Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5102

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
18/720008-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, onder andere samen met haar man, meerdere keren een grote hoeveelheid hennepplanten aanwezig gehad. In de schuur was een ruimte afgetimmerd en ingericht als hennepkwekerij. De politie trof 337 hennepplanten aan. Verdachte was verslaafd aan harddrugs en had daarvoor veel geld nodig. De rechtbank legt verdachte een voorwaardelijke taakstraf op met een aantal voorwaarden waar zij zich gedurende de proeftijd van drie jaar aan moet houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720008-18

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Terpstra, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 19 juni 2017,

althans op 19 juni 2017, te [pleegplaats], in de gemeente Opsterland, in elk

Noord-Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan of bij de [straatnaam]

aldaar, (telkens) (in totaal) (ongeveer) 337 hennepplanten, althans

(telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval

(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

zulks terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) voormeld telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren heeft/hebben gepleegd in de uitoefening van een

beroep of bedrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte veroordeeld zal worden voor het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt omdat verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tot stand komen van de hennepkwekerij. Aan het enkele zich niet distantiëren moet niet te veel waarde worden gehecht volgens jurisprudentie van de Hoge Raad.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank acht de rol van verdachte bij de hennepkwekerij te gering om te komen tot een veroordeling voor het medeplegen van het ten laste gelegde telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten. Resteert het ten laste gelegde (meermalen) aanwezig hebben van 337 hennepplanten.

Verdachte woonde in de ten laste gelegde periode samen met haar echtgenoot en medeverdachte [medeverdachte 1], in een koopwoning aan de [straatnaam] in [pleegplaats]. Op het erf stond de schuur waarin de ten laste gelegde hennepkwekerij was gevestigd. Verdachte en haar man waren samen eigenaar van de schuur. Verdachte heeft verklaard dat zij tevoren wist dat er een hennepkwekerij in de schuur zou worden aangelegd en ingericht. Verdachte wist dat haar man in de hennepkwekerij werkte. Verdachte kende ook de persoon met wie haar man samenwerkte, [medeverdachte 2]. Verdachte is ook zelf wel in de hennepkwekerij geweest.

Hieruit blijkt dat verdachte van alle aspecten rond de hennepkwekerij op de hoogte was en dat zij, als mede-eigenaar van de schuur, de vrije toegang had tot de hennepkwekerij en daarmee ook tot de hennepplanten. Mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 29 mei 2018 (ECLI:NL:2018:787) komt de rechtbank tot het oordeel dat er ten aanzien van verdachte sprake is geweest van het medeplegen van het (meermalen) aanwezig hebben van hennepplanten.

De bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 14 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

In de periode van 1 oktober 2016 tot en met 19 juni 2017 is er een hennepkwekerij geweest in de schuur die op het erf stond bij de door mijn man en mij bewoonde woning aan de [straatnaam] in [pleegplaats]. Mijn man, [medeverdachte 1], heeft zelf de kwekerij aangelegd en ingericht. Ik wist van te voren dat hij dat zou gaan doen. Mijn man heeft ook zelf de hennepplanten verzorgd. Ik ben ook zelf wel in de schuur in de ruimte met de hennepkwekerij geweest. Mijn man en ik waren samen eigenaar van die schuur. Ik kende [medeverdachte 2] en wist dat hij met mijn man samenwerkte.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 juni 2017, opgenomen op pagina 1099 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017040913 d.d. 5 november 2017, inhoudende als verklaring van verbalisant:

Op 19 juni 2017 stelde ik een onderzoek in op het adres [straatnaam], [pleegplaats], binnen de gemeente Opsterland. Volgens het GBA staan op dat adres ingeschreven [verdachte] en [medeverdachte 1]. Ik ben naar de schuur gegaan. Ik verbalisant rook de voor mij ambtshalve bekende hennepgeuren. Ik verbalisant zag in het plafond een afgetimmerd luik zitten en vroeg aan verdachte [medeverdachte 1] of zich daarboven een hennepkwekerij bevond.

[medeverdachte 1] antwoordde dat er zich inderdaad een hennepkwekerij op zolder bevond. Ik, verbalisant klom een trap op en zag achter een deur een professionele, in werking zijnde, hennepkwekerij. Ik zag dat de ruimte vol stond met hennepplanten. In totaal stonden er 337 hennepplanten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 juni 2017, opgenomen op pagina 1196 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

V: [verdachte] geeft aan dat ze wel eens in de hennep kwekerij is geweest, hoe zit dat?

A: Dat zou kunnen, ze had een sleutel.

V: Sinds wanneer zit er een hennepkwekerij bij jullie in de schuur?

A: Nadat de sauna en zo klaar waren, is er begonnen met de hennepkwekerij. Dat is in het voorjaar van 2016 geweest. Na de zomer zijn de eerste planten er in gekomen.

V: Wie heeft het initiatief genomen om een hennepkwekerij te beginnen?

A: Dat is samen gegaan met [medeverdachte 2].

A: [medeverdachte 2] kwam met het voorstel en ik had er wel oren naar gezien mijn situatie.

V: Hoe wist je wat je moest hebben en hoeveel je ergens van moest hebben?

A: Dat hoorde ik van [medeverdachte 2] en [naam].

V: Hoe vaak ben je in de kwekerij geweest?

A: Elke dag om te kijken. Ik deed ook de verzorging.

V: Werd je geholpen met het onderhouden van je kwekerij?

A: Ja door [medeverdachte 2].

V: Wat voor werkzaamheden deed hij?

A: Hij gaf advies, gaf voeding en vertelde mij wat ik moest doen.

V: Hoeveel planten had je staan?

A: ongeveer 300 planten.

A: Ik kreeg de stekken via [medeverdachte 2].

V: Hoe vaak hebben jullie geoogst?

A: 2 keer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 19 juni 2017, te [pleegplaats], in de gemeente Opsterland, meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan of bij de [straatnaam] aldaar, telkens ongeveer 337 hennepplanten, althans telkens een groot aantal hennepplanten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde 'aanwezig hebben' wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot een eventueel op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, onder andere samen met haar man, meerdere keren een grote hoeveelheid hennepplanten aanwezig gehad. In de schuur was een ruimte afgetimmerd en ingericht als hennepkwekerij. De politie trof in die ruimte 337 hennepplanten aan. Verdachte was in die periode verslaafd aan harddrugs en had daarvoor veel geld nodig; geld dat zij hoopte te verdienen met de hennepkwekerij. Verdachte, die tot nu toe onbekend was bij politie en justitie, heeft hiermee duidelijk een verkeerde keuze gemaakt. Oplegging van een taakstraf zoals geëist is een passende bestraffing.

Uit het rapport van de reclassering komt naar voren dat verdachte hulp heeft gezocht bij Verslavingszorg Noord Nederland en dat zij sinds januari geen harddrugs meer gebruikt. Verdachte heeft complexe psychische en lichamelijke problemen en het is onzeker of zij weer aan het werk kan. De rechtbank ziet in de informatie over de persoon van verdachte redenen om de taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, met daarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 120 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Verslavingszorg Noord Nederland op het adres Oostergoweg 6 te Leeuwarden en dat zij zich daarna zal blijven melden zolang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zal meewerken aan een behandeling voor haar middelenproblematiek en psychische/psychiatrische problematiek bij Verslavingszorg Noord Nederland of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde geen drugs zal gebruiken zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en dat zij zal meewerken aan bloedonderzoek of urineonderzoek ter controle op dit verbod.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Koelman, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2018.

Mr. Bunk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.