Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5096

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
C/18/179789 / FA RK 17-3225
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag vader.

De minderjarige heeft niet onder toezicht gestaan en verblijft met toestemming/goedkeuring van de vader sinds zijn 6e jaar in een pleeggezin. De minderjarige functioneert op het niveau van een 2 jarige.

Omdat de vader niet bereikbaar en niet beschikbaar is voor de minderjarige en de vader niet in staat is gebleken blijvend de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen, wordt de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Vanaf het moment dat de minderjarige in het pleeggezin verblijft heeft de vader geen invulling meer gegeven aan zijn gezag. De vader is niet of nauwelijks bereikbaar. Er moeten belangrijke

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/179789 / FA RK 17-3225

datum uitspraak: 7 augustus 2018

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

regio Noord Nederland, locatie Groningen.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] , hierna te noemen de vader,

wonende/verblijvende op een onbekend adres,

[belanghebbende 2] , hierna te noemen de pleegmoeder,

wonende te [woonplaats] ,

[belanghebbende 3] , hierna te noemen de pleegvader,

wonende te [woonplaats] ,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),

gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 18 oktober 2017, ingekomen bij de griffie op 19 oktober 2017;

- de schriftelijke bereidverklaring tot voogdij van de GI, gedateerd 16 oktober 2017.

Op 7 augustus 2018 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de pleegouders,

- mevrouw [naam] namens de Raad,

- de heer [naam] namens de GI.

De minderjarige [minderjarige] is niet verschenen.


De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de vader.

[minderjarige] woont bij de pleegouders.

Het verzoek


De Raad heeft verzocht het gezag van de vader te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

De Raad heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De moeder van [minderjarige] is op 24 februari 2002 overleden. Hij woont vanaf zijn zesde jaar in het huidige (netwerk)pleeggezin. Hij heeft zich daar binnen zijn mogelijkheden kunnen ontwikkelen.

[minderjarige] heeft een verstandelijke beperking en een ontwikkelingsleeftijd van twee jaar. Ook is er bij hem een autismespectrumstoornis vastgesteld. [minderjarige] kan onvoorspelbaar agressief gedrag vertonen als hij zich niet begrepen voelt. Hij kan niet praten en communiceert door middel van pictogrammen.

Twee jaar geleden is er voor het laatst contact geweest tussen [minderjarige] en zijn vader. Het is, gezien de beperking van [minderjarige] , niet duidelijk of hij weet wie zijn vader is.

[minderjarige] heeft zich in de loop der jaren lichamelijk ontwikkeld in die zin dat hij een grote en sterke jongen is geworden. Hierdoor is de opvoeding van [minderjarige] door de pleegouders zwaarder geworden en voor hen niet langer te dragen. [minderjarige] logeert om het weekend een weekend in het logeerhuis, opdat de pleegouders ontlast worden. [minderjarige] heeft een dagbestedingsplek bij het KDC van NOVO, maar is gezien zijn leeftijd toe aan een dagbestedingsplek voor volwassenen.

Er dient duidelijkheid te komen over het woonperspectief van [minderjarige] . Het wonen in een residentiële zorginstelling sluit het beste bij de behoeften van [minderjarige] aan.

De vader van [minderjarige] kan vanwege zijn persoonlijke problemen geen rol spelen in het leven van [minderjarige] . Hij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats, geen stabiel leven en flinke schulden. Mogelijk is er sprake van verslavingsproblematiek van vader.

De vader heeft beperkt inzicht in de problematiek en de behoeften van [minderjarige] .

De vader is moeilijk bereikbaar voor de pleegouders. Er is geen frequent contact tussen hen.

Dit heeft tot gevolg dat voor [minderjarige] belangrijke zaken niet of pas na maanden geregeld kunnen worden vanwege het uitblijven van toestemming van de vader.

De vader heeft de zorg van [minderjarige] volledig toevertrouwd aan de pleegouders waardoor [minderjarige] is opgegroeid in een rustige en stabiele thuissituatie.

De vader heeft bovendien in het verleden in het belang van [minderjarige] toestemming gegeven voor een vervolgplek.

De vader is niet in staat voor [minderjarige] te zorgen. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet bij de vader.

De pleegouders zien [minderjarige] als hun eigen zoon. Zij kennen hem goed en sluiten op bewonderenswaardige wijze op hem aan. [minderjarige] heeft bij de pleegouders een stabiele, betrouwbare en veilige omgeving. Hij mag zijn wie hij is en het belang van [minderjarige] staat bij de pleegouders voorop.

