Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5065

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
18/364 WWETGC
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beroep ex art 27 WWETGC mbt een in België opgelegde beslissing tot confiscatie van 700.000 euro. Het door de bevoegde buitenlandse autoriteit ingevulde certificaat is leidend. Aan het enkele feit dat in Nederland rekening wordt gehouden met aankoopkosten en andere kosten, kan niet de conclusie worden verbonden dat dit (i) de leidende regel binnen de EU zou moeten zijn en (ii) dat dit meebrengt dat in België sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Geen prejudiciële vragen. Binnen de EU geldt voor iedere lidstaat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen. Er is geen schending gesteld noch gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

rekestnummer 18/364

cjib zaaknummer 300000085

beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 17 oktober 2018 op het beroep ex artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats], [straatnaam],

hierna: veroordeelde,

raadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 7 juni 2018 de schriftelijke volmacht ontvangen tot het instellen van beroep tegen de op 28 maart 2018 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 17 juni 2014 door het Hof van Beroep te Gent (België) opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van € 700.000,00. Er is een akte indiening beroep opgemaakt.

De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet en diverse stukken ingebracht.

De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2018 plaatsgevonden. De veroordeelde en zijn raadsman zijn niet verschenen. De rechtbank heeft geconstateerd dat veroordeelde en zijn raadsman tijdig en op correcte wijze zijn opgeroepen voor de behandeling. Als officier van justitie is mr. H.J. Mous verschenen.

De raadsman heeft op 26 september 2018 -voorafgaande aan de behandeling van de zaak- zijn op schrift gestelde pleitnota aan de rechtbank gezonden. De rechtbank zal de inhoud daarvan meenemen in haar beoordeling.

Motivering

1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.

2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.

3. Namens veroordeelde zijn diverse gronden voor het beroep opgevoerd.

4. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

5. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 27 van de WWETGC gelden:

I. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;

II. de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;

III. de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.

6.1.

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat het arrest van het Hof van Cassatie de beslissing is die bij het certificaat gevoegd had moeten worden omdat dit de beslissing is waaruit moet blijken of veroordeelde een eerlijk proces heeft gehad. Wanneer het beroep in cassatie in strijd met artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zou zijn behandeld, zou het tenuitvoerleggen van de confiscatiebeslissing van het Hof van Beroep te Gent dat ook zijn, aldus de raadsman. De raadsman heeft hierbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010 (NJ 2011/169). De raadsman heeft voorts gesteld dat artikel 6 van het Verdrag van de Europese Unie een onderzoeksplicht creëert om te garanderen dat met de erkenning van een Europees confiscatiebeslissing de grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen niet worden geschonden.

6.2.

De rechtbank overweegt dat de procedure rondom de erkenning en tenuitvoerlegging van in het buitenland opgelegde beslissingen tot confiscatie zo is ingericht dat het door de bevoegde buitenlandse autoriteit ingevulde certificaat leidend is. Het is aan de buitenlandse autoriteit om aan te geven op grond van welke beslissing de tenuitvoerlegging en executie plaatsvindt. In het certificaat is aangegeven dat dit betreft de beslissing van het Hof van Beroep te Gent. Dit is ook nog eens bevestigd in een mailbericht. De rechtbank schuift daarom de andersluidende stelling van de raadsman terzijde. Daar komt bij dat aan de diverse binnen de Europese Unie gesloten verdragen het wederzijdse vertrouwen ten grondslag ligt dat de andere lidstaten de uitgangspunten van artikel 6 van het EVRM onderstrepen en naleven. De raadsman heeft niets aangevoerd waaruit het vermoeden voortvloeit dat in dit specifieke geval hierop niet vertrouwd zou mogen worden.

7.1.

De raadsman heeft daarnaast gesteld dat veroordeelde in de onderliggende strafzaak in hoger beroep niet in persoon zijn verdediging heeft gevoerd maar werd vertegenwoordigd door een raadsman. Volgens de raadsman blijkt hieruit niet dat is voldaan aan de in artikel 24a, eerste lid, van de WWETGC omschreven eis dat veroordeelde op de hoogte moet zijn geweest van de behandeling.

7.2.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in het certificaat onder (j) 3.2. is weergegeven dat veroordeelde op de hoogte was van het voorgenomen proces dat heeft geleid tot de beslissing tot confiscatie, dat hij een zelfgekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd heeft zijn verdediging bij het proces te voeren en dat hij bij dat proces ook werkelijk door de raadsman is verdedigd. Gelet op deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat veroordeelde op de hoogte was van de behandeling in hoger beroep.

8.1.

De raadsman heeft verder gesteld dat er bij het veroordelend arrest gehandeld is in strijd met artikel 6 EVRM doordat er geen rekening is gehouden met de kosten die verbonden zijn aan de realisatie van de misdrijven (aankoop en andere kosten). Het recht op een eerlijk proces brengt mee dat slechts ontnomen wordt wat wederrechtelijk is verkregen. Het beginsel van wederzijdse erkenning staat geen inhoudelijke controle van het arrest toe, maar dit beginsel kan er niet toe leiden dat de fundamentele rechten van de mens dienen te wijken. Artikel 6 EVRM dient daarom te prevaleren boven het beginsel van wederzijdse erkenning. Omdat er bij de confiscatiebeslissing gehandeld is in strijd met artikel 6 EVRM kan er geen erkenning en tenuitvoerlegging plaatsvinden, aldus de raadsman.

