Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5217

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 740
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:9678, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges omgevingsvergunning. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om het beroep van eiseres gericht tegen het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders om de leges te verminderen in behandeling te nemen. De bouwkosten zijn niet te hoog vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-12-2018
V-N Vandaag 2018/2787
FutD 2018-3382
NLF 2019/0423 met annotatie van Rogier Froentjes
Belastingblad 2019/123 met annotatie van R.T. Wiegerink
NTFR 2019/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/740

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 december 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oldambt, verweerder

in de persoon van [naam heffingsambtenaar]

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking (legesfactuur) van 26 februari 2016 aan eiseres een aanslag bouwleges opgelegd ten bedrage van € 412.828, 80 (aanslagnummer: [aanslagnummer] ).

Bij uitspraak op bezwaar van 24 januari 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Namens eiseres is verschenen haar bestuurder [naam bestuurder] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres.

Verweerder is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde verweerder 1] [gemachtigde verweerder 2] en [gemachtigde verweerder 3] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Namens eiseres is op 16 december 2014 een aanvraag gedaan voor een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen (voorheen genoemd: een aanvraag voor een bouwvergunning) van “ [naam bouwwerk] ”, een overdekte bazaar met winkelunits, horeca- en parkeervoorzieningen op het perceel [straat a] te Winschoten, alsmede het realiseren van parkeervoorzieningen aan [straat b] te Winschoten. Eiseres heeft hierbij aangegeven dat de totale bouwkosten € 20.000.000 (exclusief btw) bedragen.

1.2.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt (het College) heeft bij besluit van 22 december 2015 de door eiseres gevraagde vergunning verleend. Bij uitspraak van 5 oktober 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het voornoemde besluit van het College vernietigd (ECLI:NL:RVS:2016:2651).

1.3.

Bij legesfactuur van 26 februari 2016 (hierna ook: aanslag leges 2015) zijn door verweerder aan eiseres leges opgelegd ten bedrage van € 412.828, 80, gebaseerd op de door eiseres bij de aanvraag opgegeven totale bouwkosten van € 20.000.000 (exclusief btw), in verband met het in behandeling nemen van de aanvraag van de omgevingsvergunning.

1.4.

Bij e-mail van 2 maart 2016 (die verweerder heeft opgevat als bezwaarschrift tegen de hoogte van de totale bouwkosten) heeft eiseres aangegeven dat zij niet akkoord gaat met de legeskosten, omdat de totale bouwkosten lager zijn dan € 20.000.000. Op 14 april 2016 heeft eiseres aangegeven dat de werkelijke totale bouwkosten € 13.211.363 bedragen. Bij brief van 22 juni 2016 heeft verweerder eiseres gemeld dat er een herberekening heeft plaatsgevonden (door een tweetal ambtenaren van het Team Vergunningen Toezicht en Handhaving van de gemeente Oldambt) waaruit een bedrag aan bouwkosten is bepaald van (afgerond) € 30.000.000. Bij brief van 23 augustus 2016 heeft eiseres het bezwaarschrift aangevuld met een nadere onderbouwing (een begroting) van de totale bouwkosten, waarin deze zijn bepaald op € 13.286.000. Begin 2017 heeft de gemeente een second opinion laten uitvoeren (bij een onafhankelijk bouwkostenadviesbureau) waarin de totale bouwkosten op € 31.505.712 zijn beraamd.

1.5.

In de uitspraak op bezwaar van 24 januari 2018 is in het dictum het volgende vermeld:

“Uitspraak

Op grond van het bovenstaande verklaar ik uw bezwaar tegen de hoogte van de bouwkosten voor de opgelegde aanslag 2015 met aanslagnummer 1906417 ongegrond. De bouwkosten blijven ongewijzigd op € 20.000.000.

De opgelegde aanslag leges 2015 wordt gehandhaafd.

Ambtshalve vermindering

De aanslag leges is op 20 december 2017 ambtshalve verlaagd.

Het college heeft met gebruikmaking van artikel 63 van de Wet op de rijksbelastingen juncto artikel 231 gemeente wet gebruik gemaakt van de bevoegdheid om het legesbedrag voor het in behandeling nemen van de aanvraag van [eiseres] van 16 december 2014, aanslagnummer 1906417, te verlagen van € 412.828,80 naar € 50.000. Hierbij is aansluiting gezocht bij de op 18 december 2017 vastgestelde tarieventabel bij de “Legesverordening Oldambt 2018”

1.6.

Verweerder heeft met een verminderingsnota van 20 december 2017 uitvoering gegeven aan het voornoemde besluit van het College.

1.7.

De gemeenteraad van de gemeente Oldambt heeft op 13 december 2013 de "Verordening op de heffing en de invordering van leges 2014" (verder: de Legesverordening Oldambt 2014) vastgesteld. Daarin is onder meer - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

“Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:

a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten; (…)

Artikel 6. Maatstaven van heffing en tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(…)

Artikel 11. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges.

(…).”

1.8.

De gemeenteraad van de gemeente Oldambt heeft eveneens op 13 december 2013 de “Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening Oldambt 2014” (verder: de Tarieventabel 2014) vastgesteld. In de Tarieventabel 2014 is ten aanzien van gemeentelijke taken uit hoofde van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO-taken), waaronder begrepen aanvragen omgevingsvergunningen, onder meer het volgende bepaald:

“2 1.1.2 bouwkosten:

de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen. (…)

Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

2.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd. (…)

1.9.

In de tarieventabel behorende bij de Legesverordening Oldambt 2018, beide vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2017, is een nieuw artikel aan Hoofdstuk 5 Teruggaaf toegevoegd, welk artikel luidt als volgt:

2.5.22 Indien de vergunning is vernietigd door de Raad van State bedraagt de teruggaaf 75% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. Het maximaal verschuldigde bedrag zal niet meer dan € 50.000,- bedragen.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is niet in geschil dat in de - hier van toepassing zijnde - Legesverordening Oldambt 2014 en bijbehorende Tarieventabel 2014 geen regeling is opgenomen die ziet op teruggave van (een gedeelte van) de betaalde leges in het geval een verleende vergunning wordt vernietigd door de Raad van State. Deze regeling is eerst opgenomen in de Legesverordening Oldambt 2018 (zie hiervóór onder 1.9). Voorts is tussen partijen niet in geschil dat verweerder de aanvraag van eiseres in behandeling heeft genomen, zodat het belastbare feit (zie hiervóór onder 1.7) zich heeft voorgedaan. Daarvoor zijn - in principe - terecht leges in rekening gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding partijen niet te volgen in deze rechtsopvattingen.

3.1.

Namens eiseres zijn - samengevat - de volgende beroepsgronden naar voren gebracht:

- Het bestreden besluit is genomen in strijd met de hoorplicht van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ondanks dat eiseres niet heeft verzocht te worden gehoord, had het initiatief voor het horen bij verweerder moeten liggen.

- Het College heeft ten onrechte geen gebruik gemaakt van artikel 11 van de Legesverordening 2014 om in dit specifieke geval de leges te verlagen of op nihil te zetten.

- De ambtshalve vermindering van de leges tot een bedrag van € 50.000 is onvoldoende gemotiveerd. Nu de vergunning door de Raad van State is vernietigd, kan geen sprake zijn van leges.

- Eiseres betwist de uitkomst van de bouwkostenraming van verweerder en de uitkomst van de second opinion. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bouwkosten € 13.286.000 moeten zijn.

- Eiseres stelt dat het dictum van de uitspraak op bezwaar van 24 januari 2018 onjuist, dan wel onduidelijk is.

3.2.

Verweerder stelt - samengevat - dat de leges op de juiste gronden zijn opgelegd, dat de bouwkosten niet te hoog zijn vastgesteld en dat niet gehandeld is in strijd met het motiveringsbeginsel.

De rechtbank

4.1.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift overweegt de rechtbank ambtshalve als volgt. In het onderhavige geval heeft verweerder de e-mail van eiseres (van [naam c] / [eiseres] ) van 2 maart 2016 aangemerkt als bezwaarschrift. Omdat het e-mailverkeer bij gemeentebelastingen van Oldambt niet is opengesteld voor bezwaarschriften, had verweerder eiseres in de gelegenheid moeten stellen het bezwaar op juiste wijze in te dienen (per brief of via het daartoe bestemde “Digitaal loket” van de gemeente). In het geval eiseres hieraan geen gevolg had gegeven, had verweerder het bezwaar in principe niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu verweerder in dit geval aan eiseres niet de mogelijkheid heeft geboden het verzuim te herstellen, merkt ook de rechtbank de e-mail aan als (tijdig ingediend) bezwaarschrift (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2548).

4.2.

Ten aanzien van zijn bevoegdheid overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraak op bezwaar van 24 januari 2018 is een besluit van verweerder, zijnde de heffingsambtenaar. Het besluit tot toepassing van de hardheidsclausule (om de leges te verminderen) is geen besluit van verweerder, maar een besluit van het College. Verweerder heeft met de verminderingsnota van 20 december 2017 (enkel) uitvoering gegeven aan het besluit van het College. De rechtbank overweegt dat het besluit van het College wel een ingevolge de belastingwet (artikel 231, eerste lid van de Gemeentewet in verbinding met artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: de AWR)) genomen besluit is, maar geen voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, van de AWR. Tegen een dergelijk besluit staat niet ingevolge enige bepaling van de belastingwet bezwaar en beroep open. Eiseres kan tegen het besluit van het College dan ook niet terecht bij de algemene bestuursrechter of de belastingrechter, maar bij de burgerlijke rechter.

