Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5063

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
18/333 WWETGC
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Verzet ex art 15 WWETGC mbt een in België opgelegde beslissing tot betaling van een geldboete, gerechtskosten en bijdrage slachtofferhulp van in totaal 42.742,35 euro. Het CJIB heeft zorgvuldig gehandeld bij pogingen het opgelegde bedrag te innen. Er is geen sprake van een onrechtmatige verhoging van het bedrag met veel kosten. Het dwangbevel is rechtmatig uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

rekestnummer 18/333

cjib-nummer 320002929

beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 17 oktober 2018 op het verzet ex artikel 15 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

Veroordeelde heeft zich bij bezwaarschrift, gedateerd 27 januari 2018, verzet tegen het nemen van verhaal door afgifte van een dwangbevel.

De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Veroordeelde is niet verschenen. De oproeping van veroordeelde voor de behandeling van het bezwaarschrift is uitgereikt in persoon.

De griffier heeft veroordeelde schriftelijk uitgenodigd de gronden van zijn bezwaar aan te vullen, onder toezending van de door het openbaar ministerie overgelegde stukken. Er zijn geen nadere stukken ontvangen van veroordeelde.

Motivering

1. Uit de stukken blijkt dat veroordeelde op 10 april 2014 door het Hof van Beroep te Luik (België) is veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 12.000,00, gerechtskosten ten bedrage van € 30.592,35 en een bedrag van € 150,00 als bijdrage aan slachtofferhulp. De veroordeling had betrekking op de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

België heeft op 10 juni 2015 Nederland verzocht de tenuitvoerlegging van het opgelegde bedrag van in totaal € 42.742,35 over te nemen. De officier van justitie heeft op 21 december 2015 de betreffende beslissing van 10 april 2014 erkend. De officier van justitie heeft hierbij aangegeven dat geen van de in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC) genoemde verplichte weigeringsgronden van toepassing is. De officier van justitie heeft voorts aangegeven dat de facultatieve weigeringsgrond genoemd in artikel 14, aanhef onder a sub 1 van de WWETGC niet wordt toegepast omdat de feiten ook in Nederland strafbaar zijn en ook in Nederland kunnen leiden tot oplegging van een geldelijke sanctie.

2. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft meermalen getracht het verschuldigde bedrag, verhoogd met kosten, te innen bij veroordeelde. Op 14 november 2016 heeft het CJIB een dwangbevel uitgevaardigd tot verhaal van het openstaande bedrag op veroordeelde. Het bedrag was op dat moment opgelopen tot € 51.315,82.

3. Veroordeelde heeft zich tegen het nemen van verhaal verzet op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid van de WWETGC.

4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een bezwaarschrift op grond van artikel 15 van de WWETGC gelden:

I. de rechtbank mag bij haar beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.

II. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie de beslissing tot erkenning had moeten weigeren voor zover dit de verplichte weigeringsgronden betreft. Voorts dient de rechtbank te toetsen of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een facultatieve weigeringsgrond.

III. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid het dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen.

5. Veroordeelde heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij bezwaar instelt tegen het dwangbevel omdat hij, toen het bevel werd uitgevaardigd, gedetineerd was en omdat het dwangbevel naar de verkeerde penitentiaire inrichting (hierna: PI) is gestuurd. Om die reden heeft veroordeelde geen mogelijkheid gehad te reageren op het dwangbevel. Ook de acceptgiro's van het CJIB met verzoek tot betaling zijn naar de verkeerde PI gestuurd. Het dossier is zodoende onrechtmatig met veel kosten verhoogd, aldus veroordeelde.

6. Uit de stukken blijkt dat het CJIB op 26 januari 2016 heeft getracht het opgelegde bedrag te innen door het toezenden van een aanzegging. Op 12 februari 2016 is er door de partner van veroordeelde telefonisch contact opgenomen met het CJIB om te informeren naar betalingsmogelijkheden. Er werd niets betaald. Op 15 maart 2016 is een eerste aanmaning verzonden met verhoging van het bedrag. Een verzonden tweede aanmaning kwam onbestelbaar retour. Na verificatie van het detentie-adres van veroordeelde is op 1 juni 2016 nogmaals een eerste aanmaning verzonden naar het op dat moment correctie detentieadres (PI Hoogvliet Rotterdam). Er volgde geen betaling. Een tweede aanmaning kwam onbestelbaar retour waarna het postadres opnieuw werd geverifieerd. De tweede aanmaning is opnieuw verzonden op 12 augustus 2016 naar het juiste postadres (PI Noordsingel Rotterdam). Op 11 oktober 2016 is een herinneringsbrief gestuurd maar die kwam onbestelbaar retour. Het adres werd opnieuw geverifieerd en bleek juist te zijn. Op 15 november 2016 is vervolgens het dwangbevel uitgevaardigd en verzonden naar PI Noordsingel waar veroordeelde tussen 21 juni 2016 en 10 januari 2017 gedetineerd was.

7. De rechtbank is van oordeel dat het CJIB voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat zij er op mocht vertrouwen dat veroordeelde de poststukken ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Er is geen sprake van een onrechtmatige verhoging van het bedrag met veel kosten. Hetgeen veroordeelde heeft gesteld kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid geen dwangbevel heeft kunnen uitvaardigen.

8. Nu verder niet is gebleken dat sprake is van een van de verplichte weigeringsgronden en de rechtbank van oordeel is dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een weigeringsgrond, heeft de officier van justitie in redelijkheid het dwangbevel kunnen uitvaardigen.

9. Het door veroordeelde ingediende bezwaarschrift moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. M. Haisma, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2018.

Mrs. Wiersma en Haisma zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.