De pleegouders willen niet dat [minderjarige] van de ene naar de andere zorginstelling verhuist en vinden het in het belang van [minderjarige] dat hij een stabiele woon- en dagbestedingsplek voor de lange termijn krijgt.

De vader is niet bereikbaar waardoor er geen vervolgplek voor [minderjarige] geregeld kan worden en daarom is het niet in het belang van [minderjarige] dat de vader belast blijft met het gezag over hem.

In de onderhavige situatie ligt het voor de hand de pleegouders te belasten met de voogdij over [minderjarige] , maar zij hebben aangegeven dat zij dat niet wensen vanwege de complexiteit.

Het benoemen van de GI tot voogd zal de pleegouders ontlasten met betrekking tot het regelen van zaken omtrent hem. Het perspectief van [minderjarige] is onzeker en hij zal aangewezen zijn op gespecialiseerde zorg. Een GI heeft meer zicht op de verschillende mogelijkheden voor [minderjarige] .

De Raad concludeert dat [minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd omdat de vader geen uitvoering aan zijn gezag over [minderjarige] geeft en daardoor voor [minderjarige] belangrijke zaken niet geregeld kunnen worden.

Het perspectief van [minderjarige] op het gebied van wonen en dagbesteding ligt in een residentiële zorginstelling en niet bij de vader, maar ook niet langer in het pleeggezin nu de pleegouders aangeven dat het voor [minderjarige] tijd is voor een volgende stap.

De vader is vanwege zijn persoonlijke problematiek en gebrek aan inzicht in de behoeften van [minderjarige] , niet in staat gebleken om de verantwoordelijkheid in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.

Standpunt van de pleegouders

De pleegouders zien [minderjarige] als hun zoon en behandelen hem ook als zodanig. De pleegouders hebben hulp nodig bij de beslissingen die voor [minderjarige] genomen moeten worden. Ook na zijn 18de jaar blijft hij hun zoon. De pleegouders hopen dat [minderjarige] bij Visio de Brink in Vries geplaatst kan worden.

Standpunt van de GI

Voor plaatsing van [minderjarige] in Nieuw Woelwijk is de wachtlijst erg lang. [minderjarige] kan geplaatst worden bij Visio de Brink in Vries. Deze plaatsing sluit aan op zijn problematiek.

De GI is bereid om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

De beoordeling


Ingevolge artikel 1:266, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) – voor zover hier van belang - kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. Ingevolge artikel 1:267, eerste lid, BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie.

Reikwijdte artikel 1:266 BW

De voorvraag doet zich voor of de Raad op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW een verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader kan doen in een situatie als de onderhavige (waarin geen sprake is van een ondertoezichtstelling en/of een machtiging tot uithuisplaatsing, en) waarin de Raad op grond van artikel 1:253r, lid 2 BW, in samenhang met artikel 1:253q BW, een verzoek tot tijdelijke voogdij bij de rechtbank had kunnen indienen. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag (bevestigend) te worden beantwoord. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:266 BW volgt het volgende. Ter vereenvoudiging van de kinderbeschermingsmaatregelen is de maatregel tot beëindiging van het gezag geïntroduceerd. Deze maatregel vervangt de maatregelen van ontheffing en ontzetting uit het ouderlijk gezag. In de grond van de maatregel tot beëindiging van het gezag zijn de ongeschiktheid of onmacht om de minderjarige naar behoren op te voeden vervat (was de grond voor de ontheffing), alsmede het misbruik van het gezag en de ernstige verwaarlozing van de verzorging en opvoeding (was de grond voor de ontzetting). Een belangrijk verschil met de gronden voor de ontheffing uit het gezag is dat de instemming van de ouder met de beëindiging van het ouderlijk gezag niet langer is vereist. Een ontheffing tegen de wil van de ouders was voor de invoering van de maatregel tot beëindiging van het gezag slechts mogelijk na, kort gezegd, een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of een gedwongen uithuisplaatsing van meer dan anderhalf jaar. Door de wijziging kan ook in situaties waarin het al bij de aanvang van het kinderbeschermingstraject duidelijk is dat de ouder niet in staat zal zijn de opvoedingsverantwoordelijkheid binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn op zich te nemen, tegen de wil van ouders het gezag worden beëindigd (kamerstukken II 2008/2009, 32015, 3, p.11 (MvT).