8.2.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Alle landen binnen de Europese Unie hebben de verplichting op zich genomen de universele rechten van de mens te eerbiedigen. Aan het enkele feit dat in Nederland, anders dan in het verzoekende land, bij de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel rekening wordt gehouden met aankoopkosten en andere kosten die zijn verbonden aan de realisatie van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan niet de conclusie worden verbonden dat dit (i) de leidende regel binnen de Europese Unie zou moeten zijn en (ii) dat dit meebrengt dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces.

9.1.

De raadsman heeft aangegeven dat het certificaat niet juist is omdat daarin niet wordt genoemd dat de inbeslaggenomen motorfiets dient te worden verkocht en dat de verkoopopbrengst dient te worden afgetrokken van de opgelegde 700.000 euro. Dit laatste staat vermeld in het arrest van het Hof van Beroep.

9.2.

De rechtbank ziet geen onjuistheid in het certificaat of een tegenstrijdigheid tussen het certificaat en de tekst van het veroordelend arrest. Er is een betalingsverplichting van 700.000 euro opgelegd aan veroordeelde en de inning van dat bedrag is overgedragen aan Nederland. Nederland is op de hoogte van het feit dat er een motorfiets in beslag is genomen en dat het de bedoeling van het Hof van Beroep in Gent is dat -bij verkoop van dat goed- de opbrengst daarvan in mindering wordt gebracht op het bedrag van 700.000 euro. Dit laatste is een aanwijzing voor de executie en veroordeelde kan en mag er op vertrouwen dat Nederland die aanwijzing zal opvolgen zodat veroordeelde niet meer dan het opgelegde bedrag van 700.000 euro zal worden ontnomen.

10.1.

De raadsman heeft betoogd dat Nederland, bij tenuitvoerlegging van het arrest, het grondrecht van het recht op eigendom van veroordeelde zou schenden omdat dit zou betekenen dat veroordeelde alles wat hij nu bezit moet inleveren en hem de rest van zijn leven iedere mogelijkheid wordt ontnomen eigendom te genereren.

10.2.

De rechtbank overweegt dat in Nederland met inachtneming van het grondrecht van het hebben van eigendom de procedure voor het innen van een door de rechter opgelegde betalingsverplichting is vastgesteld. De stelling van de raadsman dat veroordeelde al zijn bezittingen moet inleveren is feitelijk onjuist. De stelling dat hij nooit meer de mogelijkheid zal hebben eigendom te genereren is eveneens feitelijk onjuist. De rechtbank verwerpt dit verweer.

11.1.

De raadsman heeft tenslotte gesteld dat, mocht de rechtbank de verweren niet volgen en van oordeel zijn dat het beroep ongegrond zou moeten worden verklaard, er prejudiciële vragen gesteld zouden moeten worden. De vragen betreffen de onderzoeksplicht van de rechtbank naar de eerbiediging door het buitenland van grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen, dit in het licht van het vertrouwensbeginsel en het beginsel van wederzijdse erkenning. De raadsman verwijst hierbij naar artikel 1, tweede lid van het Kaderbesluit en artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

11.2.

De rechtbank wijst het voorwaardelijk gedane verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen af. Binnen de Europese Unie geldt voor iedere lidstaat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU. Het vertrouwen in de rechtsstelsels van andere lidstaten heeft de basis gevormd voor de totstandkoming van het instrument van wederzijdse erkenning van beslissingen. De onderhavige confiscatiebeslissing is het resultaat van een volledige rechtszaak die heeft plaatsgevonden in de uitvaardigende lidstaat. In dit verband staan in de uitvaardigende lidstaat rechtsmiddelen voor de betrokkene open om de desbetreffende beslissing inhoudelijk zo nodig tot in hoogste rechterlijke instantie aan te vechten. Voorts zijn de lidstaten van de Europese Unie allen partij bij het EVRM en dient ervan uit te worden gegaan dat lidstaten de in dat verdrag neergelegde rechten respecteren. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kent een individueel klachtrecht voor burgers dat door alle lidstaten is erkend. Dit betekent dat in bepaalde gevallen eventueel ook bij het EHRM een klacht aanhangig kan worden gemaakt met betrekking tot zaken die raken aan fundamentele rechten, zoals het recht op een eerlijk proces. Het is om die reden dan ook gerechtvaardigd vertrouwen te hebben in de door een rechter in de uitvaardigde lidstaat genomen confiscatiebeslissing.

In het zeer uitzonderlijke geval waarin het ernstige vermoeden bestaat dat fundamentele rechtsnormen zijn geschonden, wijkt het uitgangspunt van erkenning van de beslissing van de buitenlandse rechter. Uit artikel 1 van het EVRM volgt immers, dat staten die partij zijn bij dit verdrag onder alle omstandigheden een ieder die onder hun rechtsmacht ressorteert, beschermen tegen schendingen van rechten die hen toekomen op grond van het EVRM (zie Kamerstukken II, 2008/2009, 31555, nr. 5, p. 8-9).

Zoals hiervoor onder 6.2 door de rechtbank uitdrukkelijk is overwogen is een dergelijke schending in dit geval gesteld noch gebleken. Het stellen van een prejudiciële vraag is in dit verband niet noodzakelijk daar er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid bestaat over de onderzoeksplicht noch over het toetsingskader van de Nederlandse rechter.

12. De rechtbank is van oordeel dat er geen weigeringsgronden aanwezig zijn die de officier van justitie had moeten toepassen bij de beoordeling van het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde beslissing tot confiscatie. De rechtbank is voorts van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een facultatieve weigeringsgrond en in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning heeft kunnen komen. De rechtbank zal dan ook het beroep ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gewezen op 17 oktober 2018 door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. M. Haisma, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.

Mrs. Wiersma en Haisma zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.