Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:523

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
C/17/158613 / KG RK 17/399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

wraking omdat de rechter-commissaris (schuldsanering) zijn controlerende/toezichthoudende taak niet voldoende heeft uitgevoerd.

Verzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige kamer

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C/17/158613 / KG RK 17/399

beslissing van de wrakingskamer van 19 januari 2018

op het verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van

[naam] ,

verzoeker tot wraking,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

procederende in persoon,

dat strekt tot wraking van mr. H.J. Idzenga (hierna te noemen mr. Idzenga), rechter van deze rechtbank.

1 Het procesverloop, de feiten en de standpunten van partijen

1.1

Bij vonnis van 14 maart 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht/onderdeel Insolventies, is [verzoeker] toegelaten tot de wettelijke schuldsanering (WSNP). Mr. Idzenga is benoemd tot rechter-commissaris in deze schuldsaneringsregeling met nummer C/1714/285 R. De bewindvoerder is [naam] (hierna te noemen: de bewindvoerder).

1.2.

[verzoeker] is getrouwd geweest met [naam] (hierna te noemen: [A] ). Tussen de ex-echtelieden zijn in het verleden diverse procedures gevoerd. Van belang voor de onderhavige wrakingsprocedure is dat [A] stelt thans nog een vordering van € 56.595,78 op [verzoeker] te hebben uit hoofde van verrekening van huwelijkse voorwaarden. Deze vordering heeft zij ter verificatie bij de bewindvoerder ingediend. Daarnaast heeft zij een vordering van € 100.000,00 op [verzoeker] uit hoofde van verbeurde dwangsommen.

1.3.

Mr. Idzenga heeft bij beschikking van 18 januari 2017, op verzoek van [verzoeker] , de duur van de schuldsaneringsregeling verlengd met zes maanden tot 18 september 2017. De achterliggende gedachte hierbij is geweest dat de door [A] gevorderde dwangsommen buiten de toepassing van de wettelijke schuldsanering vallen en [verzoeker] nog wat tijd wilde hebben om te onderzoeken of er mogelijkheden waren om de verschuldigdheid van de dwangsommen aan te vechten en ook om te bezien of deze wellicht toch onder het regime van de schone lei zouden kunnen vallen.

1.4.

Bij brief van 1 augustus 2017 heeft de bewindvoerder namens [verzoeker] een nieuw verzoek bij mr. Idzenga ingediend tot verlenging van de schuldsaneringsregeling. Een herinnering aan deze brief is bij e-mailbericht van 20 november 2017 verzonden aan een medewerker van de afdeling Insolventies van de rechtbank Noord-Nederland. Een tweede verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft evenwel niet plaatsgevonden.

1.5.

Op 28 november 2017 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden ten overstaan van mr. Idzenga. Tijdens deze vergadering is onder andere aan de orde gekomen de vordering van [A] op [verzoeker] ad € 56.595,78. De bewindvoerder heeft aan de rechter-commissaris laten weten deze vordering niet te betwisten. [verzoeker] betwist deze vordering wel en hij heeft tijdens de vergadering toegelicht waarom hij het niet eens is met het standpunt van de bewindvoerder. Van de verificatievergadering is proces-verbaal opgemaakt, dat aan alle betrokkenen is afgegeven op 7 december 2017. In dit proces-verbaal is aantekening gemaakt van de betwisting door [verzoeker] van de vordering van [A] . Uit het proces-verbaal volgt dat mr. Idzenga geen aanleiding heeft gezien om deze vordering te verwijzen naar de renvooiprocedure.

1.6.

Bij brief van 12 december 2017 heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking van

mr. Idzenga gedaan. Met betrekking tot de wrakingsgronden heeft [verzoeker] in deze brief het volgende - samengevat weergegeven - naar voren gebracht:

- mr. Idzenga heeft op het verzoek van 1 augustus 2017 om verlenging van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet gereageerd;

- mr. Idzenga heeft tijdens de zitting op 28 november 2017 geen reactie gegeven over de inhoud van de betwisting door [verzoeker] - aan de hand van in kracht van gewijsde gegane uitspraken - van de vordering van [A] ad € 56.595,78;

- mr. Idzenga heeft [verzoeker] misleid door tijdens de zitting van 28 november 2017 te zeggen dat de beslissing om al dan niet een renvooiprocedure op te starten de verantwoordelijkheid is van de bewindvoerder en dat het niet de rol van de rechter-commissaris is om de zaak (c.q. de vordering) inhoudelijk te behandelen. Dit klopt niet want de rechter-commissaris heeft een toezichthoudende functie ten aanzien van de bewindvoerder;

- mr. Idzenga had de bewindvoerder moeten steunen met zijn deskundigheid. De bewindvoerder is geen advocaat en zij heeft niet de kennis om de uitspraken, aan de hand waarvan [verzoeker] de vordering van [A] betwist, goed te begrijpen terwijl mr. Idzenga die kennis en ervaring wel heeft.

- mr. Idzenga heeft op verzoeken niet gereageerd en beschikbaar geld niet geïnd.

1.7.

Mr. Idzenga heeft niet in de wraking berust. Hij heeft op 18 december 2017 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de leden van de wrakingskamer gezonden, waarin hij zijn standpunt heeft toegelicht. Mr. Idzenga heeft aangevoerd dat het de taak van de rechter-commissaris is om de bewindvoerder te controleren, maar dat het uitdrukkelijk niet de taak van de rechter-commissaris is om de bewindvoerder te steunen op juridisch vlak. Mr. Idzenga heeft voorts een toelichting gegeven op het verloop van de verificatievergadering op 28 november 2017, waarin hij alle betrokkenen aan het woord heeft laten komen. Volgens mr. Idzenga heeft hij uitgelegd dat een verificatievergadering iets anders is dan een renvooiprocedure of een comparitie van partijen, waardoor er tijdens deze vergadering geen ruimte is voor een uitgebreide uitwisseling van standpunten, laat staan voor een beoordeling van de gegrondheid van de betwiste vordering. Omdat de vordering van [A] door de bewindvoerder niet is betwist, heeft mr. Idzenga geen aanleiding gezien om de juridische ins en outs van de betwiste vordering op de verificatievergadering te onderzoeken.

1.8.

Bij brief van 21 december 2017 heeft een medewerker van de rechtbank Noord-Nederland, onderdeel Insolventie, aan [verzoeker] het volgende bericht gestuurd:

"De rechter-commissaris heeft de rechtbank voorgedragen uw schuldsaneringsregeling te beëindigen. De behandeling is vastgesteld op 9 januari 2018.

De behandelingszitting wordt schriftelijk afgehandeld door de rechtbank.

U hoeft dus niet te verschijnen. "

Aan de bewindvoerder is een gelijkluidend bericht verzonden.

1.9.

[verzoeker] heeft vervolgens bij brief van 5 januari 2018 ter aanvulling op zijn wrakingsverzoek voornoemde brief aangehaald als een voorbeeld waaruit volgens hem blijkt dat mr. Idzenga van de zaak af wil zonder een rechtvaardig proces. Voor het overige is [verzoeker] gebleven bij zijn standpunt dat mr. Idzenga zijn controlerende/toezichthoudende taak niet voldoende heeft uitgevoerd en dat de vordering van € 56.596,00 verwezen had moeten worden naar de renvooiprocedure.

1.10.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van de meervoudige wrakingskamer van 8 januari 2018. Naast [verzoeker] en mr. Idzenga is eveneens de bewindvoerder ter zitting verschenen. [verzoeker] heeft vervolgens zijn wrakingsverzoek nader toegelicht, waarbij hij gebruik gemaakt heeft van pleitaantekeningen. Mr. Idzenga is gebleven bij zijn standpunt niet in de wraking te berusten. Hij heeft zijn excuses gemaakt voor het niet reageren op het verlengingsverzoek van 1 augustus 2017. Ten aanzien van de brief van 21 december 2017 (de voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling) heeft mr. Idzenga toegelicht dat deze brief weliswaar onder zijn verantwoordelijkheid is verzonden, maar dat hij hierin niet persoonlijk is gekend. Voor de ongelukkige samenloop van omstandigheden dat er uit zijn naam een voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling is gedaan terwijl de wrakingsprocedure tegen hem nog liep heeft mr. Idzenga eveneens excuses aangeboden. Dit had volgens hem zo niet mogen gebeuren.

2 De beoordeling

2.1.

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (artikel 6 lid 1 EVRM).

2.2.

Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden (artikel 36 Rv).