Voor het beëindigen van het gezag op de voet van artikel 1:266 BW is vereist dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en daarnaast dat de betreffende ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn te dragen of de ouder het gezag misbruikt. IJkpunt voor de aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder verdergaande ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen over in welk gezin hij zal opgroeien (kamerstukken II 2008/2009, 32015, 3, p.34 (MvT).

Het doel van de jeugdbescherming is te waarborgen dat de minderjarige opgroeit in een opvoedings- en leefsituatie waarin hij zich op een gezonde en evenwichtige wijze kan ontwikkelen. Het gaat daarbij om alle aspecten van de ontwikkeling van een kind tot volwassene: de fysieke, psychische, emotionele en morele. De ouders zijn als eersten verantwoordelijk om de voorwaarden te scheppen voor een optimale ontwikkeling van hun kinderen. Naast deze vrijheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden naar eigen inzicht staat de plicht van de overheid om kinderen te beschermen tegen aantasting van hun lichamelijke en geestelijke integriteit, waaronder kindermishandeling. Het is belangrijk om tussen de vrijheid van ouders en de verantwoordelijkheid van de overheid de juiste balans te vinden (kamerstukken II 2008/2009, 32015, 3, p. 7 (MvT).

Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet zonder meer dat de wetgever bij de invoering van de nieuwe kinderbeschermingsmaatregelen ook een situatie als de onderhavige voor ogen heeft gehad. Daar staat tegenover dat anders dan voorheen de ontheffing/ontzetting van het gezag ook zonder toestemming van een ouder kan worden uitgesproken en dat niet langer meer een ondertoezichtstelling van een half jaar en gedwongen uithuisplaatsing van anderhalf jaar zijn vereist (kamerstukken II 2008/2009, 32015, 3, p. 35 (MvT). Mede gelet hierop en de in de parlementaire geschiedenis verwoorde verantwoordelijkheid van de overheid is niet uitgesloten dat de beëindiging van het gezag op de voet van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW ook in een situatie als de onderhavige gerechtvaardigd kan zijn wanneer het gezag, dan wel de uitvoering daarvan zodanige problemen oplevert voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor diens ontwikkeling.

Indien daarbij de handelwijze van de gezagsouder dermate belastend is voor het kind en in strijd met het hetgeen van een verantwoord opvoeder mag worden verwacht dat daardoor voor het kind een onveilige of beschadigende opvoedingssituatie(s) ontstaat en daarin niet binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van het kind aanvaardbaar te achten termijn voldoende verbetering valt te verwachten, kan onder omstandigheden ook aan de tweede voorwaarde zijn voldaan.

Gronden artikel 1:266 BW

Ter beoordeling van de rechtbank ligt thans voor of aan de in artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW genoemde voorwaarden is voldaan, en zo ja, of beëindiging van het gezag van de vader op grond daarvan aangewezen is.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

De moeder van [minderjarige] is in 2002 overleden.

De vader van [minderjarige] is niet bereikbaar en niet beschikbaar voor [minderjarige] . Door de problematiek van [minderjarige] maar ook door de persoonlijke problematiek van de vader is de vader niet in staat gebleken blijvend de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en uitvoering te geven aan zijn gezag over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft hierdoor vanaf zijn 6de jaar in het huidige pleeggezin. Vanaf dat moment heeft de vader geen invulling meer gegeven aan zijn gezag. [minderjarige] heeft al zeker twee jaar geen contact meer gehad met zijn vader.

Omdat de vader niet dan wel nauwelijks bereikbaar is voor de pleegouders is het niet mogelijk om belangrijke beslissingen ter zake [minderjarige] te nemen. De beslissingen die thans genomen moeten worden zijn van groot belang voor het woonperspectief van [minderjarige] in een voor hem beschermde omgeving voor nu en in de toekomst.

De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] in de situatie dat de vader het gezag uitoefent ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De pleegouders zullen [minderjarige] blijven beschouwen als hun eigen zoon. Zij willen echter dat beslissingen over [minderjarige] bij de GI komen te liggen.

De rechtbank respecteert dit standpunt van de pleegouders en acht de wijze waarop zij zich de afgelopen jaren voor [minderjarige] hebben ingezet bewonderenswaardig.

De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering moet worden belast met de voogdij.

De beslissing


De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [belanghebbende 1] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.R. Bosker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2018.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgelegd op 13 augustus 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden