Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:530

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
18/830151-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens inbraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830151-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2018.

Verdachte is niet verschenen. Als raadsman van verdachte was ter terechtzitting aanwezig mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 maart 2016 te Vriescheloo, gemeente Bellingwedde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning (aan [straatnaam] te Vriescheloo) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

2.

hij op of omstreeks 22 maart 2016 te Uffelte, gemeente Westerveld, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning (aan [straatnaam] te Uffelte) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

3.

hij op of omstreeks 30 maart 2016 te Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning (aan [straatnaam] te Oldeholtpade) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

4.

hij op of omstreeks 11 april 2016 te Dwingeloo, gemeente Westerveld, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning (aan [straatnaam] te Dwingeloo) weg te nemen geld en/of enig goed van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld/goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel, die woning is binnengedrongen/binnengegaan en/of heeft doorzocht en/of (vervolgens) een bureaulade en/of kluis heeft opengebroken/geforceerd, althans geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 14 november 2016 te Finsterwolde, gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning (aan [straatnaam] te Finsterwolde) heeft weggenomen een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde.

De officier van justitie acht het onder 2 en 5 ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie betoogd dat de Volkswagen Caddy van medeverdachte [medeverdachte] is gestopt ter hoogte van het adres van waaruit de diefstal heeft plaatsgevonden. Getuigen hebben waargenomen dat twee mannen op het erf van aangeefster liepen. Ook is door een getuige een witte bestelbus waargenomen. Daarnaast is de Volkswagen Caddy, die op naam staat van medeverdachte [medeverdachte] meermalen door de politie gecontroleerd, waarbij steeds verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de inzittenden waren. Verdachte en medeverdachte hebben bij de politie verklaard met regelmaat tezamen op pad te gaan. Bovendien blijkt uit telefoongegevens dat verdachte, in het tijdvak waarin aangeefster niet in haar woning was, in de buurt van haar woning is geweest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat er een insluiping wordt gemeld en dat verdachte en medeverdachte bij de woning van aangeefster zijn geweest vrijwel geen toeval kan zijn. Dit wordt versterkt doordat verdachte en medeverdachte ten tijde van hun aanhoudingen op 18 april 2016 en 14 november 2016 beide keren in het bezit waren van een bos met sleutels waarmee vrijwel alle oudere sloten kunnen worden geopend. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de diefstal uit de woning door verdachte en medeverdachte tezamen en in vereniging is gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde merkt de officier van justitie op dat naast het bewijs, bestaande uit de peilbakengegevens en de verkeershistorie, er de bekennende verklaring van verdachte is, zodat er voor een bewezenverklaring voldoende wettig en overtuigend bewijs is. De officier van justitie acht gebruikmaking van een valse sleutel bewezen, gelet op de verklaring van aangeefster, waaruit blijkt dat er iets aan de hand was met het slot.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. De raadsman heeft aangegeven dat het onder 5 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het door de officier van justitie wel bewezen geachte onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens met medeverdachte [medeverdachte] op pad gaat om oud ijzer en accu's op te halen, en dat hij, als hij al op het adres [straatnaam] in Uffelte is geweest, gewoon netjes heeft aangebeld en niets heeft weggenomen. Ook medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard enkel ter plaatse te zijn geweest vanwege de oud ijzerhandel en niet om in te breken. Ter plaatse is geen sporenonderzoek verricht. Er is derhalve geen technisch bewijs dat verdachte in verband brengt met de diefstal. Nu verdachte en de medeverdachte een verklaring geven voor hun aanwezigheid nabij de woning, welke niet zonder meer als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven, acht de rechtbank het niet wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte en medeverdachte degenen zijn geweest die op 22 maart 2016 vanuit de woning van aangeefster geld hebben weggenomen.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 14 november 2016, opgenomen op pagina 109 e.v. van het dossier met nummer 2016324049 d.d. 9 januari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7]:

Op 14 november 2016 zijn mijn partner en ik om 11:30 uur vertrokken van huis. Toen we een paar uur later, omstreeks 14:50 uur, weer thuis kwamen en we de achterdeur van de woning wilden openen bleek het slot kapot te zijn. Er was geen schade te zien in het slot, maar we kregen de deur niet open. De sleutel wilde wel in het slot, maar we konden de sleutel niet omdraaien. We zijn toen via de schuurdeur naar binnen gegaan. Als je via de schuurdeur binnenkomt heb je een smalle lange gang, met aan het einde twee deuren. Wij zagen dat beide deuren openstonden en wisten toen direct dat er was ingebroken. Er bevindt zich een geldkistje van de visclub in een kast in de keuken. We zagen dat het geld weg was. Vervolgens zijn we naar onze slaapkamer gegaan. Hier hebben we twee kassalades onderin een kast staan. We zagen dat al het papiergeld uit de lades weg was. Ook staat er onderin de kast een blik. Hierin bewaarde ik mijn gokgeld. Ook uit dit blik is het papiergeld weg. Er is een totaalbedrag van € 495,- uit onze woning gestolen. Toen we van huis gingen was de voordeur afgesloten en boven en onder zaten ijzeren schuifsloten. De deur was, toen wij thuis kwamen, niet meer op slot en de schuifsloten waren ontgrendeld.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 4 januari 2017, opgenomen op pagina 49 A e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte]:

U vraagt mij naar de woninginbraak in Finsterwolde in november 2016. De sieraden die daar zijn weggenomen lagen boven in een kistje in een kast. U zegt mij dat bij de aanhouding van mij en [medeverdachte] twee zakhorloges en twee trouwringen uit de auto van [medeverdachte] zijn gegooid. U vraagt mij waar deze spullen vandaan komen. De woning in Finsterwolde. De spullen komen uit de cafetaria, dan wel de woning in Finsterwolde.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring, hoewel de door verdachte genoemde sieraden door de aangeefster niet als gestolen zijn opgegeven, blijkt dat verdachte in het betreffende pand is geweest en daar spullen heeft weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 30 november 2016, inhoudende het verhoor van verdachte:

Ten aanzien van feit 3 zeg ik gewoon eerlijk, dat heb ik gedaan. De sieraden komen daar ook weg. Naast de medaillons en het geld zijn er ook twee trouwringen weggenomen.

De rechtbank leidt uit de verdere inhoud van dit proces-verbaal af dat met 'feit 3' wordt bedoeld het op het bevel bewaring genoemde feit dat is gepleegd op 14 november 2016. Dit betreft het thans onder 5 tenlastegelegde.

De rechtbank is op basis van de hiervoor weergegeven standpunten van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning, tezamen en in vereniging gepleegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 14 november 2016 te Finsterwolde tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (aan de [straatnaam] te Finsterwolde) heeft weggenomen een geldbedrag, ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

5. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten en het grote tijdsverloop sinds de aanhouding van verdachten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest indien wordt uitgegaan van de door hem bepleite bewezenverklaring. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank indien meer feiten worden bewezenverklaard.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een diefstal uit een woning en zich daarbij de toegang tot die woning verschaft met behulp van (valse) sleutels. Dergelijke feiten leiden tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder bij de slachtoffers ervan. De slachtoffers hebben, naast verlies van bezittingen, veelal te maken met bijkomende schade. Daarnaast moeten zij leven met de gedachte dat een vreemde zich ongevraagd in hun persoonlijk domein heeft begeven, dat juist als veilig moet kunnen worden beschouwd.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank – ten voordele van verdachte – rekening gehouden met het grote tijdsverloop tussen de aanhouding en de berechting.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Hieraan ligt mede ten grondslag dat verdachte gerecidiveerd heeft. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke straf op zijn plaats om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. De proeftijd zal worden vastgesteld op drie jaar.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1. [slachtoffer 5] (feit 3), tot een bedrag van € 200,- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

2. [slachtoffer 6] (feit 4), tot een bedrag van € 1.750,01 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
3. [slachtoffer 7] (feit 5), tot een bedrag van € 286,89 ter vergoeding van materiële schade en € 350,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partijen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] niet ontvankelijk te verklaren in hun vordering, nu zij deze feiten niet bewezen acht. De officier van justitie heeft ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 7] verzocht de gevorderde materiële en immateriële schade, voor zover dit ziet op de niet-vergoede schade, toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] moeten worden afgewezen. Ten aanzien van de door benadeelde partij [slachtoffer 7] gevorderde schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot de materiële schade onduidelijkheid bestaat over waaruit de schade van de post ‘kassalade’ bestaat. Voorts heeft de raadsman bepleit dat het gevorderde schadebedrag voor de herstelwerkzaamheden aan het slot niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de immateriële schade refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten als gevolg waarvan de schade van benadeelde partijen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zou zijn ontstaan niet bewezen. Deze benadeelde partijen zullen daarom niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Deze vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag ad

€ 121,89. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op de inhoud van de aangifte, geen twijfel lijdt dat met de posten ‘kassalade café’ en ‘kassalade cafetaria’ is bedoeld, de schade bestaande uit het uit deze kassa's weggenomen geld. De posten ‘geldkistje visclub’ en ‘uren herstel slot’ komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Voorts dient de uitkering van de verzekering op het schadebedrag in mindering te worden gebracht. Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2016.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet gesteld, noch onderbouwd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt daarom niet ontvankelijk verklaard.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die als een gevolg van het bewezen verklaarde is geleden, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2, 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de bewaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten 2 goudkleurige trouwringen en 2 medaillons, ten behoeve van de rechthebbende.

Ten aanzien van feit 3:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 4:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 5:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 121,89 (zegge: honderdeenentwintig euro en negenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 121,89 (zegge: honderdeenentwintig euro en negenentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Krijger, voorzitter en mrs. M.J.B. Holsink en M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. A. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2018.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.