft laten verrichten. Ook speelt mee dat verweerder onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom hij een straal van één kilometer hanteert als begrenzing voor zijn onderzoek naar die frequentie. Dit temeer gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd over de geluidsbelasting door evenementen in de buurt van zijn woning. Tevens is onvoldoende duidelijk geworden hoe de geluidsbelasting tijdens de evenementen zich verhoudt tot de duur van die evenementen en hoe verweerder die belasting betrekt bij de beantwoording van de vragen of sprake is van deze weigeringsgrond en of hij van die grond gebruik zal maken.

Het bestreden besluit bevat daarom geen deugdelijke motivering inzake de evenementenvergunning en moet gedeeltelijk worden vernietigd wegens strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

5.3.4.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb zelf in de onderhavige zaak te voorzien door de rechtsgevolgen van het bestreden gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet geen aanleiding om het primaire besluit van 8 maart 2016 ten aanzien van de vergunning om het evenement te houden te herroepen, nu het evenement reeds heeft plaatsgevonden en deze uitspraak vooral van betekenis kan zijn voor de beoordeling van toekomstige vergunningaanvragen. Daar komt bij dat gesteld noch anderszins gebleken is dat eiser schade heeft geleden als gevolg van het verlenen van de evenementenvergunning.

5.3.5.

Tot slot geeft de rechtbank verweerder in overweging om bij de beoordeling van toekomstige vergunningaanvragen acht te slaan op de (bevoegdheids)relatie tussen
artikel 4:6, eerste lid, van de APV en de bepalingen uit de Evenementenverordening.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

7. Voorts zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 20 oktober 2017, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 25 januari 2017, voor zover dat betrekking heeft op de evenementenvergunning van 8 maart 2016;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.