Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5103

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
18-109950-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor grooming en voor het tonen van een aanstootgevende afbeelding aan een minderjarige.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf opgelegd van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk en daaraan gekoppeld diverse bijzondere voorwaarden.

Daarnaast heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van 180 dagen gevangenisstraf.

Tot slot is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 500,- bestaande uit immateriële schade.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 240
Wetboek van Strafrecht 248e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-109950-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/830301-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 december 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

29 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 5 november 2016 tot en met 20 november 2016, te Winschoten en/of te Stadskanaal, (althans) in het arrondissement Noord Nederland, (telkens) met gebruikmaking van een communicatiedienst (te weten via het sturen van what's app berichten met een telefoon), [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2002), van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen, terwijl hij (een) handeling(en) heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, immers heeft hij, verdachte (telkens):
- die [slachtoffer] gevraagd om af te spreken en/of gezegd dat hij die [slachtoffer] wel op kan halen (bij diens vader) en/of
- tegen [slachtoffer] gezegd dat hij haar en haar nichtje wel op kan halen op zondagmiddag bij het zwembad en/of
- die [slachtoffer] gevraagd of hij haar kutje vol mag spuiten en/of of zij hem wil pijpen achter het stuur en/of
- die [slachtoffer] gevraagd of het nichtje van die [slachtoffer] ook weleens iets met hun wil doen en/of
- die [slachtoffer] gevraagd of zij haar nichtje al eens heeft gevingerd of gebeft en/of
- aan die [slachtoffer] gevraagd of hij degene die gebeft wordt zal gaan neuken en/of
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij het nichtje kunnen leren hoe ze het beste kan beffen, vingeren, aftrekken en pijpen en/of
- aan die [slachtoffer] gevraagd of hij, verdachte, mag filmen en/of
- aan die [slachtoffer] gevraagd of haar kutje al kaal is en/of
- aan die [slachtoffer] gevraagd of ze haar BH en string uit kan laten en/of
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij benieuwd is hoe ze (doelend op het nichtje van die [slachtoffer] ) het vindt om geneukt te worden en/of dat het wel kan zijn dat haar kontje pijn doet en/of dat hij wel glijmiddel heeft en er eerst een dildo in kan en/of
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij niks bij haar kutje zal doen als zij ongesteld is en/of
- zich begeven naar de afgesproken plaats en/of aangegeven dat hij staat te wachten op de parkeerplaats (bij het zwembad);

2.
hij op of omstreeks 4 november 2016, te Winschoten en/of te Stadskanaal, (althans) in het arrondissement Noord Nederland, een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, zijnde een foto van zijn ontblote penis, heeft vertoond aan een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2002), van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 en 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat er geen sprake is van oogmerk. Er hebben geen seksuele handelingen plaatsgevonden tussen aangever en het slachtoffer, terwijl die gelegenheid er wel is geweest. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte pas vanaf zijn bezoek aan de ouders van het slachtoffer wist dat zij nog geen 16 jaar oud was. Dit bezoek was eind oktober 2016. Daarnaast kan niet worden vastgesteld van welke datum de foto's van het slachtoffer zijn die in het dossier zitten. Dit brengt mee dat ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde periode niet kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Ook van feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken. Blijkens pagina 7 van het proces-verbaal van de politie is de foto verzonden op 4 januari 2016 en niet op 4 november 2016.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 29 november 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik [slachtoffer] de seksueel getinte berichten heb gestuurd die in het dossier zitten.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2016 opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016331243 d.d. 21 november 2017, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Mijn dochter is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2002.

Ongeveer anderhalf, twee maanden geleden is [verdachte] bij ons thuis geweest.