2.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Tevens geldt dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel dient te zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, beslissingen te nemen over (onder meer) de procedurele aspecten. Dit kunnen voor partijen nadelige beslissingen zijn. Dergelijke processuele beslissingen kunnen eventueel door het instellen van een rechtsmiddel ter toetsing worden voorgelegd.

Grond voor wraking bestaat alleen als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek tegen deze achtergrond beoordelen.

2.4.

De wrakingskamer neemt voor wat betreft de procedure rond het schuldsaneringstraject het volgende in aanmerking. De looptijd van een wettelijke schuldsaneringsregeling is in beginsel drie jaar. De rechter-commissaris kan deze termijn echter ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers wijzigen. Indien aan het einde van het schuldsaneringstraject de verwachting bestaat dat een uitdeling aan de schuldeisers zal plaatsvinden, wordt in de regel een verificatievergadering gehouden waarin de bij de bewindvoerder ingediende schuldvorderingen worden geverifieerd. De gang van zaken daarbij is dat als de bewindvoerder een vordering betwist deze door de rechter-commissaris wordt verwezen naar de zogenaamde renvooiprocedure bij de rechtbank. Over een door de schuldenaar zelf betwiste vordering hoeft niet in een renvooiprocedure te worden beslist. Van een dergelijke betwisting wordt slechts aantekening gemaakt in het proces-verbaal. Deze betwisting heeft binnen de schuldsaneringsregeling geen gevolgen. Na afloop van de vastgestelde duur van de regeling kan de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigen en daarbij aan de schuldenaar de schone lei verstrekken. Voorafgaand daaraan wordt een (al dan niet pro-forma) beëindigingszitting gehouden.

2.5.

De voornaamste reden voor [verzoeker] om mr. Idzenga te wraken betreft het handelen door mr. Idzenga tijdens de verificatievergadering op 28 november 2017 waar het ging over de vordering van [A] ad € 56.595,78. [verzoeker] was het niet eens met de beslissing van de bewindvoerder om deze vordering niet te betwisten (terwijl daar volgens hem wél aanleiding toe bestond) en hij vindt dat mr. Idzenga tijdens de vergadering zijn toezichthoudende taak indringender had moeten uitvoeren en verder had moeten dóórvragen op de juridische merites van de kwestie. Had mr. Idzenga dat gedaan, dan had de bewindvoerder de betwisting van de vordering van [A] wellicht overgenomen en was deze vordering - aldus nog steeds [verzoeker] - naar de renvooiprocedure verwezen.

2.6.

De wrakingskamer overweegt hieromtrent als volgt. Uit het op dit moment beschikbare proces-verbaal van de verificatievergadering blijkt dat tijdens deze zitting de door [verzoeker] betwiste vordering van [A] is besproken. Zowel [verzoeker] als de bewindvoerder hebben hun standpunten naar voren kunnen brengen, waarbij de bewindvoerder heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een verwijzing naar de renvooiprocedure. Mr. Idzenga heeft [verzoeker] weliswaar onderbroken bij het voorlezen van zijn pleitnota, waarin deze vordering ook aan de orde kwam, maar hij heeft in essentie wel zijn punt kunnen maken en de pleitaantekeningen zijn aan het proces-verbaal gehecht. Voorts is voldoende gebleken dat mr. Idzenga bekend was met de achtergronden van de kwestie tussen [verzoeker] en [A] , zoals hij ter zitting nader heeft toegelicht, en dat het standpunt van de bewindvoerder hem daarom ook niet onjuist voorkwam. Gelet op de bedoeling van de verificatievergadering en vanuit zijn taakopvatting heeft mr. Idzenga naar het oordeel van de wrakingskamer kunnen volstaan met het horen van partijen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Uit de wet vloeit voort dat het uiteindelijk de bewindvoerder is die beslist over de eventuele betwisting van vorderingen. De verificatievergadering is niet bedoeld om te beoordelen of de bewindvoerder een rechtens juiste keuze heeft gemaakt. Dat de rechter-commissaris zijn toezichthoudende taak in dit verband onvoldoende heeft uitgeoefend is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken. Het valt binnen het rechterlijk domein om, zoals mr. Idzenga heeft gedaan, hierbij terughoudendheid in acht te nemen en geen sturende rol in te nemen. Al met al kan uit het handelen van mr. Idzenga tijdens de verificatievergadering geen vooringenomenheid worden afgeleid. Het feit dat [verzoeker] het niet eens is met de beslissing van de rechter-commissaris om - in aansluiting op de beslissing van de bewindvoerder - de vordering van [A] niet te verwijzen naar de renvooiprocedure, levert geen grond op voor wraking. Zoals hiervoor is overwogen kan het middel van wraking niet worden aangewend om onwelgevallige beslissingen van de rechter aan te vechten.