4.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich in deze procedure onbevoegd verklaart om het beroep van eiseres gericht tegen het besluit van het College in behandeling te nemen. Dit brengt mee dat al hetgeen eiseres ten aanzien van dit besluit heeft aangevoerd, in deze procedure niet ter beoordeling van de rechtbank staat. De rechtbank zal alleen de door eiseres gerichte beroepsgronden tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder beoordelen.

4.4.

De stelling van eiseres dat helemaal geen leges verschuldigd zijn als een omgevingsvergunning door de Raad van State vernietigd is, vindt geen steun in het recht. Het belastbare feit betreft immers het “in behandeling nemen van een aanvraag”. De verwijzing ter zitting van de gemachtigde van eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (inzake een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan) treft geen doel.

4.5.

Ten aanzien van hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 7:2 van de Awb schrijft voor dat vóórdat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Artikel 25, lid 1, van de AWR bepaalt dat in afwijking van artikel 7:2 van de Awb slechts een hoorgesprek plaatsvindt indien een belanghebbende daarom verzoekt. In het onderhavige geval staat vast dat (de gemachtigde van eiseres heeft dit ter zitting bevestigd) namens eiseres niet is verzocht om te worden gehoord. De gemachtigde van eiseres heeft gesteld dat het initiatief voor het horen bij verweerder ligt en heeft in dit verband ter zitting verwezen naar een besluit van de staatssecretaris van Financiën, laatstelijk gewijzigd op

9 mei 2017, nr. 2017-1209, Stcrt. 2017, 28270, paragraaf 9. Dit betoog treft echter geen doel, omdat genoemd besluit, zoals de rechtbank ook ter zitting aan de gemachtigde van eiseres heeft meegedeeld, ziet op Rijksbelastingen en niet op gemeentelijke heffingen, zoals hier aan de orde. De beroepsgrond faalt.

4.6.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft overgelegd aannemelijk heeft gemaakt dat de gehanteerde bouwkosten van € 20.000.000 waarop de leges zijn gebaseerd in ieder geval niet te hoog zijn bepaald. De door eiseres overgelegde stukken ten aanzien van de totale bouwkosten met als uitkomst € 13.286.000 (de begroting) acht de rechtbank onvoldoende inzichtelijk. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent het rapport van het extern adviesbureau dat verweerder heeft ingeschakeld (de second opinion), namelijk dat deze in strijd zou zijn met artikel 3:8, 3:9 of 3:49 van de Awb, acht de rechtbank minder relevant. Verweerder had immers al een herberekening laten uitvoeren door twee ambtenaren van het Team Vergunningen Toezicht en Handhaving van de gemeente Oldambt, waarbij een bedrag aan bouwkosten is bepaald van (afgerond)

€ 30.000.000, en die is vastgesteld aan de hand van het normenboek “Basisbedragen gebouwen 2013” van het Nederlands Bouwkosten Instituut (NBI). Het is de rechtbank niet gebleken dat de herberekening onjuist zou zijn bepaald. De second opinion van 7 februari 2017 (waarin de bouwkosten zijn bepaald op € 31.505.712) is door verweerder slechts aangedragen ter onderbouwing van die herberekening, of zoals verweerder ter zitting heeft verklaard: “om alle onzekerheid weg te nemen”. De beroepsgrond slaagt niet.

4.7.

De rechtbank volgt eiseres tot slot niet in haar stelling dat het dictum (zie hiervóór onder 1.5.) onjuist dan wel onduidelijk zou zijn. In de uitspraak op bezwaar staat dat het bezwaar ongegrond is voor zover dit ziet op de hoogte van de bouwkosten van € 20.000.000. Verder heeft verweerder, onder een andere koptekst, in de uitspraak op bezwaar vermeld dat de leges op 20 december 2017 ambtshalve zijn verlaagd tot € 50.000. De rechtbank acht dit niet onjuist, dan wel onduidelijk, richting eiseres. De beroepsgrond faalt.

5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 24 januari 2018 ongegrond is en dat de rechtbank onbevoegd is voor zover het betreft het beroep tegen de ambtshalve verlaging.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover dit ziet op de ambtshalve verlaging;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van R.H. Wolfslag, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.