Ik weet dat [slachtoffer] op zondag 20 november [verdachte] heeft ontmoet. Ik wil niet dat [slachtoffer] en [verdachte] persoonlijk contact hebben.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. , inhoudende de relatering van verbalisanten, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier:
Op 12 december 2016 kwam moeder [getuige] samen met [slachtoffer] volgens afspraak op het politiebureau in Winschoten. [slachtoffer] vertelde dat [verdachte] bij haar thuis was geweest en had gesproken met haar moeder en stiefvader. Haar moeder had in dit gesprek aangegeven dat zij het niet normaal vond dat een oudere man met haar dochter van 13 jaar omging.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van appgesprekken, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

5 november 2016. [verdachte] : En waar moet ik je dan ophalen. Anders ga je bij je vader aan het einde van dat doodlopende straatje staan. Kun je aan een kruising met de [straatnaam] gaan staan.

18 november 2016. [verdachte] : Denk je dat je zondagmiddag of zondagavond iets met haar kunt doen buiten zodat ik jullie kan ophalen? Of dat je eerst met haar gaat zwemmen en dat ik jullie ophaal bij het zwembad.

5 november 2016. [verdachte] : Mag ik je kutje volspuiten?
5 november 2016. [verdachte] : Lekker, misschien pijpen achter het stuur?
18 november 2016: [verdachte] : Zal ik eens heel voorzichtig kijken of [naam] wel eens een keer iets met ons zou willen doen?
18 november 2016. [verdachte] : Maar nog nooit iets met haar gedaan? Maar vingeren en beffen zou je wel willen doen toch?
19 november 2016. [verdachte] : Zal ik diegene neuken die aan het beffen is?
19 november 2016. [verdachte] : We kunnen haar dan ook beter alles gelijk leren. Hoe ze het beste kan beffen, vingeren, aftrekken en pijpen.
19 november 2016. [verdachte] : Zou je het erg vinden als ik morgen wat dingen ga filmen wat wij allemaal gaan doen?
19 november 2016. [verdachte] : Kutje ook al kaal?
19 november 2016. [verdachte] : Misschien kun je morgen naar mij wel je bh en string uitlaten?
19 november 2016. [verdachte] : Ben benieuwd hoe ze het vindt om geneukt te worden. Kan wel zijn dat in haar kontje pijn doet. Ik heb wel glijmiddel, en gaan we eerst even met dildo enzo erin.
20 november 2016. Vandaag kan helaas niet doorgaan, omdat ik ongesteld ben geworden. [verdachte] : dan doen we niets bij jouw kutje.
20 november 2016. [verdachte] : Ben er. Sta op parkeerplaats.

5. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 19 september 2017, opgenomen op pagina 171 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte:

Toen ik de moeder van [slachtoffer] ontmoette, zei die moeder dat [slachtoffer] 14 of 15 was.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Het in artikel 248 e Sr genoemde oogmerk moet gericht zijn op het (willen) plegen van ontuchtige handelingen, waarbij niet vereist is dat het plegen zich heeft voltrokken. Gelet op de inhoud van de talrijke seksueel getinte Whatsapp-gesprekken die verdachte met het slachtoffer heeft gevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat verdachte oogmerk had op het verrichten van de in de tenlastelegging genoemde seksuele handelingen.

Voorts blijkt uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen dat verdachte voorafgaand aan de ten laste gelegde periode wist dat het slachtoffer de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. Uit de aangifte volgt dat verdachte in de periode tussen 7 oktober en 21 oktober 2016 bij het slachtoffer thuis is geweest en haar moeder heeft ontmoet. Verdachte heeft verklaard dat de moeder van het slachtoffer hem tijdens de bedoelde ontmoeting verteld heeft dat het slachtoffer 14 of 15 jaar oud was.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 november 2018;

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van appgesprekken, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend een foto verstuurd door verdachte op 4 november 2016.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 5 november 2016 tot en met 20 november 2016, te Winschoten en/of te Stadskanaal, telkens met gebruikmaking van een communicatiedienst (te weten via het sturen van WhatsApp berichten met een telefoon), [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2002), van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen, terwijl hij een handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, immers heeft hij, verdachte (telkens):
- die [slachtoffer] gevraagd om af te spreken en gezegd dat hij die [slachtoffer] wel op kan halen (bij diens vader) en
- tegen [slachtoffer] gezegd dat hij haar en haar nichtje wel op kan halen op zondagmiddag bij het zwembad en
- die [slachtoffer] gevraagd of hij haar kutje vol mag spuiten en of zij hem wil pijpen achter het stuur en
- die [slachtoffer] gevraagd of het nichtje van die [slachtoffer] ook weleens iets met hen wil doen en
- die [slachtoffer] gevraagd of zij haar nichtje al eens heeft gevingerd of gebeft en
- aan die [slachtoffer] gevraagd of hij degene die gebeft wordt zal gaan neuken en
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij het nichtje kunnen leren hoe ze het beste kan beffen, vingeren, aftrekken en pijpen en
- aan die [slachtoffer] gevraagd of hij, verdachte, mag filmen en
- aan die [slachtoffer] gevraagd of haar kutje al kaal is en
- aan die [slachtoffer] gevraagd of ze haar BH en string uit kan laten en
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij benieuwd is hoe ze (doelend op het nichtje van die [slachtoffer] ) het vindt om geneukt te worden en dat het wel kan zijn dat haar kontje pijn doet en dat hij wel glijmiddel heeft en er eerst een dildo in kan en
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij niks bij haar kutje zal doen als zij ongesteld is en
- zich begeven naar de afgesproken plaats en aangegeven dat hij staat te wachten op de parkeerplaats (bij het zwembad);

2.
hij op 4 november 2016, te Winschoten en/of te Stadskanaal, een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, zijnde een foto van zijn ontblote penis, heeft vertoond aan een minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2002), van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, welk voorstel tot ontmoeting is gevolgd door enige handeling gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting.

2. Wetende dat een afbeelding aanstotelijk voor de eerbaarheid is en die afbeelding aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie te fors is, gelet op de strafmaxima die voor de ten laste gelegde feiten gelden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Gelet daarop en gelet op de huisvesting en het werk van verdachte, ligt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet in de rede. Verdachte kan zich vinden in de geadviseerde bijzondere voorwaarden, maar die voorwaarden zijn zinloos wanneer verdachte zich daaraan moet houden na ommekomst van een lange detentie. De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een forse onvoorwaardelijke taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als volwassen man via WhatsApp contact gehad met het destijds dertienjarige slachtoffer en zich vervolgens schuldig gemaakt aan grooming. Verdachte zocht en hield contact met het slachtoffer, ook nadat hij op de hoogte was gekomen van de jonge leeftijd van het slachtoffer (die hij overigens naar aanleiding van de inhoud van hun contacten voordien ook had kunnen vermoeden en had moeten checken). De uitgewisselde berichten waren seksueel getint. Verdachte heeft daarnaast een afspraak gemaakt met het slachtoffer om haar te ontmoeten met de bedoeling om ontuchtige handelingen met haar te plegen. Op 20 november 2016 heeft verdachte zich begeven naar de afgesproken plek. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij had als gevolg van het grote leeftijdsverschil, van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem had en tot slot van haar kwetsbaarheid, gezien haar zeer jeugdige leeftijd en eerdere traumatische ervaringen die verdachte met haar heeft besproken. Verdachte heeft bij dit alles zijn eigen belangen vooropgesteld. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten vaak lange tijd en op diverse leefgebieden de negatieve gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen.

Verdachte heeft daarnaast een afbeelding van zijn ontblote geslachtsdeel aan het slachtoffer gestuurd, terwijl zij daar niet om had gevraagd. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de vrijheid van de –naar verdachte bekend was- jeugdige ontvanger van de afbeelding om geen kennis te nemen van dergelijke aanstootgevende afbeeldingen.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 31 oktober 2018, opgemaakt door J.M. de Jonge, GZ-psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een parafilie, te weten hebefilie. Dit houdt in dat verdachte zich (seksueel) aangetrokken voelt tot en masturbeert naar aanleiding van contact met meisjes die zich aan het ontwikkelen zijn tot vrouwen. Deze seksuele drang heeft geleid tot lijdensdruk en interpersoonlijke moeilijkheden (justitie, behandeling). Geadviseerd wordt verdachte het ten laste gelegde, indien schuldig bevonden, verminderd toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met dit advies verenigen, gelet op de onderbouwing daarvan, en neemt dit over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, te weten grooming en het in het bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen. Verdachte is bovendien binnen

de proeftijd van de naar aanleiding van die feiten aan hem opgelegde voorwaardelijke straf gerecidiveerd.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur.

Hoewel er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf wel gelet op het tijdsverloop in deze zaak.

De reclassering heeft aangegeven dat wanneer verdachte zich eenzaam voelt, hij behoefte heeft aan het zoeken van (seksueel geladen) contacten op internet. Wanneer daar contacten met meisjes vanaf de (beginnende) puberteit en adolescenten ontstaan, wordt betrokkene daar sterk toe aangetrokken. Hij raakt daarbij seksueel geprikkeld en voelt zich gehoord, gewaardeerd en gezien, waarmee zijn eenzaamheid naar de achtergrond verdwijnt. Hij is onvoldoende in staat zichzelf dan een halt toe te roepen.

De reclassering en de psycholoog adviseren het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij reclassering en een ambulante behandeling gericht op onder andere seksualiteit. Tot slot moet verdachte medewerking verlenen aan de controle van zijn gegevensdragers.

Verdachte is recent, op 22 juni 2015, veroordeeld voor een vergelijkbaar feit en heeft toen in het kader van bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling opgelegd gekregen. Niettemin heeft hij zich opnieuw ingelaten met een minderjarige, terwijl verdachte met dat contact seksuele bedoelingen had. Kennelijk was de eerder opgelegde behandeling, alsmede de voorwaardelijke straf, niet afdoende. De rechtbank zal verdachte daarom naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Hieraan zal de rechtbank de door de reclassering en psycholoog geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, zoals opgenomen in het dictum.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het duidelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden, nu er sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Daarnaast stelt de raadsman dat er bij het slachtoffer al sprake was van problematiek voorafgaand aan het ten laste gelegde, waardoor het causaal verband tussen dit gebeuren en de schade niet kan worden vastgesteld.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van dergelijke ernstige psychische gevolgen. Het gaat om een jong en kwetsbaar slachtoffer. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de uit het schadeonderbouwingsformulier blijkende gevolgen die het ten laste gelegde voor dit slachtoffer heeft gehad.

De rechtbank ziet evenwel onvoldoende onderbouwing voor de hoogte van het gevorderde bedrag en zal de te vergoeden schade daarom in redelijkheid en billijkheid bepalen op € 500,-.

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook toe tot een bedrag van € 500,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 november 2016.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 22 juni 2015 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 183 dagen met aftrek waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 2 november 2015. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 31 oktober 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om deze gevangenisstraf slechts gedeeltelijk ten uitvoer te leggen en/of om deze gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

In hetgeen de raadsman daartoe heeft aangevoerd (over de persoonlijke omstandigheden van verdachte) ziet de rechtbank hiertoe geen aanleiding.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 240 en 248 e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk op uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering te Groningen bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering te Groningen gedurende deze periode nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van de AFPN of een vergelijkbare instelling in het forensisch circuit, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, welke behandeling gericht is op mogelijke delictscenario's, zijn eigen handelen (coping), seksualiteit en psychologisch emotionele beperkingen, zolang de AFPN of vergelijkbare instelling dit noodzakelijk acht. Ook werkt veroordeelde mee aan de vervolgbegeleiding indien dit noodzakelijk wordt geacht.

3. dat de veroordeelde zich onthoudt, op welke wijze dan ook, van:

* het op digitale wijze met een seksuele intentie communiceren met kinderen

* gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen

* gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd,

waarbij de veroordeelde medewerking verleent aan de controle van zijn gegevensdragers via de reclassering, indien door hen nodig geacht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/109950-18, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/830301-14

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen

d.d. 22 juni 2015, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mrs. M.J.B. Holsink en

C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 december 2018.

Mr Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.