2.7.

Het gestelde door [verzoeker] dat mr. Idzenga aan hem een misleidende voorstelling van zaken zou hebben gegeven omtrent zijn taakopvatting is gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken tijdens de verificatievergadering evenmin komen vast te staan. Ook deze stelling kan derhalve niet leiden tot toewijzen van het verzoek tot wraking

2.8.

Als bijkomende wrakingsgrond heeft [verzoeker] verwezen naar het niet reageren door mr. Idzenga op het tweede verlengingsverzoek van 1 augustus 2017 en op diens voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling met verlening van de schone lei. De wrakingskamer overweegt hieromtrent het volgende. Bij bestudering van het dossier is het de wrakingskamer gebleken dat er - anders dan door [verzoeker] is gesteld - wél is beoogd te reageren op het verzoek van de bewindvoerder van 1 augustus 2017 om verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling. In het dossier bevindt zich namelijk een brief

d.d. 16 augustus 2017 van een juridisch medewerker van de rechtbank met daarin namens mr. Idzenga een afwijzing van het verzoek. Aannemelijk is echter dat deze reactie niet bekend is gemaakt aan de bewindvoerder en [verzoeker] , zodat zij altijd in de veronderstelling zijn geweest dat mr. Idzenga niet op het verzoek heeft beslist. Ook mr. Idzenga verkeerde in die veronderstelling, zo bleek ter zitting. Deze gang van zaken is zeker ongelukkig te noemen, maar de wrakingskamer ziet hierin geen grond voor wraking. Het gaat hier om een administratieve fout en enige vorm van vooringenomenheid van mr. Idzenga kan hieruit niet afgeleid worden. De wrakingskamer overweegt verder dat uit de brief van 16 augustus 2017 kan worden afgeleid dat mr. Idzenga de regeling niet voor een tweede keer heeft willen verlengen, omdat de enkele reden/wens daartoe van [verzoeker] geen grond kan opleveren voor verlenging. Aldus is ook impliciet beslist om niet op kosten van de boedel advocaten in te schakelen om de procedure te voeren die [verzoeker] graag aanhangig wil maken. Dit is een beslissing waar [verzoeker] het mogelijk niet mee eens is, maar de wrakingskamer ziet geen aanleiding om deze beslissing aan te merken als een onbegrijpelijke beslissing waarmee de rechtelijke onpartijdigheid in het geding is gekomen.

2.9.

Gelet op de ter zitting door mr. Idzenga gegeven toelichting op de brief van

21 december 2017 acht de wrakingskamer het voldoende aannemelijk dat de verzending van deze brief per abuis heeft plaatsgevonden en dat mr. Idzenga daarmee geen bemoeienis heeft gehad. Uit de verzending van deze brief kan dan ook - hoe ongelukkig het ook is dat die is verstuurd - geen vooringenomenheid van mr. Idzenga worden afgeleid.

2.10.

Tot slot is ook overigens niet gebleken dat mr. Idzenga zich niet langer bezig zou willen houden met de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] . Zoals hiervoor is aangegeven geldt als uitgangspunt dat de looptijd van een wettelijke schuldsaneringsregeling drie jaar is. Het moment waarop de regeling eindigt volgt dan ook in beginsel uit de wet. Bovendien heeft mr. Idzenga de lopende regeling al eens verlengd, hetgeen er niet op duidt dat hij

"van de zaak af zou willen".

2.11.

De wrakingskamer is gelet op al het vorenstaande van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat mr. Idzenga jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook anderszins is niet gebleken dat het optreden van

mr. Idzenga in enig opzicht niet voldeed aan de vereisten die aan een eerlijk proces dienen te worden gesteld of dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden door zijn optreden. De slotsom is dan ook dat het wrakingsverzoek tegen mr. Idzenga zal worden afgewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Deze uitspraak is gewezen door mr. C.M. Telman, mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en

mr. W.S. Sikkema en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.